2186. Council - GENERAL AFFAIRS Go Back

Press Release: Brussels (31-05-1999) - Nr. 8657/99 (Presse 171-G)
_________________________________________________________________

Voorzitter:

de heer Joschka FISCHER
Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervangend Bondskanselier van de Bondsrepubliek Duitsland

de heer Günter VERHEUGEN
Staatsminister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland

DEELNEMERS 3

BEHANDELDE PUNTEN

VOORBEREIDING VAN DE TOP EU/VS 4

VOORBEREIDING VAN DE TOP EU/CANADA 4

WESTELIJKE BALKAN 5

- CONCLUSIES VAN DE RAAD 5

- VERKLARING OVER KOSOVO 8

- CONCLUSIES VAN DE RAAD BETREFFENDE UITWISSELINGEN MET DE FRJ OP SPORTGEBIED 8

VOORBEREIDING VAN DE EUROPESE RAAD TE KEULEN 9

COMITOLOGIE 11

UITBREIDING 12

HET FUNCTIONEREN VAN DE RAAD IN HET VOORUITZICHT VAN EEN

GROTERE UNIE 12

ONDERHANDELINGEN MET MERCOSUR EN CHILI 13

VOORBEREIDING VAN DE TOP EU/LATIJNS-AMERIKA EN HET CARIBISCH

GEBIED 13

ONDERHANDELINGEN MET EGYPTE 13

KASJMIR - CONCLUSIES 14

CONFLICT TUSSEN ETHIOPIË EN ERITREA - CONCLUSIES 14

OVERIGE BESLUITEN

EXTERNE BETREKKINGEN
I

- DE UITVOERING VAN EEN NOORDELIJKE DIMENSIE VOOR HET BELEID VAN DE
EUROPESE UNIE - CONCLUSIES VAN DE RAAD I

- AFRIKA - EVALUATIE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT INZAKE MENSENRECHTEN, DEMOCRATISCHE BEGINSELEN, RECHTSSTAAT EN BEHOORLIJK BESTUUR IN AFRIKA IV

- EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE VIII

- PROCES VAN ROYAUMONT - SPECIALE VERTEGENWOORDIGER VAN DE EU VIII

BENOEMINGEN VIII

DIVERSEN VIII

- REGLEMENT VAN ORDE VAN DE RAAD VIII

- VERSLAG OVER DE JURIDISCHE INFORMATICA IX

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten, de Europese Commissie en het secretariaat-generaal van de Raad waren als volgt vertegen-

woordigd:

België:

de heer Erik DERYCKE

Minister van Buitenlandse Zaken

Denemarken
:

de heer Niels HELVEG PETERSEN

de heer Friis Arne PETERSEN

Minister van Buitenlandse Zaken

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Duitsland
:

de heer Joschka FISCHER

de heer Günter VERHEUGEN

Minister van Buitenlandse Zaken

Staatsminister van Buitenlandse Zaken

Griekenland
:

de heer Giorgos PAPANDREOU

de heer Giannos KRANIDIOTIS

Minister van Buitenlandse Zaken

Onderminister van Buitenlandse Zaken

Spanje
:

de heer Abel MATUTES

de heer Ramón de MIGUEL

Minister van Buitenlandse Zaken

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken

Frankrijk
:

de heer Hubert VEDRINE

de heer Pierre MOSCOVICI

Minister van Buitenlandse Zaken

Onderminister van Europese Zaken

Ierland
:

de heer David ANDREWS

Minister van Buitenlandse Zaken

Italië
:

de heer Lamberto DINI

de heer Umberto RANIERI

Minister van Buitenlandse Zaken

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Luxemburg
:

de heer Jacques POOS

Minister van Buitenlandse Zaken

Nederland
:

de heer Dick BENSCHOP

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Oostenrijk
:

de heer Wolfgang SCHÜSSEL

Minister van Buitenlandse Zaken

Portugal
:

de heer Francisco SEIXAS da COSTA

Staatssecretaris van Europese Zaken

Finland
:

mevrouw Tarja HALONEN

Minister van Buitenlandse Zaken

de heer Kimmo SASI

Zweden
:

Minister van Europese Zaken

mevrouw Anna LINDH

de heer Gunnar LUND

Minister van Buitenlandse Zaken

Staatssecretaris, toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken

Verenigd Koninkrijk
:

de heer Robin COOK

mevrouw Joyce QUIN

Minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

Onderminister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken


* * *

Commissie
:

de heer Jacques SANTER

Sir Leon BRITTAN

de heer Manuel MARIN

de heer Hans van den BROEK

Voorzitter

Vice-voorzitter

Vice-voorzitter

Lid


* * *

Secretariaat-generaal van de Raad:

de heer Jürgen TRUMPF

Secretaris-generaal

VOORBEREIDING VAN DE TOP EU/VS

De Raad werd door het voorzitterschap en de Commissie ingelicht over de voorbereiding van de komende top EU/VS te Bonn op 21 juni.

De Raad nam nota van de toelichting van de Commissie bij een mededeling met een aantal mogelijke oplossingen voor het bananengeschil. De Raad kwam overeen op dit onderwerp terug te komen nadat het besproken is door het Comité van permanente vertegenwoordigers, in samenwerking met het Comité van artikel 133 (het vroegere Comité van artikel 113) en het Speciaal Comité Landbouw. De Raad verzocht de Commissie haar contacten met alle betrokken partijen voort te zetten en zo spoedig mogelijk, in het licht van de nog te voeren Raadsbesprekingen, een formeel voorstel tot wijziging van de bananenregeling in te dienen.

De Raad nam tevens nota van een kort verslag van de Commissie over de laatste ontwikkelingen in het hormonengeschil. Hij verheugde zich over het feit dat er een uitgebreide wetenschappelijke discussie over dit onderwerp zal plaatsvinden en bevestigde zijn conclusies van 17 mei.

VOORBEREIDING VAN DE TOP EU/CANADA

De Raad werd door het voorzitterschap en de Commissie ingelicht over de voorbereiding van de top EU/Canada te Bonn op 17 juni.

De Raad verzocht het voorzitterschap en de Commissie van deze gelegenheid gebruik te maken om met de Canadese regering te bespreken hoe voorkomen kan worden dat de nieuwe visserijwetgeving van Canada (Wet C-27) voor de Europese visserijactiviteiten problemen oplevert. Hij verzocht zijn voor dit onderwerp bevoegde instanties deze zaak verder te bestuderen.

WESTELIJKE BALKAN

- CONCLUSIES VAN DE RAAD

1. De EU speelt een belangrijke rol bij het verlenen van financiële steun en technische bijstand waarmee de Zuidoost-Europese landen zonder associatieovereenkomst (Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Albanië) de gevolgen van de oorlog te boven kunnen komen, opnieuw economisch levensvatbaar kunnen worden, democratische, economische en administratieve structuren, alsook structuren van een civiele samenleving kunnen ontwikkelen, de naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden kunnen stimuleren - inclusief de rechten van nationale minderheden - de economische samenwerking in de regio kunnen bevorderen en de Europese aspiraties van deze volkeren kunnen ondersteunen.

2. De Raad bevestigt opnieuw dat de EU bereid is de landen van deze regio dichter bij een volledige integratie in haar structuren te brengen. De Commissie stelt voor dat dit zal gebeuren via een nieuw soort contractuele relatie waarbij rekening wordt gehouden met de situatie van elk land afzonderlijk, onder meer met betrekking tot de vooruitgang die inzake regionale samenwerking reeds wordt geboekt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn op 17 mei aangenomen gemeenschappelijk standpunt inzake de lancering van het stabiliteitspact en in het bijzonder naar paragraaf 7 van de preambule daarvan.

3. In dit verband is de Raad ingenomen met de mededeling van de Commissie over "het stabilisatie- en associatieproces voor de landen van Zuidoost-Europa". In deze mededeling wordt onder andere de ontwikkeling geschetst van een nieuw soort contractuele relatie met deze landen, die geleidelijk plaats moet vinden op basis van de regionale aanpak en van de voorwaarden die in de conclusies van de Raad van 29 april 1997 zijn vastgelegd. Dit EU-proces dient tevens rekening te houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van het stabiliteitspact, meer bepaald met de vooruitgang in de ontwikkeling van regionale samenwerking.
4. Bovendien is de mededeling van de Commissie gericht op de volgende doelstellingen:


- ondersteunen van de versteviging van democratie, rechtsstaat, economische ontwikkeling en hervorming, toereikende administratieve structuren en regionale samenwerking,
- oprichting van een geformaliseerd kader voor politieke dialoog op bilateraal en regionaal niveau,

- stimulering van economische betrekkingen, handel, investeringen, ondernemingsbeleid, vervoer en ontwikkeling, alsook samenwerking op douanegebied, in het vooruitzicht van een verdere integratie in het wereldhandelssysteem, met inbegrip van de eventuele instelling van een vrijhandelszone of van -zones wanneer inzake economische hervormingen voldoende vooruitgang zal zijn gemaakt,
- verschaffen van een basis voor samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken,

- verschaffen van een basis voor samenwerking op het gebied van economie, sociale zaken, samenleving, onderwijs, wetenschap, technologie, energie, milieu en cultuur (inclusief een plan om het culturele erfgoed van deze regio's te vrijwaren), ondersteund door "associatiegerichte" bijstandprogramma's waarmee ook zou worden beoogd de aanpassing van de wetgeving aan het betrokken EG-acquis te vergemakkelijken.

Voor het verwezenlijken van deze doelstellingen zal gezorgd moeten worden voor de mechanismen en middelen die noodzakelijk zijn om een flexibel, goed gecoördineerd en doeltreffend gebruik van de communautaire instrumenten mogelijk te maken. De Raad heeft nota genomen van het voornemen van de Commissie om voorstellen in te dienen, onder meer voor de noodzakelijke middelen in de vorm van geld en personeel, voor de uitvoering van het EU-beleid in de regio.

De Raad geeft zijn bevoegde instanties opdracht de mededeling van de Commissie met spoed te behandelen, zodat een alomvattend beleid voor de regio kan worden uitgewerkt, rekening houdend met de afzonderlijke situatie van elk land en met de vooruitgang inzake regionale samenwerking. Dit beleid zal een cruciaal uitgangspunt zijn voor de toekomstige gemeenschappelijke strategie inzake de Westelijke Balkan, met inbegrip van de toekomstige contractuele relatie met de betrokken landen.


5. In het kader van dit alomvattende beleid voor de regio zal de Raad de mededeling van de Commissie tijdens zijn volgende zitting op 21 juni bespreken, teneinde voor elk betrokken land conclusies aan te nemen. In dit verband heeft de Raad:

- genoteerd dat de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en Bosnië-Herzegovina en tussen de EU en Kroatië zal worden behandeld op basis van verslagen van de Commissie in het kader van het stabilisatie- en associatieproces;

- opnieuw zijn steun betuigd aan de inspanningen van de FYROM om de hachelijke situatie van de vluchtelingen te verbeteren, en dat land aangespoord op die weg verder te gaan, hetgeen volledige samenwerking met en toegang voor internationale organisaties en NGO's inhoudt. De Raad memoreert zijn conclusies van 8 en 26 april 1999 en is verheugd over het voornemen van de Europese Commissie om de opwaardering van de contractuele relaties tussen de Europese Unie en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in de richting van een nieuw type overeenkomst met spoed te behandelen. De Raad neemt nota van het voornemen van de Commissie om haar haalbaarheidsstudie op 21 juni in de RAZ te presenteren;

- zich er opnieuw toe verbonden Albanië te helpen de politieke, economische en sociale lasten in verband met de crisis in Kosovo te dragen. De Raad memoreert zijn conclusies van 8 en 26 april 1999 en neemt nota van het voornemen van de Europese Commissie om haar haalbaarheidsstudie betreffende de opwaardering van de contractuele relaties tussen de Europese Unie en Albanië in de richting van een nieuw type overeenkomst te presenteren.


6. De deelname van de FRJ aan dit proces zal te gelegener tijd worden onderzocht, zodra het land voldoet aan de voorwaarden inzake Kosovo van de internationale gemeenschap. De oplossing van de crisis in Kosovo is een vereiste. Voorts herinnerde de Raad eraan dat het noodzakelijk is vooruitgang te boeken met betrekking tot de democratische vrijheden en de eerbiediging van de rechten van minderheden. De EU zal niets onverlet laten om de Republiek Montenegro onder de democratische regering te steunen.


7. De Raad heeft tevens de hierna volgende verklaring over Kosovo aangenomen.


- VERKLARING OVER KOSOVO


1. De internationale gemeenschap blijft sterke druk uitoefenen op de autoriteiten van Belgrado om een eind te maken aan hun optreden in Kosovo en haar streven naar een politieke oplossing te accepteren. De Raad bevestigt dat de EU de inspanningen van de Finse president, de heer Martti Ahtisaari, namens de EU en in nauwe samenwerking met de VS, Rusland en de Verenigde Naties, met inbegrip van een mogelijk bezoek aan Belgrado in de komende dagen, volledig ondersteunt. In dit verband verwacht de Raad dat Belgrado zijn verklaringen omzet in een definitieve, niet mis te verstane en controleerbare verbintenis om de G8-beginselen en een resolutie van de VN-Veiligheidsraad te aanvaarden. Het voorzitterschap blijft in nauw contact staan met de heer Ahtisaari met het oog op zijn aanwezigheid op de Europese Raad van Keulen.


2. De Raad verwelkomt de krachtige steun van de internationale gemeenschap voor het stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa en het resultaat van de Petersbergconferentie van 27 mei. Er moet nu dringend werk worden gemaakt van een oplossing voor de resterende problemen tussen de deelnemers. De EU hoopt dat een ministeriële bijeenkomst spoedig het stabiliteitspact zal goedkeuren en verwelkomt de voorbereidingen van het voorzitterschap in die zin.

°

° °

- CONCLUSIES VAN DE RAAD BETREFFENDE UITWISSELINGEN MET DE FRJ OP SPORTGEBIED

De Raad herhaalt zijn conclusies van 26 april met betrekking tot uitwisselingen met de FRJ op sportgebied, en spreekt, gezien de gebeurtenissen sindsdien, zijn teleurstelling uit over het feit dat bepaalde grote sportevenementen nog steeds doorgang vinden. Hij doet een beroep op de internationale sportorganisaties in Europa, met name de UEFA, om de besluiten betreffende de programmering van deze sportevenementen alsnog in heroverweging te nemen.

VOORBEREIDING VAN DE EUROPESE RAAD TE KEULEN

De Raad werd door zijn voorzitter op de hoogte gesteld van het geplande verloop en het werkprogramma voor de Europese Raad te Keulen en over de stand van de voorbereiding van de verschillende onderwerpen die daar waarschijnlijk aan de orde zullen komen. De Voorzitter deelde mee dat de eerste dag 's morgens en 's middags werkvergaderingern zullen plaatsvinden, alsook een werkdiner. De ochtend van de tweede dag zal worden gebruikt om de ontwerp-conclusies van het voorzitterschap nogmaals door te nemen.

De besprekingen in de Europese Raad zullen naar verwachting vooral gaan over vraagstukken in verband met het buitenlands beleid (in het bijzonder de gemeenschappelijke Ruslandstrategie, de toestand op de Balkan en het toekomstige Europees veiligheids- en defensiebeleid), over werkgelegenheid en groei (met speciale nadruk op het werkgelegenheidspact), over de toekomstige ontwikkeling van de Unie (in het bijzonder de institutionele hervormingen en de bijeenroeping van de volgende intergouvernementele conferentie), en over het voorstel van het voorzitterschap voor een EU-handvest voor de grondrechten. De staatshoofden en regeringsleiders zullen zich eveneens buigen over enige benoemingen, en met de toekomstige voorzitter van de Commissie, Romano Prodi, van gedachten wisselen over de toekomstige werkzaamheden van de Commissie en de noodzakelijke hervormingen.

De Raad besprak uitvoerig de voorbereiding van de Europese Raad betreffende

- het Europees veiligheids- en defensiebeleid
- de institutionele hervormingen

- het EU-handvest voor de grondrechten.

Ten aanzien van het Europees veiligheids- en defensiebeleid bereikte de Raad met een ruime meerderheid overeenstemming over de tekst van een verslag van het voorzitterschap aan de Europese Raad en over een ontwerp-verklaring die ter goedkeuring aan de Europese Raad zal worden voorgelegd.

Wat de institutionele hervormingen betreft - hoofdzakelijk de te Amsterdam niet opgeloste vraagstukken - hield de Raad een diepgaande bespreking op basis van een document van het voorzitterschap en merkte hij op dat, vooruitlopend op de in dit verband door de Europese Raad te nemen besluiten, brede overeenstemming is bereikt over de taak, de voorbereiding en het tijdschema van de volgende IGC.

De Raad besprak eveneens het initiatief van het voorzitterschap om te komen tot een

EU-handvest inzake de mensenrechten. Het voorzitterschap deelde mee dat het een herziene tekst ter goedkeuring aan de Europese Raad zal voorleggen, waarin zoveel mogelijk rekening gehouden zal worden met de opmerkingen van de lidstaten.

De Raad nam eveneens met voldoening nota van de werkzaamheden die met het oog op de Top in Keulen en in opdracht van de Europese Raad van Wenen met betrekking tot andere onderwerpen zijn uitgevoerd door de Raad Algemene Zaken zelf, door de Raad in andere samenstellingen, in het bijzonder de ECOFIN-Raad (aangaande de globale richtsnoeren voor het beleid aangaande economische nauwere samenwerking betreffende het fiscale beleid, aangaande de interne markt voor financiële diensten en aangaande de verbetering van de werking van het internationale financiële systeem), alsook door het voorzitterschap (verslag over de versterking van het EU-optreden op het gebied van de rechten van de mens).

COMITOLOGIE

De Raad besprak het belangrijkste probleem dat met betrekking tot de herziening van het besluit van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden is overgebleven, namelijk de herziening van de regelgevingsprocedure.

Dit probleem is ook van groot belang voor het Europees Parlement, gezien de rol die deze instelling in de comitologieprocedure nastreeft, in het bijzonder met betrekking tot wetgeving die in het kader van de medebeslissingsprocedure wordt aangenomen.

Naar aanleiding van het advies van het EP van 6 mei en contacten met het EP, heeft het voorzitterschap een compromisvoorstel ingediend tot herziening van de regelgevingsprocedure, volgens hetwelk de Raad een Commissievoorstel dat aan hem wordt voorgelegd omdat daarvoor in het Regelgevend Comité niet de noodzakelijke meerderheid kon worden gevonden, voortaan met slechts een gekwalificeerde meerderheid, in plaats van een enkelvoudige meerderheid, zou kunnen blokkeren.

De meeste lidstaten deelden mee dat zij het compromis van het voorzitterschap konden aanvaarden; in hoofdzaak één delegatie echter kan (in het bijzonder op het gebied van milieu, gezondheidszorg en sociale zaken) de mogelijkheid voor de Raad om met een enkelvoudige meerderheid zijn veto over een Commissievoorstel uit te spreken, slechts zeer moeilijk opgeven. Tijdens de besprekingen vandaag is getracht deze delegatie ervan te overtuigen dat het compromis de beste oplossing is om te komen tot een werkelijk bruikbare regelgevingsprocedure, met behulp waarvan alle verdere institutionele conflicten met betrekking tot dit onderwerp kunnen worden voorkomen. Gedurende deze discussie werden voorstellen gedaan om het compromis verder te verfijnen, opdat het ook aanvaardbaar zou kunnen worden voor de delegatie die er tot dusver tegen gekant is.

De Raad kwam overeen tijdens zijn volgende zitting op deze zaak terug te komen teneinde hierover een definitief besluit te nemen.

Zijnerzijds heeft het Europees Parlement er reeds op gewezen dat het de compromisoplossing zou kunnen aanvaarden, mits in het bijzonder het zogenaamde "contre-filet" zal verdwijnen en de Raad in de toekomst een Commissievoorstel alleen nog maar zal kunnen tegenhouden met een gekwalificeerde meerderheid. Het Parlement is eveneens ingenomen met het feit dat het binnen het nieuwe stelsel volledig over de werkzaamheden van de comités zal worden geïnformeerd en in elke fase van de procedure over een recht van controle zal beschikken.

UITBREIDING

De Raad hield een informele discussie over de inplicaties van de gebeurtenissen in Zuidoost-Europa, in het bijzonder ten gevolge van de crisis in Kosovo, voor de verdere uitbreiding van de Unie.

De Raad zal tijdens een volgende zitting op deze zaak terugkomen.

HET FUNCTIONEREN VAN DE RAAD IN HET VOORUITZICHT VAN EEN GROTERE UNIE

De Raad toonde zich ingenomen met de indiening, door de secretaris-generaal, van het verslag van het secretariaat-generaal over het functioneren van de Raad in het vooruitzicht van een grotere Unie, dat hij roemde als een belangrijke bijdrage tot de hervorming van de organisatie en de werkmethoden van de Raad, die noodzakelijk is om de toekomstige uitbreidingen op doeltreffende wijze te kunnen verwerken.

Hoewel de in dit verband aan de orde gestelde vragen verband houden met het bredere debat over de institutionele hervormingen, kan de hervorming van de werking van de Raad worden uitgevoerd los van de werkzaamheden tot voorbereiding van een toekomstige intergouvernementele conferentie.

De Raad Algemene Zaken kwam overeen alle punten met betrekking tot de werking van de Raad in een uitgebreide Unie nader te bezien, zodat van de Europese Raad te Helsinki een lijst van operationele aanbevelingen kan worden opgesteld.

Teneinde een bijdrage te leveren tot de voorbereiding van dit verslag inzake de werking, heeft de Raad het Comité van Permanente Vertegenwoordigers verzocht over te gaan tot een gedetailleerde bespreking van de punten die in het verslag van het secretariaat-generaal aan de orde worden gesteld en van eventuele andere relevante, niet daarin opgenomen punten.

ONDERHANDELINGEN MET MERCOSUR EN CHILI

De Raad besprak op basis van een door het voorzitterschap ingediend compromisvoorstel nog onopgeloste vraagstukken met betrekking tot het mandaat dat aan de Commissie dient te worden gegeven voor de onderhandelingen over associatieovereenkomsten met Mercosur en Chili.

Deze zaak zal onder de aandacht van de Europese Raad te Keulen worden gebracht. De Raad verzocht het Comité van Permanente Vertegenwoordigers zijn werkzaamheden over dit mandaat voort te zetten in het licht van de besprekingen in de Raad - en in de Europese Raad - opdat het onderhandelingsmandaat formeel kan worden goedgekeurd vóór de Top die in Rio die einde juni zal plaatsvinden.

VOORBEREIDING VAN DE TOP EU/LATIJNS-AMERIKA EN HET CARIBISCH GEBIED

De Raad nam nota van de stand van de voorbereiding van de Top EU/Latijns-Amerika en het Caribisch gebied die op 28/29 juni in Rio zal worden gehouden, alsook van de in dit verband door een aantal delegaties gemaakte opmerkingen.

ONDERHANDELINGEN MET EGYPTE

Betreffende de onderhandelingen met Egypte over een Europees-Mediterrane Associatieovereenkomst keurde de Raad de laatste resultaten van de onderhandelingen goed en hield hij een discussie over de nog onopgeloste vraagstukken met betrekking tot de handel in landbouwproducten.

De Raad bevestigde dat hij vastbesloten is de onderhandelingen met Egypte tijdens zijn volgende zitting op 21 juni 1999 af te ronden.

KASJMIR - CONCLUSIES

De recente militaire escalatie bij de bestandslijn in Jammu en Kasjmir, die is ontstaan toen een groot aantal bewapende manschappen in de sector van Kargil, in het Indiase deel van Kasjmir, de bestandslijn overschrad, vormt reden tot diepe bezorgdheid. De EU heeft er bij India en Pakistan op aangedrongen uiterste zelfbeheersing te betrachten en al het nodige te doen om verdere confrontaties te vermijden. India en Pakistan worden opgeroepen om alle onopgeloste problemen, met inbegrip van Kasjmir, op te lossen door middel van een dialoog in de geest van de verklaring van Lahore en andere bilaterale afspraken.

CONFLICT TUSSEN ETHIOPIË EN ERITREA - CONCLUSIES

De Raad besprak het conflict tussen Ethiopië en Eritrea. Hij veroordeelde het voortduren van het gewapend treffen met kracht en betuigde opnieuw zijn steun aan de bemiddeling door de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid.

OVERIGE BESLUITEN

(Aangenomen zonder debat. In het geval van wetgevingsbesluiten zijn de tegenstemmen en onthoudingen vermeld. Besluiten die vergezeld gaan van verklaringen die de Raad voor het publiek beschikbaar heeft gesteld, zijn aangegeven met een asterisk; deze verklaringen zijn verkrijgbaar bij de Persdienst.)

EXTERNE BETREKKINGEN

DE UITVOERING VAN EEN NOORDELIJKE DIMENSIE VOOR HET BELEID VAN DE EUROPESE UNIE - CONCLUSIES VAN DE RAAD
"1. In aansluiting op het verzoek van de Europese Raad van Wenen, heeft de Raad de basis vastgesteld voor een Noordelijke Dimensie voor het beleid van de Europese Unie en richtsnoeren voor de uitvoering ervan opgesteld.
Basis

2. De Raad wijst erop dat de aanzienlijke verschillen in ontwikkelingsmogelijkheden en levensstandaard tussen de noordelijke regio's die aan de EU grenzen, de toenemende onderlinge afhankelijkheid tussen de zich uitbreidende Europese Unie en Rusland, het strategische belang en het economische potentieel van deze noordelijke regio's, alsmede de toestand van het milieu, belangrijke uitdagingen vormen voor het EU-beleid. Deze uitdagingen worden aangegaan met het concept Noordelijke Dimensie, dat het volgende geografische gebied omvat: vanaf IJsland in het westen tot aan het noordwesten van Rusland, van de Noorse Zee, de Barentszee en de Karazee in het noorden tot de zuidelijke kust van de Oostzee. Het geografische middelpunt van de Noordelijke Dimensie wordt gevormd door de landen die grenzen aan de Oostzee en door de regio's van het noordwesten van Rusland, alsmede Kaliningrad.
De Raad is van mening dat de Noordelijke Dimensie voor het beleid van de Unie een toegevoegde waarde kan opleveren door betere coördinatie en complementariteit van de programma's van de Gemeenschap en van de lidstaten, alsmede door een grotere synergie, waardoor de zichtbaarheid, de doeltreffendheid en de samenhang van het EU-beleid en dat van haar lidstaten wordt verbeterd.
De Raad is van mening dat de Noordelijke Dimensie van de EU een bijdrage kan leveren aan het versterken van een positieve onderlinge afhankelijkheid tussen de Europese Unie, Rusland en de andere staten in het gebied van de Oostzee, mede gelet op het uitbreidingsproces, en aldus de veiligheid, de stabiliteit en een duurzame ontwikkeling in noordelijk Europa kan bevorderen. De Raad wijst erop dat de Noordelijke Dimensie een horizontaal concept is waaraan hij binnen het bestaande financiële en institutionele kader in de betreffende regio uitvoering zal geven.

Richtsnoeren voor de uitvoering

3. De Raad is van mening dat de Noordelijke Dimensie bijzonder belangrijk is met betrekking tot bepaalde aspecten in sectoren waar de toegevoegde waarde naar verwachting het grootst zal zijn. Deze sectoren zijn onder meer, de infrastructuur, met inbegrip van vervoer, energie, en telecommunicatie, natuurlijke hulpbronnen, milieu, nucleaire veiligheid, onderwijs, onderzoek, opleiding en ontwikkeling van het menselijk potentieel, volksgezondheid en sociaal beleid, grensoverschrijdende samenwerking, grensoverschrijdende handel en investeringen, misdaadbestrijding, met name grensoverschrijdende criminaliteit:


- de mogelijkheden voor nauwere samenwerking tussen de EU, kandidaat-lidstaten en andere geïnteresseerde partnerlanden moeten worden onderzocht bij de planning en de uitvoering van belangrijke infrastructuurprojecten en netwerken op het gebied van vervoer, energie en communicatie;

- de natuurlijke hulpbronnen moeten op een duurzame manier worden geëxploiteerd. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de precaire aspecten van de uiterst kwetsbare situatie van land, water en zee, zowel in het Oostzeegebied als in het noordpoolgebied. Er zijn maatregelen nodig om de milieueffecten en de ecologische consequenties van grensoverschrijdende vervuiling door bronnen op zee en op het land aan te pakken;

- de samenwerking op het gebied van de nucleaire veiligheid moet actief worden ondersteund, zowel door een harmonisatie van de vereiste wettelijke kaders als door voortzetting van de technische bijstand;

- onderwijs en de ontwikkeling van het menselijk potentieel bieden de jongere generaties mogelijkheden om een gemeenschappelijke Europese toekomst te creëren en dienen derhalve ondersteund te worden door de desbetreffende EU-programma's. Contacten tussen de volkeren moet worden gestimuleerd, evenals jumelage-overeenkomsten op alle niveaus. De samenwerking op het gebied van het onderzoek op relevante gebieden moet worden gestimuleerd;
- informatie-uitwisseling en van contacten tussen betrokken overheidsdiensten moet worden bevorderd, voor wat betreft de bedreiging van de volksgezondheid door de verspreiding van overdraagbare ziekten, alsmede de specifieke sociale problemen die worden veroorzaakt door onder meer grote economische verschillen tussen de regio's;

- bij grensoverschrijdende samenwerking moet maximaal gebruik worden gemaakt van de beschikbare plaatselijke hulpbronnen en plaatselijke structuren;

- wat de handel en de investeringen in de noordelijke regio's betreft, moet het bedrijfsleven gestimuleerd worden om ten volle gebruik te maken van bestaande overeenkomsten tussen de EU en de betrokken landen. Samenwerking gericht op een uitbreiding van de handel en het uit de weg ruimen van plaatselijke handelsbarrières moet geconcentreerd worden op het verbeteren van grensovergangen, informatie-uitwisseling en nauwere samenwerking tussen de betrokken nationale en lokale autoriteiten;
- misdaadpreventie en nauwere samenwerking tussen rechthandhavingsinstanties en gerechtelijke autoriteiten moeten worden bevorderd, met name omdat de grenzen meer worden opengesteld en de contacten op alle niveaus toenemen. Het beoogde plan dat gericht is op een gemeenschappelijke actie met Rusland om de georganiseerde misdaad te bestrijden, zal in dit verband van bijzondere betekenis zijn.

Samenwerking met partners en regionale instanties
4. De uitvoering en verdere ontwikkeling van de Noordelijke Dimensie dient plaats te vinden in nauw overleg met de partners, via de bestaande overeenkomsten (bv. Europa-overeenkomsten, PSO, EER) en binnen regionale instanties, zoals de Raad van de Oostzeestaten (CBSS) en de Europees-Arctische Raad voor de Barentszee (BEAC):


- de conferentie van de ministers van Buitenlandse Zaken over de Noordelijke Dimensie, op 11 en 12 november 1999 te Helsinki, zal een goede gelegenheid bieden voor de Unie en haar lidstaten om het concept verder te bespreken en concrete ideeën uit te werken om vooruitgang te boeken, in samenwerking met de landen die kandidaat zijn uit de regio, Rusland, IJsland en Noorwegen;
- de betrokken lidstaten en de Commissie dienen een actieve bijdrage te blijven leveren aan de werkzaamheden van de desbetreffende regionale instanties, met name in de CBSS en de BEAC, en dienen een nauwe onderlinge samenwerking te stimuleren; aanvullende activiteiten op de beoogde gebieden moeten door de Europese Unie worden overwogen, teneinde de uitvoering van de prioriteiten van de Noordelijke Dimensie te bevorderen;
- contacten met de Arctische Raad, met het oog op een uitbreiding van de samenwerking, zouden door de Commissie kunnen worden overwogen;

- wanneer kwesties aan de orde worden gesteld die voor de inheemse bevolking in het noorden en hun gemeenschappen van belang zijn, dan zal de inheemse bevolking daar volledig bij worden betrokken en hun rechten dienen in overeenstemming met de respectieve nationale wetgevingen te worden beschermd.
Synergieën tussen bestaande EU-programma's en -instrumenten
5. De Raad beveelt aan dat de betrokken instanties nagaan, zoals door de Commissie wordt voorgesteld, op welke wijze de interoperabiliteit en de coördinatie van EU-programma's, zoals PHARE, TACIS en INTERREG, kunnen worden verbeterd, teneinde synergieën tot stand te brengen tussen deze en andere bestaande EU-programma's en tussen deze programma's en die van de lidstaten:


- door de mogelijkheden te vergroten van PHARE, TACIS en INTERREG om hun steun aan grensoverschrijdende projecten te coördineren. Tijdige informatie-uitwisseling moet gewaarborgd zijn, teneinde een betere coördinatie van de programmering te bereiken;
- door de multiplicatoreffecten van de EU-bijstand te vergroten. Deelneming van de particuliere sector en van IFI's


6. De Raad zou een grotere deelneming toejuichen van de particuliere sector en, waar dat nuttig is en binnen hun respectieve mandaten, van de internationale financiële instellingen, zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, de Europese Investeringsbank, de Noordse Investeringsbank en de Wereldbank, voor wat betreft hun financiële activiteiten in de regio. Bij deze activiteiten is een transatlantische samenwerking nuttig en deze moet worden gestimuleerd.

Tijdschema en inventarisatie


7. De Raad is van mening dat, teneinde de doorzichtigheid te vergroten en coördinatie mogelijk te maken, een tijdschema van de voor de Noordelijke Dimensie van belang zijnde gebeurtenissen, alsmede een inventarisatie van de programma's van de Gemeenschap en van de lidstaten in de regio, moeten worden vastgesteld."

AFRIKA - EVALUATIE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT INZAKE MENSENRECHTEN, DEMOCRATISCHE BEGINSELEN, RECHTSSTAAT EN BEHOORLIJK BESTUUR IN AFRIKA

De Raad hechtte zijn goedkeuring aan een document waarin een evaluatie is vervat van de activiteiten die de EU in de afgelopen zes maanden heeft ondernomen tot uitvoering van zijn gemeenschappelijk standpunt van 25 mei 1998 inzake mensenrechten, democratische beginselen, rechtsstaat en behoorlijk bestuur in Afrika:

"Inleiding


1. Artikel 5 van het gemeenschappelijk standpunt van 25 mei 1998 inzake mensenrechten, democratische beginselen, rechtsstaat en behoorlijk bestuur in Afrika (98/350/GBVB) bepaalt dat de maatregelen van de Unie ter uitvoering van dit gemeenschappelijk standpunt om de zes maanden opnieuw worden bezien. Met dit verslag van het voorzitterschap wordt aan dit vereiste voldaan voor de periode van 25 november 1998 tot en met 25 mei 1999.
2. Mensenrechten, democratische beginselen, de rechtsstaat en behoorlijk bestuur zijn essentiële criteria en doelstellingen bij een aantal samenwerkingsovereenkomsten tussen de EU en Afrikaanse landen, met name in de gewijzigde Overeenkomst van Lomé. Programma's ter ondersteuning van bijvoorbeeld de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, vergroting van capaciteit, niet-gouvernementele organisaties en andere elementen van de civiele samenleving zijn alle gericht op het verbeteren van de basisvereisten voor het creëren van een klimaat dat bevorderlijk is voor een duurzame democratische ontwikkeling in Afrika.
3. Tijdens de verslagperiode zijn er weliswaar opvallende veranderingen opgetreden in Nigeria, maar in vele Afrikaanse landen was er weinig te merken van een betere eerbiediging van de mensenrechten of van bevordering van democratische beginselen, de rechtsstaat of goed bestuur. Een derde van de landen van Afrika ten zuiden van de Sahara zijn momenteel in gewapende conflicten verwikkeld (burgeroorlogen, ondersteunen van partijen bij burgeroorlogen in andere landen, gewapende interventie buiten het eigen land of zelfverdediging). De EU blijft uiterst bezorgd over de inzet van kindsoldaten bij gewapende conflicten. Zolang er geen vrede is kan er geen duurzame vooruitgang worden geboekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk standpunt. De Raad overweegt hoe de toestroom van wapens naar Afrikaanse landen, en tussen die landen onderling, kan worden beperkt en hoe de demilitarisering van de Afrikaanse samenleving kan worden bevorderd. Mensenrechten en de opbouw van de democratie blijven de hoofddoelstellingen van het Afrikabeleid van de EU. Inspanningen om de rol te ondersteunen en capaciteit te vergroten van de OAE, de regionale organisaties en de regeringen, van de ter zake gespecialiseerde Afrikaanse instellingen en van de NGO's, zijn in de verslagperiode voortgezet. De EU blijft met name bezorgd over het feit dat bepaalde tradities en gebruiken die de gezondheid van vrouwen en meisjes schade toebrengen, een duidelijke vorm van geweldpleging zijn en een ernstige schending van de mensenrechten inhouden. Wereldwijd zijn naar schatting 200 miljoen vrouwen en meisjes genitaal verminkt, meestal in Afrikaanse landen. Naast wettelijke sancties, is de echte sleutel tot het uitroeien van deze vorm van verminking een fundamentele mentaliteitsverandering bij alle betrokkenen. De verantwoordelijken moeten zich rekenschap geven van de schadelijke consequenties en ophouden met verdediging ervan als een culturele noodzaak. Het werk van de UNFPA, de WHO en UNICEF in dit verband wordt door de EU toegejuicht.

4. In het gemeenschappelijk standpunt heeft de EU zich ertoe verbonden te ijveren voor de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen, de rechtsstaat en behoorlijk bestuur in Afrika, en een kader te vormen voor de maatregelen terzake van de afzonderlijke lidstaten; in het licht van die verbintenis heeft de EU het volgende gedaan:


- zij toonde zich ingenomen met het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 13 april 1998 over "de oorzaken van conflicten en de bevordering van duurzame vrede en ontwikkeling in Afrika";


- zij is hoge prioriteit blijven geven aan deze kwesties in de doorgaande politieke dialoog van de EU met de OAE en regionale organisaties als de SADC, en bij contacten met individuele landen;


- zij heeft de ontwikkeling van de politieke situatie in het hele continent nauwlettend in het oog gehouden;


- zij is acties blijven ondernemen op het gebied van de mensenrechten, wat zij met name tot uiting wil laten komen in het jaarlijkse EU-rapport over de mensenrechten;


- zij heeft stappen ondernomen, verklaringen afgelegd en gemeenschappelijke verklaringen onderschreven in multilaterale fora, en haar standpunten verduidelijkt via brieven van het voorzitterschap waarbij de Afrikaanse regeringen worden opgeroepen om de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat te eerbiedigen, met name bij conflicten;


- zij heeft verkiezingen ondersteund en verkiezingswaarnemers gestuurd naar een aantal Afrikaanse landen. In sommige gevallen bleek dit niet nodig, aangezien de verkiezingen naar verwachting ook zonder toezicht vrij en eerlijk zouden verlopen. Dat was het geval in Benin en Zuid-Afrika. In andere gevallen werden geen waarnemers gestuurd omdat niet was voldaan aan de door de EU formeel gestelde minimumvoorwaarden voor waarneming en de EU geen legitimiteit wilde verlenen aan een niet regelmatig verlopen verkiezingsproces. Wil de EU de Afrikaanse regeringen aanmoedigen om veel meer hun verantwoordelijkheid te nemen, dan mogen zij niet in de waan komen dat de EU hun verkiezingen automatisch zal steunen, laat staan sanctioneren, ongeacht het verloop ervan;


- zij heeft nauw samengewerkt in het kader van de 55e zitting van de commissie Mensenrechten van de Verenigde Naties in Genève, en het voortouw genomen bij resoluties inzake de mensenrechtensituatie in de Democratische Republiek Congo en in Soedan;


- via de speciale gezant van de EU voor het gebied van de Grote Meren zette zij haar inspanningen voort om de eerbiediging van de mensenrechten en de democratie te bevorderen, niet door het opleggen van een Europees model maar in overeenstemming met de Afrikaanse waarden en samenlevingen. Die rechten omvatten ten minste het actief en passief kiesrecht, de scheiding der machten en het respecteren van de fundamentele vrijheden, ook de rechten van minderheden. Deze boodschap is overgebracht aan de deelnemers van het vredesproces van Arusha voor Burundi. In Rwanda toonde de EU zich ingenomen met de lokale verkiezingen als eerste stap naar democratisering en nationale verzoening. De speciale gezant van de EU heeft de regering van Rwanda aangespoord om alternatieve justitiële methodes te zoeken in verband met de ongeveer 120.000 personen die in hechtenis worden gehouden wegens aanstichting van of deelname aan de genocide van 1994. De EU neemt nota van de recente beslis-sing van de regering om minder zware gevallen volgens de traditionele lokale rechtspleging te berechten. In verband met het conflict in de Democratische Republiek Congo heeft de speciale gezant er bij alle betrokken partijen op aangedrongen alle vormen van rassenhaat te bestrijden en de burgerbevolking in de oorlogsgebieden te beschermen;


- zij bevestigde in een verklaring van 18 februari 1999 opnieuw haar toezegging om in haar dialoog met de regering van de Democratische Republiek Congo het democratiseringsproces te steunen. Door de huidige politieke situatie en de burgeroorlog in de DRC is de geplande steun voor het verkiezingsprogramma in het kader van het gemeenschappelijk optreden ter ondersteuning van de democratie in de Democratische Republiek Congo (97/875/GBVB) van 19 december 1997 niet geïmplementeerd. Bovendien overweegt de Raad om, gelet op de geringe bereidheid van de regering van de DRC om haar politieke basis te verbreden en geloofwaardige pogingen tot democratisering te doen, zijn gemeenschappelijk standpunt, dat op 30 juni 1999 afloopt, opnieuw te bezien. Om de voorwaarden voor een eigenlijk democratiseringsproces te scheppen, wordt ook overwogen om, indien aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan, steun te verlenen aan de huidige Afrikaanse bemiddelingsinspanningen in het conflict in de DRC en aan het nationale debat in de DRC;


- zij volgde met toenemende bezorgdheid de politieke situatie in Angola waar de regering nu in een open oorlog met UNITA is verwikkeld en tegelijk betrokken is bij het conflict in de DRC.

In een verklaring van 28 december gaf de EU uiting aan haar grote ongerustheid over de ernstige verslechtering van de algemene politieke, militaire en veiligheidssituatie in Angola en werd de UNITA dringend en herhaaldelijk verzocht haar verplichtingen uit hoofde van het protocol van Lusaka onvoorwaardelijk na te komen en de desbetreffende resoluties van de VN-veiligheidsraad in acht te nemen. De EU toonde zich ook bezorgd over de toenemende schendingen van de mensenrechten en drong er bij beide partijen op aan om het internationaal humanitair recht te respecteren, geen nieuwe mijnen meer te leggen en de mensenrechtenorganisaties toe te staan in het hele land ongehinderd hun werk te verrichten;


- de EU heeft de voorbereidingen voor de algemene verkiezingen in 1999 in Mozambique gevolgd en met de regering een financieringsovereenkomst van 21 miljoen euro ter ondersteuning daarvan ondertekend;


- zij heeft op 29 januari in Harare een demarche gedaan en nadien de Zimbabwaanse ambassadeurs in de Europese hoofdsteden bijeengeroepen om uiting te geven aan de zorg van de EU aangaande de onwettige arrestatie van journalisten door de militairen, de berichten over foltering door leger en politie, het niet uitvoeren van rechterlijke uitspraken en de schending van de vrijheid van meningsuiting. De EU is de situatie in Zimbabwe op de voet blijven volgen en heeft daarbij de politieke gevolgen van de verslechterende economische situatie en van de militaire betrokkenheid bij het conflict in de DRC geanalyseerd en naar middelen gezocht om het land te steunen; zij heeft de Zimbabwaanse regering op de hoogte gebracht van haar bezorgdheid;


- er zijn stappen ondernomen bij de regeringen van Ethiopië en Eritrea en diverse verklaringen afgelegd waarin zij werden aangespoord tot eerbiediging van de mensenrechten van elkaars onderdanen op hun grondgebied. De EU heeft beide regeringen herhaaldelijk opgeroepen om af te zien van geweld en militair optreden en hun medewerking te verlenen aan de inspanningen van de OAE om door onderhandelingen een vreedzame oplossing voor het conflict tot stand te brengen. In dit verband benadrukte zij dat beide partijen belang hebben bij een deëscalatie via beleidsinitiatieven die gericht zijn op het herstel van het vertrouwen tussen de regeringen en de volkeren van Ethiopië en Eritrea, waaronder maatregelen ter verbetering van de humanitaire situatie. Te dien einde heeft de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken in oktober 1998 als voorzitter van de Raad brieven gericht aan de president van Eritrea en de premier van Ethiopië. In februari 1999, bracht een ministeriële trojka van de EU onder leiding van de Duitse staatsminister, Ludger Volmer, een bezoek aan Asmara en Addis Abeba om beide regeringen te bewegen tot een bestand en een vreedzame beslechting van hun geschil. Zeer verontrust door de voortdurende toestroom van wapens naar het gebied, heeft de EU in een gemeenschappelijk standpunt van 15 maart 1999 een wapenembargo tegen Ethiopië en Eritrea opgelegd;


- zij heeft op 22 december 1998 een gemeenschappelijk optreden aangenomen ter ondersteuning van het democratiseringsproces in Nigeria. Via het gemeenschappelijk optreden werd technische steun gegeven aan het onafhankelijke verkiezingscomité van Nigeria en aan de NGO's die de verkiezingen hielpen voorbereiden. De EU stuurde een team van 100 waarnemers naar de parlementsverkiezingen van 20 februari en de presidentsverkiezingen van 27 februari. In een verklaring van 3 maart feliciteerde de Raad de bevolking van Nigeria met de uitslag van deze verkiezingen. Ondanks gevallen van fraude en manipulatie, meent de Raad dat deze uitslag de wil van het Nigeriaanse volk weerspiegelt. De Raad denkt eraan Nigeria verdere steun te verlenen bij de overgang naar een democratisch gekozen burgerregering;


- op verzoek van de regering van Togo en de oppositiepartijen, kwam zij samen met Frankrijk en Duitsland, overeen om te zorgen voor drie facilitatoren die samen met een vierde facilitator van de organisatie van Franstalige landen (OIF) de interne dialoog tussen regering en oppositie zouden assisteren, om na te gaan hoe de politieke impasse in Togo kan worden doorbroken. De regering weigerde evenwel in te gaan op het verzoek van de oppositie om de parlementsverkiezingen van 21 maart uit te stellen. In een verklaring van 25 maart betreurde de EU dat de voorgenomen dialoog tussen alle Togolese partijen niet voor de verkiezingen had plaatsgevonden. Aangezien de oppositie niet aan deze verkiezingen heeft deelgenomen, kon de uitslag ervan niet worden beschouwd als de uiting van de wil van het Togolese volk. De EU zei bereid te zijn een toekomstige hervatting van de dialoog tussen alle politieke krachten in Togo te steunen;

- in een verklaring van 14 april veroordeelde zij de militaire coup in Niger. De Raad besloot op 29 april dat de EU haar ontwikkelingssamenwerking met Niger opnieuw zal bezien, overeenkomstig het bepaalde in artikel 366 bis van de gewijzigde vierde overeenkomst van Lomé en hij nodigde de regering van Niger uit voor overleg over een oplossing voor deze situatie;
- zij legde een gedetailleerde verklaring af in de vergadering van de Consultatieve Groep over Oeganda in december 1998 in Kampala, en benadrukte dat verdere politieke en economische stappen noodzakelijk zijn om de verwezenlijkingen van Oeganda te consolideren, met name: corruptie aan banden leggen, gewapende conflicten op vreedzame wijze beslechten en zorgen voor een brede politieke participatie. De EU zei bereid te zijn Oeganda hierbij te helpen;

- zij deed stappen bij de Oegandese regering om de geplande executie op 29 april van 28 personen niet uit te voeren. In een verklaring van 4 mei betreurde zij dat de executies waren voltrokken, en dat aldus een einde was gekomen aan het van 1996 daterende moratorium op executies in Oeganda;
- zij veroordeelde in een verklaring van 7 mei de militaire coup op de Comoren en kondigde aan dat de EU haar ontwikkelingssamenwerking met de Comoren opnieuw zal bezien overeenkomstig het bepaalde in artikel 366 bis van de gewijzigde vierde overeenkomst van Lomé.


5. Op 30 november 1998 heeft de Raad conclusies aangenomen inzake democratisering, rechtsstaat en behoorlijk bestuur. Daarin worden de beginselen van het gemeenschappelijk standpunt bevestigd en wordt verwezen naar de mededeling van de Commissie inzake democrat-sering, rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten en behoorlijk bestuur: de uitdaging van het partnerschap tussen de Europese Unie en de ACS-landen. Deze Raadsconclusies bestrijken alle ontwikkelingslanden, niet alleen de ACS-landen, en het belang van een permanente dialoog tussen de EU en de ontwikkelingslanden wordt erin benadrukt. In de conclusies wordt ook onderstreept dat er samenhang moet zijn met het externe beleid van de Unie, met name gedefinieerd in het gemeenschappelijk standpunt.

Op 30 november 1998 heeft de Raad ook een resolutie inzake autochtone bevolkingsgroepen aangenomen. Op 10 december heeft zij een verklaring aangenomen naar aanleiding van de 50e verjaardag van de ondertekening van de universele verklaring van de rechten van de mens en met name het zes punten tellende actieprogramma waarin bijzondere nadruk wordt gelegd op onderwijs, opleiding en bewustmaking inzake mensenrechten.


6. Voorts heeft de Raad op 29 april 1999 twee verordeningen aangenomen tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van communautaire acties, zowel op het gebied van
ontwikkelingssamenwerking als op andere gebieden, die in het kader van het communautaire samenwerkingsbeleid bijdragen aan de algemene doelstellingen van ontwikkeling en consolidatie van de democratie en de rechtsstaat alsmede tot de eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden.


7. De Raad zal blijven streven naar verdere verbetering van de coördinatie tussen enerzijds de diverse organen die belast zijn met de verschillende aspecten van de aangelegenheden die door het gemeenschappelijk standpunt worden bestreken en anderzijds de desbetreffende conclusies van de Raad, zodat bij de werkzaamheden van alle bevoegde organen rekening wordt gehouden met de doelstellingen van het gemeenschappelijk standpunt, met name wat betreft de uitvoering van de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer.


8. De Raad zal de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt aan een zesmaandelijkse voortgangsevaluatie blijven onderwerpen.".

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

De Raad hechtte namens de EU zijn goedkeuring aan twee besluiten van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-Overeenkomst inzake de samenwerking op de volgende gebieden:


- informatiemaatschappij en beveiliging van informatiesystemen,
- burgerbescherming.

Met deze besluiten wordt beoogd de EER-EVA-landen in staat te stellen volledig aan de communautaire acties op deze terreinen deel te nemen.

PROCES VAN ROYAUMONT - SPECIALE VERTEGENWOORDIGER VAN DE EU

De Raad nam een besluit aan waarin de heer Panagiotis Roumeliotis wordt benoemd tot speciale vertegenwoordiger van de EU voor het op stabiliteit en goed nabuurschap gerichte proces in Zuid-Oost-Europa (proces van Royaumont). Hij zal zijn taken uitvoeren onder verantwoordelijkheid van het voorzitterschap van de EU en in volledige samenwerking met de Commissie.

Met dit besluit wordt beoogd de heer Roumeliotis, die sinds november 1997 reeds als "coördinator" van het Royaumont-proces optreedt, toe te rusten met de logistieke steun en de menselijke hulpbronnen die nodig zijn om zijn taken uit te voeren. Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van dit besluit bedraagt in de periode 31 mei 1999 - 31 mei 2000 550.000 euro (tot dekking van de kosten in verband met de bezoldiging van de speciale vertegenwoordiger en zijn medewerkers, reiskosten en communicatiekosten).

BENOEMINGEN

De Raad nam een besluit aan tot benoeming van de heer Jörg HAIDER tot lid van het Comité van de Regio's ter vervanging van de heer Christof ZERNATTO, die ingevolge de verkiezingen in Karintië is afgetreden, voor het verdere duur van diens ambtstermijn, dat wil zeggen tot 25 januari 2002.

DIVERSEN

REGLEMENT VAN ORDE VAN DE RAAD

*

De Raad nam ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zijn nieuw reglement van orde aan, dat met ingang van 1 juni 1999 van toepassing is.

De belangrijkste nieuwe elementen in het nieuwe reglement van orde van de Raad zijn:


- grotere doorzichtigheid wanneer de Raad handelt in zijn hoedanigheid van wetgever: in het nieuwe reglement worden de gevallen omschreven waarin de Raad als zodanig optreedt. In deze gevallen worden de resultaten van de stemmingen, de stemverklaringen van de leden van de Raad, alsmede de verklaringen in de Raadsnotulen en de punten van deze notulen betreffende de aanneming van wetgevingsbesluiten, openbaar gemaakt;

- ontbreken van de mogelijkheid om aan de stemming deel te nemen: voor de toepassing van het reglement van orde zal naar behoren rekening worden gehouden met de gevallen waarin een of meer leden van de Raad op grond van de Verdragen niet aan de stemming mogen deelnemen, bijvoorbeeld op terreinen als de Economische en Monetaire Unie en de samenwerking in het kader van Schengen;
- meer besluiten worden automatisch in het Publicatieblad bekendgemaakt;

- het Comité van Permanente Vertegenwoordigers kan onder specifieke voorwaarden bepaalde procedurebesluiten nemen;
- in verscheidene bepalingen wordt verwezen naar de (nieuwe functie van) adjunct secretaris-generaal;

- er is een nieuwe bepaling opgenomen tot verbetering van de redactionele kwaliteit.

VERSLAG OVER DE JURIDISCHE INFORMATICA

De Raad nam nota van het "verslag over de juridische informatica in de eerste helft van 1999, waarin een evaluatie gegeven wordt van de verrichte werkzaamheden, onder andere betreffende CELEX en de elektronische verspreiding van het recht in het algemeen, inclusief het Groenboek van de Commissie over overheidsinformatie in de informatiemaatschappij.

_________________________________________________________________

/newsroom/press/c/ACF16E.htm

Deel: ' Europese Raad Algemene Zaken '




Lees ook