Tweede Kamer der Staten Generaal


26680000.002 vao wbso

Gemaakt: 16-2-2000 tijd: 15:53


1


26680 Evaluatie Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)


26800 XIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2000

Nr. 2 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 15 februari 2000

De vaste commissie voor Economische Zaken<1> en de vaste commissie voor Financiën<2> hebben op 2 februari 2000 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Economische Zaken en staatssecretaris Vermeend van Financiën over:


- de evaluatierapporten WBSO (26680, nr. 1);


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 2 september 1999 inzake de WBSO (EZ-99-494);


- de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 12 november 1999 inzake technologiesteun aan Philips in 1999 (26800-XIII, nr. 32).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Wagenaar (PvdA) constateerde dat steeds meer bedrijven gebruik maken van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO), zodat het een goede zaak is dat de voorgenomen bezuiniging is teruggedraaid. Maken ook de kleinere bedrijven voldoende gebruik van deze regeling? Voorts is positief dat op het terrein van research and development (R&D) steeds meer samenwerkingsvormen totstandkomen.

De WBSO-evaluatie richt zich voornamelijk op de gewenste onderzoeksmethode; er zijn nog maar weinig statistisch-significante gegevens. Niettemin is er al sprake van een positieve lijn. Juist omdat de WBSO-regeling zo succesvol is, mag het plafond voor de maximale aftrek voor bedrijven niet worden verhoogd. Dit zou ten koste gaan van de kleinere bedrijven die vaak op het terrein van innovatie achterlopen. De PvdA zou zich niet verzetten tegen een zekere verruiming van de regeling, door te voeren in het kader van de volgende begroting.

Bij de behandeling van de industriebrief is gevraagd om de mogelijkheden te verkennen voor een innovatie-investeringsaftrek (IIA), mede gelet op de Europese regelgeving. Wellicht kan de minister hierop thans terugkomen. Nederland neemt nog altijd op de terreinen R&D en innovatie geen riante positie in. Vooral voor de economische ontwikkeling op lange termijn is het van belang dat hierin intensiever wordt geïnvesteerd.

De toegankelijkheid van de WBSO-regeling is verbeterd maar kan, vooral ten behoeve van het MKB, verder worden vergroot door middel van decentrale inspanningen.

Wat de Philipsbrief betreft rijst de vraag hoe het zit met de goedkeuring van de Europese Commissie van het ITEA-project. Waar de Nederlandse overheid aparte regelingen voor dit bedrijf treft en daarmee de bijzondere positie van Philips op het terrein van R&D erkent, mag van het bedrijf een inspanningsverplichting worden verwacht ten aanzien van kwetsbare groepen werknemers. Als voorbeeld kan de kwetsbare regio Zeeuws-Vlaanderen worden genoemd. Voorkomen moet worden dat al te gemakkelijk mensen met laagwaardige banen worden ontslagen, vooral ook omdat zij moeilijk herplaatsbaar zijn. Wellicht is een werkwijze mogelijk analoog aan de Antheusconstructie voor het noorden. In deze zin kan een positieve oproep worden gericht aan het adres van Philips. Is het kabinet daartoe bereid?

De heer Van Walsem (D66) constateerde dat de WBSO-regeling bij het bedrijfsleven zeer populair is. Het is echter van belang dat, mede gelet op de limiet die in het kader van deze regeling geldt, ook het MKB hiervan voldoende profiteert. Overigens moet worden bedacht dat het grootbedrijf bij zijn belangrijke functie op het terrein van technologievernieuwing veelal het MBK inschakelt. Op deze wijze kan het grootbedrijf het MKB behulpzaam zijn bij het uitbreiden van netwerken. Tegen die achtergrond verdienen projecten als het researchvoucher DSM-MBK navolging en ondersteuning.

Het is duidelijk dat Nederland in Europa en daarbuiten op de terreinen R&D en innovatie bepaald niet de eerste plaats inneemt. Ook al worden achterstanden op bepaalde groeigebieden, zoals biotechnologie en softwareontwikkeling, ingelopen, wanneer de economische ontwikkelingen gunstig blijven, verdient het wellicht aanbeveling om in die zin het regeerakkoord open te breken dat de WBSO-regeling kan worden verruimd, vooral ten behoeve van grote bedrijven. Het plafond voor deze bedrijven zou met 5 mln. of 10 mln. kunnen worden verhoogd. Ook zou kunnen worden gedacht aan het verhogen van het percentage van de tweede schijf van 13 tot 17,5.

De evaluatie geeft aan dat nog geen uitspraken kunnen worden gedaan over de causaliteit tussen WBSO en R&D, maar de fractie van D66 gelooft daar wél in, mede omdat het Porteronderzoek aantoont dat het aantal R&D-medewerkers van grote invloed is op innovatieresultaten.

In het verleden werden projecten die verband hielden met subsidies ten behoeve van Philips, door de Commissie niet geheel in orde bevonden. Inmiddels is het niveau van 100 mln. teruggebracht tot 65 mln. De fractie van D66 neemt aan dat de minister zich ervan heeft verzekerd dat de nu vermelde projecten voldoende "EU-proof" zijn.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA) vroeg zich af of door Philips ook projecten zijn ingediend die niet zijn gehonoreerd. Bestaan er wat dit betreft nog verschillen van inzicht?

Uit de evaluatiewerkzaamheden van Bureau Bartels en CBS blijkt dat het WBSO-instrument een positieve uitwerking heeft op de omvang van R&D, de innovatiepositie van Nederland en bedrijfsprestaties. Uit de resultaten van de Porterstudie blijkt echter dat Nederland op de innovatie-index in de periode van 1980 en 1995 is gezakt. De vraag is of een structurele verhoging van de WBSO-limiet niet op termijn in de rede ligt. De incidentele intensivering in het kader van de tweede schijf tot 17,5% is wegens overtekening teruggedraaid, maar deze verruiming zou per 2001 weer kunnen worden ingevoerd. Er zijn meevallers te verdelen en daarbij moet ook aandacht worden gegeven aan de TTI-samenwerkingsprojecten.

De uitvoeringskosten bedragen 3%. Onduidelijk is waarom deze kosten niet meer exact kunnen worden aangegeven door de belastingdienst die toch zeer exact functioneert. Hoe verhouden deze kosten zich tot de uitvoeringskosten van andere subsidieregelingen?

Gesteld wordt dat de softwareproblemen zijn opgelost, maar nog altijd wordt zo'n 16% van de programmatuurprojecten afgewezen. Hoe kan dit percentage worden teruggebracht?

De fractie van het CDA kan instemmen met verdergaande verbetering van de WBSO-aanpak en realiseert zich dat effecten van deze regeling duidelijker worden naarmate de evaluatieperiode langer wordt. De fractie kan zich vinden in het voorstel om dezelfde evaluatieaanpak voor andere EZ-technologie-instrumenten te benutten, maar de vraag rijst of daarbij weer dezelfde instituten worden ingeschakeld. Hoe is het gesteld met de verantwoordelijkheidsverdeling tussen CBS en Bureau Bartels?

Uit evaluatiegegevens blijkt dat industriële bedrijven met meer dan
500 werknemers niet zijn betrokken bij de econometrische analyses, onder meer als gevolg van problemen bij het koppelen van bestanden. Dit probleem moet worden opgelost omdat anders vertekening van het totaalbeeld dreigt. Grote, internationaal opererende bedrijven met S&O-activiteiten blijken een sterk afwijkend innovatief gedrag te vertonen. Hoewel dit aspect niet in de brief van de bewindslieden wordt belicht, speelt het een belangrijke rol bij de steeds terugkerende discussie over het plafond van 15 mln. Een kleine groep van vijf bedrijven loopt steeds tegen dit plafond aan terwijl zij toch zorgen voor het grootste toegevoegde werkgelegenheidseffect. Zo blijkt DSM in de tweede helft van de jaren negentig jaarlijks 40 onderzoekers op academisch niveau extra te hebben aangenomen. Bovendien is er sprake van een belangrijk spin-offeffect in de richting van het MKB. Het is zeker de moeite waard om na te gaan of het researchvouchersysteem ook door andere bedrijven kan worden doorgevoerd om bij het MKB de innovatiebereidheid te stimuleren.

De heer Rabbae (GroenLinks) vond dat het succesverhaal van de WBSO moet doorgaan en zag verhoging van de limiet voor deze regeling als een goede investering.

VNO/NCW heeft er per brief op gewezen dat bedrijven van fusies nadelige gevolgen ondervinden in het kader van de WBSO-regeling. Kan de minister hierop ingaan?

Wat Philips betreft heeft de fractie van GroenLinks zich in het verleden huiverig getoond voor een openeinderegeling, niet zozeer qua bedragen maar meer qua tijd. Is in het kader van deze constructie een horizonbepaling opgenomen? Het zou een goede zaak zijn geweest, wanneer een financiële injectie zou zijn gegeven ten behoeve van het R&D-campusproject in Eindhoven, maar blijkbaar is deze kwestie niet "Brusselbestendig".

Is het opzetten van Philips kennis-innovatiecentrum in Terneuzen mede mogelijk gemaakt met overheidsmiddelen? Als dat wel het geval is geweest, biedt dat in zekere zin een titel om op het bedrijf een beroep te doen in verband met het handhaven van werkgelegenheid.

De heer Van Dijke (RPF) voerde mede namens de fractie van het GPV het woord en onderstreepte de bijzondere positie van Philips. De steun aan dit bedrijf komt enigszins over als: men heeft een bepaald bedrag over voor Philips en zoekt er vervolgens EU-bestendige projecten bij. Opmerkingen over het goed werkgeverschap van Philips verdienen steun, maar onduidelijk is hoe in dezen voorwaarden zouden kunnen worden gesteld op basis van generieke regelingen. Wél kan de minister in gesprekken met het bedrijf voor dit aspect aandacht vragen. Ziet de minister redenen om op deze wijze invloed uit te oefenen? Wat nu in Terneuzen gebeurt, past niet bij een bedrijf dat zo sterk aan Nederland verbonden is.

De vraag is of in het kader van de WBSO-evaluatie ooit causaliteit tussen WBSO en R&D-resultaten kan worden aangetoond. Meer gevoelsmatig krijgt men bij het doornemen van dossiers de indruk dat die relatie er wel degelijk is. Voorkomen moet worden dat in het zoeken naar deze causaliteit te veel geld en energie wordt gestoken. Overigens zijn er veel méér fiscale instrumenten en regelingen die het bedrijfsleven ten goede komen. In het kader van het belastingplan voor de 21ste eeuw is getracht om allerlei zaken, bijvoorbeeld aspecten die samenhangen met het hebben van kinderen, te bundelen. Is het geen goede zaak om ook met betrekking tot allerlei stimulerings- en ondersteuningsregelingen ten behoeve van het bedrijfsleven een bundeling tot stand te brengen? Daarmee kan bijvoorbeeld de harde knip tussen R&D en het vervolgtraject na R&D worden verzacht en kunnen financieringsstromen wellicht worden gekoppeld. Misschien is het tegen deze achtergrond lastig om Brussel te overtuigen, maar uiteindelijk is dat óók gelukt met betrekking tot bijvoorbeeld het lagere BTW-tarief voor schoenherstellers.

Gepleit is voor verhoging van de limiet voor de WBSO-regeling maar bij verhoging van het plafond voor grote bedrijven dreigt het MKB daarvan onvoldoende te profiteren. Is het nu niet mogelijk om in die zin dat plafond te "perforeren" dat grote bedrijven moeten aantonen dat zij het bedrag boven het plafond mede aanwenden ten behoeve van het MKB?

Uit de stukken blijkt dat er veel onderzoek wordt gedaan op het terrein van software. In hoeverre dreigt het gevaar dat bedrijven met behulp van WBSO-middelen allemaal hetzelfde wiel aan het uitvinden zijn? Worden maatregelen getroffen om dit te voorkomen?

Mevrouw Voûte-Droste (VVD) concludeerde aan de hand van de evaluatie dat de toegankelijkheid van de WBSO-regeling is verbeterd, mede dankzij goede voorlichting. Uit het boekje "Focus op speur- en ontwikkelingswerk" blijkt dat de provincies Noord-Brabant, Limburg, Noord- en Zuid-Holland het meest van de regeling gebruikmaken; wellicht verdient het aanbeveling dat Senter zich wat meer op het noorden van het land richt.

Het is van het grootste belang dat de softwareontwikkeling in Nederland meer aandacht krijgt, mede in de sfeer van de voorlichting, zulks ter stimulering van de innovatie en het ontwikkelen van nieuwe producten. Is de minister bereid hierover contact op te nemen met Senter?

Omdat er zowel bij grote bedrijven als bij het MKB grote behoefte bestaat aan de WBSO-regeling is het een goede zaak dat de oorspronkelijke bezuiniging is teruggedraaid. Het ondernemingspakket dient nu zo snel mogelijk in te gaan; blijkbaar is wat dit betreft enige vertraging opgetreden. Mocht blijken dat er in budgettaire zin meer ruimte ontstaat, dan is de VVD ervoor dat het totale WBSO-budget wordt verruimd.

Wanneer twee bedrijven die aanvankelijk elk afzonderlijk voor deze regeling in aanmerking kwamen, gaan fuseren -- verwezen kan worden naar DSM en Gist Brocades -- wordt in feite na de fusie een korting doorgevoerd. Gelet op belangrijke innovatiedoelstelling dient te worden nagegaan of voor dit probleem een oplossing kan worden aangereikt. Juist omdat Nederland met betrekking tot innoverende producten achterloopt, dient te worden ingezet op een bredere toepassing van dit instrument, met accent op de ICT-sector.

Het lijkt erop dat CBS en Bureau Bartels in wezen hetzelfde onderzoek verrichten. Wat is de ratio hierachter? Verdient het niet de voorkeur om met één van beide instellingen verder te gaan?

Wat de projecten en subsidies met betrekking tot Philips betreft dient te worden bedacht dat, wanneer het bedrijf regulier gebruik zou kunnen maken van het subsidie-instrumentarium, men veel méér zou kunnen krijgen dan de nu vermelde 65 mln. Tegen die achtergrond is de VVD van oordeel dat Philips uitsluitend aan de subsidiecriteria dient te voldoen en niet nog eens aan extra voorwaarden, bijvoorbeeld in het kader van de werkgelegenheid. Voorkomen moet worden dat de overheid gaat zitten op de ondernemersstoel en dat "tijdens de rit" steeds weer nieuwe criteria worden opgelegd. Er is op dit terrein een lange weg gegaan, van RSV via Fokker naar een beleid dat voorziet in duidelijke criteria voor het verlenen van steun aan bedrijven in nood; aan die criteria moet worden vastgehouden. Wanneer de onderneming in de gelegenheid wordt gesteld om een strategisch goed beleid te voeren, kan dat gunstig uitwerken op de totale werkgelegenheid binnen de onderneming.

Het project MEDEA is bijzonder belangrijk op de terreinen informatietechnologie en micro-elektronica. Bij de eerstvolgende evaluatie dient met betrekking tot dit project duidelijker te worden aangegeven wat het aandeel van andere, hieraan deelnemende landen is. Wat is op dit moment het totale budget voor Medea?

Voor de strategische samenwerkingsprojecten wordt 6 mln. beschikbaar gesteld. In dit kader zijn dertien projecten aan de orde gesteld. Welke projecten zijn van belang in verband met het genoemde bedrag?

Het antwoord van de regering

De minister wees erop dat met de WBSO-regeling wordt beoogd de R&D-kosten voor bedrijven te verlagen zodat Nederlandse bedrijven zich op dit terrein actiever opstellen. Uit de evaluatie blijkt dat het om een effectief instrument gaat, zij het dat het niet eenvoudig is om in dezen tot een goede meting te komen. Hoe groot is nu precies de invloed van de WBSO-regeling op de feitelijke omvang van de R&D- en innovatieactiviteiten en wat zijn de effecten van deze activiteiten op de bedrijfsprestaties? Zowel door CBS als door Bureau Bartels zijn positieve relaties gevonden. Met enige wetenschappelijke slagen om de arm kan men stellen dat stimulering via de WBSO uiteindelijk leidt tot een betere concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. De regeling zal echter door langere tijdreeksen aan robuustheid moeten winnen.

In de industriebrief wordt gemeld dat de innovativiteit van de Nederlandse industrie nog te laag is. Duidelijk is echter dat het geven van fiscale prikkels een gunstig effect heeft, óók waar het erom gaat een stimulerend kennisklimaat tot stand te brengen. Van belang is dat er met betrekking tot de uitvoering stabiliteit is. Het is begrijpelijk dat bedrijven voor een reeks van jaren zekerheid verlangen over de overheidsbijdragen. Daarom is gezocht naar mogelijkheden om de frequent voorkomende beleidswijzigingen tegen te gaan. In plaats van tweemaal per jaar wordt nu eenmaal per jaar het percentage vastgesteld. Dit gebeurt in het kader van de begrotingsbehandeling, dus ruim voor het desbetreffende jaar, zodat bedrijven met het oog op het opstellen van hun jaarplannen weten waar zij aan toe zijn. Bovendien worden alleen belangrijke wijzigingen aangebracht wanneer grote discrepanties dreigen te ontstaan tussen het beschikbare budget en het beroep dat op de regeling wordt gedaan. Voor het jaar 2000 blijven de percentages 40 voor de eerste schijf en 13 voor de tweede gehandhaafd.

Tijdens het AO over de industriebrief is toegezegd dat nader zou worden ingegaan op de vraag of het Brusselse steunkader ruimte biedt voor fiscale instrumenten ten behoeve van de innovatie. Een lastig aspect is dat projecten op dit terrein vaak te dicht bij de markt liggen en daardoor tot de normale ondernemingsrisico's behoren, terwijl Brussel werkelijk alleen steun toestaat in de sfeer van R&D. Voor elke fase na R&D mag geen steun meer worden verleend. DG4 is beslist niet gevoelig voor het verruimen van criteria voor het verlenen van steun, op welk terrein dan ook; eerder is het omgekeerde het geval. In Brussel ziet men de WBSO-regeling dan ook niet als steun, maar als een gewone generieke fiscale maatregel. Tegen deze achtergrond zou een IIA moeten voorzien in stimulering van álle innovatieve investeringen, of ze nu voortkomen uit de WBSO of niet, waarmee de IIA in feite sterk zou gaan lijken op een nieuwe WIR.

De BTS kan niet worden gebundeld met de WBSO omdat het twee verschillende zaken zijn. De WBSO is een generiek instrument, terwijl de BTS specifiek is gericht op samenwerking.

In het kader van het beter toegankelijk maken van de WBSO-instrumenten zullen bij wijze van experiment in 2000 bedrijven niet langer worden verplicht om een accountantsverklaring inzake gewerkte R&D-uren te overleggen; ook behoeft er geen sprake meer te zijn van een standaardmedeondertekening door de fiscale moeder. De medeondertekening zal nog slechts gelden voor de bekende top
5-gebruikers die boven het plafond van 15 mln. zouden kunnen uitkomen. Medio 2000 zullen ook deze subsidievoorzieningen elektronisch toegankelijk worden gemaakt, hetgeen wellicht zal leiden tot een "boost" van het MKB.

Wat de deelname van het MBK betreft wees de minister erop dat bedrijven met minder dan 250 werknemers goed zijn voor 94% van het aantal aanvragen, ongeveer 59% van het budget. Van deze groep heeft
46% van de bedrijven tien of minder werknemers. Het is van groot belang dat ook kleine bedrijven hiervan profiteren. De grootste innovaties komen immers vaak uit de kleinste bedrijven, terwijl grote bedrijven belang hebben bij relaties met nieuwe, kleinere bedrijven. De werkwijze die DSM thans volgt, heeft te maken met gezond eigenbelang omdat dergelijke kleinere bedrijven belangrijke nieuwe kennis kunnen aanleveren.

Het noorden van het land wijkt bij het gebruik maken van WBSO-voorzieningen niet af van de rest van het land, maar men treft daar eenvoudig veel minder bedrijven aan dan in bijvoorbeeld Noord-Brabant of Limburg.

De WBSO-regeling is een fiscaal instrument en valt daarmee onder de lastenverlichtingsinstrumenten. Als er bij de huidige hoogconjunctuur ruimte blijkt te bestaan voor verdergaande lastenverlichting voor ondernemingen -- dit zou aan de orde kunnen komen bij de voorbereiding van de begroting voor 2001 -- moeten er prioriteiten worden gesteld. In dit kader is al eens gepleit voor verlaging van de vennootschapsbelasting, mede om de concurrentiepositie van Nederland op peil te houden. Wat de WBSO betreft zou gekozen kunnen worden voor verhoging van de percentages en pas daarna voor plafondverhoging. Het laatste aspect is vooral naar voren gekomen als gevolg van de fusie van DSM en Gist Brocades. Overigens, zou men het plafond verhogen tot
20 mln., dan zou dit slechts voor twee bedrijven van betekenis zijn. Plafondverhoging zou interessant kunnen zijn voor het vestigingsklimaat, maar daarvoor is de vennootschapsbelasting een belangrijker element.

De WBSO-regeling is gebonden aan een budget. Het zou gemakkelijker zijn wanneer er sprake zou zijn van een regeling met een open einde, maar dat stuit op bezwaren. Er moet nu vooral worden gemikt op stabiliteit; het zou bijzonder ongunstig zijn wanneer het volgende jaar bijvoorbeeld de percentages weer zouden worden aangepakt. Niettemin moet worden bedacht dat de bij een verruiming in het geding zijnde bedragen niet op de begroting van Economische Zaken te vinden zijn.

Het is onjuist aan te nemen dat de WBSO vooral bij grote ondernemingen tot gunstige effecten leidt en bij kleinere bedrijven niet. Sommige positieve effecten treden juist bij grotere ondernemingen op, andere komen juist bij kleine ondernemingen voor.

De WBSO-regeling kent geen voorwaarden die betrekking hebben op samenwerkingsvormen; dergelijke verbanden worden ook niet geregistreerd. Voor samenwerkingsvormen is een meer specifiek instrument beschikbaar, te weten de BTS. De DSM-werkwijze met subsidievouchers is bijzonder interessant. Meer in het algemeen wordt nagegaan hoe dergelijke vormen van facility-sharing kunnen worden gestimuleerd. Bij de behandeling van de industriebrief is aangegeven dat hiervoor een actieplan zal worden opgesteld.

In antwoord op vragen over de uitvoeringskosten van de WBSO-regeling verwees de minister naar de uitvoering van andere subsidieregelingen die bijzonder arbeidsintensief kan zijn. Niet voor niets is er nu sprake van een omvangrijke operatie om op dit terrein tot vereenvoudiging te komen. Tegen deze achtergrond komen de WBSO-uitvoeringskosten niet ongunstig naar voren. Meer in het algemeen geldt hiervoor: hoe generieker de regeling is, des te eenvoudiger kan de uitvoering zijn.

Wat de goedkeuringen op het terrein van de softwareontwikkeling betreft gaat het bijzonder goed. In 1997 ging het nog om slechts 51%, maar in 1998 was het percentage al 84 terwijl voor de eerste helft van
1999 87% kan worden genoteerd. Deze ontwikkeling komt overeen met de verwachtingen. Een probleem is dat het voor bedrijven vaak lastig is om precies de grens aan te geven tussen enerzijds software die gereed is voor gebruik en anderzijds het feitelijk ontwikkelen van software.

De WBSO-evaluatie richt zich op evaluatie én op een pilotproject, gericht op het ontwikkelen van een goede methodiek. Tegen die achtergrond moeten de verschillende deskundigheden van CBS en Bureau Bartels worden bezien. Bureau Bartels is gekozen met het oog op het onafhankelijk onderzoek, het CBS vanwege zijn econometrische expertise en de daar beschikbare outputgegevens op grond van de innovatie-enquête.

Geconstateerd kan worden dat in het uitgebrachte rapport enkele harde causaliteiten worden aangetoond tussen WBSO en R&D, en wel op drie niveaus. Gebleken is dat er dankzij de WBSO door bedrijven meer aan R&D wordt gedaan: als bedrijven meer aan R&D doen, komt er ook meer innovatie; als er meer aan innovatie wordt gedaan, leidt dat tot betere economische prestaties. Deze trits komt overeen met de uitkomsten van de Porterstudie. De volgende evaluatie zal stellig duidelijker lijnen te zien geven omdat dan over een langere periode kan worden nagegaan hoe een en ander heeft gewerkt.

De minister herinnerde eraan dat in het verleden is vastgesteld dat er een groot probleem zou ontstaan wanneer Philips op reguliere wijze gebruik zou maken van allerlei subsidieregelingen. Daarom zijn er met dit bedrijf afzonderlijke afspraken gemaakt. Het is beslist onjuist te denken dat er sprake is van een bepaald bedrag waar vervolgens projecten voor worden gezocht. Afgesproken is dat Philips niet meedoet aan allerlei regelingen maar tot een bepaald maximum subsidie verkrijgt in verband met een aantal internationale projecten, overigens exclusief WBSO.

Een van de genoemde projecten is ITEA. In het kader van dit softwareproject waarvoor Philips het initiatief heeft genomen, wordt samengewerkt met bedrijven als Alcatel, Daimler-Benz, Nokia en Siemens, maar ook met TNO, KPN, universiteiten en onderzoeksinstellingen. Het doel is dat de kloof tussen de VS en Europa op het terrein van softwareontwikkeling wordt gedicht. De totale kosten bedragen ongeveer 3,2 mld. euro; het gaat om 20.000 manjaren gedurende acht jaar. De hierbij betrokken overheden zullen van jaar tot jaar hun financiële bijdragen bezien. De centrale ITEA-projectorganisatie is gehuisvest op het terrein van de TU-Eindhoven. Door Brussel zijn alle subsidies ten behoeve van Philips goedgekeurd, behalve die inzake ITEA. De reactie van DG4 is echter in principe positief. Op het moment worden op verzoek van DG4 de teksten van de steunmeldingen van Nederland en Frankrijk op elkaar afgestemd omdat het een samenwerkingsproject betreft.

Dankzij het project Medea heeft de Europese elektronica-industrie haar positie op de wereldmarkt sterk kunnen verbeteren. De drie grootste Europese halfgeleiderbedrijven, waaronder Philips, maken inmiddels deel uit van de top-10 van de wereld. Nog belangrijker is dat deze drie sneller groeien dan hun Amerikaanse en Aziatische concurrenten. Ook andere Nederlandse bedrijven worden in verband met dit project door EZ gesteund, eveneens met groot succes. Over een mogelijk vervolg op Medea zal de Kamer medio 2000 een brief worden voorgelegd. Hierin zal ook op andere over Medea gestelde vragen worden ingegaan.

In het kader van de Philipstranche van 1999 ad 65 mln. zijn alle aangemelde projecten gehonoreerd; er waren dus geen afvallers. Over het algemeen vindt in een voorfase zeer intensief overleg plaats over projecten en de beschikbare ruimte.

In het Philips ontwikkelingscentrum te Terneuzen zijn geen EZ-middelen geïnvesteerd. Niet kan worden gesteld dat Philips haar werkgelegenheid in Nederland zou afbouwen. Weliswaar hebben zich bepaalde verschuivingen voorgedaan, maar in de periode 1993-1998 nam de werkgelegenheid bij Philips in Nederland met 5200 personen toe. Natuurlijk worden er bij Philips reorganisaties doorgevoerd, onder meer in Terneuzen en bij Philips Research in Eindhoven, waarbij arbeidsplaatsen in het geding zijn. Echter, anderzijds breidt het bedrijf bijvoorbeeld de afdeling semiconductors in Nijmegen uit, hetgeen een investering van 250 mln. euro vergt en 400 nieuwe arbeidsplaatsen met zich brengt.

Met het oog op haar mondiale positie moet Philips zelf bepalen waar de productie plaatsvindt. Die dynamiek leidt tot verschuivingen, niet alleen in Nederland maar ook in andere landen. De steun van de Nederlandse overheid in het kader van technologie en innovatie is er vooral op gericht de kennisintensieve activiteiten in Nederland te verankeren. Bij elke reorganisatie in welk bedrijf dan ook worden aan de minister van EZ brieven gezonden met het verzoek om zich daarmee te bemoeien, maar het zou onverstandig zijn om dat te doen omdat het daarbij gaat om zaken tussen het bedrijf en de vakbonden. Overigens heeft Philips in een persbericht duidelijk gemaakt dat het bedrijf niet de intentie heeft om de totale activiteiten van de lichtdivisie in Nederland te beëindigen. De relaties tussen werkgevers en werknemers komen in algemene zin regelmatig in gesprekken met Philips aan de orde waarbij niet de indruk ontstaat dat zich wat dit betreft afwijkingen voordoen vergeleken met andere bedrijven.

De dertien samenwerkingsprojecten waarover mevrouw Voûte heeft gesproken betreffen een overzicht van thans lopende projecten. Voor tien daarvan zijn in 1999 bijdragen verstrekt; de andere drie stammen qua financiering nog uit 1998.

De staatssecretaris gaf aan dat in overleg met het CBS en de Algemene Rekenkamer wordt getracht om criteria te ontwikkelen voor toetsingen als die met betrekking tot de WBSO. De discussie over deze onderzoekmethodieken is niet nieuw, maar werd al in de jaren zeventig gestart. Op welke wijze kan worden aangetoond dat dergelijke regelingen al dan niet de beoogde effecten hebben? Omdat in het verleden nogal sceptisch is gereageerd in verband met de zogenaamde Willie Wortelregeling, is het een goede zaak dat nu een positief effect is geregistreerd. Hoe moeilijk een en ander ook aan te tonen is, het is duidelijk dat er bepaalde relaties zijn. Vooral voor kleine bedrijven waar men relatief lage loonkosten heeft, maakt de WBSO-regeling nogal wat uit. Bovendien moet men niet altijd alles wetenschappelijk willen bewijzen. Ook met betrekking tot bijvoorbeeld de effecten van een mogelijke verlaging van de vennootschapsbelasting kan een inschatting worden gemaakt, maar pas wanneer de tijdreeksen langer worden, kunnen aan de hand van evaluatiegegevens meer concrete conclusies worden getrokken. Het blijft van groot belang belastingregelingen en andere regelingen voor het bedrijfsleven met de best mogelijke technieken te evalueren, vooral ook omdat daar budgettaire middelen mee gemoeid zijn.

De WBSO-regeling is een generieke fiscale regeling. Dat zij ook door Brussel als "generiek" is aangemerkt, is zeer belangrijk. Juist als gevolg van dit karakter kan de regeling door de belastingdienst worden betrokken bij het algemene aanslagproces. Het is tegen deze achtergrond dat door de fiscus de kosten op 7 mln. zijn geraamd. Het is van groot belang dat de regeling generiek blijft en dat daaraan niet al te veel toeters en bellen worden gehangen. Dit zou de effectiviteit verminderen terwijl Brussel weer op onderdelen allerlei voorwaarden zou gaan stellen.

De regeling wordt door het bedrijfsleven breed gedragen, ook door de kleinere bedrijven, mede dankzij het feit dat aan de onderzijde het percentage is verhoogd. Als daarvoor in de komende jaren middelen beschikbaar zouden komen, zou dit effectieve instrument moeten worden uitgebreid om de innovatiepositie van Nederland te verbeteren. Overigens zou een verhoging van het plafond slechts betekenis hebben voor enkele bedrijven. Daarnaast onderkende de staatssecretaris met de minister het belang van het tarief van de vennootschapsbelasting voor de internationale concurrentiepositie van en het vestigingsklimaat in Nederland. Het belastingpakket dat nu in Duitsland actueel is, houdt in de sfeer van de vennootschapsbelasting een forse lastenverlichting in voor het gehele bedrijfsleven, maar vooral de grote internationale bedrijven profiteren daarvan. In Ierland wordt het tarief voor de vennootschapsbelasting op 12,5% gesteld.

Het kabinet is zeker niet te laat met het ondernemingspakket. Een gedeelte daarvan komt al aan de orde in het kader van de belastingherziening-2001. De Kamer heeft gevraagd het resterende gedeelte vóór 1 mei 2000 in te dienen.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Wagenaar (PvdA) onderstreepte dat, hoe goed het in economische zin in Nederland ook gaat, de werkgelegenheid in kwetsbare regio's nogal eens op de tocht komt te staan. Die situatie doet zich ook in Terneuzen voor en het is te gemakkelijk om te stellen dat dit slechts Philips en de bonden aangaat. In dezelfde regio is de rijksoverheid bezig om de centrale te Borssele te sluiten; het kabinet draagt hier een bepaalde verantwoordelijkheid. Het zou een goede zaak zijn wanneer met alle betrokken partijen, waaronder Philips, zou worden nagegaan wat er kan worden gedaan om in deze kwetsbare regio zoveel mogelijk werkgelegenheid te handhaven.

De heer Rabbae (GroenLinks) was het met de minister eens dat de overheid zich niet mag mengen in het overleg tussen bedrijven en vakbeweging. Er is echter sprake van een zekere tegenstelling wanneer enerzijds wordt getracht Amerikaanse en Aziatische bedrijven naar Nederland te halen vanwege hun kennis, en anderzijds Nederlandse bedrijven met veel kennis om bepaalde redenen Nederland verlaten. Wordt voldoende nagegaan waarom dergelijke bedrijven vertrekken? Sluit de minister te allen tijde uit dat de overheid intervenieert in bewegingen van bedrijven die een bepaalde sociale dimensie kennen of wordt dit per geval bezien? In zekere zin is er toch sprake van wederzijdse afhankelijkheid: enerzijds steunt de overheid bedrijven wanneer dit nodig blijkt te zijn, anderzijds bevinden bedrijven zich niet op een platform in de Noordzee maar staan ze midden in de Nederlandse samenleving.

De heer Van Dijke (RPF) vroeg zich af waartoe de minister van EZ op aarde is. Die minister heeft er niet primair en zonder meer voor te zorgen dat het bedrijven goed gaat. Van belang is dat, als het bedrijven goed gaat, mensen een boterham kunnen verdienen en de samenleving goed kan functioneren. Dit is een bredere opvatting van de verantwoordelijkheid van de minister dan er uitsluitend voor zorgen dat de aandeelhouders tevreden worden gesteld. Tegen die achtergrond mag de minister het tot haar taak rekenen haar invloed aan te wenden in het voordeel van het behoud van werkgelegenheid in kwetsbare gebieden. Dit betekent overigens niet dat het subsidie-instrument als breekijzer moet worden gebruikt. Vooral de flankgebieden in Zeeuws-Vlaanderen zijn bijzonder kwetsbaar. Het is zorgwekkend dat mensen, op zoek naar werk, de provincie Zeeland verlaten. In die zin wijkt Zeeland van overig Nederland af.

De minister wees erop dat in verband met het beleid van Philips ten aanzien van Terneuzen ten onrechte wordt gesproken over een kwetsbare regio. Het gaat juist heel goed in Zeeuws-Vlaanderen. Aan die regio mag van Brussel geen cent subsidie worden gegeven omdat men ook daar van oordeel is dat de regio niet kwetsbaar is. Weliswaar is er bij Philips sprake van verlies aan werkgelegenheid, maar bij Dow wordt er fors uitgebreid hetgeen gunstige werkgelegenheidseffecten heeft. Een Antheusachtige aanpak voor dit gebied kan interessant zijn wanneer ook het private bedrijfsleven ter plekke zich daarvoor inzet, maar van steunverlening zoals in het noorden kan geen sprake zijn. De eerste contacten hierover zijn met het Zeeuwse gelegd, maar een private "trekker" moet nog worden gevonden; wellicht zou de chemische sector dat kunnen zijn. Voorts mag worden aangenomen dat het gebied sterk zal profiteren van het gereedkomen van de Westerscheldetunnel, zowel aan de noordzijde als aan de zuidzijde van de Westerschelde.

De minister onderstreepte nog eens dat het voorstel van de centrale te Borssele te sluiten uit de Kamer naar voren is gekomen. Nog altijd geldt dat, ook al zou het kabinet voorstellen om deze centrale open te houden, voor deze optie in de Kamer geen meerderheid te vinden is. Het is niet juist een verbinding te leggen tussen deze kwestie en de opstelling die Philips in Zeeuws-Vlaanderen zou moeten kiezen.

Meer in het algemeen moet worden bedacht dat voortdurend wordt gewerkt aan het verbeteren van het brede vestigingsklimaat; ook de WBSO-regeling behoort bij die activiteiten. Bedrijven die vestiging in Nederland overwegen, krijgen informatie over het Nederlandse fiscale stelsel, over de ruimtelijke ordening en de beschikbaarheid van bedrijventerreinen en over faciliteiten die kunnen worden geboden enz. Voorzover zich daarbij knelpunten voordoen, is het de taak van de minister van EZ om oplossingen aan te reiken; dat is méér dan een volledige dagtaak.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Biesheuvel

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Gijzel

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Tielens-Tripels


1 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Leers (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, M.B. Vos (GroenLinks), Rabbae (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Wagenaar (PvdA), Verburg (CDA), Stroeken (CDA), Ravestein (D66), Geluk (VVD), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Blok (VVD), De Boer (PvdA), Hindriks (PvdA)

Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Wijn (CDA), Kalsbeek (PvdA), Klein Molekamp (VVD), Van der Steenhoven (GroenLinks), Vendrik (GroenLinks), Poppe (SP), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Van Baalen (VVD), Schoenmakers (PvdA), Herrebrugh (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Van der Hoeven (CDA), Bakker (D66), Van Beek (VVD), Koenders (PvdA), De Haan (CDA), Udo (VVD), Smits (PvdA), Hamer (PvdA)


2 Samenstelling:

Leden: Schutte (GPV), Reitsma (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Van Zijl (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), De Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Marijnissen (SP), Kamp (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Vendrik (GroenLinks), Stroeken (CDA), Remak (VVD), Van Beek (VVD), Balkenende (CDA), Bos (PvdA), Wijn (CDA), Kuijper (PvdA)

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Koenders (PvdA), Balemans (VVD), Wilders (VVD), Van Oven (PvdA), De Wit (SP), Patijn (VVD); Schimmel (D66), Kalsbeek (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Blok (VVD), Dankers (CDA), Rabbae (GroenLinks), Hillen (CDA), Hessing (VVD), Weekers (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Hindriks (PvdA), Van den Akker (CDA), Timmermans (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Evaluatie Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) '




Lees ook