Ministerie van Financien

Titel: Eindrapport van de Commissie Cultuur en Belastingen

Hoog aanslaan,

Laag belasten

Rapport Commissie Cultuur en Belastingen

10 november 1999

Inhoudsopgave


1. Voorwoord 3


2. Samenvatting 4


3. Lijst van aanbevelingen 8

Technische bijlagen

I. Fiscale faciliteiten voor de film en de podiumkunsten 13 II. Instellingen in de culturele sector 15 III. Kunstbezit in Nederland 21
IV. De artiestenregeling in de 21e eeuw 25 V. De fiscale positie van kunstenaars 32

Bijlage Instellingsbeschikking 46


1. VOORWOORD

De staatssecretaris van Financiën, dr. W. Vermeend, en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dr. F. van der Ploeg hebben de Commissie Cultuur en Belastingen ingesteld die hen zal adviseren over fiscale aspecten op het gebied van kunst en cultuur.

In navolging van de door de Commissie Cultuur en Belastingen gepubliceerde Hoofdlijnennotitie d.d. 20 september 1999, presenteert de Commissie Cultuur en Belastingen thans haar eindrapport.

In dit rapport zijn de gesignaleerde knelpunten in de Hoofdlijnennotitie nader uitgewerkt waarbij tevens aansluiting is gezocht bij het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001. De Commissie heeft van een groot aantal culturele instellingen en belangenorganisaties vernomen welke fiscale problemen zich in de praktijk voordoen.

Gelet op de taakomschrijving van de Commissie is echter een te gedetailleerde beschouwing van de problematiek niet mogelijk gebleken, waardoor niet alle aangedragen onderwerpen aan de orde zijn gekomen.

Enkele onderdelen van het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 vloeien rechtstreeks voort uit het regeerakkoord. Daar waar de commissie aanbevelingen doet die afwijken van hetgeen in het regeerakkoord is vastgelegd, nemen de ambtelijke leden nadrukkelijk afstand van deze aanbevelingen.

Gelet op de complexiteit van de problematiek is volstaan met het opnemen van een samenvatting van en een lijst van aanbevelingen. De technische uitwerkingen zijn opgenomen in de bijlagen I t/m V. Alvorens conclusies aan de samenvatting te verbinden bevelen wij de lezer aan de betreffende bijlage te bestuderen.

Namens de Commissie,

Mevrouw C. Habbema,

Voorzitter van de Commissie

Cultuur en Belastingen


2. SAMENVATTING

Staatssecretaris F. van der Ploeg van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en staatssecretaris W. Vermeend van Financiën stelden in februari 1999 de commissie Cultuur en Belastingen in. Deze commissie moest hen adviseren over de belastingheffing op het cultuurterrein met het oog op de belastingherziening in de 21e eeuw. Hieronder volgt de samenvatting van het advies van de commissie.

Fiscale faciliteiten voor de film en de podiumkunsten

De mogelijkheid een commanditaire vennootschap op te richten heeft positief gewerkt voor de Nederlandse filmindustrie. Die mogelijkheid zou volgens het wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 verdwijnen. De commissie Cultuur en Belastingen stelt voor commanditaire vennoten te compenseren voor de gevolgen van de nieuwe belastingwetgeving. Commanditaire vennootschappen in de filmindustrie die voor 1 januari 2001 zijn aangegaan zouden volgens de commissie onder een overgangsregeling moeten vallen.

De commissie vindt dat nagegaan moet worden of de kwaliteit van de Nederlandse film er niet onder lijdt als een filmbudget in Nederland besteed moet worden.

De fiscale faciliteit van een commanditaire vennootschap heeft bijzonder positief gewerkt voor de Nederlandse filmindustrie. Daarom wil de commissie deze mogelijkheid ook bieden aan de muziek- en podiumkunsten.

Culturele instellingen

Kenniscentrum Cultuur

Het begrip culturele instelling moet voor alle belastingwetten hetzelfde zijn. Dat is nu niet het geval. Daarom adviseert de commissie dat de belastingdienst een Kenniscentrum Cultuur opricht dat op verzoek verklaart of een instelling als culturele instelling te boek staat en welke fiscale gevolgen dat met zich meebrengt.

Vennootschapsbelasting

In de praktijk is een culturele instelling onderneming als zij winst wil maken. Zij is dan belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Het komt op dit moment vaak voor dat de belastingdienst ervan uitgaat dat een instelling vennootschapsbelasting moet betalen als zij een batig saldo heeft.

De commissie vindt echter dat de belastingdienst over een periode van 4 jaar moet beoordelen of er sprake is van een exploitatieoverschot. Instellingen krijgen immers voor de duur van 4 jaar subsidie. Alleen als zij ook na die periode geld over hebben zou er sprake kunnen zijn van een winststreven.

Nu moeten culturele instellingen soms vennootschapsbelasting betalen over subsidies die zij reserveren voor producties die pas later plaatsvinden. De commissie vindt dat de belastingdienst voorzieningen moet toestaan in de jaarrekeningen voor subsidies waar pas later uitgaven tegenover staan. Daarvoor is overleg nodig tussen de ministeries van Financiën en van OCenW.

Veel culturele instellingen ontvangen weinig of geen subsidie. Willen zij producties financieren dan is het vaak noodzakelijk dat zij daarvoor een exploitatieoverschot hebben.

Op dit moment moeten zij daar eerst vennootschapsbelasting over betalen. De commissie vindt dit onwenselijk. Als een instelling het exploitatieoverschot gebruikt voor haar eigen producties (het primaire doel van een instelling), dan is er geen sprake van winststreven en zou zij hierover ook geen vennootschapsbelasting hoeven te betalen.

Schenkingen

Wat de aftrek van schenkingen aan culturele instellingen betreft, vindt de commissie dat het wetsvoorstel inkomstenbelasting 2001 niet ver genoeg gaat in vergelijking met de situatie in ons omringende landen. Daarom wil de commissie het maximum voor de giftenaftrek verhogen tot 20% voor de inkomstenbelasting en 15% voor de vennootschapsbelasting. Daarnaast stelt de commissie voor om aftrekbare giften uitsluitend te verrekenen met het inkomen uit werk en woning (Box I). Tevens zouden culturele instellingen over schenkingen minder schenkingsrecht moeten betalen: de vrijstelling zou verhoogd kunnen worden tot f 50.000 en het tarief verlaagd van 11% naar 5%.

Cultureel beleggen

De commissie wil graag dat er meer mogelijkheden komen voor particulieren om te beleggen in culturele instellingen of om hen leningen verstrekken. Dit kan door aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan culturele instellingen buiten de grondslag voor de vermogensrendementsheffing (Box III) te houden, net zoals dit voor groene beleggingen al het geval is.


3. Kunstbezit in Nederland

Volgens de Wet Behoud Cultuurbezit (WBC) mogen kunstvoorwerpen die op een speciale lijst staan niet aan een buitenlander worden verkocht zonder dat ze eerst in Nederland te koop zijn aangeboden. Nu heeft de Staat wel een aankoopfonds, maar dat is per definitie ontoereikend. Zo dreigen waardevolle kunstvoorwerpen naar het buitenland te verdwijnen.

Om dit tegen te gaan bepleit de commissie dat de Staat het blote eigendom van een kunstvoorwerp kan krijgen, terwijl de eigenaar of erfgenaam het vruchtgebruik heeft. In de Successiewet zal een vrijstelling moeten worden opgenomen voor het verkrijgen van het vruchtgebruik van een kunstvoorwerp waarvan het blote eigendom aan de Staat toebehoort. In aansluiting hierop beveelt de commissie aan om de voor Box III geldende vrijstelling voor voorwerpen van kunst en wetenschap in het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 uit te breiden met een vrijstelling voor rechten op deze voorwerpen.

Ten slotte wil de commissie voorwerpen van kunst en wetenschap, ongeacht de aard van hun gebruik, vrijstellen van de vermogensrendementsheffing. Dit om te voorkomen dat kunst uit Nederland verdwijnt en dat kunstbezitters geen behoefte meer hebben om hun bezit in een museum ten toon te stellen. Dit heeft te maken met artikel 5.2.2. Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001. Daarin staat dat een eigenaar over voorwerpen van kunst en wetenschap vermogensrendementsheffing (Box III) moet betalen, tenzij hij of zij aantoont dat deze voorwerpen geen belegging vormen.


4. De artiestenregeling in de 21e eeuw

De mogelijkheid kosten af te trekken en het sociale vangnet van de werknemersverzekeringen zijn in de huidige artiestenregeling van groot belang. Beide mogelijkheden dienen terug te komen in het belastingstelsel van de 21e eeuw. Dit kan op verschillende manieren. Samenwerking met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is daarvoor noodzakelijk. Aangezien in de commissie geen afgevaardigde van dit ministerie zitting had, heeft de commissie volstaan met het aangeven van enkele alternatieven in hoofdstuk IV van de Technische bijlagen.

De fiscale positie van kunstenaars

Inkomstenbelasting

Wie ondernemer is, verschilt per belastingwet. Dit zorgt voor misverstanden en onduidelijkheid. Daarom pleit de commissie ervoor dat het eerder genoemde Kenniscentrum Cultuur het ondernemersbegrip eenduidig interpreteert. Tevens dient de problematiek onder de aandacht van de Commissie Stevens te worden gebracht. Het begrip ondernemer hoeft niet apart in de wet te worden gedefinieerd. In plaats daarvan kan men aansluiten bij het huidige ondernemersbegrip.

Zijn de werkzaamheden van een kunstenaar inkomensbron of hobby? Om dit te beoordelen is het zaak dat de Belastingdienst een ruim kostenbegrip hanteert. Daarbij moet zij niet kijken naar de inkomsten die op grond van de Wet Inkomstenbelasting in de belastingheffing worden betrokken, maar naar het saldo van de werkelijke opbrengsten en kosten.

Zodra er sprake is van een inkomstenbron, krijgt de kunstenaar te maken met fiscale regelgeving. De commissie vindt het onredelijk dat kunstenaars in bepaalde gevallen de kosten van hun werkruimte niet kunnen aftrekken.

Het is bijzonder moeilijk of zelfs onmogelijk de voorraad van beeldende kunstenaars te waarderen. Daarom stelt de commissie voor de kunstwerken die tot het ondernemingsvermogen behoren op nihil te waarderen en deze pas te taxeren wanneer de kunstenaar gestopt is met werken.

Vanwege de sterk wisselende inkomsten en de korte carrière van kunstenaars wil de commissie laten onderzoeken of hun pensioen flexibeler kan worden opgebouwd.

In de voorgestelde wetgeving moeten werkgevers de noodzaak van aftrekbare kosten motiveren; kostenvergoedingen zijn onbelast en bij de werknemer kosten zijn niet langer aftrekbaar. Echter, bij de meeste artiesten zijn de kostenvergoedingen belast en dit zal op grond van het huidige wetsvoorstel ook zo blijven. Dit behoeft wijziging.

Daarnaast vindt de commissie met de Raad van State dat met deze beperking van kostenaftrek het draagkrachtbeginsel wordt verlaten.

Volgens het wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 kunnen buitenlandse artiesten niet langer een hoger bedrag aftrekken op grond van werkelijk gemaakte kosten dan het wettelijke forfaitaire percentage van 25. Daarmee wordt Nederland onaantrekkelijker voor grote acts. Daarom pleit de commissie ervoor het oude systeem te behouden. Buitenlandse artiesten zouden daarnaast de mogelijkheid moeten krijgen achteraf aangifte te doen. Dan kunnen zij de teveel ingehouden loonbelasting terugkrijgen.

Nederlandse artiesten die in het buitenland optreden moeten vaak dubbel belasting betalen. Daarnaast komt Nederland deze artiesten te weinig tegemoet doordat geen rekening wordt gehouden met de premies volksverzekeringen. Dit dient te veranderen. Daarnaast zou Nederland in het buitenland moeten bepleiten dat Nederlandse artiesten voor buitenlandse heffingen hun kosten mogen aftrekken door middel van een lagere bronheffing of de mogelijkheid achteraf aangifte te doen.

De in de cultuursector veel voorkomende stichting kent zowel voor bestuurders als voor werknemers veel onzekerheden. Volgens de commissie is hier dringend toelichting gewenst.

Omzetbelasting

Zoals gezegd kent het begrip culturele instelling geen eenduidige definiëring in de belastingwetgeving, dus ook niet als het gaat om de omzetbelasting. Hetzelfde geldt voor de begrippen kunst en kunstenaar. Het in te stellen Kenniscentrum Cultuur zou ook in de interpretatie van deze begrippen meer eenduidigheid moeten brengen.

Organisatoren van gratis toegankelijke culturele evenementen zijn vaak alleen over hun sponsoractiviteiten BTW verschuldigd. Dit schept onduidelijkheid als het gaat om de verrekening van voorbelasting. De commissie wil dan ook dat de organisator van culturele evenementen ervoor kan kiezen behandeld te worden als ondernemer voor de omzetbelasting.

Sinds kort kunnen culturele instellingen onbelast fondswervende activiteiten verrichten. De commissie is daar blij mee. Wel stelt zij voor de vrijstellingsgrens op te trekken naar f 70.000, net als bij sportorganisaties.

Tot slot vindt de commissie dat de in de wet op de omzetbelasting opgenomen vrijstelling van de diensten van schrijvers, componisten en journalisten kan komen te vervallen. Immers, de grondslagen van vrijstelling zijn niet actueel meer. Gelet op het arbeidsintensieve karakter van deze werkzaamheden kunnen zij onder het lage BTW-tarief worden gebracht.


3. LIJST VAN AANBEVELINGEN

Fiscale faciliteiten voor de film, de muziek en de podiumkunsten


1. Er dient een overgangsregeling te worden getroffen voor film-CVs welke voor 1 januari 2001 zijn aangegaan, waarin de huidige fiscale faciliteiten zijn verwerkt


2. Met betrekking tot de gesignaleerde nadelen stelt de commissie voor te onderzoeken in hoeverre voor een filmbudget een bestedingsverplichting in Nederland toelaatbaar is, mede gelet op de Europese regelgeving.


3. De commissie bepleit dat de wetgever commanditaire vennoten / beleggers in film-CVs compenseert voor het teloorgaan van de fiscale faciliteiten van de film-CV.


4. Uitbreiding van de voor de filmsector geldende faciliteiten naar de muziek- en

podiumkunsten acht de commissie meer dan wenselijk.

Instellingen in de culturele sector


5. De commissie stelt voor een voor alle belastingwetten gelijkluidende invulling van het begrip culturele instelling op te stellen. Op verzoek wordt door een door de Belastingdienst in te stellen Kenniscentrum Cultuur verklaard dat het betreffende lichaam

voor de fiscale wet- en regelgeving als culturele instelling kwalificeert. Deze verklaring zal vergelijkbaar zijn met de artikel 24 lid 4-verklaring welke thans geldt voor de Successiewet 1956. Slechts indien het lichaam in het bezit is van een dergelijke verklaring kan gebruik worden gemaakt van de diverse voor culturele instellingen geldende faciliteiten

6. De commissie bepleit om voor lichamen en vennootschappen, die als culturele instelling worden aangemerkt de mogelijkheid te scheppen een voorziening te vormen voor ontvangen (gerichte) subsidies waar eerst in volgende jaren kosten tegenover zullen staan.


7. Bij het toekennen van subsidies aan culturele instellingen door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dient te worden omschreven ten behoeve van welke categorie activiteiten deze subsidies worden verstrekt, zodat beter dan thans beoordeeld kan worden in hoeverre een eventueel overschot nog tot latere uitgaven zal leiden. Overleg met het ministerie van Financiën acht de commissie daarbij van groot belang.


8. Het verdient aanbeveling om voor als culturele instelling kwalificerende lichamen de

mogelijkheid te creëren om, door middel van een zogenaamde herbestedingsreserve, de heffing van vennootschapsbelasting over exploitatieoverschotten te vermijden, voor zover deze overschotten voortkomen uit nevenactiviteiten en uitsluitend overeenkomen met het primaire doel van de instelling.

9. De commissie stelt voor in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden aftrekbare giften steeds te verrekenen met inkomen uit werk en woning (box I).

10. Teneinde meer aansluiting te zoeken bij het buitenland bepleit de commissie een verhoging van het algemene maximum voor de giftenaftrek voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting tot 20% resp. 15%.

11. Daarnaast verdient het aanbeveling voor culturele instellingen de vrijstellingen voor successie- en schenkingsrecht belangrijk te verhogen en voorts de tarieven te verlagen. Wat de vrijstellingen betreft denkt de commissie aan een bedrag van minimaal f 50.000. Het tarief zou moeten worden verlaagd tot maximaal 5%.

12. In de Wet op de inkomstenbelasting 2001 dient, naar analogie van de faciliteiten voor groen beleggen, een bepaling te worden opgenomen welke onder nader te stellen voorwaarden aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan culturele instellingen buiten de grondslag van de vermogensrendementsheffing van Box III houdt.

Kunstbezit in Nederland
13. De regeling, dat bij vererving van WBC-kunstvoorwerpen het blote eigendom van de voorwerpen aan de Staat wordt nagelaten en het (levenslange) vruchtgebruik aan de erfgenamen, dient te worden gestimuleerd. Hiertoe dient in de Successiewet een vrijstelling te worden opgenomen voor de verkrijging van het vruchtgebruik van kunstvoorwerpen waarvan het blote eigendom aan de Staat toekomt.

14. De regeling, dat het blote eigendom van WBC-kunstvoorwerpen aan de Staat wordt geschonken, waarbij het vruchtgebruik bij de schenker blijft totdat deze overlijdt, dient te worden gestimuleerd. Hiertoe dient de Staat, als bloot eigenaar, de onderhouds- en verzekeringskosten van de voorwerpen te dragen

15. In de Wet op de inkomstenbelasting 2001 dient een voor Box III geldende vrijstelling voor rechten op voorwerpen voor kunst en wetenschap te worden opgenomen.

16. Naar mening van de commissie dient in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 een bepaling te worden opgenomen op grond waarvan voorwerpen van kunst en wetenschap, analoog aan het thans geldende artikel 8, lid 2, onderdeel a Wet op de vermogensbelasting 1964, worden vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing, ongeacht de aard van hun gebruik.

De artiestenregeling in de 21e eeuw
17. Een nieuwe artiestenregeling dient te steunen op twee peilers, te weten de handhaving van de kostenaftrek en van het sociale vangnet van de werknemersverzekeringen. Alvorens een nieuwe artiestenregeling kan worden ontworpen en geïmplementeerd, is overleg met het ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid noodzakelijk.

De fiscale positie van kunstenaars
18. Coördinatie van het ondernemersbegrip is dringend gewenst. Gedacht wordt daarbij aan een Kenniscentrum Cultuur waar een kunstenaar terecht kan om voor alle wetten zijn fiscale status te vernemen. Tevens dient dit probleem onder de aandacht van de Commissie Stevens te worden gebracht.

19. In tegenstelling tot hetgeen de Raad van State adviseert verdient het naar de mening van de commissie geen aanbeveling een omschrijving van het ondernemerschap in de wet op te nemen. Het verdient de voorkeur om aan te sluiten bij het huidige ondernemersbegrip. Niet alleen wordt dit huidige begrip vrijwel ongewijzigd overgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 2001, maar ook ligt aan het huidige begrip een omvangrijke hoeveelheid jurisprudentie ten grondslag.

20. De situaties waarin scheppende en uitvoerende kunstenaars kostenaftrek terzake van een werkruimte kunnen claimen behoeven verduidelijking en dienen te worden versoepeld.

21. Bepleit wordt een regeling te treffen als in Canada, waar kunstenaars wordt toegestaan geproduceerde, tot het ondernemingsvermogen behorende kunstwerken op nihil te waarderen, terwijl de productiekosten wel al in het jaar van productie in mindering van de winst kunnen worden gebracht. De Verenigde Staten kennen een vergelijkbare regeling.

22. Bezien dient te worden in hoeverre een flexibeler pensioenopbouw kan bijdragen aan het verbeteren van de oudedagsvoorziening van kunstenaars.

23. Werknemers in loondienst die noodzakelijke kosten hebben welke niet door de werkgever worden vergoed, dienen deze kosten te kunnen blijven aftrekken. Het beginsel van belastingheffing naar draagkracht wordt door het schrappen van deze aftrek verlaten. Rechtvaardigheid gaat naar mening van de commissie boven eenvoud of motieven van sociaal-economisch-politieke aard.

24. De commissie benadrukt dat de kunstenaars / niet-ondernemers eenzijdig voor de artiestenregeling moeten kunnen kiezen. Voor de bedoelde categorie artiesten zou kostenaftrek volgens het beperkte winstregime toepassing dienen te vinden.

25. Er dient een regeling te worden getroffen welke de kunstenaar, die naar zijn uitoefening van een zelfstandig beroep tevens werkzaam is in een met de beroepsuitoefening samenhangende dienstbetrekking, de mogelijkheid biedt een kostenaftrek volgens het winstregime te kiezen of, indien hij aan bepaalde criteria voldoet, het geheel van de inkomsten als ondernemingswinst aan te merken.

26. Bij de beoordeling van de vraag of in casu een bron van inkomen aanwezig is, dient een ruim kostenbegrip te worden gehanteerd zonder dat de uitsluitingen en beperkingen van de kostenaftrek in de inkomstenbelasting van toepassing zijn. De vraag of een bron van inkomen aanwezig is dient derhalve te worden beantwoord aan de hand van de thans geldende criteria.

27. De commissie heeft bezwaar tegen een eventuele uitsluiting van kostenaftrek boven 25% van de overeengekomen gage. Het door de Belastingdienst ingenomen standpunt, dat de mogelijkheid van restitutie van ten laste van buitenlandse artiesten ingehouden loonbelasting ontbreekt, behoeft verduidelijking.

28. Nederland kan internationaal bepleiten dat het buitenland aftrek van kosten toestaat of dat een lager brontarief wordt gehanteerd.

29. Buitenlandse artiesten zouden liefst in alle landen de mogelijkheid moeten krijgen om na afloop van het jaar aangifte inkomstenbelasting in te dienen zodat lage belastingtarieven kunnen worden toegepast. In Engeland en Frankrijk is dat reeds het geval.

30. Het in het artiestenloon betrekken van naturabeloningen zou zich moeten beperken tot die gevallen waarin in de bewoordingen van de inmiddels ingetrokken resolutie- daardoor substantiële verstrekkingen in natura (bijvoorbeeld gebruiksvoorwerpen) buiten de heffingsmaatstaf zouden blijven. Het belasten van de genoemde kostenvergoeding staat bovendien haaks op de verdwijning van de kostenaftrek in de belastingwetgeving vanaf 2001. Via de opdrachtgever geregeld verblijf (hotel, maaltijden, drank) dient niet als loon in natura te worden beschouwd. In vergelijking met de behandeling van gewone werknemers kan worden gesproken van ongemotiveerde verschillen, waardoor de podiumsector in de problemen komt.

31. De commissie pleit ervoor om met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overleg te voeren om een uniforme behandeling van kunstenaars in de werknemersverzekeringen te bevorderen. In dit overleg dient ook het convenant voor de audiovisuele branche over de toepassing van de werknemersverzekeringen te worden betrokken.

32. De organisator van culturele elementen dient de mogelijkheid te worden geboden op grond van artikel 7, lid 5, Wet op de omzetbelasting 1968 te opteren voor volledige belastingplicht als ondernemer voor de omzetbelasting. Tevens dient te worden onderzocht in hoeverre het wenselijk is dat kunstenaars / natuurlijke personen van dit keuzerecht gebruik moeten kunnen maken.

33. Wanneer de tot het vermogen van een onderneming behorende bedrijfsmiddelen aan een culturele instelling worden geschonken dient toepassing van de BTW-BUA regeling of de BTW-herzieningsbepalingen achterwege te blijven. Door het ministerie van Financiën dient een eenduidige beleidsmededeling naar de diverse eenheden van de Belastingdienst te worden gestuurd

34. Voor culturele instellingen dient, in navolging van sportorganisaties, de vrijstellingsgrens voor fondswervende diensten op f 70.000 te worden gesteld.

35. De vrijstelling voor schrijvers en componisten zoals neergelegd in artikel 11, lid 1, onderdeel q, Wet op de omzetbelasting 1968 dient uit de wet te worden geschrapt; deze diensten dienen onderworpen te zijn aan het lage omzetbelastingtarief.

36. Er dient meer duidelijkheid te worden verschaft omtrent hetgeen onder de voor de Wet Omzetbelasting geldende definitie van kunstvoorwerpen dient te worden verstaan.

De commissie pleit voor toepassing van het lage BTW-tarief voor met de hand versierde voorwerpen, voor beschilderde doeken welke worden gebruikt voor theatercoulissen of voor achtergrond in studios en voor wandschilderingen. Mede teneinde een uniform beleid te creëren dient bij vragen omtrent toepassing van het verlaagde tarief een terzake door de Belastingdienst in te stellen Kenniscentrum Cultuur te kunnen worden geraadpleegd.
37. De diensten welke worden verricht door uitvoerende kunstenaars dienen onder het verlaagde tarief te worden gerangschikt (Bijlage H punt 8 Zesde Richtlijn)

38. Naar analogie van de detacheringregeling in de gezondheidszorg en de onderwijssector dient het uitlenen van kunstvakgeschoolden niet aan BTW heffing te worden onderworpen.

Bij de aanbevelingen 23, 24, 25 en 30 maken de ambtelijke leden van de commissie een voorbehoud.

FISCALE FACILITEITEN VOOR DE FILM EN DE PODIUMKUNSTEN

De commissie is onder de indruk van de positieve invloed die de faciliteit van de commanditaire vennootschap heeft op de Nederlandse filmindustrie. Uit een overleg dat de commissie heeft gevoerd met producenten uit de filmbranche is naar voren gekomen dat er in hoofdlijnen twee nadelen aan de huidige opzet kleven:
a. Doordat de film-CV als een beleggingsproduct is geïntroduceerd zijn veelal film-CVs

met een budget van meer dan 12 miljoen gulden geïntroduceerd voor de faciliteit, en

blijven de kleinere films daarbuiten.

b. De faciliteit is met enige regelmaat gebruikt voor buitenlandse films, waarbij Nederlandse producenten als stromannen zijn gebruikt.

Met betrekking tot de herdefiniëring van het ondernemersbegrip, waardoor enkel nog personen die voor de schulden van de onderneming aansprakelijk zijn, als ondernemer kunnen worden aangemerkt1, merkt de commissie het volgende op.


1. De C.V.-structuur

De overeenkomst welke de oprichting van een commanditaire vennootschap inhoudt, kent vele varianten. Met name is daarbij van belang de mate van risico welke de commanditaire vennoten lopen. Indien bijvoorbeeld ten tijde van de oprichting van de CV al een verkoopprijs bekend is voor de binnen de CV te ontwikkelen film, is het risico beperkt. Zo dit het geval is dan deelt de commissie de mening van de staatssecretaris van Financiën dat hier, behoudens andere risicos die de commandieten kunnen lopen, geen sprake is van verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming als bedoeld in artikel
3.2.1.2. wetsontwerp inkomstenbelasting 2001, zodat geen sprake kan zijn van winst uit een onderneming voor de commanditaire vennoten.

Indien er wél een risico aanwezig is doordat bijvoorbeeld van tevoren in het geheel geen verkoopprijs is overeengekomen, dan kan naar de mening van de commissie de commandiet wel degelijk verbonden zijn voor verbintenissen die de CV is aangegaan, zozeer zelfs dat sprake kan zijn van een verlies. Hier zouden de aan de commanditaire vennoot toekomende resultaten het predikaat winst uit onderneming dienen te verkrijgen.
Overgangsmaatregelen

Vanwege de introductie van het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 is reeds een overgangsmaatregel geïntroduceerd voor de scheepvaart. Een soortgelijke regeling is ook noodzakelijk voor de film-CVs, waarbij als uitgangspunt dient dat het vertrouwen dat aan commanditaire vennoten bij toetreding tot de CVs is gegeven dient te worden gerespecteerd door de fiscale voordelen die zijn toegezegd in een overgangsmaatregel te verwerken.
Nieuwe faciliteiten

Bij het ontwikkelen van een nieuwe faciliteit, ter vervanging, van de CV, dient rekening te worden gehouden met de hierboven onder a en b genoemde nadelen. Daarbij is het zo dat reeds thans sprake is van de eis van Dutch content, hetgeen inhoudt dat een groot deel van de budgetten in Nederland zou dienen te worden besteed. In een bestedingsverplichting schuilt het gevaar dat (noodzakelijke) buitenlandse expertise niet kan worden ingekocht.

De huidige CV-structuur heeft voor beleggers een zeer attractief karakter. Er kan door de faciliteiten van de willekeurige afschrijving (100%) en de investeringsaftrek (27%) reeds in het eerste jaar 60% van 127% ofwel 76,2% van de investering van de fiscus worden terugontvangen.

De commissie stelt voor om in het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 een gelijkwaardige faciliteit op te nemen.
Uitbreiding van de faciliteit

De faciliteiten welke zijn verbonden aan de commanditaire vennootschap zijn ontstaan uit de wens om venture-capital aan te trekken. Zoals hiervoor is aangegeven heeft deze faciliteit een zeer positieve invloed gehad op de filmindustrie.

De commissie acht het dan ook wenselijk om zowel voor de muziekbranche als voor de podiumkunsten een vergelijkbare faciliteit te creëren. Hierdoor zouden deze branches, zoals ook met de filmindustrie is gebeurt, kwalitatief en kwantitatief op een hoger niveau terecht kunnen komen en ook internationaal gezien mee kunnen tellen. Hierdoor zal, mede gelet op de diverse stimuleringsmaatregelen welke op dit vlak in het buitenland van kracht zijn, een betere internationale concurrentiepositie voor de Nederlandse film-, muziek- en podiumkunsten bewerkstelligd kunnen worden.

Aanbevelingen

* Er dient een overgangsregeling te worden getroffen voor film-CVs welke voor 1 januari 2001 zijn aangegaan, waarbij de huidige fiscale faciliteiten worden verwerkt.

* Met betrekking tot de gesignaleerde nadelen stelt de commissie voor te onderzoeken in hoeverre voor een filmbudget een bestedingsverplichting in Nederland toelaatbaar is, mede gelet op de Europese regelgeving.

* De commissie bepleit dat de wetgever commanditaire vennoten / beleggers in film-CVs compenseert voor het teloorgaan van de fiscale faciliteiten van de film-CV.

* Uitbreiding van de voor de filmsector geldende faciliteiten naar de muziek- en podiumkunsten acht de commissie meer dan wenselijk.

INSTELLINGEN IN DE CULTURELE SECTOR


1. Culturele instellingen in de belastingheffing

Momenteel is er een aantal wetten dat zich uitspreekt over de status en belastingfaciliteiten van culturele instellingen. Zo geldt voor de heffing van Successierecht voor culturele lichamen een bijzonder tarief van 11% indien het betreffende lichaam de artikel 24 lid 4-status heeft verkregen. Daarnaast is op grond van artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een cultureel lichaam onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting. Voorts kunnen bepaalde culturele diensten op grond van artikel 13, onder A, lid 1, onderdeel n van de Zesde richtlijn worden vrijgesteld van omzetbelasting.

Hoewel doel en strekking van alle genoemde faciliteiten en vrijstellingen gelijk zijn, geldt voor elke wet afzonderlijk een verschillende invulling van het begrip culturele instelling. Hierdoor kwalificeert een lichaam voor de ene wet wél en voor de andere wet niet als culturele instelling. Dit zorgt voor verwarring en onduidelijkheid.

Het is de commissie bekend, dat stichtingen die zich met culturele activiteiten bezighouden steeds meer moeite hebben bestuursleden te krijgen. Oorzaak daarvan is dat een bestuurder zowel civiel-, fiscaal- als strafrechtelijk aangesproken kan worden. Deze bestuurdersaansprakelijkheid doet zich met name voelen nu er over tal van zaken grote onduidelijkheid bestaat, zoals over de belastingplicht voor vennootschaps- en omzetbelasting, het al dan niet in moeten houden van loonheffing en premies werknemersverzekeringen, enzovoorts. De commissie is ter zake de mening toegedaan dat het doen van aanbevelingen op dit terrein buiten haar taakgebied valt, en meent dan ook te moeten volstaan met de enkele constatering.

Aanbeveling

* De commissie stelt voor een voor alle belastingwetten gelijkluidende invulling van het begrip culturele instelling op te stellen. Op verzoek wordt door een door de Belastingdienst in te stellen Kenniscentrum Cultuur verklaard dat het betreffende lichaam voor de fiscale wet- en regelgeving als culturele instelling kwalificeert. Deze verklaring zal vergelijkbaar zijn met de artikel 24 lid 4-verklaring welke thans geldt voor de Successiewet 1956. Slechts indien het lichaam in het bezit is van een dergelijke verklaring kan gebruik worden gemaakt van de diverse voor culturele instellingen geldende faciliteiten.


2. Culturele instellingen in de Vennootschapsbelasting

Verenigingen en stichtingen zijn belastingplichtig voor de Vennootschapsbelasting indien en voor zover zij een onderneming drijven.1 Blijkens de jurisprudentie dient daarbij het begrip onderneming te worden ingevuld als een organisatie van arbeid en kapitaal welke erop is gericht om duurzaam aan het maatschappelijke verkeer deel te nemen met als oogmerk het behalen van winst.

In de praktijk wordt het winstoogmerk als doorslaggevend beschouwd voor het al dan niet aanwezig zijn van een onderneming; een culturele instelling die meer dan incidenteel een batig saldo toont wordt geacht objectief te voldoen aan het winstoogmerk, en is derhalve vennootschapsbelasting verschuldigd over dat batige saldo.

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 kent weliswaar de mogelijkheid om lichamen waarbij de behartiging van een maatschappelijk belang op de voorgrond staat en het streven naar winst hetzij geheel ontbreekt, hetzij van bijkomstige betekenis is vrij te stellen, doch de voorwaarden waaronder deze vrijstelling van toepassing is wordt in de praktijk als te stringent ervaren.

De commissie maakt ten aanzien van deze problematiek een onderscheid tussen de verschillende inkomsten van culturele instellingen, te weten
a. door het ministerie van OC & W verstrekte subsidies; en
b. inkomsten uit het exploiteren van nevenactiviteiten.

De commissie wijst erop dat het mogelijk is dat een lichaam beide hiervoor genoemde inkomsten genereert, en is van mening dat de hieronder beschreven faciliteiten ook naast elkaar verleend moeten kunnen worden.

Subsidie-overschotten

Traditioneel zijn culturele instellingen grotendeels afhankelijk van bekostiging door de rijksoverheid; er worden veelal subsidies op basis van de Wet Specifiek Cultuurbeleid verstrekt. Daarnaast worden er subsidies gegeven door culturele fondsen.

Teneinde jaarlijks overleg omtrent de toereikendheid van subsidies te voorkomen is in het verleden een beleidslijn uitgezet waarbij instellingen een 4-jarige subsidie wordt toegekend. Toegestaan wordt, dat de culturele instelling binnen een periode van 4 jaar met haar budget kan schuiven.

Voor de beoordeling van de belastingplicht voor de vennootschapsbelasting toetst de Fiscus echter elk jaar afzonderlijk. Gevolg hiervan is dat de Belastingdienst kan concluderen dat sprake is van belastingplicht voor de vennootschapsbelasting op grond van het in enig jaar aanwezig zijn van een exploitatieoverschot, terwijl dit overschot voortvloeit uit de omstandigheid dat de subsidies voor meerdere jaren worden toegekend. Tevens moet worden bedacht dat de overheid het recht heeft een deel van de verstrekte subsidies terug te vorderen voor zover de kosten van de activiteiten lager blijken uit te vallen dan het terzake verstrekte subsidiebedrag.

Uit het verstrekken van een subsidie vloeit derhalve voor een culturele instelling de verplichting voort om hetzij tenminste voor het bedrag van de verstrekte subsidie activiteiten te ontplooien, hetzij een ongebruikte deel van de ontvangen bedragen te retourneren.

De commissie acht het wenselijk dat exploitatieoverschotten, welke uitsluitend voortvloeien uit het subsidiebeleid van de overheid en derhalve niet structureel zijn, niet leiden tot belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Hiertoe zou het een culturele instelling dienen te worden toegestaan de reeds ontvangen, maar eerste in een volgend jaar te besteden, bedragen als voorziening op te nemen.

Daarbij doet zich het probleem voor dat het thans niet altijd mogelijk is een onlosmakelijk verband te leggen tussen de door een culturele instelling verrichte activiteiten en de aan die instelling verstrekte subsidies, met name doordat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, veelal algemeen worden omschreven.

Aanbevelingen

* De commissie bepleit om voor lichamen en vennootschappen, die als culturele instelling worden aangemerkt de mogelijkheid te scheppen een voorziening te vormen voor ontvangen (gerichte) subsidies waar eerst in volgende jaren kosten tegenover zullen staan.
* Bij het toekennen van subsidies aan culturele instellingen door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dient te worden omschreven ten behoeve van welke categorie activiteiten deze subsidies worden verstrekt, zodat beter dan thans beoordeeld kan worden in hoeverre een eventueel overschot nog tot latere uitgaven zal leiden. Overleg met het ministerie van Financiën acht de commissie daarbij van groot belang.

Exploitatie van nevenactiviteiten

Veel culturele instellingen krijgen geen of weinig subsidie. Voor het creëren van een productie zijn dergelijke instellingen aangewezen op hun eigen exploitatie; voor de financiering van producties dient een exploitatieoverschot te worden gegenereerd. Daarnaast is ook voor het aantrekken van externe financiers een eigen vermogen van enige betekenis noodzakelijk. Voor een culturele instelling die niet geheel wordt gesubsidieerd is derhalve het creëren van een overschot noodzakelijk. Aangezien dit exploitatieresultaat dient ter dekking van in volgende jaren te verwachten uitgaven is het overschot niet structureel maar slechts tijdelijk. Van het beogen van winst is derhalve geen sprake.

Desondanks zal het in enig jaar bestaan van een exploitatieoverschot leiden tot belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Feitelijk is er echter geen sprake is van een winststreven; belastingheffing over het exploitatiesaldo is een dergelijke situatie dan ook onwenselijk.

Naar de mening van de commissie dient een culturele instelling geen vennootschapsbelasting verschuldigd te zijn over haar exploitatieoverschot, voor zover dit overschot in de (nabije) toekomst zal worden benut voor het nastreven van het primaire doel van de instelling. Er zou dan ook een regeling dienen te komen welke naar aard en uitvoering analoog moeten zijn met de regelgeving inzake de herbeleggingreserve zoals deze thans in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is neergelegd voor beleggingsinstellingen.

Teneinde misbruik van een dergelijke faciliteit door commerciële lichamen of ondernemingen tegen te gaan dient, naar mening van de commissie, een beroep op deze faciliteit uitsluitend open te staan voor lichamen die door het Kenniscentrum Cultuur als culturele instelling worden aangemerkt.

Aanbeveling
Het verdient aanbeveling om voor als culturele instelling kwalificerende lichamen de mogelijkheid te creëren om, door middel van een zogenaamde herbestedingsreserve, de heffing van vennootschapsbelasting over exploitatieoverschotten te vermijden, voor zover deze overschotten voortkomen uit nevenactiviteiten en uitsluitend overeenkomen met het primaire doel van de instelling.


3. Schenkingen aan culturele instellingen

Giftenaftrek onder Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001

De commissie stelt vast dat de voorgestelde regeling van de giftenaftrek in beginsel niet verschilt van de giftenaftrek volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De giftenaftrek heeft betrekking op twee verschillende soorten giften: periodieke giften en andere giften.

a. periodieke giften zijn giften in de vorm van vaste periodieke uitkeringen die uiterlijk bij overlijden eindigen. Zij kunnen worden geschonken aan Nederlandse instellingen of verenigingen, moeten minstens vijf jaar lopen en in een notariële akte zijn vastgelegd. Voor de aftrek van deze giften geldt geen drempel. Deze giften worden bij iedere belastingbetaler individueel in aanmerking genomen.

b. Andere giften zijn alle niet-periodieke giften, gedaan aan Nederlandse instellingen en aan bij ministeriële regeling aangewezen buitenlandse instellingen. Hier geldt een ondergrens (f 132 of 1% van het verzamelinkomen van partners) en een bovengrens van 10% van dat inkomen. Bij deze andere giften moeten echtgenoten/ partners dus zowel de giften als de inkomens voor het bepalen van de drempels samentellen.

De technische verwerking van de giftenaftrek verschilt van die in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het bedrag aan aftrekbare giften wordt evenals de ander persoongebonden aftrekposten- zoveel mogelijk in aftrek gebracht op het inkomen in box I (werk en woning), daarna op het inkomen in box III (forfaitair rendement op sparen en beleggen) en vervolgens op het inkomen in box II (aanmerkelijk belang). Door de aftrek kan in elk van de boxen geen negatief inkomen ontstaan. Zijn de inkomens in de drie boxen niet hoog genoeg om er alle persoonsgebonden aftrekposten mee te verrekenen dan schuift de aftrek door naar het volgende jaar. De persoonsgebonden aftrek, waaronder dus ook de giftenaftrek, bestaat dus uit de aftrekposten van het jaar zelf en het restant van de in vorige jaren niet benutte aftrekposten.

De commissie maakt twee kanttekeningen:

Nieuw is dat de drempel en het maximum voor andere giften is gerelateerd aan het gezamenlijke inkomen van partners. Enerzijds betekent dit een hogere drempel voor aftrek; anderzijds wordt het maximum van de giftenaftrek hierdoor verhoogd. Een logische systematiek.

Minder gelukkig is de commissie met de oplossing die is gekozen voor het geval giften en andere persoonsgebonden aftrekposten niet geheel in mindering kunnen worden gebracht op het inkomen uit werk en woning (box I). Het restant komt dan in aftrek op het inkomen in Box III of Box II, waar een aftrekpost tegen het lage tarief van 30% wordt vergolden. Een voor belastingplichtigen aantrekkelijker oplossing zou zijn: naar keuze verrekening van het restant met inkomen uit Box I in een vorig resp. volgend kalenderjaar. Omdat het tarief in Box I kan oplopen tot 52% is de belastingbesparing dan vaak groter. De systematiek van de wet verzet zich niet tegen deze methode.

De commissie is van mening dat bij de invulling van het begrip culturele instelling zoals dat ter zake van de beoordeling van de aftrekbaarheid van giften in artikel 6.9.2 van het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 wordt gebruik geen aansluiting dient te worden gezocht bij het door het Kenniscentrum Cultuur af te geven status van culturele instelling omdat de wetgever terzake van de giftenaftrek een ruimere invulling van dit begrip voor ogen heeft gestaan dan bij de faciliëring van culturele instellingen. Er is immers geen sprake van faciliëring ten behoeve van de culturele instelling, doch ten behoeve van de schenker.

Giftenaftrek in de vennootschapsbelasting

Donaties die niet als zakelijke kosten kunnen worden beschouwd, kunnen als gift in aftrek worden gebracht. De giften zijn aftrekbaar voor zover deze meer bedragen dan f 500. De giftenaftrek bedraagt maximaal 6% van de belastbare winst. Ook hier geldt dat aftrek uitsluitend mogelijk is voor giften aan in Nederland gevestigde instellingen en aan bij ministeriële regeling aangewezen buitenlandse instellingen.

Beoordeling regeling giftenaftrek

Uit een internationaal onderzoek, waarin ook de giftenaftrek in diverse landen is vergeleken, wordt geconcludeerd dat Nederland in vergelijking met ander landen een relatief hoge drempel kent. De onderzoekers komen bovendien tot de gevolgtrekking dat de limiet die in Nederland wordt gehanteerd in vergelijking met ander landen laag is, met als gevolg dat relatief lage bedragen in aftrek kunnen worden gebracht.1

Successie- en schenkingsrecht

Voor giften die binnen een tijdsbestek van 24 maanden worden gedaan aan een Nederlandse culturele instelling geldt een vrijstelling van f
8.254. Daarboven wordt de vrijstelling geleidelijk aan afgebouwd. Voor erfrechtelijke verkrijgingen bedraagt de vrijstelling f 16.507, waarna eveneens afbouw plaatsvindt. De culturele instelling is 11% schenkings- of successierecht verschuldigd. Voor door de Minister aan te wijzen musea, waarvan de collectie van nationaal of regionaal belang is, geldt een vrijstelling.

In het genoemde internationale onderzoek wordt vastgesteld dat de meeste onderzochte landen een vrijstelling kennen voor erfrechtelijke verkrijgingen door en giften aan culturele instellingen. De landen die wel een heffing kennen, hanteren tarieven die lager zijn dan de Nederlandse tarieven.1

Aanbevelingen

* De commissie stelt voor in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden aftrekbare giften steeds te verrekenen met inkomen uit werk en woning (box I)
* Teneinde meer aansluiting te zoeken bij het buitenland bepleit de commissie een verhoging van het algemene maximum voor de giftenaftrek voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting tot 20% resp. 15%.

* Daarnaast verdient het aanbeveling voor culturele instellingen de vrijstellingen voor successie- en schenkingsrecht belangrijk te verhogen en voorts de tarieven te verlagen. Wat de vrijstellingen betreft denkt de commissie aan een bedrag van minimaal f 50.000. Het tarief zou moeten worden verlaagd tot maximaal 5%.

Beleggen in en lenen aan culturele instellingen door particulieren

De commissie signaleert, dat culturele instellingen veelal in hun vermogensbehoefte voorzien door middel van (overheids-)subsidies, het exploiteren van neven activiteiten alsmede door schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen. Naar mening van de commissie is er thans sprake van een te geringe participatie van particulieren in de vermogensbehoefte van culturele instellingen.1 Teneinde een dergelijke participatie te stimuleren dient zowel het beleggen in culturele instellingen als het verstrekken van leningen aan dergelijke instellingen fiscaal gefacilieerd te worden.

Voor wat betreft de stimulering van het beleggen in culturele instellingen door particulieren stelt de commissie voor om aansluiting te zoeken bij de regeling zoals deze geldt voor het zogenaamde groen beleggen, welke regeling qua doel en strekking nauw aansluit bij hetgeen wordt beoogd met de faciliëring van het beleggen in culturele instellingen.

Tevens dient het verstrekken van geldleningen door particulieren aantrekkelijker te worden gemaakt. Het is de commissie bekend dat er thans onderzoek wordt verricht naar het faciliëren van leningen aan culturele instellingen, waarbij gepleit wordt om een regeling in te voeren waarbij de leningen aan één door de overheid beheerd cultuurfonds niet in de vermogensrendementsheffing worden betrokken. De commissie steunt een dergelijk voorstel, doch is van mening dat ook een dergelijke faciliëring naar analogie van de regeling voor groen beleggen dient te worden gecreëerd, zodat derhalve elke lening aan een culturele instelling, onder bepaalde voorwaarden, wordt vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing in Box III van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.

Voor de invulling van het begrip culturele instelling dien naar mening van de commissie, zowel voor de beleggings- als voor de leningsfaciliteit, aansluiting te worden gezocht bij het begrip zoals dat wordt gehanteerd door het Kenniscentrum Cultuur (zie hiervoor onder 1)

Aanbeveling

* In de Wet op de inkomstenbelasting 2001 dient, naar analogie van de faciliteiten voor groen beleggen, een bepaling te worden opgenomen welke onder nader te stellen voorwaarden aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan culturele instellingen buiten de grondslag van de vermogensrendementsheffing van Box III houdt.

KUNSTBEZIT IN NEDERLAND


1. Vererven en schenken van kunstvoorwerpen aan de Staat


1.1 Vererving van kunstvoorwerpen aan de Staat

De Wet Behoud Cultuurbezit (WBC) bepaalt dat kunstvoorwerpen die voorkomen op een aangewezen lijst niet aan een buitenlander mogen worden verkocht zonder dat de voorwerpen ter verkoop zijn aangeboden. De Staat heeft de beschikking over een aankoopfonds ten behoeve van museale voorwerpen, welk fonds echter per definitie over onvoldoende middelen beschikt. Zo dreigen waardevolle kunstobjecten naar het buitenland te verdwijnen.

Deze aanbiedingsplicht wordt, behoudens de algemene vrijstelling voor kunstvoorwerpen zoals deze thans geldt op grond van artikel 8, lid 2, onderdeel a van de Wet op de vermogensbelasting 1964, niet gecompenseerd. Het bezit voor dergelijke voorwerpen kan daarentegen omvangrijke kosten met zich meebrengen.

Voorts zijn erfgenamen van een nalatenschap, waarin zich WBC-voorwerpen bevinden, ten aanzien van de verkrijging van die voorwerpen successierecht verschuldigd. Gezien de grote waarde van sommige voorwerpen kan een en ander tot liquiditeitsproblemen leiden.

Sinds 1996 is een regeling van kracht op grond waarvan een erfgenaam successierechten in natura kan voldoen (artikel 67, lid 3, Successiewet 1956). Deze regeling blijkt in de praktijk, hoewel niet onvoordelig, niet afdoende te functioneren omdat niet iedere erfgenaam bereid is afstand te doen van schilderijen ter betaling van successierechten.

De commissie pleit voor een aanvullende oplossing waarbij wordt gestimuleerd dat WBC-voorwerpen te zijner tijd aan de Staat toekomen, en tevens een besparing van successierecht kan worden bewerkstelligd. Daarbij realiseert de commissie zich dat er soms een lange tijd gelegen kan zijn tussen de vererving en de verkrijging door de Staat.

De mogelijkheid, om op het moment van de vererving de blote eigendom van de WBC-voorwerpen bij de Staat terecht te laten komen, is voor beide partijen aantrekkelijk.

De erfgenaam, die gedurende zijn leven het vruchtgenot van het kunstvoorwerp krijgt, hoeft geen afstand te doen van het voorwerp terwijl de Staat de zekerheid heeft dat zij op termijn de volle eigendom van het kunstvoorwerp zal verkrijgen.

De commissie bepleit daarbij het opnemen van een vrijstelling in de Successiewet 1956 voor de verkrijging van het vruchtgebruik van kunstvoorwerpen waarvan het blote eigendom aan de Staat is gelegateerd. Daarnaast is het wenselijk dat, in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 voor Box III een vrijstelling wordt opgenomen ter zake van rechten op voorwerpen van kunst en wetenschap. Onderhouds- en verzekeringskosten die gemaakt worden voor een kunstvoorwerp komen voor rekening van de Staat (als bloot eigenaar) om het gemis van de toepassing van artikel 67, derde lid, Successiewet 1956 te compenseren.

Aanbevelingen
De regeling, dat bij vererving van WBC-kunstvoorwerpen het blote eigendom van de voorwerpen aan de Staat wordt nagelaten en het (levenslange) vruchtgebruik aan de erfgenamen, dient te worden gestimuleerd. Hiertoe dient in de Successiewet een vrijstelling te worden opgenomen voor de verkrijging van het vruchtgebruik van kunstvoorwerpen waarvan het blote eigendom aan de Staat toekomt. In de Wet op de inkomstenbelasting 2001 dient een voor Box III geldende vrijstelling voor rechten op voorwerpen voor kunst en wetenschap te worden opgenomen.


1.2. Schenking van kunstvoorwerpen aan de Staat.

Het kunstbezit in Nederland zou kunnen worden gestimuleerd door niet alleen bij verervingen aan de Staat van WBC-voorwerpen een faciliteit te verlenen maar eveneens bij schenkingen van dergelijke voorwerpen. Naar analogie van hetgeen onder 1.1 is betoogd kan daarbij worden gedacht aan schenkingen van de blote eigendom van WBC-voorwerpen aan de Staat. Het voordeel van het faciliëren van schenkingen van blote eigendommen is dat de huidige bezitter van het voorwerp tot zijn overlijden ervan kan genieten terwijl de Staat reeds nu de zekerheid heeft verkregen dat zij te zijner tijd de volle eigendom verkrijgt.

Teneinde het voordeel van een vererving (de faciliteit tot een vermindering van het totale successierecht met 120% van de waarde van het kunstvoorwerp) boven een schenking bij de schenker te compenseren zouden de onderhouds- en verzekeringskosten van het voorwerp voor rekening van de bloot eigenaar dienen te komen (de Staat).

Aanbevelingen
De regeling, dat het blote eigendom van WBC-kunstvoorwerpen aan de Staat wordt geschonken, waarbij het vruchtgebruik bij de schenker blijft totdat deze overlijdt, dient te worden gestimuleerd. Hiertoe dient de Staat, als bloot eigenaar, de onderhouds- en verzekeringskosten van de voorwerpen te dragen In de Wet op de inkomstenbelasting 2001 dient een voor Box III geldende vrijstelling voor rechten op voorwerpen voor kunst en wetenschap te worden opgenomen.


2. Kunstbezit onder het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001


2.1 Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap

De in het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 opgenomen bepaling die voorwerpen van kunst en wetenschap alsmede inboedel ten dele in de grondslag voor de vermogensrendementsheffing betrekt, en voorts de bepaling die ten dele deze voorwerpen vrijstelt, hebben voor grote onrust gezorgd bij particuliere kunstbezitters.

De bepalingen lijken in de praktijk zeer moeilijk uitvoerbaar aangezien bewezen dient te worden dat de genoemde voorwerpen niet hoofdzakelijk (voor meer dan 70%) ter belegging worden aangehouden. Door deze bepalingen wordt de privacy van belastingplichtigen onnodig geschonden omdat de term hoofdzakelijk getoetst wordt van feiten en omstandigheden (hangt een schilderij aan de muur of in de kluis)

Indien deze bepalingen in de wet worden opgenomen, is een kunstvlucht uit Nederland van particulier kunstbezitters te voorzien. Gezien de verdeling van de bewijslast in de bepalingen zullen tevens particuliere kunstbezitters niet spoedig genegen zijn hun bezit in een museum ten toon te stellen.

De commissie pleit derhalve voor een onverkorte overname in het wetsvoorstel van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wet op de vermogensbelasting 1964.


2.2 Systematiek van het wetsvoorstel ten aanzien van inboedel en voorwerpen van kunst en wetenschap

Op grond van artikel 5.1.3, lid 2, onderdeel a van het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 behoren onroerende zaken tot de grondslag van de vermogensrendementsheffing (box III).

Op grond van artikel 5.1.3, lid 2, onderdeel c van het wetsvoorstel behoren roerende zaken tot de grondslag van de
vermogensrendementsheffing (box III) indien:


1. deze door de belastingplichtige niet voor persoonlijk gebruik worden gebruikt;


2. deze wél voor persoonlijk gebruik worden gebruikt maar hoofdzakelijk (70%) als

belegging worden aangehouden (als voorbeeld worden de antieke meubels en de

oldtimer-verzameling genoemd in de Memorie van toelichting).

De bewijslast ligt bij de inspecteur om aan te tonen dat de roerende zaken tot de grondslag van de vermogensrendementsheffing behoren.

Voorwerpen van kunst worden derhalve in beginsel in de vermogensrendementsheffing opgenomen indien het zijn:


1. onroerende voorwerpen van kunst en wetenschap;


2. roerende voorwerpen van kunst en wetenschap die niet in eigen gebruik zijn;


3. roerende voorwerpen van kunst en wetenschap die wél in eigen gebruik zijn maar

hoofdzakelijk als belegging worden aangehouden.

In art. 5.2.2. van het wetsvoorstel worden voorwerpen van kunst en wetenschap vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing voorzover deze niet hoofdzakelijk, gezien de aard en hoeveelheid, als belegging dienen.

Hierdoor worden de onroerende voorwerpen van kunst en wetenschap vrijgesteld voorzover zij niet hoofdzakelijk, gezien de aard en hoeveelheid, als belegging dienen.

Roerende voorwerpen van kunst en wetenschap die niet in eigen gebruik zijn (uitgeleend aan musea) worden vrijgesteld voorzover zij niet hoofdzakelijk, gezien de aard en hoeveelheid, als belegging dienen.

Roerende voorwerpen van kunst en wetenschap die wél in eigen gebruik zijn, maar hoofdzakelijk als belegging worden aangehouden, worden geheel belast.

Ten aanzien van de verkrijging van de vrijstelling wordt de bewijslast bij de belastingplichtige gelegd. Bovendien vormt het feit dat de belastingplichtige een verzameling heeft van een aantal kunstvoorwerpen (het begrip hoeveelheid in de vrijstellingsbepaling) een extra moeilijkheid om de vrijstelling te verkrijgen te meer omdat dat een waardeverhogend effect heeft. Overigens wordt in de Memorie van Toelichting vermeld, nadat aangegeven wordt dat een collectie een waardeverhogend effect geeft en een indicatie voor het aanwezig zijn van beleggen kan zijn, dat naast de waarde ook het gebruik van de belastingplichtige daarvan een rol speelt voor de vraag of er sprake is van een belegging). Hierdoor wordt de suggestie gewekt dat de waarde van een voorwerp een rol speelt bij de beoordeling of er sprake van een belegging is.

Voorts verdient aandacht dat onder het wetsvoorstel zoals het er thans ligt, een vruchtgebruik op roerende en onroerende voorwerpen van kunst in het geheel niet worden vrijgesteld. Indien een belastingplichtige derhalve zelf het levenslange vruchtgebruik van een voorwerp behoud en de blote eigendom aan een museum schenkt, blijft de belastingplichtige onderworpen aan de vermogensrendementsheffing. Hierboven werd in de punten 1.1 en 1.2 reeds gepleit voor een vrijstelling van deze heffing voor beperkte rechten op kunstvoorwerpen waarvan het blote eigendom bij de Staat rust.

Aanbeveling

* Naar mening van de commissie dient in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 een bepaling te worden opgenomen op grond waarvan voorwerpen van kunst en wetenschap, analoog aan het thans geldende artikel 8, lid 2, onderdeel a Wet op de vermogensbelasting 1964, worden vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing, ongeacht de aard van hun gebruik.

IV. DE ARTIESTENREGELING IN DE 21E EEUW


1. De huidige artiestenregeling (binnenlandse artiesten)

In de Memorie van toelichting op het wetsvoorstel Invoeringswet Inkomstenbelasting 2001 wordt de commissie onder andere de vraag voorgelegd hoe in de 21e eeuw moet worden omgegaan met de (loon)belastingheffing van musici en andere artiesten1.

Voor een goed begrip van de complexe materie wordt eerst schematisch in hoofdlijnen de thans geldende artiestenregeling voor binnenlandse artiesten weergegeven.

Deze regeling houdt in dat bij een uitvoerend optreden van korte duur (niet langer dan drie maanden) de arbeidsverhouding van artiesten bij wetsfictie als een dienstbetrekking wordt beschouwd. Van belang hierbij is dat, ook wanneer een voor korte duur optredend artiest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking zou staan, de fictieve dienstbetrekking prevaleert.

Bij voor korte duur optredend artiesten vindt inhouding plaats volgens de artiestentabel en niet volgens de voor gewone werknemers geldende witte tabel.1

De artiestenregeling dateert uit 1941. De belangrijkste argumenten waren het beperken van invorderingsmoeilijkheden door voorheffing op de artiestengage (heffing bij de bron) en het onder de bescherming van de sociale verzekeringen brengen van de artiest door zijn gage aan te merken als loon.

Het huidige regime voor binnenlands belastingplichtige artiesten kan schematisch als volgt worden weergegeven:

Is artiestenregeling Status voor Verzekerd Ondernemer

voor de loonbelasting inkomsten- voor werk- voor

van toepassing? belasting nemersver- omzetbelasting?

zekeringen?

Ja, tenzij,


-artiest beschikt over ondernemer- -artiest -ja, indien

zelfstandigheidsver- schap getoetst met zelfstandig- zelfst.verkl.

klaring; aan criteria heidsverklaring: -nader keuze, indien


-bij optreden in rechtspraak niet verzekerd inhouding van

privé-sfeer; -zonder zelf- loonheffing


-geen beloning maar standigh.verkl: - zonder zelfst.

uitsluitend kosten- ter beoordeling verkl. niet BTW-

vergoeding (amateur) van uitvoerings- plichtig voor instelling optreden in

privé-sfeer

Uit het schema blijkt dat het ondernemerschap voor iedere wet afzonderlijk wordt getoetst.

Binnenlands belastingplichtige artiesten die onder de artiestenregeling vallen, kunnen te maken hebben met drie soorten verklaringen:

1. de zelfstandigheidsverklaring: de opdrachtgever die contracteert met een artiest die over een zelfstandigheidsverklaring beschikt, behoeft geen loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen) in te houden. Voor de werknemersverzekeringen blijft de uitvoerende instantie bevoegd.

2. De inhoudingsplichtigenverklaring: deze verklaring verlegt de inhoudingsplicht van de opdrachtgever naar de houder van de inhoudingsplichtigenverklaring. De verklaring geldt zowel voor de loonheffing als voor de premieheffing werknemersverzekeringen en kan door de Belastingdienst worden afgegeven aan de leider van een gezelschap of een vertegenwoordigend lichaam (stichting, besloten vennootschap e.d.)

3. De loonverdelingsverklaring: deze verklaring dient om de verdeling van een gage onder de leden van een groep aan te geven en geldt officieel alleen voor de loonheffing. In de praktijk wordt ook voor de heffing van premies werknemersverzekeringen aansluiting gezocht bij deze verklaring.


2. Beoordeling huidige regeling

Het voordeel van de huidige artiestenregeling is dat artiesten die verzekerd wensen te zijn voor de werknemersverzekeringen gesteund worden door de wettelijke verplichting tot inhouding van loonheffing en premies werknemersverzekeringen.

Om aan de fictieve dienstbetrekking te ontkomen zijn de drie onder 1 genoemde verklaringen ingevoerd. Het is het niet altijd eenvoudig om, indien gewenst, deze verklaringen te verkrijgen. Om voor een zelfstandigheidsverklaring of een inhoudingsplichtigenverklaring in aanmerking te komen moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Ook de loonverdelingsverklaring kent diverse bezwaren in de uitvoeringssfeer.

Voor talrijke amateurs, bij wie de artiestenbeloning slechts een klein gedeelte van hun inkomen uitmaakt, geldt dat de artiestenregeling allerminst in een behoefte voorziet, Zij hebben geen belang bij de werknemersverzekeringen omdat hun sociale zekerheid doorgaans op andere wijze is geregeld. Bovendien staat tevoren vast dat zij geen aanspraak op een uitkering kunnen maken, gezien de gestelde vereisten omtrent de hoeveelheid arbeid die gedurende een bepaalde periode moet zijn verricht. Dit doet overigens niet af aan de premieplicht. Zo bestaat bijvoorbeeld de mogelijk premies Ziekenfondswet gerestitueerd te krijgen, maar die regeling werkt omslachtig.

Ook zuivere hobbyisten, zoals amateur-musici die per saldo geen positieve opbrengst uit hun artistieke activiteiten genieten, hebben geen enkel belang bij toepassing van de artiestenregeling. Inhouding van belasting en premies, terwijl geen bron van inkomen aanwezig is, geeft voornamelijk aanleiding tot ergernis. Zaalhouders kunnen inhouding van belasting en premies uiteraard niet achterwege laten in verband met het risico van naheffing van loonbelasting door de Belastingdienst en van premies werknemersverzekeringen door de uitvoerende instantie.


3. Gevolgen Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 voor de huidige regeling

In de voorgestelde wetgeving vallen onder Box I onder andere belastbare winst uit onderneming, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Laatstgenoemde categorie wordt onder de huidige wetgeving aangeduid als andere inkomsten uit arbeid. Het gaat om werkzaamheden die geen loon zijn omdat er geen dienstbetrekking bestaat (men staat niet in een duurzame gezagsverhouding tot een ander) maar ook geen winst, omdat er geen onderneming is (de duurzame organisatie van kapitaal en arbeid ontbreekt). In deze categorie vallen dus onder meer de freelancers met arbeidsinkomsten waarop geen loonheffing wordt ingehouden. Nu deze arbeidsinkomsten het midden houden tussen loon en winst heeft de wetgever ervoor gekozen op deze inkomsten in principe het winstregime van toepassing te verklaren, maar onder omstandigheden een keuzemogelijkheid voor toepassing van het loonregime te bieden.

Het voor genoemde werkzaamheden geldende winstregime (hierna wordt dit aangeduid als het beperkte winstregime) houdt in dat zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de fiscale behandeling van winst uit onderneming. Dit betekent onder meer dat het aftrekbare-kostenregime voor ondernemers ook zal kunnen worden toegepast door de huidige freelancers/niet-ondernemer. Er zal dan wel een administratie bijgehouden dienen te worden. Aan het eind van een jaar moet met vorderingen en schulden rekening worden gehouden. Bij beëindiging van een werkzaamheid moet over eventuele stille reserves worden afgerekend. Als iemand zijn werkzaamheden uitbouwt tot een echte onderneming hoeft niet te worden afgerekend; er vindt dan een verplichte doorschuiving van die reserves plaats. Dit alles houdt een administratieve verzwaring in, zodat professionele hulp doorgaans niet kan worden gemist. Een groot aantal specifiek voor ondernemers geldende faciliteiten geldt niet voor wie onder het beperkte winstregime valt. Tot die faciliteiten behoren willekeurige afschrijving, investeringsaftrek, fiscale reserves, oudedagsreserve (FOR), zelfstandigen- en startersaftrek en meewerkaftrek.

Volgens het huidige wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 zal het voor de artiest die onder de artiestenregeling valt niet mogelijk zijn om in de inkomstenbelasting te worden belast volgens het regime van resultaat uit overige werkzaamheden. Uitgangspunt wordt dat door te opteren voor heffing volgens het systeem van de loonbelasting de artiest wordt aangemerkt als een normale werknemers en daardoor alle in de loonbelasting geldende bepalingen en regelingen van toepassing zijn. In dat geval is in het voorgestane regime wel een belastingvrije vergoeding mogelijk, maar is kostenaftrek uitgesloten.

Voor een artiest wordt het onder deze nieuwe situatie niet aantrekkelijk om onder de artiestenregeling te vallen. Hij of zij kan immers de werkelijke kosten niet meer aftrekken. Omdat voor een artiest geldt dat er van een gewone werkgever / werknemerrelatie geen sprake is, is het niet eenvoudig om over een vergoedingsregeling te onderhandelen. Bovendien zou dit, daar er sprake is van kortlopende contracten, deze contracten nodeloos ingewikkeld maken.


4. Aanpassing van de artiestenregeling

Op grond van het vorenstaande concludeert de commissie dat de problemen zich concentreren rond de handhaving van de kostenaftrek en het behoud van de sociale verzekeringsparaplu.

Onafhankelijk van de uiteindelijke regeling dient de artiest in de inkomstenbelasting in beginsel onder het beperkte winstregime van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden te vallen, waardoor kostenaftrek mogelijk is. Indien de artiest voldoet aan de criteria die voor winst uit een onderneming gelden geniet hij tevens de daaraan gekoppelde faciliteiten.

Tot behoud van de sociale-verzekeringsparaplu denkt de commissie aan de onderstaande alternatieve oplossingen.


4.1 Eenzijdige verklaring

Bij de eerste optie dient de artiest/niet-ondernemer de mogelijkheid te krijgen eenzijdig te kiezen voor de artiestenregeling. Dit in afwijking van het voorgestelde artikel 4, onderdeel f, Wet op de loonbelasting 1964, waar een gezamenlijke verklaring van de pseudo-werknemer en de inhoudingsplichtige wordt vereist. Onder de huidige wetgeving komt het zeer regelmatig voor dat de opdrachtgever van een incidenteel optredende artiest niet als inhoudingsplichtige zal willen fungeren. Teneinde dit te voorkomen zou de artiest de mogelijkheid dienen te worden geboden om via een op verzoek door de Belastingdienst af te geven verklaring te kennen te geven dat zijn/haar arbeidsverhouding als een fictieve dienstbetrekking, conform de artiestenregeling, dient te worden beschouwd, waardoor inhouding van loonheffing en premies werknemersverzekeringen plaatsvindt. Hierdoor is de sociale zekerheid gewaarborgd.

De onder de artiestenregeling vallende inkomsten zullen naar het inzicht van de commissie vervolgens moeten worden behandeld volgens het regime dat geldt voor resultaat uit overige werkzaamheden, zodat kosten aftrekbaar zijn volgens het voor ondernemers geldende regime.

Voor artiesten / ondernemers zou inhouding van loonheffing buiten toepassing dienen te blijven omdat uitvoerende kunstenaars niet een zodanige bijzondere positie innemen dat zij (als enige categorie ondernemers) met een voorheffing op hun inkomsten zouden moeten worden geconfronteerd. Desondanks zijn er artiesten/ondernemers die behoefte hebben zich te verzekeren tegen het risico van werkloosheid en dergelijke. Onder de huidige regeling wordt dit bereikt door het afzien van het aanvragen van een zelfstandigheidsverklaring, waardoor de artiestenregeling van toepassing is en men ter beoordeling van de uitvoeringsinstelling- verzekerd kan zijn voor de werknemersverzekeringen. Onder de nieuwe wetgeving kan worden gedacht aan de mogelijkheid voor artiesten een vrijwillige verzekering van het risico van werkloosheid af te sluiten bij het LISV. Het is reeds nu voor artiesten/ondernemers mogelijk zich bij het LISV vrijwillig te verzekeren voor de Ziektewet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Daarnaast zijn kleine zelfstandigen vanaf 2000 voor hun ziektekosten verzekerd krachtens de Ziekenfondswet. Ook verdient aandacht dat per 1 januari 1998 de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen (WAZ) is ingevoerd.

Indien verplichte verzekering ingevolge de werknemersverzekeringen wordt vervangen door een vrijwillige (aanvullende) verzekering tegen de genoemde risicos worden de onder

Beoordeling huidige artiestregeling genoemde bezwaren ondervangen. Bij amateurs voorziet verzekering niet in een behoefte. Hobbyisten worden dan niet met een bronheffing geconfronteerd.

Het voorgaande kan schematisch als volgt worden weergegeven:

Is artiestenregeling Status voor Verzekerd Ondernemer

voor de loonbelasting inkomsten- voor werk- voor

van toepassing? belasting nemersver- omzetbelasting?

zekeringen?

Neen a) ondernemerschap neen (*) ja

indien aan de

aangescherpte

criteria is voldaan;

winstregime +

ondernemers-

faciliteiten.

Neen b) geen ondernemerschap: neen (*) neen

beperkt winstregime

van toepassing,

kostenaftrek als

ondernemer

Ja (bij eenzijdige geen ondernemerschap: ja neen

verklaring van artiest) winstregime beperkt

van toepassing,

kostenaftrek als

ondernemer


* Verondersteld wordt dat vrijwillige (aanvullende) verzekering mogelijk is van het risico

van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.

Mocht een vrijwillige verzekering niet mogelijk zijn dan dient ook de artiest/ondernemer voorshands de mogelijk te worden geboden te opteren voor de artiestenregeling en de daaraan verbonden bescherming tegen de door de werknemersverzekeringen gedekte risicos.


4.2 Artiesten blijven verzekerd voor werknemersverzekeringen

Een andere oplossing is het fictieve dienstverband met betrekking tot de sociale zekerheidswetgeving te handhaven, maar die voor de loonbelasting los te laten, zodat het evenals onder de huidige artiestenregeling regel blijft dat de artiest onder de werknemersverzekeringen valt. Evenals onder de huidige regeling dient de mogelijkheid te bestaan dat artiesten die dat niet wensen middels een door de Belastingdienst afgegeven zelfstandigheidsverklaring inhouding van premies werknemersverzekeringen kunnen voorkomen.

Door het fictieve dienstverband te handhaven voor de sociale zekerheid en het los te laten voor de loonbelasting wordt voorkomen dat loonbelasting wordt ingehouden voor hobbyisten en amateurs voor wie het inkomen geen bron vormt. Door de wettelijke verplichting tot inhouding wordt bereikt dat opdrachtgevers niet langer kunnen weigeren artiesten onder inhouding van premies werknemersverzekering loon uit te betalen.

In de toekomst zou kunnen worden bekeken (mits betaalbaar) of het mogelijk is om te komen tot een vrijwillige verzekering. Evenals in de huidige situatie gaat de commissie ervan uit dat bij een optreden van langere duur (langer dan drie maanden) de gage wél wordt onderworpen aan loonbelasting.

Het voorgaande kan schematisch als volgt worden weergegeven:

Is artiestenregeling Status voor Verzekerd Ondernemer

voor de loonbelasting inkomsten- voor werk- voor

van toepassing? belasting nemersver- omzetbelasting?

zekeringen?

Neen a) ondernemerschap ja, tenzij ja

indien aan de verklaring

aangescherpte

criteria is voldaan;

winstregime +

ondernemers-

faciliteiten.

Neen b) geen ondernemerschap: ja, tenzij neen

beperkt winstregime verklaring

van toepassing,

kostenaftrek als

ondernemer

Neen geen ondernemerschap: ja neen

winstregime beperkt

van toepassing,

kostenaftrek als

ondernemer


4.3 Artiestenverklaring

Indien de regeling als omschreven onder 4.1 wordt ingevoerd dient door een eenzijdige verklaring de artiestenregeling toepassing te vinden waardoor inhouding van zowel loonheffing als premies werknemersverzekeringen plaatsvindt.

Indien de regeling van 4.2 wordt aangehouden dient er een verklaring te worden ingesteld waardoor inhouding van premies werknemersverzekeringen wordt voorkomen.


4.4 Loonverdelingsverklaring

De loonverdelingsverklaring behoudt onafhankelijk van de nieuwe artiestenregeling betekenis in die gevallen waarin een groep een bepaald deel van de overeengekomen gage als algemene onkostenvergoeding aan het gezelschap als zodanig wil laten toekomen. In de amateursector (toneel, jazz, koren, orkesten, pop en dans) is de loonbelastingverklaring van groot belang. Afschaffing wordt dan ook ernstig ontraden. Wel verdient het aanbeveling om het maximaal als algemene kosten aan te merken bedrag vast te stellen aan de hand van een puntenstelsel. Dit puntenstelsel kan in overleg met organisaties van beroepskunstenaars, gebaseerd op ervaringsregels, worden vastgesteld. Voor de opdrachtgever dient een stringente renseigneringsplicht te gelden.

Wat het gebruik van de loonbelastingverklaring door buitenlandse artiesten betreft wordt nog opgemerkt dat na acceptatie van te hoge vergoedingen van algemene kosten aan deze artiesten, er voor de fiscus geen mogelijkheid bestaat dit te corrigeren.


4. Conclusie

De commissie heeft in hoofdlijnen twee alternatieven voor de nieuwe artiestenregeling geschetst, waarbij de keuze slechts in overleg met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan worden gemaakt.

Als eerste is een artiestenregeling voorgesteld die nog slechts optioneel van toepassing is. De artiest/niet-ondernemer kan daarbij eenzijdig kiezen voor toepassing van de regeling. De artiest/ondernemer wordt verondersteld zich vrijwillig te kunnen verzekeren. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient ook de artiest/ondernemer voorshands de mogelijkheid te worden geboden te opteren voor de artiestenregeling en de daaraan verbonden bescherming tegen de door de werknemersverzekeringen gedekte risicos.

Als tweede mogelijkheid denkt de commissie aan een regeling waarbij bij artiesten uitsluitend de inhouding van de premies werknemersverzekeringen verplicht gesteld wordt en de artiest middels een verklaring deze inhouding kan voorkomen.

Onafhankelijk van beide opties dient de artiest in de inkomstenbelasting in beginsel onder het beperkte winstregime van het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden te vallen. Indien hij aan de daartoe gestelde eisen voldoet, geniet hij winst uit een onderneming.

Handhaving van de huidige artiestenregeling, waarbij inhouding van loonbelasting in principe voor alle artiesten geldt wordt ontraden.

V. DE FISCALE POSITIE VAN KUNSTENAARS

Verschillende wetten hanteren verschillende criteria voor ondernemerschap

De huidige Wet op de loonbelasting 1964 hanteert voor artiesten een ondernemersbegrip door de zelfstandigheidsverklaring van artikel 4, onderdeel c, van de wet jo. artikel 2, lid 2, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit LB 1965. Dit ondernemersbegrip loopt niet parallel met het ondernemersbegrip zoals dat in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt gehanteerd, zoals moge blijken uit het arrest HR BNB 1981/105, en tal van andere arresten en/of uitspraken.

De Wet op de omzetbelasting 1968 hanteert weer andere criteria1 en dan is er vervolgens nog eens de ondernemer in de zin van de sociale zekerheidswetgeving.

Zo kan het voorkomen dat een artiest zonder zelfstandigheidsverklaring ondernemer is voor de inkomstenbelasting, maar niet voor de omzetbelasting, wél werknemer is voor de loonbelasting maar weer niet als werknemer voor de werknemersverzekeringen wordt beschouwd.

Ondanks de ruimte aandacht en herdefiniëring van het ondernemersbegrip in het Wetsontwerp Inkomstenbelasting 2001 is de bovenstaande problematiek ongewijzigd gebleven.

Aanbevelingen

* Coördinatie van het ondernemersbegrip is dringend gewenst. Gedacht wordt daarbij aan een Kenniscentrum Cultuur waar een kunstenaar terecht kan om voor alle wetten zijn fiscale status te vernemen. Tevens dient dit probleem onder de aandacht van de Commissie Stevens (Cultureel ondernemerschap) te worden gebracht.
* In tegenstelling tot hetgeen de Raad van State adviseert verdient het naar de mening van de commissie geen aanbeveling een omschrijving van het ondernemerschap in de wet op te nemen. Het verdient de voorkeur om aan te sluiten bij het huidige ondernemersbegrip. Niet alleen wordt dit huidige begrip vrijwel ongewijzigd overgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 2001, maar ook ligt aan het huidige begrip een omvangrijke hoeveelheid jurisprudentie ten grondslag.

De wettelijke mogelijkheid kosten van de werkruimte thuis in aftrek te brengen zijn te beperkt voor kunstenaars

Voor genormeerde kostenaftrek voor atelier in eigen huis of huurwoning (zonder tevens werkruimte elders) komt de beeldende kunstenaar in aanmerking indien winst en inkomsten uit arbeid voor tenminste 70% in of vanuit de werkruimte worden verworven. Als extra eis geldt nog dat winst en inkomsten uit arbeid voor tenminste 30% in die werkruimte worden verdiend.

Onlogisch is dat bij de berekening van het arbeidsinkomen moet worden uitgegaan van het gezamenlijke bedrag van de bruto inkomsten uit arbeid (dus zonder kostenaftrek) en de winst (een nettobegrip, omdat daar de kosten af zijn).

Waar worden de baten genoten van beeldhouwers die met hun werk naar een bronsgieter gaan en het eindproduct vervolgens via een galerie verkopen? Hoe werken de criteria uit voor (kunst) fotografen die buiten fotos maken en deze in hun werkruimte ontwikkelen en afdrukken? Vormt het uitbesteden van de vervaardiging van cibrachroom fotos (grote kleurenfotos die niet thuis kunnen worden geproduceerd) bij een daarin gespecialiseerd bedrijf een beletsel voor de genormeerde aftrek voor kosten werkruimte? In de praktijk beantwoorden aanslagregelaars de vragen verschillend

Musici en componisten die thuis over een geluidsstudio beschikken kampen met soortgelijke problemen. Door de commissie wordt opgemerkt dat volgens het wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 het thans geldende regime wordt gecontinueerd.

Aanbeveling
De situaties waarin scheppende en uitvoerende kunstenaars kostenaftrek terzake van een werkruimte kunnen claimen behoeven verduidelijking en dienen te worden versoepeld.

Voor veel beeldende kunstenaars zijn de regels van voorraadwaardering ten behoeve van de winstbepaling niet uitvoerbaar

Vereist wordt dat een beeldend kunstenaar, evenals andere ondernemers, bij de aangifte inkomstenbelasting jaarstukken overlegd. Daarbij moet worden bedacht dat waardering van de voorraad bij een beeldend kunstenaar in feite niet of bijzonder moeilijk uitvoerbaar is. Dit probleem speelt niet alleen bij de bepaling van de jaarwinst, maar ook bij staking van de onderneming.

Sommige aanslagregelaars nemen ten aanzien van minder bekende kunstenaars een soepel standpunt in waar het de waardering van de eigen kunstwerken betreft, anderen stellen zich minder flexibel op. De commissie merkt hierbij op dat de staatssecretaris van Financiën in 1998 bekend heeft gemaakt dat de ontwikkelingskosten van films niet behoeven te worden geactiveerd.1

Aanbeveling

* Bepleit wordt een regeling te treffen als in Canada, waar kunstenaars wordt toegestaan geproduceerde, tot het ondernemingsvermogen behorende kunstwerken op nihil te waarderen, terwijl de productiekosten wel al in het jaar van productie in mindering van de winst kunnen worden gebracht. De Verenigde Staten kennen een vergelijkbare regeling.


4. Oudedagsvoorziening artiesten schiet tekort

De dotatie aan de fiscale oudedagsreserve (FOR) mag niet uitkomen boven het ondernemingsvermogen. Voor veel kunstenaars geldt echter dat hun ondernemingsvermogen onvoldoende is om een redelijk pensioen op te bouwen.

Naast de FOR kan gebruik worden gemaakt van lijfrenteverzekeringen. De financiële ruimte voor pensioenopbouw ontstaat bij kunstenaars pas in een latere levensfase. Om voor extra aftrek in aanmerking te komen geldt de beperkende voorwaarde dat de betrokkene meer moet verdienen dan een bepaald inkomen. Deze eis kan een probleem vormen.

In het belastingstelsel van de 21e eeuw wordt uitgegaan van een oudedagsparaplu. In dit systeem is het mogelijk om via een lijfrenteaftrek een individueel pensioentekort weg te werken. Daarbij is van groot belang dat dit wegwerken van het pensioentekort in een beperkt aantal jaren kan plaatsvinden, zodat bij fluctuaties van het inkomen toch een redelijk pensioen kan worden opgebouwd. Artiesten zijn in de regel slechts korte tijd populair, en hebben alleen in deze periode van populariteit de mogelijkheid een pensioen op te bouwen.

Aanbeveling

* Bezien dient te worden in hoeverre een flexibeler pensioenopbouw kan bijdragen aan het verbeteren van de oudedagsvoorziening van kunstenaars.


5. Kostenaftrek voor kunstenaars


5.1 Kostenaftrek voor kunstenaars / ondernemers

In het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 worden ten opzichte van de bestaande kostenaftrek voor ondernemers enkele beperkingen aangebracht. De ondernemer die thans voor het woon-werkverkeer gebruik maakt van een tot het privé-vermogen behorende auto kan daarvoor nog f 0,60 per km ten laste van de winst brengen. Volgens het wetsvoorstel wordt dit bedrag beperkt tot een in een tabel af te lezen bedrag, afhankelijk van reisafstand en aantal reisdagen per week.

Wie gebruik maakt van een tot het ondernemingsvermogen behorende personenauto zal onder het nieuwe regime veelal met een hogere bijtelling voor privé-gebruik worden geconfronteerd. Wanneer voor privé-doeleinden (waartoe in dit verband het woon-werk verkeer niet behoort) meer dan 7.000 kilometer per jaar wordt gereden, bedraagt het bij de winst te tellen bedrag 25% van de cataloguswaarde van de auto (was 20%). Bij lager privé-gebruik wordt -afhankelijk van het privé-gebruik- een lagere bijtelling toegepast. Bij een privé-gebruik van 0 tot 500 kilometer wordt afgezien van bijtelling. Er komt een ministeriële regeling waarin regels worden gesteld voor het aantonen dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. Daarin worden ook voorwaarden opgenomen waaraan de rittenregistratie moet voldoen.

Deze algemeen geldende beperkingen van de kostenaftrek treffen uiteraard ook kunstenaars. Hoewel reiskosten woning-werk voor bijvoorbeeld sommige musici (slagwerkers, bassisten e.d.) autogebruik noodzakelijk maakt ziet de commissie geen aanleiding op dit punt voorstellen te doen. Ook bij andere beroepsgroepen is immers gebruik van de auto onvermijdelijk.


5.2 Kostenaftrek voor kunstenaars in loondienst

Werknemers mogen volgens het wetsvoorstel nog slechts een vast bedrag aan beroepskosten aftrekken: de algemene aftrek. Deze algemene aftrek bedraagt 4% van het loon met een maximum van f 1.263. Kunstenaars in loondienst kunnen dus in de nieuwe situatie de werkelijk gemaakte beroepskosten niet meer aftrekken. De motivering hiervan in de memorie van toelichting luidt: Waar kosten noodzakelijk zijn, zal de werkgever daarin voorzien. Waar de werkgever dit niet nodig vindt, is er geen taak voor de belastingwetgever voor dergelijke kosten een tegemoetkoming te verstrekken.1 De commissie onderstreept de kritiek van de redactie Vakstudie Nieuws, waar deze opmerkt: Met het schrappen van de aftrek van de werkelijke kosten worden de pijlers van de inkomstenbelasting geraakt: de bronnentheorie en de heffing naar draagkracht. Vanuit die invalshoek zou toch slechts het saldo van de arbeidsinkomsten en de daarop betrekking hebbende kosten in de heffing moeten worden betrokken.

Die kosten beïnvloeden immers de omvang van de inkomsten (in algemene zin ook de vraag of er een bron van inkomen is) en daarmee ook de draagkracht van belastingplichtige.1 Wij verwijzen in dit verband ook naar de kritiek van de Raad van State, die adviseert het vervallen van de werkelijke kostenaftrek te heroverwegen.1

Het behoeft nauwelijks betoog dat juist kunstenaars in loondienst vaak te maken hebben met werkgevers die niet over voldoende financiële middelen beschikken om de kosten die hun werknemers moeten maken te vergoeden. Een sprekend voorbeeld ontleent de commissie aan een recent gepubliceerde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, waarin voor een altvioliste in dienstbetrekking bij een orkest werd beslist dat de kosten van herstel van een piano (f 8.500) aftrekbaar waren. Het gerechtshof overwoog onder meer dat voldoende aannemelijk was geworden dat de piano voor tenminste 90% werd gebruikt voor de dienstbetrekking en daartoe niet kon worden gemist.1 Volgens de nieuwe wet inkomstenbelasting zou geen aftrek mogelijk zijn.

.


5.3 Kostenaftrek voor kunstenaars (niet-ondernemers) met arbeidsinkomen buiten dienstbetrekking

Zoals uiteengezet in bijlage IV onder 4.3 worden de inkomsten van freelancers in de nieuwe wet omschreven als resultaat uit overige werkzaamheden. Het gaat hierbij enerzijds om personen die met loon vergelijkbare inkomsten ontvangen maar die niet in dienstbetrekking werkzaam zijn (omdat de gezagsverhouding ontbreekt) en anderzijds gaat het om personen die met winst vergelijkbare inkomsten ontvangen en niet als ondernemer worden aangemerkt (omdat ze volgens de geldende criteria geen onderneming drijven), de freelancer dus.

Deze categorie kan het aftrekbare-kostenregime voor ondernemers toepassen, wat een verruiming van de kostenaftrek zal betekenen.

Ook kan de freelancer overeenkomstig het voorgestelde artikel 4, onderdeel f, Wet op de loonbelasting 1964 door middel van een gezamenlijke verklaring van de freelancer en diens opdrachtgever verzoeken zijn arbeidsverhouding als een dienstbetrekking aan te merken. Dit heeft onder andere tot gevolg dat kostenvergoedingen onbelast kunnen worden ontvangen, maar verdere kosten, behoudens de forfaitaire aftrek, volgens het wetsvoorstel niet meer aftrekbaar zijn.


5.4 Kostenaftrek voor kunstenaars (niet-ondernemers) die hebben verzocht om toepassing van de artiestenregeling

Volgens het voorgestelde artikel 4, onderdeel f, Wet loonbelasting kan in het algemeen een freelancer, gezamenlijk met de opdrachtgever, verzoeken een arbeidsverhouding als een dienstbetrekking aan te merken. Zoals aangegeven in bijlage IV, onder 4.3 meent de commissie dat een uitvoerend kunstenaar moet kunnen verzoeken om zijn arbeidsverhouding als een fictieve dienstbetrekking, conform de artiestenregeling te beschouwen. De onder de artiestenregeling vallende inkomsten zullen naar het inzicht van de commissie vervolgens moeten worden behandeld volgens het regime dat geldt voor resultaat uit overige werkzaamheden (het beperkte winstregime), wat onder andere inhoudt dat kosten aftrekbaar zijn volgens het voor ondernemers geldende regime.

De commissie is verder van oordeel dat de keus voor een gewone dienstbetrekking, als hiervoor omschreven in 5.3, voor een artiest minder voor de hand ligt.

Het is onwaarschijnlijk dat de opdrachtgever van een incidenteel optredende artiest ten aanzien van die artiest als een gewone werkgever zal willen fungeren. In het huidige heffingsregime is dit zelfs niet mogelijk, omdat de artiestenregeling voorrang heeft boven de regels van de gewone dienstbetrekking (BNB 1986/168).

Aanbevelingen

* Werknemers in loondienst (zie hiervoor onder 5.1) die noodzakelijke kosten hebben welke niet door de werkgever worden vergoed, dienen deze kosten te kunnen blijven aftrekken. Het beginsel van belastingheffing naar draagkracht wordt door het schrappen van deze aftrek verlaten. Rechtvaardigheid gaat naar mening van de commissie boven eenvoud of motieven van sociaal-economisch-politieke aard.

* De commissie benadrukt dat de kunstenaars / niet-ondernemers eenzijdig voor de artiestenregeling moeten kunnen kiezen. Voor de bedoelde categorie artiesten zou kostenaftrek volgens het beperkte winstregime toepassing dienen te vinden.


6. Fiscale positie van werknemers in een met de zelfstandige beroepsuitoefening samenhangende dienstbetrekking

De commissie vraagt aandacht voor werknemers die een met de zelfstandige beroepsuitoefening samenhangende dienstbetrekking vervullen. Hierbij moet worden gedacht aan de zelfstandige musicus die (parttime) lesgeeft aan een conservatorium, of aan een beeldend kunstenaar die in dienstbetrekking cursussen culturele vormgeving verzorgen. Veelal bestaat in dergelijke situaties een dermate sterk verband dat de formeel in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden moeten worden geacht te zijn verricht in het kader van de beroepsuitoefening.

Deze visie ligt in de lijn van de ruime omschrijving van het begrip winst uit onderneming in het huidige artikel 7 Wet op de inkomstenbelasting 1964, en vindt ook steun in de jurisprudentie.

De praktijk is echter dat de aanslagregelaar veelal niet bereid is het onderscheid tussen dienstbetrekking en zelfstandig beroep op te heffen. Dit heeft tot gevolg dat een toedeling moet worden gemaakt tussen kosten aan winst uit onderneming en aan loon uit dienstbetrekking. Tevens dient een toerekening van het aantal werkzame uren te worden gemaakt. Het spreekt voor zich dat, gelet op de samenhang, een dergelijke toerekening nauwelijks te maken is en derhalve altijd triviaal is.

Aanbeveling

* Er dient een regeling te worden getroffen welke de kunstenaar, die naar zijn uitoefening van een zelfstandig beroep tevens werkzaam is in een met de beroepsuitoefening samenhangende dienstbetrekking, de mogelijkheid biedt een kostenaftrek volgens het winstregime te kiezen of, indien hij aan bepaalde criteria voldoet, het geheel van de inkomsten als ondernemingswinst aan te merken.

Genieten amateurmusici belastbaar inkomen of gaat het om een hobby in de

privé-sfeer?

In de praktijk rijzen vragen rondom de fiscale situatie van niet-beroepsmatig werkende kunstenaars, zoals amateurmusici en beeldend kunstenaars die per saldo geen positieve opbrengst uit hun artistieke activiteiten genieten. Wanneer over een reeks van jaren de kosten de baten overtreffen wordt aangenomen dat de bedoelde activiteiten worden verricht in de privé- of hobby-sfeer, hetgeen betekent dat er in zoverre geen sprake is van een bron van inkomen.

Het is de vraag wat in dit geval onder kosten moet worden verstaan. In de uitspraak Hof Amsterdam, 3 januari 1997, nr. 96/1168, Infobulletin 98/142 is aangenomen dat bij de beoordeling van de vraag of van een positieve opbrengst sprake is, een ruim kostenbegrip kan worden gehanteerd. Dit houdt in dat daarbij ook rekening mag worden gehouden met kosten welke in de Wet Inkomstenbelasting van aftrek worden uitgesloten of waarvan de aftrek is beperkt. In de praktijk wordt dit standpunt door de Belastingdienst gevolgd voor sporters.14

Amateurmusici worden thans op dit punt veelvuldig anders behandeld. Door het van toepassing zijn van de artiestenregeling wordt vaak zonder meer aangenomen dat er een bron van inkomen is, terwijl de musicus zelf van oordeel is dat van een batig saldo geen sprake is. Indien het voorstel van de commissie, de artiestenregeling nog slechts optioneel van toepassing te doen zijn, wordt gevolgd, komt dit bezwaar te vervallen. De vraag of een bron van inkomen aanwezig is komt dan bij de aanslagregeling inkomstenbelasting aan de orde.

Aanbeveling

* Bij de beoordeling van de vraag of in casu een bron van inkomen aanwezig is, dient een ruim kostenbegrip te worden gehanteerd zonder dat de uitsluitingen en beperkingen van de kostenaftrek in de inkomstenbelasting van toepassing zijn. De vraag of een bron van inkomen aanwezig is dient derhalve te worden beantwoord aan de hand van de thans geldende criteria.


8. Buitenlands belastingplichtige artiesten in Nederland


8.1 Huidige regeling

Volgens de thans geldende wetgeving is de gage van in Nederland optredende buitenlands belastingplichtige artiesten onderworpen aan de heffing van loonbelasting. Aandacht verdient dat de ingehouden loonbelasting anders dan bij in Nederland wonende artiesten- niet fungeert als voorheffing op de loonbelasting maar als eindheffing: er wordt 25% geheven over 75% van de brutogage. In dit geval heeft de heffing van loonbelasting in feite het karakter van een zakelijke heffing gekregen. De buitenlandse artiest contracteert op netto basis; de verschuldigde loonbelasting is een kostenpost voor de impresario.

Ook voor buitenlandse artiesten geldt dat, behalve het loon in geld en natura, kostenvergoedingen tot het loon behoren. De forfaitaire kostenaftrek van 25% kan worden verhoogd als aannemelijk is dat de werkelijke kosten hoger zijn. Verhoging van de forfaitaire kostenaftrek van 25% wordt op schriftelijk verzoek van de artiest door de inspecteur verleend bij beschikking; deze beschikking kan te allen tijde bij nadere beschikking worden herroepen.

Anders dan bij binnenlandse artiesten is een verzoek om verhoging van de forfaitaire kostenaftrek zinvol, omdat de impresario daarbij gebaat zal zijn.1

Een buitenlands artiest komt niet in aanmerking voor de inhoudingsplichtigenverklaring. Ook wordt aan de buitenlandse artiest geen zelfstandigheidsverklaring afgegeven, omdat anders geen belastingheffing plaats zou vinden. Voor buitenlandse groepen is van belang dat ook zij van de loonverdelingsverklaring gebruik kunnen maken.


8.2 Buitenlands belastingplichtige artiesten in wetgeving 21e eeuw

De bestaande regeling zal onder het huidige regime worden gecontinueerd, zij het dat de verhoging van de kostenaftrek boven het forfaitaire percentage van 25 niet langer mogelijk is. Na wat hiervoor is opgemerkt behoeft het geen toelichting meer dat de commissie hiertegen bezwaar maakt. Het schrappen van aftrek van werkelijke kosten kan voor impresarios die buitenlandse artiesten contracteren sterk kostprijsverhogend werken.

Bovendien zal door het maximeren van de kostenaftrek Nederland onaantrekkelijk worden voor grote internationale artiesten. De commissie roept daarbij de problemen in herinnering die in Duitsland zijn ontstaan toen daar de kostenaftrek voor buitenlandse artiesten werd geschrapt; onder meer Michael Jackson weigert sindsdien om daar optredens te verzorgen.


8.3 Vergelijking buitenlandse artiesten en buitenlandse sporters

Anders dan bij buitenlandse artiesten kent Nederland tot nu toe geen heffing van loonbelasting bij buitenlandse sporters die in Nederland werkzaam zijn ingevolge een overeenkomst van korte duur. Wel worden buitenlandse sporters in de inkomstenbelasting betrokken, zodat zij recht hebben op de belastingvrije voet en de lage tarieven van de eerste en tweede schijf (6,2% resp. 7,5% tot een belastbare som van ruim f 48.000), met de kanttekening dat bij hoge verdiensten het tarief van 50% resp. 60% wordt toegepast.

De vraag is gerezen of het in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel dat buitenlandse artiesten, anders dan buitenlandse sporters, in Nederland geen aanslag inkomstenbelasting krijgen én dat hen toepassing van de belastingvrije voet en het schijventarief wordt onthouden.1 Er is op dit moment over deze kwestie een procedure aanhangig.1

In het Belastingplan 2000 wordt voorgesteld de arbeidsverhouding van niet in Nederland wonende beroepssporters die in Nederland inkomsten als zodanig genieten, als een fictieve dienstbetrekking aan te merken, zoals dat ook bij buitenlandse artiesten het geval is. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dan niet meer aan de orde komen.

Wel blijft de vraag in welke gevallen buitenlandse belastingplichtigen in de nieuwe belastingstructuur de mogelijkheid wordt geboden te opteren voor een behandeling als binnenlandse belastingplichtigen. Het is de commissie bekend dat in Engeland buitenlandse artiesten de mogelijkheid hebben om na afloop van het jaar een aangifte inkomstenbelasting in te dienen die tot restitutie leidt.

In Nederland is de regel nog steeds dat in het buitenland wonende artiesten die in Nederland een optreden van korte duur hebben verricht geen aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen krijgen. Zouden zij om andere redenen een aanslag krijgen (binnenlandse bronnen van inkomen) dan blijven toch de inkomsten uit de overeenkomsten van korte duur buiten beschouwing.

De vraag rijst of dit standpunt in het licht van de mogelijkheid dat buitenlandse belastingplichtigen in de nieuwe belastingstructuur kunnen kiezen voor een behandeling als binnenlandse belastingplichtigen, wel juist is.

Aanbeveling

* De commissie heeft bezwaar tegen een eventuele uitsluiting van kostenaftrek boven 25% van de overeengekomen gage. Het door de Belastingdienst ingenomen standpunt, dat de mogelijkheid van restitutie van ten laste van buitenlandse artiesten ingehouden loonbelasting ontbreekt, behoeft verduidelijking.


9. Nederlandse artiesten in het buitenland: dubbele heffing

Indien Nederlandse artiesten in het buitenland optreden krijgen zij vaak te maken met dubbele belastingheffing. Op grond van artikel 17 modelverdrag OESO heeft het land van optreden (de werkstaat) recht om belasting te heffen en Nederland betrekt als woonstaat het inkomen als onderdeel van het wereldinkomen opnieuw in de belastingheffing. Weliswaar wordt -afhankelijk van hetgeen een verdrag bepaalt- via de methode van belastingverrekening of belastingvrijstelling gepoogd om dubbele heffing te voorkomen, maar in de praktijk ontstaat toch vaak dubbele heffing.

Deze dubbele heffing heeft twee oorzaken:

a. In de meeste landen wordt niet alleen het honorarium, maar ook de kostenvergoeding belast, zonder aftrek van kosten. In Nederland wordt echter een belastingverrekening/ vrijstelling verleend, berekend over de brutogage verminderd met de kosten, dus over het nettobedrag. De verrekening / vrijstelling wordt dus veelal over een lager bedrag verleend dan waarover in het buitenland is geheven.


b. In Nederland worden inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen afzonderlijk geheven, zij het dat de heffing door het opleggen van één gecombineerde aanslag plaatsvindt. In 1999 bedraagt het belastingtarief voor personen jonger dan 65 jaar in de eerste en tweede schijf 6,2 respectievelijk 7,5% (tot een belastbare som van ruim f 48.000) terwijl tot dit bedrag bovendien nog 29,55% premie volksverzekeringen is verschuldigd. De belastingverrekening / vrijstelling wordt uitsluitend verleend voor de inkomstenbelasting en dus niet voor de premieheffing. Die vrijstelling wordt verleend tegen het gemiddelde belastingtarief, dat wil zeggen tegen het gewogen gemiddelde van de in de diverse schijven geldende tariefspercentages. Bij lagere inkomens zal de belastingvermindering daardoor aanzienlijk kleiner zijn dan de in het buitenland geheven belasting.

Aanbevelingen

* Nederland kan internationaal bepleiten dat het buitenland aftrek van kosten toestaat of dat een lager brontarief wordt gehanteerd.
* Buitenlandse artiesten zouden liefst in alle landen de mogelijkheid moeten krijgen om na afloop van het jaar aangifte inkomstenbelasting in te dienen zodat lage belastingtarieven kunnen worden toegepast. In Engeland en Frankrijk is dat reeds het geval.

10. Belasting- en premieheffing over loon in natura bij artiesten: séjours

Sinds 1997 worden ook bij CAO vastgelegde kostenvergoedingen (séjours) belast. Zelfs het door de opdrachtgever onderbrengen van een artiest in een hotel als ook het verstrekken van maaltijden en drank wordt tot het artiestenloon gerekend.

Het behoeft geen betoog dat dit een belangrijke lastenverzwaring inhoudt voor de sector podiumkunsten. De artiest dient er vervolgens op bedacht te zijn dat althans in het tot en met 1999 geldende regime- het terzake van deze posten in zijn loon opgenomen bedrag tot de aftrekbare kosten behoort.

Voor de vergelijking: wanneer een gewone werknemer zijn verblijfkosten in een hotel vergoed krijgt wordt doorgaans niets tot het loon gerekend. Voor de werkgever zijn de verblijfkosten voor 100% aftrekbaar, het element voedsel en drank voor 90%. Eventueel wordt bij de werknemer een bescheiden genormeerde besparing belast. Voor de opdrachtgever van de artiest heeft de Belastingdienst een stringenter regime in petto. De door het ministerie van Financiën uitgegeven handleiding 1999 voor de opdrachtgever van artiesten hanteert een voorbeeld waarin de opdrachtgever aan een artiest broodjes en drank ter waarde van f 15 verstrekt: het loon van de artiest dient dan met f 15 te worden verhoogd!

Geldt voor gewone werknemers dat kleine consumpties tijdens werktijd zijn vrijgesteld en maaltijden volgens de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 1990 naar f 5.70 per warme maaltijd worden belast, de artiest moet het volle pond betalen.

Het zou een misverstand zijn te denken dat de forfaitaire kostenaftrek van 15%, welke in mindering op het loon kan worden gebracht alvorens de loonheffing over het artiestenloon wordt berekend, een tegemoetkoming voor bovenstaande ongelijkheid zou zijn. Immers, de loonheffing en premies sociale verzekeringen worden berekend over 85% van het totaal van loon en kostenvergoedingen, doch het brutoloon dat in de berekening van het belastbare inkomen wordt betrokken en waarover de uiteindelijk verschuldigde inkomstenbelasting wordt berekend is de volle 100%.1

Aanbeveling

* Het in het artiestenloon betrekken van naturabeloningen zou zich moeten beperken tot die gevallen waarin in de bewoordingen van de inmiddels ingetrokken resolutie- daardoor substantiële verstrekkingen in natura (bijvoorbeeld gebruiksvoorwerpen) buiten de heffingsmaatstaf zouden blijven.

Het belasten van de genoemde kostenvergoeding staat bovendien haaks op de verdwijning van de kostenaftrek in de belastingwetgeving vanaf 2001. Via de opdrachtgever geregeld verblijf (hotel, maaltijden, drank) dient niet als loon in natura te worden beschouwd. In vergelijking met de behandeling van gewone werknemers kan worden gesproken van ongemotiveerde verschillen, waardoor de podiumsector in de problemen komt.

Behandeling kunstenaars voor werknemersverzekeringen onduidelijk

Zoals opgemerkt in de beknopte beschrijving van de thans geldende artiestenregeling (zie Bijlage IV paragraaf 1) beslist de uitvoeringsinstelling voor de werknemersverzekeringen of een kunstenaar al dan niet is verzekerd voorde Ziekenfondswet, Werkloosheidswet, Ziektewet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zo betekent het ontbreken van een zelfstandigheidsverklaring niet dat een uitvoerend kunstenaar dus verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. Er bestaat derhalve geen aansluiting bij het van toepassing zijn van de artiestenregeling en evenmin met het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting.

Een speciaal probleem vormt het convenant in de audiovisuele branche zoals dat is gesloten tussen producenten / omroepen en het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (LISV). Bij de beoordeling van het ondernemerschap van freelancers stelt het LISV eisen die aanmerkelijk verder gaan dan de criteria die gelden voor de fiscale wetgeving. Indien bij controle blijkt dat geen OnafhankelijkheidsVerklaring AudioVisuele branche (OVAV) aan de producent is overlegd, worden premies werknemersverzekeringen per definitie nageheven. Daarom houden producenten / omroepen steeds loonbelasting in wanneer overlegging van een OVAV achterwege is gebleven, zelfs als de factuur afkomstig is van een B.V.

Het gebruik van stichtingen

De onzekerheid over fiscaal ondernemerschap, in combinatie met twijfel over het van toepassing zijn van de sociale-zekerheidswetgeving, heeft in de praktijk geleid tot het oprichten van rechtspersonen (stichtingen en verenigingen) door individuele kunstenaars en groepen (o.a. popbands). In een dergelijke situatie factureert de stichting de werkzaamheden van haar werknemer(s) aan de opdrachtgever, en betaalt dit door als loon. Het is de bedoeling dat, indien er geen werk meer is, de werknemer kan worden ontslagen en gebruikt kan maken van de WW, of bij ziekte van de ZW, enz.

Of de kunstenaar verzekerd is voor de werknemersverzekeringen is afhankelijk van de vraag of er al dan niet sprake is van een dienstbetrekking. Indien er geen reële gezagsverhouding bestaat tussen de kunstenaar en het stichtingsbestuur, is er geen dienstbetrekking en kan geen beroep op de sociale-zekerheidswetgeving worden gedaan.

Er zijn kunstenaars die in arbeidsverhouding tot een onafhankelijk stichtingsbestuur werkzaam zijn, waarbij het geheel van omstandigheden tot de conclusie leidt dat van een dienstbetrekking sprake is. Anderzijds moet worden vastgesteld dat de gepretendeerde onafhankelijkheid van een stichtingsbestuur in de praktijk vaak niet valt waar te maken.

Aanbeveling
De commissie pleit ervoor om met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overleg te voeren om een uniforme behandeling van kunstenaars in de werknemersverzekeringen te bevorderen. In dit overleg dient ook convenant voor de audiovisuele branche over de toepassing van de werknemersverzekeringen te worden betrokken.

Kunstenaar en BTW


1. Ondernemerschap in de omzetbelasting

Artikel 13A lid 1 letter n van de Zesde Richtlijn stelt vrij van BTW-heffing bepaalde culturele diensten alsmede nauw daarmee samenhangende goederenleveringen, verricht door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken Lid-Staat worden erkend. Het begrip culturele instelling wordt daarbij niet nader gedefinieerd.

De vrijstelling geldt alleen indien geen winst wordt beoogd en er geen ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die winst beogen en de vrijstelling is niet van toepassing op een aantal aangegeven prestaties, zoals bijvoorbeeld het verstrekken van spijzen en dranken en het ter beschikking stellen van personeel.

In de Nederlandse Wet is de vrijstelling voor culturele diensten verwerkt in artikel 11, lid 1 letter f juncto artikel 7 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Bijlage B behorende bij dit Uitvoeringsbesluit bepaalt vervolgens in onderdeel a welke met name genoemde instellingen als sociaal-cultureel worden aangemerkt. Hierbij moet worden gedacht aan instellingen als de Stichting Culturele Raad van Zuid-Holland, de Stichting Kunst en Cultuur Limburg en de Stichting Kunsthistorisch centrum (voor voordrachten en cursussen). Onder onderdeel b worden bepaalde categorieën ondernemers genoemd, zoals kruisverenigingen en instellingen voor algemeen maatschappelijk werk, enz.

De commissie stelt vast dat in de omzetbelasting geen echte definitie van het begrip culturele instelling wordt gegeven. Het verdient aanbeveling dat het ministerie van Financiën, in overleg met het ministerie van OCenW, hiervoor criteria vaststelt, waardoor ongelijkheid wordt voorkomen en het begrip culturele instelling in alle belastingen gelijk is.

Hiertoe zij verwezen naar de aanbevelingen van de commissie bij hoofdstuk II, paragraaf 1.


2. Ondernemerschap bij culturele evenementen

In de praktijk doet zich in toenemende mate de vraag voor in hoeverre culturele evenementen belastingplichtig voor de omzetbelasting zijn. Deze vraag doet zich met name voor bij gratis toegankelijke culturele evenementen.

In dergelijke situaties stelt de Belastingdienst dat er slechts voor zover sponsoractiviteiten worden verricht sprake is van ondernemerschap. Voor het overige gedeelte is in die visie geen sprake van ondernemerschap. Met andere woorden, de organisatie wordt onderverdeeld in een ondernemers- en een niet-ondernemersgedeelte. Deze stelling leidt ertoe dat alleen met betrekking tot de sponsoractiviteiten een recht op verrekening van voorbelasting bestaat. In dergelijke situaties ontstaat grote onzekerheid met betrekking tot de hoogte van het recht op aftrek, immers hoe dient de relatie sponsoring en inkoop-BTW te worden aangetoond (is sponsoring bedoeld voor verhoogde consumptie-omzet of om een bepaalde artiest te laten optreden?).

Naast de vraag of wel gesteld kan worden dat een organisatie waarvan de prestaties (mede) worden bekostigd uit subsidies, contributies en dergelijke niet als ondernemer wordt aangemerkt kan de invoering van het keuzerecht zoals bedoeld in artikel 7, lid 5 van de Wet op de omzetbelasting 1968 met betrekking tot startende kunstenaars dan wel culturele evenementen een uitkomst bieden. Uit de Europese Jurisprudentie kan immers worden opgemaakt dat al snel sprake is van ondernemerschap voor de BTW.

Artikel 7 lid 5 van de Wet kent een keuzerecht voor lichamen in de zin van de AWR die, anders dan als ondernemer, prestaties verrichten ten behoeve van andere belaste ondernemers. Dergelijke lichamen kunnen ervoor opteren om voor die prestaties als ondernemer te worden aangemerkt. Het aldaar bedoelde keuzerecht zou van toepassing kunnen worden verklaard op culturele instellingen. Zodoende kunnen onder meer de hiervoor geschetste nadelen en onduidelijkheden voor culturele evenementen worden voorkomen. Zoals gezegd valt uit de Europese jurisprudentie af te leiden dat ondernemerschap snel aanwezig wordt geacht te zijn en dat voorts doorgaans geen onderscheid wordt gemaakt tussen lichamen en natuurlijke personen.1 Onderzocht zou kunnen worden in hoeverre dit keuzerecht van toepassing zou kunnen worden verklaard op beginnende kunstenaars / natuurlijke personen.

Aanbeveling

* De organisator van culturele elementen dient de mogelijkheid te worden geboden op grond van artikel 7, lid 5, Wet op de omzetbelasting 1968 te opteren voor volledige belastingplicht als ondernemer voor de omzetbelasting. Tevens dient te worden onderzocht in hoeverre het wenselijk is dat kunstenaars / natuurlijke personen van dit keuzerecht gebruik moeten kunnen maken.


3. Schenking van bedrijfsmiddelen

In de praktijk wordt vaak tegen het standpunt aangelopen dat het Besluit Uitsluiting Aftrek (BUA) omzetbelasting dan wel de herzieningsbepalingen van toepassing zijn op schenkingen. Voorbeelden hiervan zijn schenkingen door het bedrijfsleven van bijvoorbeeld computers aan BTW-vrijgestelde instellingen, alsmede de overdracht van verworven kunstvoorwerpen door musea aan de Staat in het kader van de beheersovereenkomst gesloten tussen de toenmalige minister van WVC namens de Staat met de geprivatiseerde rijksmusea. De hierdoor ontstane onduidelijkheid is ongewenst, en komt een uniforme beleidsuitvoering niet ten goede. Daarnaast staat toepassing van het BUA of de herzieningsbepalingen haaks op de door de wetgever voorziene fiscale faciliëring van schenkingen van bedrijfsmiddelen aan culturele instellingen

Aanbeveling

* Wanneer de tot het vermogen van een onderneming behorende bedrijfsmiddelen aan een culturele instelling worden geschonken dient toepassing van de BTW-BUA-regeling of de BTW-herzieningsbepalingen achterwege te blijven. Door het ministerie van Financiën dient een eenduidige beleidsmededeling naar de diverse eenheden van de Belastingdienst te worden gestuurd


4. Sponsoring / verhoging grens voor fondswervende activiteiten

In Mededeling 65 d.d. 4 augustus 1999 is de toepassing van de vrijstelling voor fondswervende activiteiten van artikel 11, lid 1 letter v van de Wet op de omzetbelasting 1968 uitgebreid. De vrijstelling kan nu ook worden toegepast door overige, niet in letter v genoemde, verenigingen of instellingen op sociaal, recreatief of cultureel terrein wier primaire activiteiten zijn vrijgesteld van BTW. Ook is de vrijstelling nu van toepassing op de fondswervende activiteiten van steunstichtingen of de stichting Vrienden van... De Commissie is verheugd met deze uitbreiding van de werking van de vrijstelling voor fondswervende activiteiten.

Voor sportorganisaties is de grens voor fondswervende diensten op ¦¦ 70.000,- gesteld. Voor de overige organisaties ligt het maximum op 50.000,-. Zeker nu het verstrekken van spijzen en dranken ter plaatse als een fondswervende dienst wordt aangemerkt acht de commissie het wenselijk ook voor culturele instellingen het maximum tot f 70.000 te verhogen. Voor invulling van het begrip culturele instelling dient daarbij aansluiting te worden gezocht bij de invulling van het begrip zoals bepleit in Hoofdstuk II, paragraaf 1.

Aanbeveling

* Voor culturele instellingen dient, in navolging van sportorganisaties, de vrijstellingsgrens voor fondswervende diensten op f 70.000 te worden gesteld.


5. Vrijstelling voor schrijvers / componisten

De toepassing van de componistenvrijstelling wordt vaak door de Belastingdienst aangedragen in de situatie waarin artiesten zelf een track schrijven en deze op een geluidsdrager zetten om vervolgens aan een platenmaatschappij te verkopen of een licentie uit te geven. De Belastingdienst stelt zich doorgaans op het standpunt dat een deel van de ontvangen omzet is vrijgesteld van BTW-heffing daar de componistenvrijstelling van toepassing is.

Deze vrijstelling is in de Wet op de omzetbelasting 1968 opgenomen omdat bij de invoering ervan werd aangenomen dat schrijvers / componisten (evenals journalisten en persfotografen) uit de aard van hun beroep (nagenoeg) uitsluitend hun diensten verleenden aan niet-ondernemers. Bovendien ging de wetgever uit van de veronderstelling dat er voor schrijvers en/of componisten niet of nauwelijks sprake was van verrekenbare voorbelasting.

De commissie signaleert dat deze veronderstellingen thans aan actualiteit hebben verloren, waardoor de vrijstelling heden ten dage door schrijvers en/of componisten als een belemmering wordt ervaren. Er zij in dit verband op gewezen dat ook het gemeenschappelijke systeem voor de Europese omzetbelasting, zoals dat is neergelegd in de Zesde richtlijn, de mogelijkheid biedt om schrijvers, componisten en ook journalisten in de heffing van omzetbelasting te betrekken.

Daarnaast stelt de commissie vast dat, op grond van Bijlage H punt 8 van de Zesde Richtlijn, diensten verricht door componisten en schrijvers, alsmede de door hun te ontvangen auteursrechten, onder het verlaagde tarief gebracht kunnen worden. Mede gelet op de tendens om arbeidsintensieve diensten aan het lage tarief onderworpen te doen zijn stelt de commissie voor daarbij aansluiting te zoeken.

Aanbeveling

* De vrijstelling voor schrijvers en componisten zoals neergelegd in artikel 11, lid 1, onderdeel q, Wet op de omzetbelasting 1968 dient uit de wet te worden geschrapt; deze diensten dienen onderworpen te zijn aan het lage omzetbelastingtarief.

Wat is kunst?

De levering van kunstvoorwerpen door de maker of diens rechtverkrijgende is onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief. Zo geldt het verlaagde tarief onder meer voor schilderijen, collages en dergelijke decoratieve platen, schilderijen en tekeningen geheel van de hand van de kunstenaar. Daarentegen vallen bouwtekeningen en andere tekeningen voor industriële, commerciële, topografische en dergelijke doeleinden en met de hand versierde voorwerpen alsmede beschilderde doeken voor theatercoulissen, voor achtergronden van studio's of voor dergelijk gebruik niet onder het verlaagde tarief. Het verlaagde tarief is tevens niet van toepassing op wandschilderingen.

Aanbeveling

* Er dient meer duidelijkheid te worden verschaft omtrent hetgeen onder de voor de Wet Omzetbelasting geldende definitie van kunstvoorwerpen dient te worden verstaan.

De commissie pleit voor toepassing van het lage BTW-tarief voor met de hand versierde voorwerpen, voor beschilderde doeken welke worden gebruikt voor theatercoulissen of voor achtergrond in studios en voor wandschilderingen. Mede teneinde een uniform beleid te creëren dient bij vragen omtrent toepassing van het verlaagde tarief een terzake gespecialiseerde Kunstinspecteur te kunnen worden geraadpleegd.


7. Verlaagd tarief/ vrijstelling kunsteducatie op scholen

Er is thans sprake van een fiscaal ongelijke behandeling van kunsteducatie op scholen ten opzichte van theatervoorstellingen. Hoewel de aangeboden diensten dezelfde zijn is de kunsteducatie op scholen onderworpen aan het normale tarief, waar theatervoorstellingen aan het lage tarief zijn onderworpen. Deze ongelijkheid komt de commissie als onwenselijk voor.

Een dergelijke ongelijkheid komt ook naar voren bij het uitlenen van kunstvakgeschoolden in het onderwijs door uitzendorganisaties. Waar ter zake van detachering in de gezondheidszorg en de onderwijssector een vrijstelling van BTW-heffing van toepassing is, wordt thans ter zake van de detachering van kunstvakgeschoolden wél BTW geheven.

Aanbevelingen

* De diensten welke worden verricht door uitvoerende kunstenaars dienen onder het verlaagde tarief te worden gerangschikt (Bijlage H punt 8 Zesde Richtlijn).

* Naar analogie van de detacheringregeling in de gezondheidszorg en de onderwijssector dient het uitlenen van kunstvakgeschoolden niet aan de heffing van omzetbelasting te worden onderworpen.

INSTELLING

Bij beschikking d.d. 24 februari 1999 nr. AFP 99/71M is door de staatssecretarissen van Financiën en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de commissie cultuur en belastingen ingesteld.

TAAK

De commissie heeft tot taak de bovengenoemde staatssecretarissen te adviseren over de verschillende aspecten van belastingheffing in relatie tot het terrein van cultuur en ontwikkelingen op dit gebied. De commissie betrekt in haar werkzaamheden de plannen om te komen tot een belastingherziening in het kader van de 21e eeuw.

De commissie besteedt bij haar werkzaamheden aandacht aan internationale aspecten. (artikel 2 instellingsbeschikking)

LEDEN

Voorzitter mw. C. Habbema

Secretaris mw. mr E.A. Starke

P.L.M. Kamphuis FB mr. H. Mobach

drs. J. Riezenkamp mw. mr. J. Kamp

mr. J.P. van der Stap mr. D.E. Witteveen

drs. F. Voncken * mw. drs. M.E.J. Schuit


* In een later stadium afgevaardigd namens OC en W

Deel: ' Eindrapport Commissie Cultuur en Belastingen '




Lees ook