2228. Raad - TELECOMMUNICATIE

Press Release: Brussels (30-11-1999) - Press: 365 - Nr: 13154/99
_________________________________________________________________

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2228 zitting van de Raad


- TELECOMMUNICATIE -

Brussel, 30 november 1999

Voorzitter :

de heer Olli-Pekka HEINONEN

Minister van Verkeer en Communicatie van de Republiek Finland

ELEKTRONISCHE HANDTEKENINGEN

De Raad hechtte met eenparigheid van stemmen zijn goedkeuring aan alle amendementen van het Europees Parlement in tweede lezing over de richtlijn betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen, zodat deze in de vorm van een door het Parlement geamendeerd gemeenschappelijk standpunt definitief kan worden aangenomen.

Elektronische handel kan de stimulans voor de wereldeconomie in de volgende eeuw worden, maar veilige transacties zijn van essentieel belang indien deze mogelijkheid in Europa gerealiseerd moet worden. De richtlijn betreffende elektronische handtekeningen is erop gericht een van de voornaamste overblijvende hinderpalen voor grensoverschrijdende elektronische handel weg te nemen. Elektronische handtekeningen zullen ook door de openbare sector worden gebruikt in de overheden en bij communicatie tussen deze overheden en met de burgers en met de economische subjecten, bijvoorbeeld in het kader van overheidsopdrachten, belastingen, sociale zekerheid, of gezondheid en justitie.

De richtlijn beoogt het gebruik van elektronische handtekeningen te vergemakkelijken en bij te dragen tot de juridische erkenning ervan. Zij zou een juridisch kader voor elektronische handtekeningen en sommige certificatiediensten in het leven roepen om te zorgen voor de goede werking van de interne markt op dit snel groeiende gebied.

Bovendien wil de richtlijn de interoperabiliteit van elektronische handtekenproducten en het vertrouwen in elektronische handtekeningen bevorderen. Met het oog daarop bepaalt de tekst dat sommige essentiële eisen die specifiek van toepassing zijn op elektronische handtekenproducten moeten worden nageleefd.

Hoewel op encryptie met openbare sleutelgebaseerde digitale handtekeningen momenteel de meest erkende vorm van elektronische handtekeningen zijn, volgt de richtlijn een neutrale aanpak voor de verscheidene technologieën en diensten die gegevens elektronisch kunnen authentificeren. In deze aanpak wordt rekening gehouden met de snelle technologische ontwikkeling en het mondiale karakter van het Internet.

De specifieke technische eisen zijn daarom beperkt en - voor wat de middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen betreft - zodanig geformuleerd dat ze op verschillende wijzen kunnen worden nageleefd. De eisen staan in drie bijlagen, die handelen over


- eisen voor gekwalificeerde certificaten (bijlage I);


- eisen voor certificatiedienstverleners die gekwalificeerde certificaten afgeven (bijlage II);


- eisen voor veilige middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen (bijlage III).

In een vierde bijlage staat een lijst met een aantal aanbevelingen voor het verifiëren van handtekeningen.

Om de innovatie en de ontwikkeling van certificatiediensten in de Gemeenschap niet te vertragen, bepaalt de richtlijn dat dienstverleners dergelijke diensten zonder voorafgaande vergunning moeten kunnen aanbieden. Ongeacht dit algemene beginsel zouden de dienstverleners kunnen toetreden tot vrijwillige accreditatieregelingen die gericht zijn op de verdere ontwikkeling van hun diensten naar het peil van vertrouwen, veiligheid en kwaliteit dat door de markt worden gevraagd. Dergelijke accreditatieregelingen mogen echter de mededinging voor certificatiediensten niet verminderen.

Een van de sleutelbepalingen is het beginsel van non-discriminatie tussen elektronische en handgeschreven handtekeningen. Zo kan een handtekening geen rechtsgeldigheid worden ontzegd alleen maar omdat het een elektronische handtekening is. Volgens de richtlijn moet een elektronische handtekening als gelijkwaardig worden beschouwd met een handgeschreven handtekening (bijvoorbeeld ook het gebruik daarvan als bewijsmiddel in rechtszaken) indien ze voldoet aan een aantal voorwaarden:


- het moet gaan om een "geavanceerde elektronische handtekening" die voldoet aan de volgende eisen:
a) ze is op unieke wijze verbonden met de ondertekenaar; b) ze kan de ondertekenaar identificeren;

c) ze is tot stand gekomen met gebruikmaking van middelen die de ondertekenaar volledig onder zijn controle kan houden; en d) ze is op zodanige wijze verbonden met de gegevens waarop ze betrekking heeft, dat daaropvolgende wijzigingen van de gegevens kunnen worden opgespoord;


- ze moet gebaseerd zijn op een gekwalificeerd certificaat; en


- ze moet aangemaakt zijn door een veilig middel voor het aanmaken van handtekeningen.

De richtlijn omvat ook geharmoniseerde aansprakelijkheidsregels voor certificatiedienstverleners om zowel dienstverleners als consumenten rechtszekerheid en voorspelbaarheid te garanderen.

Als een andere maatregel om het vertrouwen van de gebruiker te garanderen, dat een eerste voorwaarde is om de elektronische communicatie en de elektronische handel te stimuleren, zouden de dienstverleners worden verzocht de wetgeving inzake gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer na te leven.

Tot slot worden in de richtlijn de voorwaarden bepaald waarbij certificaten die worden uitgegeven door certificatiedienstverleners van buiten de Gemeenschap worden erkend.

De richtlijn is niet gericht op de harmonisatie van nationale regels met betrekking tot het contractenrecht. Derhalve mogen de bepalingen betreffende de rechtsgevolgen van elektronische handtekeningen geen afbreuk doen aan de nationale wettelijke vormeisen voor het sluiten van contracten of de regels die bepalen wanneer er sprake is van een contract.

Bovendien zou de richtlijn niet van toepassing zijn op elektronische handtekeningen die uitsluitend in gesloten systemen worden gebruikt en evenmin zou zij de vrijheid van partijen beperken om onderling voorwaarden overeen te komen voor het aanvaarden van elektronisch ondertekende gegevens, voor zover dat door het nationale recht wordt toegestaan.

REGELGEVING OP HET GEBIED VAN TELECOMMUNICATIE

De Commissie presenteerde haar vijfde verslag over de toepassing van het regelgevend kader voor telecommunicatie en een mededeling over de herziening van 1999 op het gebied van communicatie met het oog op een nieuw regelgevend kader voor de elektronische
communicatie-infrastructuur en bijbehorende diensten.

In het vijfde verslag over de toepassing wordt de stand van de toepassing van het huidige regelgevend kader voor telecommunicatie bestudeerd. Het bevat een analyse van de wijze waarop de omgezette nationale regels sporen met de beginselen van de harmonisatierichtlijnen in de praktijk, en deze beoordeling wordt ondersteund door een overzicht van de huidige stand van de markten voor telecommunicatiediensten in de lidstaten. Het verslag biedt tot besluit een overzicht van de voornaamste nog overblijvende hinderpalen voor de totstandkoming van de Europese interne markt en geeft een aantal richtingwijzers in het wetgevingsproces dat leidt tot het herziene regelgevende kader.

De mededeling van de Commissie over de herziening van 1999 op het gebied van communicatie bevat een herziening van de EU-regelgeving op dit gebied, alsmede de ideeën inzake de voornaamste elementen van een nieuw kader dat alle communicatie-infrastructuur en bijbehorende diensten omvat. Zij bevat meer bepaald:


- een aantal regelgevende beginselen;


- een aantal ideeën ter vereenvoudiging van het huidige regelgevend kader (vermindering van het aantal wettelijke maatregelen van 20 tot 6); en

- sommige voorlopige bepalingen over specifieke vraagstukken (zoals vergunningen, universele dienstverlening, lokale mededinging).

Na de presentaties door Commissielid LIIKANEN, hield de Raad een gedachtewisseling en nam hij de volgende conclusies aan:

Herziening van 1999 op het gebied van communicatie met het oog op een nieuw regelgevend kader voor elektronische communicatiediensten: infrastructuur en bijbehorende diensten - Conclusies van de Raad

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

HERINNERT AAN:


- de mededeling van de Commissie van 9 maart 1999 over de resultaten van de openbare raadpleging in verband met haar convergentiegroenboek;

- de conclusies naar aanleiding van deze mededeling zoals vastgesteld door de Raad Telecommunicatie op 22 april 1999 en de Raad Audiovisuele sector/Cultuur op 28 juni 1999;

NEEMT NOTA VAN de mededeling van de Commissie van 10 november 1999 over de herziening van 1999 op het gebied van communicatie met het oog op een nieuw regelgevend kader voor elektronische communicatiediensten: infrastructuur en bijbehorende diensten;

BEVESTIGT OPNIEUW zijn standpunten met betrekking tot de noodzaak van een alomvattende benadering inzake regulering, door enerzijds een meer horizontale aanpak te volgen ten aanzien van infrastructuur en bijbehorende diensten waarvoor een coherent en consistent regelgevend kader zou moeten bestaan, en anderzijds ervoor te zorgen dat inhoudelijke regelgeving wordt gekoppeld aan de specifieke kenmerken van bepaalde inhoudelijke diensten;

IS VAN MENING dat de herziening van de regelgeving, gezien de toenemende concurrentie op de telecommunicatiemarkt, tot doel zou moeten hebben:


- het huidige regelgevend kader te consolideren en te vereenvoudigen, en waar nodig de sectorspecifieke regelgeving te handhaven;
- te bewerkstelligen dat het regelgevend kader steeds beter wordt afgestemd op de beginselen van de mededingingswetgeving, teneinde daadwerkelijke concurrentie te behouden en te bevorderen, en aldus voor innovatieve diensten te zorgen die aan de kwaliteits- en prijsvereisten van consumenten en andere gebruikers voldoen;
- ervoor te zorgen dat het regelgevend kader afgestemd blijft op een reeks doelstellingen van algemeen belang;

IS VAN MENING dat regulering van de telecommunicatie-infrastructuur en bijbehorende diensten op de volgende beginselen zou moeten berusten:


- regulering moet plaatsvinden op basis van duidelijk geformuleerde beleidsdoelstellingen:


* vergroting van de economische groei en het concurrentievermogen, onder andere door concurrentie te bevorderen en investeringen te vergemakkelijken, waarbij tevens werkgelegenheid wordt gecreëerd;
* verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, waaronder een adequaat niveau van universele dienstverlening, indien deze doelstellingen niet via de krachten van de markt kunnen worden bereikt;


- de regelgeving zou tot het noodzakelijke minimum beperkt moeten blijven en voorstellen voor nieuwe maatregelen zouden slechts mogen worden gedaan voor zover deze van essentieel belang en gerechtvaardigd zijn;

- bij de regelgeving en de toepassing zou een goed evenwicht moeten worden gevonden tussen flexibiliteit (met het oog op toekomstige markt- en technologische ontwikkelingen) en rechtszekerheid; zelfregulering zou moeten worden bestudeerd en waar passend worden ingevoerd ter aanvulling van de regelgeving;
- de regelgeving zou zich tot "technologisch neutrale" regelgeving moeten ontwikkelen, waarbij de regulering van communicatiediensten zoveel mogelijk onafhankelijk zou moeten zijn van de technologie waarmee deze diensten worden geleverd;

- ongeacht of de regelgeving op mondiaal, regionaal of nationaal niveau tot stand is gekomen, zou deze zo nauwgezet als in de praktijk mogelijk is moeten worden toegepast voor de te reguleren activiteiten. Een consistente interpretatie in elke lidstaat en het uitwisselen van beste praktijken zouden waar dienstig moeten worden aangemoedigd via samenwerkingsfora op dit gebied, vooral ter vermijding van fragmentering van de eenheidsmarkt;

VERZOEKT de Commissie:


- bij de lopende werkzaamheden tot herziening van het regelgevend kader volledig rekening te houden met deze beginselen;
- de resultaten van de openbare raadpleging over de herziening tijdig bekend te maken, zodat tijdens de volgende Raad Telecommunicatie een bespreking op politiek niveau kan plaatsvinden;

- vóór het einde van de zomer 2000 wetsvoorstellen aan te nemen die zijn gebaseerd op de resultaten van de openbare raadpleging alsmede op de beleidslijnen zoals vastgesteld door de volgende Raad Telecommunicatie.

DE INFORMATIEMAATSCHAPPIJ VAN DE TOEKOMST: EEN ANTWOORD OP DE UITDAGINGEN VAN WERELDWIJDE ELEKTRONISCHE HANDEL - Open debat

De Raad hield op initiatief van het voorzitterschap een open debat over de informatiemaatschappij van de toekomst.

Als achtergrond voor het debat had het voorzitterschap een nota voorbereid waarin wordt aangestipt dat de informatiemaatschappij voor zeer velen een realiteit zal worden; de manier waarop mensen leven en zaken doen wordt in steeds hogere mate bepaald door netwerken, telecommunicatie en IT-applicaties. De elektronische handel brengt nu al fundamentele veranderingen teweeg, niet alleen voor het bedrijfsleven en in het gedrag van de consument, maar ook in de wijze waarop de overheid de burger tegemoet treedt. De nieuwe communicatie-instrumenten en -technieken zullen het dagelijks leven van de Europese burger in heel wat opzichten veranderen. Telearbeid, telegeneeskunde en afstandsonderwijs zijn maar een paar voorbeelden van deze nieuwe gedragspatronen. De verandering zal grote invloed hebben op de wijze waarop diensten worden aangeboden en enorme mogelijkheden scheppen voor de communicatiesector; tegelijkertijd zal zij echter een grote verantwoordelijkheid leggen op de overheid, het bedrijfsleven en de gebruikers zelf.
In februari 1998 lanceerde de Commissie een initiatief om op mondiaal niveau een consistent geheel van beginselen vast te stellen voor onder meer belastingen, auteursrechten, gegevensbescherming en aansprakelijkheid.
In januari 1999 kwam in New York een reactie van het bedrijfsleven, waarmee de Global Business Dialogue (GBD) officieel van start ging. Daarin werden, wat de e-handel betreft, negen belangrijke probleemgebieden onderkend waarvoor oplossingen moeten worden aangedragen. In september van dit jaar vond in Parijs de eerste GBD-conferentie plaats, waar aan de nationale overheden en internationale organisaties de eerste aanbevelingen werden gepresenteerd met betrekking tot het toekomstige beleidskader in de aandachtsgebieden. Dat waren authentificatie en veiligheid, consumentenvertrouwen, inhoud/commerciële communicatie, informatie-infrastructuur (mede omvattende interoperabiliteit en internetbeheer), intellectuele eigendomsrechten, rechtsmacht, aansprakelijkheid, bescherming van persoonsgegevens, belastingen en tarieven.
In het licht van het GBD-proces verzocht de Voorzitter de Ministers na te denken over de volgende vragen:


- wat is in het licht van de snelle en wereldwijde ontwikkeling van de elektronische handel, de juiste balans tussen zelfregulering en regelgeving van overheidswege; wat zijn de consequenties voor het toekomstige Europees regelgevend kader voor communicatiediensten?
- welke rol hebben de verschillende internationale fora, respectievelijk de nationale regeringen te spelen bij het totstandbrengen van een passende omgeving voor e-handel?
- voor welke aanpak moet worden gekozen, hoe kunnen de regeringen van de EU-lidstaten het best op de GBD-aanbevelingen inspreken?

Uit het debat kwam naar voren dat alle delegaties het eens waren dat over dit probleem snel vooruitgang moet worden geboekt om de snelle ontwikkeling bij te kunnen houden. Er werd in het algemeen gevonden dat zelfregulering een hoogst nodige aanvulling op regelgeving vormt, waarbij regels sneller tot stand kunnen worden gebracht en er aldus flexibiliteit in het algemene kader wordt ingebouwd. Zelfregulering kan echter niet in de plaats komen van regelgeving die nog steeds nodig is, meer bepaald op specifieke gebieden, om vertrouwen en veiligheid te vergroten en het belang van de consumenten te beschermen. De rol van de internationale fora, zoals de WTO, de OESO en de VN-organisaties, werd onderstreept in het raam van de opstelling van algemene gedragsregels.

De Raad nam akte van het debat en verzocht het Comité van permanente vertegenwoordigers na te denken over een antwoord dat aan de GBD moet worden toegezonden. De Raad steunde ook het initiatief van de Commissie om een aanbeveling voor te bereiden over richtsnoeren voor zelfregulering, die tijdens de ministeriële conferentie onder Portugees voorzitterschap dient te worden besproken.

RADIOSPECTRUMBELEID

Commissielid LIIKANEN gaf de Raad een toelichting bij de mededeling van de Commissie betreffende "Verdere stappen in het radiospectrumbeleid: resultaten van de openbare raadpleging over het Groenboek (over het radiospectrumbeleid, op 2 december 1998 aangenomen)". Het Groenboek van 1998 besprak de rol van de radiofrequenties in de ontwikkeling van radiomarkten en niet-commerciële toepassingen, en legde de nadruk op het regelgevend kader voor het plannen en de toegang tot de
radiospectrummogelijkheden.

Tijdens de zitting van de Raad telecommunicatie van 22 april 1999 bracht de Commissie de Raad mondeling op de hoogte van de antwoorden die de Commissie had ontvangen tijdens de openbare raadplegingsperiode en van de volgende stappen die in dit dossier moeten worden genomen. In de mededeling worden nu de volgende drie initiatieven formeel voorgesteld:


- in het leven roepen van een deskundigengroep voor het spectrumbeleid voor de aanpak van radiospectrumbeleidskwesties op gemeenschapsniveau,

- de ontwikkeling van een regelgevend kader voor het communautaire radiospectrumbeleid dat uiteindelijk in de plaats zou komen van sectorspecifieke besluiten zoals die met betrekking tot de persoonlijke satellietcommunicatiediensten en universeel mobiel telecommunicatiesysteem (UMTS) en

- de indiening van een mededeling over de beleidsdoelstellingen van de Gemeenschap, in samenhang met de agenda van de Wereldradiocommunicatie Conferentie (WRC).

Het voorzitterschap besloot dit punt met de opmerking dat de komende besprekingen in de Raad meer bepaald moeten gaan over het verkennen van de kernvraagstukken die de Commissie onderstreept:


- de opstelling van een regelgevend kader om ervoor te zorgen dat het gebruik van het radiospectrum zonodig wordt geharmoniseerd om de communautaire beleidsregels inzake telecommunicatie, omroep, vervoer, onderzoek en ontwikkeling uit te voeren;
- de behoefte aan een specifieke groep deskundigen die zich bezighoudt met het radiospectrumbeleid en harmonisatievraagstukken op communautair niveau; en

- de mogelijkheid van een mededeling over de beleidsdoelstellingen van de Gemeenschap, in samenhang met de agenda van de Wereldradiocommunicatie Conferentie (WRC), indien dit noodzakelijk wordt geacht om ervoor te zorgen dat in de WRC-onderhandelingen wel degelijk wordt voldaan aan de communautaire eisen.

De Raad nam akte van de toelichting van het Commissielid, en gaf in het licht van de discussie in overweging om dit punt grondiger te laten bespreken door het Comité van permanente vertegenwoordigers.

NORMEN VOOR HET UITZENDEN VAN TELEVISIESIGNALEN

De Raad nam nota van de presentatie door Commissielid LIIKANEN van een mededeling van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 95/47/EG inzake het gebruik van normen voor het uitzenden van televisiesignalen.

Hoofddoel van deze richtlijn is een regelgevend kader op te stellen voor de start van nieuwe digitale TV-diensten en daarbij te zorgen voor een goede aansluiting op de vroegere regelgeving voor geavanceerde TV-diensten, gebaseerd op analoge technologie. Wat digitale televisie betreft is het de bedoeling een juist evenwicht te vinden tussen het doel van het aanmoedigen van investeringen en het voordeel van de eerste initiatiefnemer tijdens de beginfase, waarbij ook de belangen van de consumenten op passende wijze worden beschermd en de mededinging wordt aangemoedigd.

In de mededeling wordt geanalyseerd in welke mate de lidstaten de richtlijn hebben omgezet en wordt ruime aandacht geschonken aan markt- en technische ontwikkelingen in digitale televisie. Ook wordt de ontwikkeling van digitaletelevisiediensten in de markten van de lidstaten en meer bepaald de beschikbare technologieën op de markt bestudeerd.

Aan het eind van deze bespreking is de Commissie van oordeel dat het regelgevend kader zoals dat door de richtlijn is vastgesteld belangrijke voordelen inhoudt; in de toekomst dient evenwel een ruimere benadering te worden gevolgd ten aanzien van de infrastructuur, het uitzenden en de toegang.

MILLENNIUMPROBLEEM

De Raad nam nota van de indiening door Commissaris LIIKANEN van een derde kwartaalverslag over het millenniumprobleem.

Er zij gememoreerd dat de Commissie in antwoord op verzoeken die de Raad bij diverse gelegenheden heeft gedaan, bij de Raad Telecommunicatie van 22 april 1999 een eerste kwartaalverslag van de Commissiediensten indiende met als titel "EU-infrastructuur en het millenniumprobleem". Tijdens deze zitting keurde de Raad een resolutie goed waarbij in het bijzonder aandacht werd geschonken aan de kritische infrastructuursectoren. De Europese Raad die op 3-4 juni in Keulen bijeen kwam, drong er bij de Commissie op aan haar inspanningen op te voeren en een groep op hoog niveau bijeen te roepen, die de strategische beslissingen kan voorstellen die binnen de Europese Unie nodig kunnen zijn om te garanderen dat, wanneer in verband met de millenniumwissel informaticaproblemen optreden, vitale infrastructuursectoren probleemloos kunnen blijven functioneren. De Commissie brengt nu verslag uit op basis van de besprekingen van de Groep op hoog niveau. Het verslag bevat de drie volgende boodschappen:


- handhaving van het vertrouwen van het publiek heeft nu de voorrang,


- de Groep op hoog niveau heeft haar werkzaamheden toegespitst op lucht- en zeevervoer, gas- en elektriciteitsvoorziening, nucleaire veiligheid, en grensoverschrijdende problemen, meer bepaald op het gebied van de douaneautoriteiten, en

- voorbereidingen worden nu getroffen voor de cruciale overgangsperiode.


________________________
_________________________________________________________________

nl/telecom/13154.NL9.htm

Deel: ' EU-Telecommunicatie Elektronische handtekeningen '




Lees ook