Ministerie van Financien

Algemeen Nieuws Fiscaal beleid Rijksbegroting Decentrale overheden Europa
Vacatures Belastingbulletins De Belastingdienst Domeinen Agentschap Overheidssites Zoeken
Ministerie van Financiën

Titel: Verzoek dechargeverlening over 1998 en Financieel beheer en accountantscontrole over 1998


Bewerk document en bewaar op uw PC
Download document: ga op hyperlink staan, rechtermuisknop, "save target as"


Directie Accountancy Rijksoverheid

Aan:

De voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

DAR99/272m

29 juni 1999

Onderwerp


1. Verzoek dechargeverlening over 1998


2. Financieel beheer en accountantscontrole over 1998


1. Financiële verantwoordingen 1998

In de Comptabiliteitswet (CW) is vastgelegd dat de Minister van Financiën jaarlijks aan de Staten-Generaal een uiteenzetting geeft over het in het afgelopen jaar gevoerde financiële beheer en over de resultaten van de accountantscontrole bij het Rijk. Deze uiteenzetting is gericht op de decharge van de ministers voor het gevoerde financiële beheer. In deze brief wordt onder paragraaf 1.1 het verzoek tot dechargeverlening over 1998 gedaan. Vervolgens wordt in paragraaf
1.2 ingegaan op de resultaten van de accountantscontrole bij het Rijk.

Met de aanbieding van deze brief wordt de bovengenoemde uiteenzetting wederom twee maanden eerder aan de Staten-Generaal aangeboden dan de CW verlangt. Na de versnelling die vorig jaar is bereikt bij de financiële verantwoordingsprocedure zijn volgens plan meer departementen dan vorig jaar erin geslaagd hun financiële verantwoording versneld aan te leveren. Onder paragraaf 2 wordt hier nader op ingegaan. De overige ontwikkelingen in het beleid betreffende het financiële beheer en de controle komen daarin ook aan de orde, zoals de kwaliteit van de financiële verantwoording, transparantie en enkele andere actuele themas.

Op grond van de CW (artikel 68, lid 2) bied ik u met het oog op de dechargeverlening, de financiële verantwoording van het Rijk over 1998 aan. Van negen departementen zijn de verantwoordingen met het begeleidende rapport bij de financiële verantwoording van de Algemene Rekenkamer al eerder in twee groepen sinds 17 mei j.l. aan de Eerste en Tweede Kamer verstuurd.1

De overige departementale verantwoordingen die bij de decharge worden betrokken, worden u heden separaat aangeboden, evenals de rapporten bij de financiële verantwoordingen van de Algemene Rekenkamer, die daarop betrekking hebben en de verklaring van goedkeuring met betrekking tot de financiële verantwoording van het Rijk.


1.1 Verzoek dechargeverlening over 1998

De beide Kamers der Staten-Generaal wordt verzocht de ministers decharge te verlenen over het door hen in 1998 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de begroting waarover de desbetreffende minister het beheer heeft gevoerd, uitgaande van de financiële verantwoordingen over 1998.

Voorts kan bij de dechargeverlening aan de individuele ministers de financiële verantwoording over 1998 van het Rijk worden betrokken, voor zover die verantwoording een relatie heeft met desbetreffende departementale financiële verantwoording over 1998. Dit is vanzelfsprekend pas mogelijk indien de oordelen van de Algemene Rekenkamer over de financiële verantwoordingen over 1998 met betrekking tot de begroting waarover de ministers het beheer voeren en de verklaring van goedkeuring van de Rekenkamer bij de financiële verantwoording van het Rijk over 1998 naar het oordeel van beide kamers daartoe geen belemmering vormen.


1.2 Accountantsverklaringen

Over 1998 zijn, evenals 1997, bij alle departementale financiële verantwoordingen en bij de financiële verantwoording van het Rijk goedkeurende accountantsverklaringen afgegeven. Ook voor alle begrotingsfondsen is voor het derde jaar in successie een goedkeurende verklaring afgegeven. Een goedkeurende verklaring betekent niet vanzelfsprekend dat het financiële beheer gedurende het gehele jaar op orde is geweest. Met name daar waar sprake is van, of voornemens bestaan tot, het wijzigen van de departementale structuur, die kunnen leiden tot veranderingen in het financiële beheer, bestaat het risico dat de toereikendheid van het financiële beheer wordt aangetast. In paragraaf 2.3 zal ik hier nader op in gaan.


2. Ontwikkelingen in het financiële beheer en de accountantscontrole

In dit tweede deel van mijn brief wordt invulling gegeven aan de CW (artikel 68, lid 3) aan de hand van een uiteenzetting over de ontwikkelingen in het financiële beheer. De kaders waarbinnen een aantal ontwikkelingen kunnen worden gezien, versnelling en verbetering van de kwaliteit van de financiële verantwoording, zijn in par. 2.1 en
2.2 aangegeven. In par. 2.3 wordt stilgestaan bij de stand van het financiële beheer. Bij de ijkpuntenstrategie van de Algemene Rekenkamer wordt een kanttekening geplaatst in par. 2.4. De wijze waarop verder aandacht voor de transparantie van overheidshandelen wordt gegeven komt in par. 2.5 aan de orde. Een aantal specifieke ontwikkelingen wordt toegelicht in de paragrafen 2.6 tot en met 2.11. De themas zijn: misbruik en oneigenlijk gebruik, financieel beheer en controle van EU-gelden, de controlesituatie inzake kengetallen, integriteit, single audit en activiteiten in het kader van de MDW-accountancy.


2.1 Versnelling en kwaliteit financiële verantwoording

De Tweede Kamer heeft het initiatief genomen om het tijdstip waarop de financiële verantwoordingen over 1999 en de samenvattende accountantsrapporten van de ministeries ter beschikking moeten zijn, in het jaar 2000 te vervroegen van eind juni naar de derde woensdag in mei. Als gevolg daarvan is in overleg met de ministeries en de Algemene Rekenkamer overeengekomen om de afronding van het departementale traject van eind april naar medio maart te vervroegen. Deze versnelling vormt een vereiste voor de vervroeging van de parlementaire behandeling van alle financiële verantwoordingen naar mei/juni, waardoor deze behandeling meer parlementaire aandacht kan krijgen. Wanneer de gewenste versnelling in het jaar 2000 gerealiseerd wordt kan de Tweede Kamer nog voor het zomerreces de jaarverslagen over het voorgaande jaar behandelen.

Om de versnelling te kunnen realiseren is een overgangsperiode voor de begrotingsjaren 1997 en 1998 afgesproken. Formeel is gedurende de overgangsperiode voor de indiening van de departementale verantwoordingsstukken bij mijn ministerie de datum van 23 april gehandhaafd. Meerdere ministeries hadden echter toegezegd om dit jaar (evenals vorig jaar) een gedeeltelijke versnelling te realiseren. Daartoe is een aanleveringsschema opgesteld waarin meerdere snelheden waren verwerkt2. Met waardering heb ik geconstateerd dat de vooraf bepaalde aanleveringsdata door vrijwel alle ministeries zijn gehaald, waarbij de ministeries oog hebben gehouden voor de kwaliteit van de verslaggeving. Verschillende ministeries zijn zelfs in staat geweest om de stukken ruim voor de afgesproken datum gereed te hebben. Gezien het feit dat de meeste ministeries volgend jaar nog verder moeten versnellen, heb ik bij die ministeries aangedrongen op zodanige maatregelen dat de uiteindelijk in het volgend jaar te realiseren indieningsdatum van 15 maart haalbaar is. Dit geldt in het bijzonder voor die ministeries die dit jaar nog weinig versnelling hebben gerealiseerd.


2.2 Voorstellen rond begroting en verantwoording

Naast de versnelling van de financiële verantwoording wordt ook een kwaliteitsverbetering nagestreefd. In de Miljoenennota 1999 heeft de regering aangekondigd met voorstellen te komen voor de verbetering van de informatiewaarde en de toegankelijkheid van de departementale begrotings- en verantwoordingsstukken. Ik heb deze voorstellen in de nota Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording de afgelopen maand aan de Tweede Kamer aangeboden3.

Vanuit de Tweede Kamer zijn initiatieven genomen om reeds op korte termijn verbeteringen van de informatiewaarde van verantwoordingsstukken te komen. De voorzitter van de Tweede Kamer heeft het advies van de werkgroep Financiële Verantwoordingen4 (onder voorzitterschap van het Kamerlid Van Zijl) aanvaard en aan de regering doorgestuurd. De werkgroep Financiële Verantwoordingen wil bewerkstelligen dat in de financiële verantwoordingen over 1999, die in mei 2000 moeten verschijnen, beleidsprioriteiten worden aangegeven waarbij in het bijzonder prestatiegegevens worden opgenomen. Tevens wordt aandacht gevraagd voor een tweetal rijksbrede onderwerpen: de verbetering van de informatievoorziening in begrotingen en financiële verantwoordingen en de kwaliteit van de rijksdienst in relatie tot de doelmatigheidstaakstellingen van het regeerakkoord.

Voor de specifieke beantwoording van de wens van de werkgroep om prestatiegegevens van bepaalde beleidsprioriteiten op te nemen in de financiële verantwoordingen over 1999 wordt verwezen naar de rapportage daarover in de departementale financiële verantwoordingen over 1998. Op de twee rijksbrede onderwerpen ben ik ingegaan in de brief van 19 mei 1999 die ik namens de regering heb gezonden aan de voorzitter van de Tweede Kamer 5.


2.3 Stand van het financiële beheer

Rijksbreed gezien laat het niveau van de kwaliteit van het financiële beheer vergeleken met het vorige dienstjaar een gelijkblijvend beeld zien. Het niveau van de kwaliteit van het financiële beheer bij de afzonderlijke ministeries verschilt, maar is bij de ministeries als geheel als voldoende aan te merken. Ook over 1998 zijn bij alle ministeries goedkeurende accountantsverklaringen afgegeven.

Zoals bekend betekent een goedkeurende accountantsverklaring niet dat er geen problemen op het gebied van het financiële beheer zich voor zouden kunnen doen. Naast verbeteringen meldt de accountantsdienst van een aantal ministeries over 1998 stilstand of lichte achteruitgang in het niveau van het financiële beheer. Vaak gaat het daarbij om de onvoldoende werking van het financiële beheer dat in opzet wel goed is. Om een in opzet goed financieel beheer volledig te kunnen benutten, is het noodzakelijk dat dit beheer een hechte basis vindt op alle managementniveaus in de organisatie waarop aan dit beheer uitvoering moet worden gegeven. Waar sprake is van een in operationele zin onvoldoende financieel beheer is de oorzaak daarvan vaak gelegen in de te zwakke aansturing en monitoring door het hogere management van de uitvoering door het middel- en lagere management. Indien dat van toepassing was, heb ik uit hoofde van mijn toezichthoudende verantwoordelijkheid bij mijn collegas aangedrongen maatregelen te nemen en verzocht mij binnen enkele maanden op de hoogte te brengen van de getroffen maatregelen.

Conform mijn eerder gedane toezegging in het algemeen overleg van 2 september 1998 met de Commissie voor de Rijksuitgaven om vanuit mijn toezichthoudende verantwoordelijkheid voor het financiële beheer bij het Rijk mij in te spannen om teruggang in de kwaliteit van het financiële beheer weg te nemen is een aantal maatregelen getroffen. Waar dat nodig is zal ik nadrukkelijk bij het desbetreffende ministerie er op aandringen zodanige concrete maatregelen ter verbetering te treffen die ook uitvoerbaar zijn binnen de daarvoor aangegeven tijdspaden. De maatregelen bestaan uit het uitbrengen van tussentijdse brieven bij bezwaargevallen, ambtelijk topoverleg tussen de betreffende secretarissen-generaal van de ministeries en de Directeur-Generaal van de Rijksbegroting over de verbetering van het financiële beheer en het intensief volgen vanuit mijn departement van verbeteracties voor onder meer de administratieve organisatie.

In die gevallen waarbij het financiële beheer duidelijk is verslechterd en/of waar de Algemene Rekenkamer nieuwe bezwaaronderzoeken heeft aangekondigd zal ik de hiervoor genoemde aanpak opnieuw toepassen.


2.4 IJkpuntenstrategie van de Algemene Rekenkamer

De Algemene Rekenkamer heeft in 1998 aangegeven dat zij in het kader van haar onderzoekstaak naar het financiële beheer van de ministeries, waarvoor zij haar IJkpuntenstrategie heeft ontwikkeld, zoveel mogelijk wil steunen op de controle door de departementale accountantsdienst (DAD). Mede in het licht van de nota Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording, acht de regering het van belang dat het aan haar is om aan de Eerste en Tweede Kamer een voorstel te doen voor de ten aanzien van de bedrijfsvoering (waarvan het financiële beheer onderdeel uit maakt) van ministeries te hanteren normen. In het kader van de implementatie van de nota Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording zal de regering de normstelling ter hand nemen.


2.5 Transparantie van overheidshandelen

Binnen de rijksoverheid groeit de aandacht voor themas die betrekking hebben op de organisatie, het bestuur en het beheer. Prominente themas zijn nu transparantie van overheidshandelen, resultaatgericht werken, risicobeheersing, doelmatigheid, kwaliteitsborging en vormgeving van de sturingsrelaties met op afstand geplaatste instellingen.

Inmiddels is bij diverse uitvoeringsorganisaties een omslag in denken waarneembaar. Steeds meer wordt het resultaatgericht werken als uitgangspunt genomen. Op basis van het onderzoekskader Aansturen op resultaat is inmiddels bij verschillende uitvoerende diensten een interdepartementaal bedrijfsvoeringsonderzoek (IBO-bedrijfsvoering) uitgevoerd, dat duidelijkheid verschaft om welke (meetbare) producten en diensten het gaat, hoe de externe en interne sturingsrelaties zijn vormgegeven en over de vraag naar nut en noodzaak van het voeren van een baten/lastenstelsel.

Buiten de uitvoeringsorganisaties zijn bovengenoemde onderwerpen eveneens relevant. Ook daar is transparantie in de processen en een heldere verantwoordelijkheids- en bevoegdhedenverdeling van wezenlijk belang. Om deze duidelijkheid te verkrijgen en ook meer inzicht te verkrijgen in het bestaan van niet goed ingevulde sturings-, verantwoordelijkheids- en toezichtsrelaties, kan het gedachtegoed van government governance behulpzaam zijn. Dit concept is afgeleid van corporate governance. Government governance wordt gedefinieerd als het waarborgen van de onderlinge samenhang in de wijze van sturen, beheersen, toezichthouden en verantwoorden van een organisatie, gericht op een efficiënte en effectieve realisatie van beleidsdoelstellingen, alsmede het daarover op een open wijze communiceren en verantwoording afleggen ten behoeve van belanghebbenden.

Government governance heeft zowel een micro- als een macro-dimensie. Op micro-niveau zou het een individuele overheidsorganisatie kunnen betreffen, op macro-niveau een beleidsterrein. Daarbij gaat het er om dat alle elementen van government governance zijn ingevuld: hoe gaan we om met op afstand geplaatste instellingen, hoe ver reikt de ministeriële verantwoordelijkheid, welke informatie is daarbij extra nodig, welke actoren spelen een rol in het beleidsveld, zijn taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden helder en duidelijk geformuleerd, enz.? Deze themas doen zich voor op veel beleidsterreinen.

Het ligt in mijn voornemen om het government governance-gedachtegoed verder te operationaliseren om te komen tot een brede toepasbaarheid.


2. 6 Misbruik en oneigenlijk gebruik


2.6.1 Voortgangsrapportage bestrijding financieel-economische criminaliteit 1997 en 1998

Op 24 juni 1999 is de Voortgangsrapportage bestrijding financieel-economische criminaliteit 1997-1998 door de Minister van Justitie aan de Kamer aangeboden. Deze voortgangsrapportage sluit aan op de Voortgangsrapportage Fraudebestrijding 1997 en de notitie Fraudebestrijding 1998-2002, Kabinetsnotitie inzake maatregelen ter intensivering van de fraudebestrijding, die in 1998 door de Minister van Justitie naar de Tweede Kamer zijn gezonden6. De term financieel-economische criminaliteit is hier geïntroduceerd om aan te geven dat de voortgangsrapportage ook aandacht besteedt aan onderwerpen als horizontale fraude (fraude betreffende geldverkeer in de particuliere sector), toepassing ontnemingswetgeving, financieel rechercheren en witwassen. Daarnaast wordt in de voortgangsrapportage uitgebreid ingegaan op fiscale fraude, sociale-zekerheidsfraude, EU-fraude en subsidiefraude.


2.6.2 Handleiding misbruik en oneigenlijk gebrui

De Handleiding ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik (Handleiding M&O) blijkt in een grote behoefte te voorzien. Sinds de Handleiding M&O bij brief van 12 maart 1998 is aangeboden aan de ministers en de Tweede Kamer, zijn er veel aanvragen ontvangen vanuit de rijksoverheid en de mede-overheden.

De Handleiding M&O zal door Financiën worden geactualiseerd en verder worden aangepast aan de hand van de ervaringen van gebruikers. Hierbij zal in het bijzonder worden gekeken naar de mogelijkheden om de handleiding verder te benutten voor de bevordering van systematische evaluatie van M&O-gevoelige regelingen op M&O-aspecten.


2.7 Financieel beheer en controle EU-gelden

De lidstaten van de Europese Unie dienen de Europese Commissie periodiek op de hoogte te stellen van de door hen geconstateerde onregelmatigheden met Europese gelden en de naar aanleiding daarvan ingeleide administratieve en gerechtelijke procedures (meldingsplicht).7 Daarbij worden bepaalde grensbedragen gehanteerd, die per beleidsterrein verschillen. Elk jaar rapporteert de Commissie aan de Raad van de Europese Unie en aan het Europees Parlement over de aantallen en de bedragen van de door de lidstaten aangemelde onregelmatigheden en de door de Commissie zelf ontdekte onregelmatigheden.

Uit hoofde van mijn toezichthoudende functie heb ik gebleken onvolkomenheden onder de aandacht gebracht van mijn collegas die op rijksniveau verantwoordelijk zijn voor de structuurfondsbestedingen (EZ, LNV en SZW). In het bijzonder heb ik hen geadviseerd om samen met de provincies respectievelijk de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te komen tot duidelijke meldingsprocedures. Ik heb hen in dat verband ook verzocht toe te zien op de correcte werking van deze procedures. Ten slotte is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de interpretatie van het begrip onregelmatigheid. Mijn ministerie heeft de Europese Commissie daarom gevraagd om een uitspraak te doen over een door Nederland voorgestelde eenduidige omschrijving van het begrip te melden onregelmatigheid. Het is immers aan de Europese Commissie om uiteindelijk te beslissen welke definitie gehanteerd moet worden.


2.8 Onderzoek controlesituatie bij de DADs inzake kengetallen

De werkgroep Financiële Verantwoording onder voorzitterschap van Kamerlid Van Zijl heeft in haar voorstel van december 19988 gevraagd om een beschouwing over de tijdigheid en de kwaliteit van de informatie en de controle op de prestatiegegevens door DADs. In par.
2.2 heb ik reeds verwezen naar de reactie namens de regering. Mede naar aanleiding van het rechtmatigheidsonderzoek van de Algemene Rekenkamer over 1997 heb ik toegezegd, dat ik zou bezien welke mogelijkheden er bestaan om meer inhoud te geven aan de toetsende verantwoordelijkheid van de DADs inzake kengetallen. In dit kader is door mij aan de hand van een enquête onderzoek verricht naar de feitelijke controlesituatie ten aanzien van kengetallen. De systeemcontroles en de betrouwbare totstandkoming van kengetallen hebben daarbij centraal gestaan.

Het onderzoek heeft in grote lijnen uitgewezen dat de controle van kengetallen steeds meer invulling krijgt bij werkzaamheden, die in het kader van de algemene controletaak van de DAD moeten worden verricht. Volgens het onderzoek zijn ook de kwaliteit, de levensduur en het daadwerkelijk gebruik van kengetallen factoren die een rol kunnen spelen bij de omvang en de intensiteit van de controlewerkzaamheden van de DADs.


2.9 Integriteit

In de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties9 (BZK) van
7 oktober 1998 is geconcludeerd dat de ministeries nu over voldoende instrumenten beschikken om een adequaat integriteitsbeleid te kunnen voeren, aanvullend op hetgeen al voor het preventief beleid in gang is gezet. Het komt er volgens de Minister van BZK op aan deze maatregelen en instrumenten tot op de werkvloer toe te passen. Daarbij is de suggestie gedaan om door mij te laten bezien of de DADs een rol kunnen vervullen in de controle op de uitvoering van de betreffende maatregelen en het gebruik van de instrumenten. Te denken valt hier aan de opzet en naleving van procedures die een inherent risico ten aanzien van integriteit hebben, zoals op het terrein van inkoop van goederen en diensten, aanstelling van personeel en verstrekking van subsidies.

Ik heb het voornemen om in de loop van dit jaar een inventarisatie uit te voeren naar de wijze waarop de DADs hun rol op het gebied van integriteit10 invulling geven.


2.10 Single audit

Op 4 februari 1999 heeft een Algemeen Overleg van de Commissie voor de Rijksuitgaven en de Vaste Commissie voor BZK van de Tweede Kamer plaatsgevonden met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) over de eerste voortgangsrapportage Toetsing specifieke uitkeringen. Dit rapport is in juni 1998 uitgebracht. Het overleg heeft erin geresulteerd dat de volgende rapportage op enige punten zal worden aangescherpt. Inmiddels heeft de Minister van BZK de betreffende ministeries geïnformeerd. In het Algemeen Overleg zijn opmerkingen gemaakt over het tempo waarin de lopende toetsing plaatsvindt. De Minister van BZK heeft de toezegging gedaan om te zullen bevorderen dat de Operatie toetsing in 2000 zal worden afgerond.

In het Kabinetsstandpunt Griffioen is er melding van gemaakt dat mijn collega van BZK en ik zouden bewerkstelligen, dat de interpretaties van de begrippen in het kader van de rechtmatigheid bij de rijksoverheid, gemeenten en provincies zodanig zullen worden, dat de bevindingen uit het accountantsonderzoek op overeenkomstige wijze in het accountantsoordeel tot uitdrukking zullen komen. De reeds eerder genoemde nota Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording zal waarschijnlijk mede van invloed zijn op de wijze waarop in de toekomst over de rechtmatigheid verantwoording moet worden afgelegd. Het ligt daarom in de rede om de door mij gedane toezeggingen op het punt van de rechtmatigheid aan te houden tot het moment waarop de discussie over de voorstellen rond begroting en verantwoording zijn afgerond.


2.11 MDW-accountancy en de werkzaamheden van de interdepartementale stuurgroep Doreac

De implementatie van de door de regering overgenomen aanbevelingen van de werkgroep MDW-accountancy bestaat uit twee lijnen11.

Ten eerste zal de minister van Economische Zaken in dit jaar een aanvang maken met de evaluatie van de accountantswetgeving. Ten tweede gaan de ministeries de subsidie- en andere regelingen, waarin om een accountantsverklaring wordt gevraagd, doorlichten op de wenselijkheid van het voorschrijven van een accountantsverklaring. Voor het coördineren van deze doorlichting is begin van dit jaar een ambtelijke interdepartementale stuurgroep Doorlichting regelingen op accountancy-aspecten (Doreac) van start gegaan onder leiding van mijn ministerie. De stuurgroep Doreac wil de ministeries doen nadenken over de bestuurlijke visie, de daarbij gekozen bekostigingssystematiek van de subsidie- en andere regelingen, de daarbij gewenste mate van zekerheid en het meest passende toezichtsinstrumentarium. Het gevormde inzicht bepaalt hoe een doeltreffend toezicht zonder overbodige beleidslasten bij een regeling moet worden vormgegeven.

De stuurgroep Doreac ontwikkelt momenteel een handleiding voor de doorlichting, die tot doel heeft bij te dragen aan een resultaatgerichte, uniforme doorlichting van regelingen door de ministeries zelf. De specifieke uitkeringen zullen daarbij niet meer aan de orde komen gezien de lopende MDW-doorlichting specifieke uitkeringen. Op dit moment wordt binnen de stuurgroep nagedacht hoe de voorlichting aan de ministeries moet worden vormgegeven. Daarna zullen de ministeries een aanvang maken met het doorlichten van regelingen. De doorlichting zal worden gecoördineerd door de stuurgroep Doreac.

DE MINISTER VAN FINANCIËN

DE FINANCIELE VERANTWOORDING VAN HET RIJK OVER HET JAAR 1998

Samengesteld op grond van artikel 66

van de Comptabiliteitswet

's-Gravenhage, DE MINISTER VAN FINANCIEN,

29 juni 1999

INHOUDSOPGAVE

De rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over het jaar 1998 (totaal-uitgaven en totaalontvangsten van de ministeries en de begrotingsfondsen)

De saldibalans van het Rijk per 31 december 1998

tweede suppl.

derde suppl.

totaal geraamd, tevens

Rekening van

1

begroting

2

begroting

3

werkelijke uitgaven



-239

13.398

I

Huis der Koningin

II

Hoge Colleges van Staat


5.364


-6.549

301.144

en Kabinet der Koningin


-3.695

397

71.969

III

Algemene Zaken

IV

Kabinet voor Nederlands-

Antilliaanse en Arubaanse


6.889

182

370.985

Zaken


-30.349

172.365

10.003.090

V

Buitenlandse Zaken

615.998


-99.921


7.352.040

VI

Justitie

259.917


-59.467


7.511.520

VII

Binnenlandse Zaken

en Koninkrijksrelaties

VIII

Onderwijs, Cultuur en

557.677

121.755

40.204.141

Wetenschappen


4.064.903

315.677

74.056.670

IXA

Nationale Schuld


-690.726


-61.966


5.807.205

IXB

Financiën


-133.838


-10.258

13.988.590

X

Defensie

XI

Volkshuisvesting, Ruimte-

lijke Ordening en Milieu-

beheer:


9.989


-18.511


7.872.100

XIA: Ministerie

286.148

49.210


1.975.501

XIB: Rijksgebouwendienst

231.977


-51.298

11.061.581

XII

Verkeer en Waterstaat

118.018


-88.171


3.530.878

XIII

Economische Zaken

XIV

Landbouw, Natuurbeheer

334.572

42.916


3.758.384

en Visserij

XV

Sociale Zaken en Werk-


-560.167


-281.098

30.491.450

gelegenheid

XVI

Volksgezondheid, Welzijn

212.493


-3.341

11.228.327

en Sport


5.285.170

21.683

229.598.973



-248.205

225.595

saldi agentschappen


5.285.170


-226.522

229.824.568

Totalen

Rekening van de uitgaven van de begrotingsfondsen

totaal-uitgaven 1998 (bedragen x f 1000,-)

Rekening van

Oorspronkelijke

Eerste suppl.

Tweede suppl.

Derde suppl.

Totaal geraamd, tevens

Rekening van

begroting

begroting

1

begroting

2

begroting

3

werkelijke uitgaven

Infrastructuurfonds


9.220.314

63.150

84.421

258.417


9.626.302

Infrastructuurfonds

Fonds Economische Structuur-

Fonds Economische Structuur-

versterking


2.306.956

102.365


-32.662


-4.320


2.372.339

versterking

Landbouw-Egalisatiefonds,

Landbouw-Egalisatiefonds,

Afdeling A

66.187

16.000


9.009


5.306

96.502

Afdeling A

Gemeentefonds

22.126.400

358.584


-114.763


7.180

22.377.401

Gemeentefonds

Provinciefonds


1.672.500

40.400


3.100


-136


1.715.864

Provinciefonds

Spaarfonds AOW






Spaarfonds AOW

Diergezondheidsfonds






Diergezondheidsfonds

Totalen

35.392.357

580.499


-50.895

266.447

36.188.408

Totalen

1 samenhangende met de Voorjaarsnota

3 slotwetmutaties

2 samenhangende met de Najaarsnota

tweede suppl.

derde suppl.

totaal geraamd, tevens

Rekening van


begroting

2

begroting

3

werkelijke ontvangsten


I

Huis der Koningin

II

Hoge Colleges van Staat

913


1.270


9.707

en Kabinet der Koningin


7.583


1.097

15.933

III

Algemene Zaken

IV

Kabinet voor Nederlands-

Antilliaanse en Arubaanse


7.001


-6.775

31.652

Zaken


2.471

19.016

223.089

V

Buitenlandse Zaken

23.937

39.737


1.011.653

VI

Justitie

415


7.431

491.437

VII

Binnenlandse Zaken

en Koninkrijksrelaties

VIII

Onderwijs, Cultuur en


-123.755

109.614


3.394.893

Wetenschappen


-351.285


1.059.489

52.138.174

IXA

Nationale Schuld


7.244.841


1.493.855

159.244.678

IXB

Financiën


-123.962

23.804

458.923

X

Defensie

XI

Volkshuisvesting, Ruimte-

lijke Ordening en Milieu-

beheer:


2.035

51.953

403.401

XIA: Ministerie

37.445


-61.957

102.851

XIB: Rijksgebouwendienst


1.360.281

51.315


3.428.157

XII

Verkeer en Waterstaat

20.180

76.413


5.500.785

XIII

Economische Zaken

XIV

Landbouw, Natuurbeheer

197.805


-60.663

584.475

en Visserij

XV

Sociale Zaken en Werk-

244.867

52.227


1.102.634

gelegenheid

XVI

Volksgezondheid, Welzijn

112.342


9.928

435.873

en Sport


8.663.114


2.867.754

228.578.315


35.016

500.016

saldi agentschappen


8.663.114


2.902.770

229.078.331

Totalen

Rekening van de ontvangsten van de begrotingsfondsen

totaal-ontvangsten 1998 (bedragen x f 1000,-)

Rekening van

Oorspronkelijke

Eerste suppl.

Tweede suppl.

Derde suppl.

Totaal geraamd, tevens

Rekening van

begroting

begroting

1

begroting

2

begroting

3

werkelijke ontvangsten

Infrastructuurfonds


9.045.847


-50.850


-91.536

270.904


9.174.365

Infrastructuurfonds

Fonds Economische Structuur-

Fonds Economische Structuur-

versterking


1.100.000


1.222.436


-236.748



2.085.688

versterking

Landbouw-Egalisatiefonds,

Landbouw-Egalisatiefonds,

Afdeling A

66.187

16.000


9.009


5.306

96.502

Afdeling A

Gemeentefonds

22.126.400

358.584


-114.763


7.177

22.377.398

Gemeentefonds

Provinciefonds


1.672.500

40.400


-166.625


-136


1.546.139

Provinciefonds

Spaarfonds AOW


1.547.000


2.792.000


-1.500


-4.575


4.332.925

Spaarfonds AOW

Diergezondheidsfonds

30.600

30.600

Diergezondheidsfonds

Totalen

35.588.534


4.378.570


-602.163

278.676

39.643.617

Totalen

1 samenhangende met de Voorjaarsnota

3 slotwetmutaties

2 samenhangende met de Najaarsnota

Deel: ' Financien Verzoek dechargeverlening over 1998 '




Lees ook