Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

DEN HAAG
Directeur Generaal Politieke Zaken

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 21 september 1999
Kenmerk DPZ-123034
Betreft Europese Unie:

Gemeenschappelijk Buitenlands en

Veiligheidsbeleid

Zeer geachte Voorzitter,

Ik heb de eer U hierbij de teksten toe te zenden van GBVB-verklaringen die de Raad van de Europese Unie heeft aangenomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Bijlagen: Verklaring inzake Afganistan

Verklaringen inzake het 50-jarig bestaan van de vier verdragen van Genève

Verklaring inzake de betrekkingen tussen India en Pakistan

Verklaring inzake Pakistan

Verklaring inzake de Russische deelrepubliek Dagestan

Verklaring inzake Soedan

Verklaring inzake de betrekkingen met Servië

Verklaring inzake de recente moorden op burgers in Burundi

VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP NAMENS DE EUROPESE UNIE OVER DE TOESTAND IN AFGHANISTAN

De Europese Unie is ernstig bezorgd over de recente escalatie van het militaire conflict in Afghanistan. De EU neemt er met ontzetting kennis van dat de Taliban de oproep in de Verklaring van Tasjkent om het Afghaanse conflict door middel van vreedzame politieke onderhandelingen te regelen, blijkbaar hebben genegeerd en integendeel een groot offensief hebben ingezet.

De EU roept de strijdende partijen op, de gevechten onmiddellijk te staken en opnieuw onderhandelingen aan te knopen. De EU herhaalt haar standpunt ten aanzien van Afghanistan zoals vervat in het gemeenschappelijk standpunt van januari 1999 en zal haar volledige steun blijven verlenen aan de inspanningen van de Verenigde Naties ten dienste van vrede en stabiliteit in Afghanistan.

De EU is in het bijzonder bezorgd over het leed dat de gevechten teweegbrengen onder de burgerbevolking en over de verslechterende humanitaire omstandigheden van het groeiend aantal in eigen land ontheemde personen. Alle partijen moeten de beginselen van het internationale recht naleven, wat onder meer inhoudt dat zij de universele rechten van de mens en het humanitaire recht moeten eerbiedigen en moeten zorgen voor een onbelemmerde en veilige toegang voor humanitaire hulp.

De EU is ernstig verontrust door de berichten over gedwongen deportatie van burgers door de Taliban. De EU verzoekt de Taliban dringend om deze praktijk onmiddellijk stop te zetten en de onder dwang gedeporteerden toe te staan naar hun woonplaatsen terug te keren.

De EU verzoekt alle staten die zich bemoeien met de interne aangelegenheden van Afghanistan, om hun inmenging te staken. Voorts roept de EU de buurlanden op om te voorkomen dat vanaf en via hun grondgebied wapens en manschappen naar Afghanistan stromen en om hun invloed bij de Afghaanse facties aan te wenden ter ondersteuning van de vredesinspanningen van de VN.

De met de Europese Unie geassocieerde landen van Midden- en Oosteuropa, de geassocieerde landen Cyprus en Malta, en de EVA-landen IJsland en Noorwegen, die lid zijn van de Europese Economische Ruimte, sluiten zich bij deze verklaring aan.


11 augustus 1999


VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP NAMENS DE EUROPESE UNIE TER GELEGENHEID VAN HET 50-JARIG BESTAAN VAN DE VIER VERDRAGEN VAN GENÈVE

Bij de viering van de aanneming, 50 jaar geleden, van de vier verdragen van Genève herinnert de Europese Unie aan het eminent belang dat zij hecht aan de vier verdragen van Genève als grondslagen van het internationaal humanitair recht.

Het 50-jarig bestaan van de vier verdragen van Genève is een moment voor de bezinning op de bevordering van de tenuitvoerlegging van het internationaal humanitair recht in alle gewapende conflicten. De lidstaten van de Unie maken van deze gelegenheid gebruik om hun gehechtheid aan de eerbiediging en bevordering van het internationaal humanitair recht te bevestigen.

De verdragen vormden een belangrijke stap voorwaarts in de ontwikkeling van het humanitair recht en een impuls voor de verdere ontwikkeling van een indrukwekkend stelsel van internationale instrumenten. De noodzaak van deze verdragen doet zich heden ten dage even sterk gevoelen als vijftig jaar geleden, en de Unie benadrukt hoe belangrijk het is dat de bepalingen van de verdragen ten volle worden nageleefd.

De verdragen zijn uitsluitend opgesteld ten behoeve van de bescherming van het individu in tijden van gewapend conflict. Als zodanig vormen zij de grondslag voor de humaniteitsbeginselen en samen me de aanvullende protocollen van 1977 vormen zij de belangrijkste instrumenten van het humanitair recht. De Unie roept alle landen die zulks nog niet gedaan hebben op partij te worden bij de verdragen van Genève en bij alle belangrijke verdragen op humanitair gebied.

De eerbied voor en de bescherming en humane behandeling van slachtoffers van gewapende conflicten zijn de belangrijkste plicht voor de partijen bij de verdragen. De toepassing van de bepalingen van de verdragen is van cruciaal belang. De Unie erkent de vooruitgang die sedert de aanneming van de verdragen van Genève geboekt is. De Unie betreurt evenwel dat het humanitair recht aanhoudend wordt geschonden. In de hedendaagse conflicten is het belangrijke onderscheid tussen strijdenden en burgers veelal vervaagd, de veiligheid van humanitaire medewerkers wordt niet gewaarborgd en kinderen en andere kwetsbare groepen zijn in de conflicten tot doelwit geworden.

Het overbruggen van de steeds bredere kloof tussen de bestaande internationale normen en de naleving ervan moet het hoofddoel zijn en dit thema moet nadrukkelijker op de agenda van de internationale gemeenschap worden geplaatst.

Vervolging van schendingen van het internationaal humanitair recht is een belangrijk middel om te bevorderen dat de verdagen worden nageleefd. In dit verband is de Unie ingenomen met de aanneming van het statuut inzake eenpermanent Internationaal Strafhof, dat zich moet uitspreken over de ernstigste misdaden en schendingen van het humanitair recht en roept zij op tot een spoedige bekrachtiging van dit statuut.

De Unie verklaart dat zij steeds veel waardering heeft voor het Internationaal Comité van het Rode Kruis en dat zij het zal blijven steunen. Het ICRK speelt een essentiële rol bij het waarborgen van de eerbiediging van de regels op humanitair gebied. Het ICRK heeft in de loop der jaren onder buitengewoon moeilijke omstandigheden indrukwekkend veelwerk verricht. De publicatie welke het ICRK ter gelegenheid van zijn gedenkdag het licht heeft doen zien, getiteld "People on War", en waarin ingegaan wordt op de ervaringen van strijdenden en burgers, komt op het juiste moment en is één manier om de kennis van het internationaal humanitair recht te bevorderen.

De Internationale Federatie van de Rode Kruis- en Rode Halve Maan-verenigingen, de Nationale Verenigingen en vele andere groeperingen en personen hebben zich in het verleden ingezet voor het bevorderen van het internationaal humanitair recht en doen zulks thans nog, en de Unie brengt hulde aan hun moedig optreden.

De Unie memoreert voorts de belangrijke rol van de Verenigde Naties op het gebied van humanitair recht, en wijs er in het bijzonder op dat het internationaal humanitair recht een belangrijk onderwerp is geweest tijdens het decennium van het internationaal recht van de Verenigde Naties.


12 augustus 1999


VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP NAMENS DE EUROPESE UNIE OVER DE BETREKKINGEN TUSSEN INDIA EN PAKISTAN

De betrekkingen tussen India en Pakistan hebben een grote invloed op de vrede en de stabiliteit in de regio. Door de incidenten van de afgelopen 48 uur is de spanning in die betrekkingen toegenomen.

De Europese Unie roept India en Pakistan op om bij hun reacties op deze incidenten de grootst mogelijke terughoudendheid en verantwoordelijkheidszin aan de dag te leggen. De Europese Unie verzoek India en Pakistan dringend om de dialoog onverwijld te hervatten en hun geschillen in de geest van de verklaring van Lahore op een vreedzame manier bij te leggen.

De met de Europese Unie geassocieerde landen van Midden- en Oosteuropa, de geassocieerde landen Cyprus en Malta en de EVA-landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte, sluiten zich bij deze verklaring aan.


13 augustus 1999


VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP NAMENS DE EUROPESE UNIE OVER PAKISTAN

De EU heeft met grote bezorgdheid de recente politieke discussie gevolgd over "moorden om de eer" in de Pakistaanse samenleving. Dergelijke moorden, die worden gepleegd "om de eer van de familie te redden", vormen een schending van de beginselen van de mensenrechten. De EU veroordeelt deze moorden zoals zij alle soortgelijke gewelddaden veroordeelt. De EU dringt er bij de Pakistaanse regering op aan alle onderdanen de volledige bescherming te bieden waarop zij volgens de Pakistaanse grondwet recht hebben.

De EU heeft met tevredenheid kennis genomen van de verklaring van de delegatie van de regering van Pakistan in de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens, afgelegd op 14 april, waarin de "moord om de eer" op Samia Sarwar in het kantoor van de advocaat Hina Jillani in Lahore wordt veroordeeld. De EU verzoekt de regering van Pakistan met klem om, in overeenstemming met deze verklaring en overeenkomstig de internationale mensenrechteninstrumenten, waaronder het Internationaal verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, maatregelen te treffen om dergelijke moorden te voorkomen, de plegers ervan te vervolgen en er geen enkele twijfel over te laten bestaan dat de regering dergelijke daden afkeurt.

De met de Europese Unie geassocieerde landen van Midden- en Oosteuropa, de geassocieerde landen Cyprus en Malta en de EVA-landen, die lid zijn van de Europese Economische Ruimte, sluiten zich bij deze verklaring aan.


13 augustus 1999


VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP NAMENS DE EUROPESE UNIE OVER DE SITUATIE IN DE RUSSISCHE DEELREPUBLIEK DAGESTAN

De Europese Unie is ongerust over het uitbreken van gewelddadigheden in het Dagestaanse district Botlikhsky. De EU is beducht voor de mogelijke verdere escalatie van het conflict.

De EU veroordeelt de bezetting van verschillende dorpen door gewapende groepen en het uitroepen van de zogenaamde onafhankelijke islamitische staat Dagestan.

De EU is bijzonder bezorgd over het lot van de burgerbevolking en het grote aantal vluchtelingen dat het onrustige gebied verlaat.

De EU dringt er bij de partijen op aan zich te houden aan de beginselen van het internationaal recht, met inbegrip van de eerbiediging van de universele rechten van de mens en het humanitair recht.

De EU erkent de territoriale integriteit van de Russische Federatie.

De EU roept de federale Russische autoriteiten en de plaatselijke autoriteiten op om bij het herstel van de orde in de Russische deelrepubliek Dagestan, die al zwaar getroffen is door de moeilijke sociaal-economische toestand, niet meer geweld te gebruiken dan in de gegeven omstandigheden nodig is.


17 augustus 1999


VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP NAMENS DE EUROPESE UNIE OVER HET HUMANITAIRE STAAKT-HET-VUREN IN SOEDAN

De Europese Unie verwelkomt het besluit van de regering van Soedan van
5 augustus 1999 om een humanitair staakt-het-vuren van 70 dagen af te kondigen. De Europese Unie blijft echter zeer bezorgd over de humanitaire situatie in Zuid-Soedan ten gevolge van de lange burgeroorlog en de aanhoudende gevechten.

De Europese Unie doet een beroep op de regering van Soedan en op de Soedanese Volksbevrijdingsbeweging SPLM om hun respectieve verbintenissen ten aanzien van het humanitaire staakt-het-vuren volledig na te komen in relatie tot alle humanitaire behoeften en activiteiten van de operatie Lifeline in Soedan, en om een onderlinge overeenkomst aan te gaan over een permanent, alomvattend humanitair staakt-het-vuren.

De Europese Unie doet voorts een dringend beroep op beide partijen om hun verbintenis ten aanzien van het IGAD-vredesproces volledig en te goeder trouw na te komen.

De Europese Unie verklaart nogmaals dat zij het IGAD-vredesproces volledig steunt.

De met de Europese Unie geassocieerde landen van Midden- en Oosteuropa, de geassocieerde landen Cyprus en Malta en de EVA-landen, die lid zijn van de Europese Economische Ruimte, sluiten zich bij deze verklaring aan.


19 augustus 1999


VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP NAMENS DE EUROPESE UNIE OVER HET MONTENEGRIJNSE INITIATIEF BETREFFENDE DE BETREKKINGEN MET SERVIË

De Europese Unie neemt er nota van dat de regering van de Republiek Montenegro op 5 augustus 1999 besloten heeft tot een programma betreffende "nieuwe betrekkingen tussen Montenegro en Servië in de Federale Republiek Joegoslavië".

In het licht van de recente gebeurtenissen begrijpt de EU dat Montenegro ernaar streeft om de betrekkingen tussen Servië en Montenegro te herstructureren, en dringt zij er bij de autoriteiten van Servië en Montenegro op aan om op vreedzame wijze een oprechte dialoog aan te knopen over de toekomstige grondwettelijke regelingen van de FRJ.

De EU zal de discussie op de voet volgen, en hoopt dat deze met succes zal worden bekroond. De EU memoreert dat zij sterk pleit voor de totstandbrenging van een democratische regering in alle delen van de FRJ binnen de huidige grenzen, en juicht de democratische hervormingen toe die in Montenegro hebben plaatsgevonden.

De EU wijst erop dat een succesvolle afsluiting van de onderhandelingen positieve gevolgen kan hebben voor de betrekkingen van de EU met Montenegro en Servië.


23 augustus 1999


VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP NAMENS DE EUROPESE UNIE OVER DE RECENTE MOORDEN OP BURGERS IN BURUNDI.

De Europese Unie betreurt de recente botsingen tussen het leger en de rebellen, waarvan zeer veel burgers het slachtoffer zijn geworden. De Unie is zeer bezorgd over de represailles welke na die botsingen tegen burgers werden genomen. Zij doet, in het bijzonder, een beroep op de regering van Burundi om nauw samen te werken met de waarnemers van het bureau voor de mensenrechten van de Verenigde Naties en een intern onderzoek in te stellen teneinde de eventuele verantwoordelijkheid van de betrokken militairen na te gaan en dezen voor de rechter te brengen. De Unie vestigt de aandacht van de regering van Burundi op de kwetsbaarheid van de laatste fasen van het Arusha-vredesproces en op de gevaren die zulke incidenten voor dit proces betekenen.

Deze verklaring wordt onderschreven door de met de Europese Unie geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa, Cyprus en Malta die eveneens geassocieerde landen zijn, en de EVA-landen die tot de Europese Economische Ruimte behoren.


27 augustus 1999

Deel: ' GBV-verklaringen Europese Unie '




Lees ook