Evaluatie coordinatie rampenbestrijding orkaan Georges

Ministerie van Binnenlandse Zaken

Naar aanleiding van mijn toezegging tijdens de begrotingsbehandeling van hoofdstuk IV voor 1999 bericht ik u ten aanzien van de coordinatie van de rampenbestrijding na de orkaan Georges als volgt.

In een bij deze brief gevoegde bijlage treft u een verslag aan van de verschillende activiteiten en maatregelen, die kort voor en direct na de orkaan zijn ondernomen.

Zoals ik mededeelde aan de voorzitter van de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken in mijn brief van 14 oktober 1998 (KR98/U052925) heeft de regering van de Nederlandse Antillen uit de eigen begroting Naf. 5 miljoen beschikbaar gesteld voor noodhulp. Ook de Nederlandse regering heeft, op basis van mijn bevindingen, Naf. 5 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor noodhulp aan de Bovenwindse eilanden van de Nederlandse Antillen. Dit bedrag is ten laste gebracht van de begroting voor Ontwikkelings-samenwerking.

De minister-president van de Nederlandse Antillen heeft mij bij brief van 6 november 1998, nr. 1078/RVM, aangegeven een tekort van Naf. 7 miljoen te verwachten in het herstelprogramma. Zij heeft voorgesteld dit tekort pondspondsgewijs te doen aanvullen door de regeringen van Nederland en van de Nederlandse Antillen. Ik heb toegezegd dat ik in het kader van het bestedingsoverleg, begin 1999, een cijfermatig onderbouwd verzoek van de Antilliaanse regering om een verdere bijdrage te leveren bij het herstel van de schade met veel tegemoetkomendheid zal bezien.

Ik heb besloten om, zoals ook de Antilliaanse regering heeft gedaan, het bedrag voor de uitvoering van de noodhulp ter beschikking te stellen aan het fonds Sociale Ontwikkeling en Economische Bedrijvigheid (SOEB). Deze keuze heeft het voordeel dat dit fonds reeds over een voor dit doel toegesneden uitvoeringsorganisatie beschikt en bovendien een fonds is dat zowel landelijk als eilandelijk vertrouwen geniet.

Het bestuur van het SOEB heeft in een protocol met de Antilliaanse minister van Financien de werkwijze van het fonds neergelegd met betrekking tot het Antilliaanse herstelprogramma voor de Bovenwindse eilanden. Voor de besteding van de Nederlandse noodhulp heb ik een vergelijkbaar protocol afgesloten met de eerdergenoemde minister en het bestuur van het fonds.

Ten aanzien van het herstelprogramma is er voor gekozen prioriteit te geven aan het herstel van bejaarden- en ziekenhuizen, schoolgebouwen en woningen van lagere inkomensgroepen die niet zelf in staat zijn herstelwerkzaamheden te financieren. De aannemingsopdrachten zijn alle in de eerste helft van december 1998 verstrekt. De uitvoering dient eind februari 1999 te zijn voltooid.

Een tweede prioriteit betreft het urgente herstel van overheidsgebouwen en gebouwen, die wat betreft functie kunnen worden beschouwd als centrale voorziening voor de gemeenschap. De uitvoering daarvan zal naar verwachting zijn voltooid in de maand juli 1999.

Mij is gemeld dat het totale door de Antillen en Nederland ter beschikking gestelde bedrag vrijwel geheel is verplicht.

Ik heb de minister-president van de Nederlandse Antillen en de directeur van het SOEB verzocht te bevorderen dat ik met enige regelmaat op de hoogte wordt gehouden van de voortgang van het herstel.

Nadere analyse van de besluitvormingstrajecten, de bijstandsaanvraag, de feitelijke inzet en het transport, zoals in de bijlage vermeld, leidt tot de slotsom dat deze in algemene zin aan de verwachtingen hebben voldaan.

Ik acht het van belang geacht dat de Nederlandse Antillen op termijn kunnen beschikken over een eigen, in personele en materiele zin adequaat uitgeruste rampenbestrijdingsorganisatie, gebaseerd op goed functionerende eilandelijke brandweerkorpsen. De nodige beleidsplannen om dit te bereiken zijn de afgelopen jaren opgesteld en door het bevoegd gezag vastgesteld.

Inmiddels is besloten dat het materieel, dat naar de eilanden is gebracht voor noodhulp, definitief op de Bovenwindse eilanden blijft. Qua kosten is met deze operatie een totaalbedrag gemoeid van naar raming NFL 910.000,=, waarvan een belangrijk deel zit in de vervanging van de operationele voorraad in Nederland en de aanschaf van de dekzeilen. Deze kosten zijn ten laste van hoofdstuk IV van de Rijksbegroting gebracht. In dit bedrag zijn de transportkosten die door Defensie zijn gedragen niet verdisconteerd. Evenmin zijn de kosten van ingezet personeel in deze berekening opgenomen.

Ik acht het bovendien wenselijk dat de mogelijkheid wordt onderzocht van bijstandsovereenkomsten tussen de Nederlandse Antillen, Aruba en andere landen in de Caribische regio. Hiermee kan worden bewerkstelligd dat personele en materiele bijstand uit de regio kan worden ingezet, waardoor veel in die omstandigheden kostbare tijd kan worden bespaard. Ook in de onderlinge communicatie op bestuurlijk zowel als operationeel niveau tussen de Nederlandse Antillen en Nederland kan, via verbeterde procedurele afspraken, winst worden bereikt, waardoor de risico.s van misverstanden worden geminimaliseerd.

Gebruik makend van de opgedane ervaringen wordt gewerkt aan een departementaal handboek crisisbeheersing voor dit soort situaties.

De grote inzet en betrokkenheid van alle bij de hulpverlening betrokken autoriteiten en personeel heb ik zeer op prijs gesteld.

BIJLAGE bij brief KR99/U053277 d.d. 23 februari 1999

Inleiding

De coordinatie van de hulpverlening aan Nederlandse zijde ter bestrijding van de gevolgen van de orkaan Georges door Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft plaatsgevonden in overleg met de ministeries van Algemene Zaken, Buitenlandse Zaken, Defensie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport en met het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen.

In de maand januari van dit jaar heeft overleg plaatsgevonden om de coordinatie in Nederland te evalueren.

Toen in het weekeinde van 20 en 21 september 1998 bleek dat de Bovenwindse eilanden serieus zouden worden getroffen door Georges, is -in het verlengde van de maatregelen die op Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba zelf reeds werden getroffen en de maatregelen die op Antilliaans nationaal niveau werden voorbereid- namens de Nederlands-Antilliaanse regering langs officiele weg een verzoek tot bijstand aan Nederland gericht. Het ging daarbij om de ter beschikkingstelling van rampenbestrijdings-, hulpverlenings- en bergingsmaterieel. De aanvraag was gebaseerd op de resultaten van een inventarisatie die eerder dat jaar op de Antillen heeft plaatsgevonden in het kader van het Projectbureau Rampenbestrijding en Brandweerzorg Nederlandse Antillen (PRBNA).

In tegenstelling tot de bestrijding van de gevolgen van de orkaan Luis op St. Maarten in 1995 stond vanaf het begin vast dat het niet verwachtbaar was dat Nederland deze keer zou worden verzocht civiele personele bijstand te leveren.

In goed overleg met het land Aruba en de Eilandgebieden Cura.ao en Bonaire werd een brandweerbijstandscompagnie van 50 personen samengesteld, bestaande uit 30 personen van Cura.ao, 10 personen van Bonaire en 10 personen van Aruba. Hiermee werd bereikt dat op ieder Bovenwinds eiland een peloton brandweerbijstand werd ingezet, onder leiding van een brandweerofficier.

Militaire ondersteuning

Door het ministerie van Defensie is in diverse vormen ondersteuning verleend bij de bestrijding van de gevolgen van de orkaan Georges. Inzet van Defensie-eenheden die in de Nederlandse Antillen en Aruba zijn gestationeerd, geschiedt onder de vigeur van het koninklijk besluit van 3 juli 1987, nr. 97. Gelet op de bepalingen daarin is de Gouverneur van de Nederlandse Antillen gemachtigd om zelfstandig eenheden in te zetten bij rampen en calamiteiten voorzover deze geen verband houden met sociale onrust. In geval van inzet ten behoeve van de openbare orde is voorafgaande machtiging van de Koninkrijksregering, danwel van de minister van Defensie als vertegenwoordiger daarvan, noodzakelijk. Het militaire commando over de ingezette eenheden berust bij de Commandant der Zeemacht in het Caraibisch gebied. De vaststelling van de behoefte voor de inzet van militaire eenheden wordt echter bepaald door de bevoegde civiele autoriteiten.

Gelet op de ervaringen met de orkaan Luis in 1995 zijn -voorafgaande aan de daadwerkelijke overkomst van de orkaan over de eilanden- op zaterdag 19 september 1998 kleine eenheden mariniers overgebracht naar de Bovenwindse eilanden. Door de snel verslechterende weersomstandigheden kon de overtocht naar Saba niet meer worden gemaakt. Op St. Maarten en St. Eustatius konden de eenheden wel tijdig arriveren. Deze vorm van inzet stelde zeker dat een (zij het beperkt) potentieel ter plaatse was om direct hulp te verlenen en met name ook de aankomst van verdere hulpverlening voor te bereiden. Ook waren daarmee de militaire communicatiekanalen beschikbaar om de noodzakelijke eerste bevindingen door te kunnen geven.

Na de orkaan zijn, zodra de weersomstandigheden dat toelieten, verkenningsvluchten uitgevoerd en vanaf het moment dat de luchthavens waren heropend zijn transportvluchten uitgevoerd. Voorts zijn voor ondersteuning het stationsschip inclusief helikopter en later het transportschip Hr. Ms. Pelikaan met hulpgoederen naar de Bovenwindse eilanden gedirigeerd.

Op verzoek van het Nationaal Coordinatiecentrum van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (NCC) is een transportvlucht uitgevoerd door een KDC-10 van de Koninklijke Luchtmacht vanaf de vliegbasis Eindhoven. Deze vlucht vervoerde tevens het zgn. Noodhulpverkenningsteam (6 personen) dat heeft geassisteerd bij de inventarisatie van de schade en bij de vaststelling van de aanvullende behoeften. Om de aanlanding en het verdere transport van de goederen optimaal te laten verlopen, zijn twee specialistenteams van twee personen uitgezonden naar Saba en St. Eustatius. Ook werd met diezelfde vlucht een aanvullende helikopterbemanning voor de helikopter van het stationsschip vervoerd (2 personen).

De Gouverneur van de Nederlandse Antillen heeft de militaire bijstand op 28 september 1998 beeindigd.

De coordinatie in de beleidsadvisering en besluitvorming omtrent defensie-eenheden is in nauwe samenwerking tussen het NCC, de directie Juridische Zaken en het Defensie Crisisbeheersingscentrum van het ministerie van Defensie geschied.

Crisisbeheersing

In de Nederlandse Antillen was de coordinatie van de hulpverlening en rampenbestrijding in handen van de Stichting Rampenbestrijding Nederlandse Antillen (STIRANA).

STIRANA vormt een personele unie met het PRBNA en fungeert tevens als Bureau Nationaal Rampencoordinator. Deze organisaties zijn gevestigd op Curacao.

Behalve de vaste staf maakten ook twee personen, die in het kader van in uitvoering zijnde projecten in de zogenoemde personele samenwerking door Nederland zijn uitgezonden, deel uit van STIRANA. Bij toeval was de Nederlandse Directeur Brandweer en Rampenbestrijding voor een werkbezoek in de Nederlandse Antillen. Op verzoek van de minister-president van de Nederlandse Antillen is hij direct voorafgaand aan en tijdens de eerste dagen van de hulpverlening als haar adviseur, toegevoegd aan STIRANA, opgetreden.

Het bijstandsverzoek voor het materieel is in Nederland ontvangen door het NCC. Het Logistiek Centrum Zoetermeer (LCZ), waar de operationele voorraden van de Directie Brandweer en Rampenbestrijding worden beheerd, heeft de gevraagde middelen beschikbaar kunnen stellen. Daartoe is op een aantal manieren geopereerd. Grotendeels zijn zaken onttrokken aan de landelijke operationele logistieke voorraad voor de rampenbestrijding in Nederland, terwijl een klein deel is onttrokken aan de operationele voorraden van de regionale brandweerorganisaties in Nederland.

Daarnaast dienden spoedaankopen plaats te vinden voor materiaal dat niet tot de standaardvoorraad behoort. Zo zijn zowel in Nederland als op Cura.ao grote hoeveelheden dekzeilen aangeschaft, waarmee tijdelijke afdekking kon worden gerealiseerd van gebouwen waarvan het dak was afgewaaid. Uiteindelijk zijn op zondag 20 september 1998 35 rolcontainers voor transport gereed gemaakt met een totaalgewicht van 10 ton.

Dit materieel is vervolgens naar Vliegveld Eindhoven getransporteerd, waar vandaan -volgens afspraken met het Ministerie van Defensie- op maandag 21 september 1998 een KDC-10 van de Koninklijke Luchtmacht vertrok.

Daarnaast is het verzoek gehonoreerd om twee medewerkers van het LCZ beschikbaar te stellen ten behoeve van de opzet en de coordinatie van het logistieke en administratieve proces van deze goederen in de Nederlandse Antillen. Zij zijn per passagiersvlucht naar Cura.ao afgereisd. In de loop van maandag 21 september 1998 zijn zij gearriveerd, later op de dag gevolgd door het materieel. Ter plaatse is een verdelingsplan opgesteld. Het materieel is dinsdag 22 september 1998 met vliegtuigen van de Koninklijke Luchtmacht en Koninklijke Marine overgebracht naar de drie Bovenwindse eilanden.

Door de logistieke ondersteuners is op elk van de Bovenwindse eilanden een distributie-/coordinatiepunt ingericht. Hierbij werd nauw contact gehouden met STIRANA op Curacao, en in het verlengde daarvan met het LCZ en het NCC in Nederland.

Het NCC heeft gedurende de eerste dagen van de activiteiten meerdere malen per dag een situatierapport opgesteld, dat intern in de politieke en ambtelijke lijn is verspreid.

Aanvankelijk vormden de gebrekkige communicatiemiddelen ter plaatse een probleem bij de informatieoverdracht. Pas na enige dagen kwam hierin verbetering door het herstel van belangrijke telefoonverbindingen op de Bovenwindse eilanden.

Het voert in het kader van deze rapportage te ver om de vervolgactiviteiten op de eilanden te beschrijven. Geconcludeerd mag echter worden dat er hard is gewerkt en dat 80% tot 90% van het uit Nederland overgevlogen materieel in het kader van de hulpverlening is gebruikt.

Op zaterdag 26 september 1998 was de situatie inmiddels dusdanig verbeterd dat begonnen kon worden met de afbouw van de bijstand. Wat betreft het materieel werd na overleg met STIRANA en Nederland besloten dit op de eilanden achter te laten. De logistieke ondersteuners hebben het materieel gecheckt en in overleg met de lokaal verantwoordelijken ter plaatse opgeslagen.

Informatienummer in Nederland

Na spoedoverleg op zondagavond 20 september tussen de ministeries van BZK en AZ werd besloten om op zo kort mogelijke termijn een informatielijn 'Georges' open te stellen voor het publiek. Er werd gekozen voor de opzet om via de Postbus 51 Infolijn-organisatie van de Rijksvoorlichtingsdienst een aparte lijn te activeren, die van informatie voorzien zou worden door het NCC/afdeling Voorlichting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Uiteindelijk werd de lijn op maandag 21 september om 16.30 uur opengesteld tot 23.00 uur diezelfde avond. De dagen daarna werden de openingstijden gehanteerd van 9.00 tot 21.00 uur.

De openstelling van het informatienummer 0800-3008051 werd, na overleg met het Antillenhuis bekendgemaakt namens de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen via een persbericht en aankondigingen in het NOS-radionieuws.

Het informeren van de telefonistes van het informatienummer gebeurde op basis van de dagrapporten van het NCC en, waar mogelijk en noodzakelijk, mondeling.

Omdat de dagrapporten onregelmatig verschenen was het niet mogelijk op ieder moment de meest actuele stand van zaken te melden; bovendien bereikte veel informatie het publiek via de snel opererende media.

In dit proces is primair gekozen voor zorgvuldigheid, soms ten koste van snelheid.

Wat betreft het aantal telefoontjes is het beeld als volgt:

maandag 21 september: 490

dinsdag 22 september: 268

woensdag 23 september: 120

donderdag 24 september: 50

vrijdag 25 september: 29

maandag 26 september: 11

totaal 957

Het aantal telefoontjes nam snel af toen bleek dat er geen slachtoffers waren gevallen en de orkaan niet langer een dreiging was voor het gebied van de Bovenwindse eilanden.

Het informatienummer is nu opgenomen in de Postbus 51 Infolijn en staat nog steeds open.

Geconcludeerd kan worden dat het informatienummer in een behoefte heeft voorzien, met name voor de eerste opvang. Voor de toekomst is een dergelijke actie voor herhaling vatbaar. De wijze van informeren van de telefonistes behoeft nadere aandacht.

J.C. Tonnon Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (070) 3026279

Deel: ' Evaluatie coordinatie rampenbestrijding orkaan Georges '




Lees ook