expostbus51


Ministerie van Financien


https://www.minfin.nl

FINANCIEN: BPM

PERSBERICHTNR. 99/017 Den Haag 21 januari 1999

ANTWOORDEN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN OP VRAGEN VAN DE

LEDEN VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL WEEKERS EN HOFSTRA OVER

HET INTRODUCEREN VAN VRIJSTELLINGSMOGELIJKHEDEN IN HET

UITVOERINGSBESLUIT INZAKE DE BPM VOOR IN HET BUITENLAND GEVESTIGDE

MAAR IN NEDERLAND WOONACHTIGE ONDERNEMERS

VRAGEN:


1.

Herinnert u zich uw antwoord1 op het verzoek van de VEG om meer vrijstellingsmogelijkheden te introduceren in het uitvoeringsbesluit inzake de BPM voor in het buitenland gevestigde maar in Nederland woonachtige ondernemers?

2.

Hoeveel vrijstellingen zijn er verstrekt op basis van het BPM-besluit? Zijn er bij deze vrijstelling ook onderlinge verschillen, en zo ja, welke en om welke aantallen gaat het dan?

3.

Klopt de conclusie dat in Nederland woonachtige, maar in Duitsland of België gevestigde ondernemers, die voor zakelijke reizen door Nederland moeten rijden (ook transitoverkeer van bijvoorbeeld Duitsland naar België) niet gerechtigd zijn hun auto met Duits kenteken te gebruiken?

4.

Om hoeveel gevallen gaat het naar verwachting bij het gestelde onder 3?


1 FIN9800953

5.

Hoe laat een goede werking van de interne markt zich rijmen met de regeling, dat het hoofd van de eenmanszaak, lid van de maatschap, bestuurder, vennoot of aandeelhouder van een vennootschap niet gerechtigd zijn hun auto van de zaak te gebruiken in Nederland, zelfs niet voor zakelijke doeleinden?

6.

Bent u bereid de uitvoeringsregeling aan te passen om genoemde ongerijmdheid weg te nemen?

ANTWOORDEN:


1.

Ja. In die brief is de situatie aan de orde gesteld van de in Nederland wonende directeur/eigenaar van een in een ander land gevestigde onderneming en de daaraan verbonden gevolgen voor het gebruik van een auto die in dat andere land is geregistreerd.

2, 3 en 4.
Het Uitvoeringsbesluit BPM kent twee verschillende vrijstellingen (artikel 2 en 3) die in het kader van de gestelde vragen van belang zijn.
Op grond van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kan onder bepaalde voorwaarden vrijstelling worden verleend voor personenauto.s die zijn geregistreerd in het buitenland en door een in dat land gevestigde werkgever ter beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst zijnde in Nederland wonende persoon voor de uitoefening van de werkzaamheden buiten Nederland. Een van de voorwaarden voor deze vrijstelling is dat de werknemer als gevolg van de arbeidsverhouding tussen hem en zijn werkgever in beginsel geen invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land de personenauto wordt geregistreerd. Als deze vrijstelling wordt verleend mag de auto in Nederland onbeperkt voor persoonlijke doeleinden van de werknemer worden gebruikt en bijkomend voor zakelijke doeleinden.
Op grond van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM kan vrijstelling worden verleend voor ingezetenen van Nederland die elders dan in Nederland:

-hoofd zijn van een eenmansbedrijf, of

-lid zijn van een maatschap, of

-bestuurder, vennoot of aandeelhouder zijn van een onderneming, opgericht in de vorm van een vennootschap,
een en ander mits de eigenaar of houder niet een werknemer is als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit. (Een persoon is geen werknemer als bedoeld in artikel 2 als hij invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land een auto wordt geregistreerd.) Als deze vrijstelling wordt verleend mag de auto in Nederland worden gebruikt voor het overbruggen van de afstand van de woonplaats naar de in het buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd. Dit betekent tevens dat de fiscaal gefacilieerde auto niet in Nederland mag worden gebruikt voor zakelijke reizen (ook niet wanneer het alleen transitoverkeer betreft).
Slechts voor zover de positie van degene die gebruik maakt van een in een ander land geregistreerde personenauto anders is, is er sprake van een verschil in vergunning.
Op dit moment zijn er ongeveer 3500 vergunningen op basis van artikel 2 en 1700 vergunningen op basis van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM verleend.

5.

Uitgangspunt in internationaal verband is van oudsher dat het woonplaatsbeginsel, zoals ik ook heb aangegeven in de brief aan de VEG, voorop staat. Dat impliceert dat het gebruik van een auto waarvoor alle belastingen zijn betaald in het land waar degene die de auto gebruikt zijn woonplaats heeft, in een ander land zonder betaling van belasting kan plaatsvinden. In de gevallen waarop de vraagstelling ziet, is in Nederland, het woonplaatsland van degene die de auto gebruikt, geen BPM betaald. Voor de auto is toegestaan deze op basis van de verleende vergunning te gebruiken voor het overbruggen van de afstand tussen de woonplaats en de in het buitenland gelegen plaats waar normaliter de werkzaamheden worden uitgeoefend. In zoverre is er dan ook geen verstoring van de goede werking van de interne markt. Zou
- om in termen van de vraagstelling te spreken - zelfs voor zakelijke doeleinden binnen Nederland de auto mogen worden gebruikt, dan zou gebruik van een auto waarvoor een vergunning is verleend een concurrentieverstoring opleveren met in Nederland gevestigde ondernemers die wèl alle belastingen met betrekking tot hun auto hebben voldaan.

6.

In het licht van het vorenstaande ben ik niet van mening dat de bestaande voorzieningen in de regelgeving tot een ongerijmdheid leiden. Voor een aanpassing van de uitvoeringsregeling zie ik dan ook geen reden.

Woordvoerder: mw. E.A. Hijink
Tel.nr.: 070 - 342 8229

Deel: ' Financien over vrijstelling bpm ondernemers in buitenland '




Lees ook