expostbus51


OPENBAAR MINISTERIE

persbericht arrondissementsparket Leeuwarden

PERSBERICHT ARRONDISSEMENTSPARKET LEEUWARDEN

Geen strafrechtelijke vervolging aangiften Lancee

De aangiften die het echtpaar Lancee heeft gedaan tegen een aantal functionarissen van het OM te Groningen, van de regiopolitie te Groningen en van de rijksrecherche te Leeuwarden krijgen geen strafrechtelijk vervolg. Dat is de conclusie van de hoofdofficier van justitie te Leeuwarden, Harm Brouwer, na een uitgebreid opsporingsonderzoek.
Het echtpaar Lancee is op de hoogte gesteld van de resultaten van het onderzoek.

De verwijten
In 1996, 1997 en 1998 deden de heer en mevrouw Lancee in totaal driemaal aangifte tegen functionarissen van het OM Groningen, de regiopolitie Groningen en de rijksrecherche te Leeuwarden, met betrekking tot de wijze waarop deze functionarissen hebben gehandeld in het zedenonderzoek, dat in april/mei 1996 tegen o.a. de heer Lancee plaatsvond. Achteraf zijn de beschuldigingen door Bianca ingetrokken.
De aangiften van het echtpaar Lancee omvatten een groot aantal strafrechtelijke verwijten die - kort samengevat - op het volgende neerkomen:

Wederrechtelijke vrijheidsberoving, dan wel ontrekking aan het ouderlijk gezag van hun dochter Bianca Lancee door leden van het OM te Groningen en medewerkers van de rijksrecherche Leeuwarden; Wederrechtelijke vrijheidsberoving van mevrouw Lancee-Bekema door leden van het OM te Groningen, functionarissen van de regiopolitie Groningen en van de rijksrecherche Leeuwarden;
Valsheid in geschrift bij het opmaken van een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van Bianca Lancee door rijksrechercheur Koster; Valsheid in geschrift bij het opmaken van een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van Bianca Lancee door de toenmalige Groningse officier van justitie mr Dorhout.

Het onderzoek
De afhandeling van de aangiften behoorde primair tot de competentie van het OM te Groningen. Aangezien de aangiften mede tegen het Groningse OM waren gericht is, uit zorgvuldigheidsoverwegingen, het onderzoek uitgevoerd onder leiding van de hoofdofficier van justitie te Leeuwarden. Het onderzoek is verricht door twee politiefunctionarissen die noch bij de rijksrecherche werkzaam zijn noch bij het eerdere onderzoek naar de heer Lancee betrokken zijn geweest. De in de aangiften van het echtpaar Lancee genoemde functionarissen en relevante derdengetuigen, inclusief Bianca Lancee, zijn uitvoerig, soms meerdere malen, gehoord. In totaal hebben 44 verhoren plaatsgevonden en zijn twee gedragswetenschappelijke deskundigen geraadpleegd ter voorbereiding op het verhoor van Bianca Lancee. Alleen al door deze onderzoekers is naar schatting minimaal
1500 manuren aan het onderzoek besteed.

De conclusies
Ad a:
Met betrekking tot de onder a. genoemde verwijten zijn twee momenten te onderscheiden.
De periode van 24 april tot en met 26 april 1996: Gedurende deze periode, dat het zedenonderzoek tegen haar vader liep, verbleef de toentertijd minderjarige Bianca Lancee vrijwilllig in haar eigen flat te Groningen, respectievelijk bij haar schoolmentor en bij een gastgezin. Het onderzoek wijst uit dat in deze periode geen sprake was van onttrekking aan het ouderlijk gezag van Bianca Lancee. Er is daarom geen sprake van strafrechtelijk verwijtbaar handelen op dit punt.
Van 26 april 1996 tot en met 29 april 1996: In deze periode heeft Bianca verbleven in een hotel in Paterswolde, toen zij, tegen haar wil, van de toenmalig plaatsvervangend hoofdofficier te Groningen de heer Van Capelle niet naar Schiermonnikoog mocht vertrekken. De hoofdofficier Leeuwarden komt op grond van het onderzoek tot de conclusie dat het handelen van de heer Van Capelle gerechtvaardigd was, gelet op de beschuldigingen van incest die hij toen en daar onder ogen moest zien. Zo al van vrijheidsberoving sprake zou zijn, dan zou de heer Van Capelle zich met succes kunnen beroepen op een strafuitsluitingsgrond. Hij heeft - op basis van de informatie die toentertijd voorhanden was - de bescherming van de veiligheid van Bianca terecht zwaarder laten wegen dan haar recht op bewegingsvrijheid. Hieraan doet niet af dat Bianca haar beschuldigingen later heeft ingetrokken.

Ad b:
Deze aangifte heeft betrekking op de aanhouding en de aansluitende inverzekeringstelling van mevrouw Lancee-Bekema. Toen zij op 27 april
1996 op Schiermonnikoog werd aangehouden, lagen voldoende onderbouwde beschuldigingen van betrokkenheid bij incest op tafel. Een redelijk vermoeden van schuld ten opzichte van haar kon worden aangenomen. De conclusie is daarom dat haar aanhouding en inverzekeringstelling rechtmatig zijn geweest, zoals overigens destijds ook het oordeel was van de rechter-commissaris. Van wederrechtelijke vrijheidsberoving is derhalve geen sprake geweest. Hieraan doet niet af dat achteraf de beschuldigingen aan het adres van mevrouw Lancee zijn ingetrokken.

Ad c:
De aangifte tegen rijksrechercheur Koster heeft betrekking op het door hem opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van Bianca Lancee op 22 april 1996. De heer Koster zou valsheid in geschrift hebben gepleegd bij de weergave van de verklaring van Bianca. Bij het vijf uur durende verhoor waren behalve Koster en Bianca Lancee, ook de toenmalige Groningse officier van justitie mr Dorhout en de mentor van Bianca aanwezig. Er bestaat verschil van mening bij de aanwezigen bij het verhoor over wat er door wie is gezegd. Van het verhoor is een bandopname gemaakt. Een deel van het gesprek is echter niet opgenomen omdat het opname-apparaat in de pauzestand stond. Over de lengte van het niet opgenomen deel van het gesprek en de inhoud van de toen ter sprake gebrachte onderwerpen bestaat eveneens onduidelijkheid. Bianca is bovendien op de band zeer slecht te verstaan. Door deze factoren is het bewijs niet te leveren voor het verwijt dat sprake is van een inhoudelijk onjuist proces-verbaal. Dit klemt temeer waar Bianca, nadat zij de concepttekst had gelezen, uiteindelijk aangaf dat het verhaal in grote lijnen klopte. Daar komt bij dat het verhaal zoals door de heer Koster weergegeven niet op zich zelf stond maar in essentie overeenstemde met hetgeen daarvoor en daarna door anderen van Bianca was begrepen. De conclusie is daarom dat het bewijs voor valsheid in geschrift niet te leveren is.
De hoofdofficier van justitie Leeuwarden plaatst overigens in professioneel opzicht wel de nodige kanttekeningen bij het optreden van de heer Koster. Deze sluiten aan bij die welke door de Minister van Justitie bij brief van 25 augustus 1997 ter kennis zijn gebracht van de Tweede Kamer.

Ad d:
Het verwijt van de heer Lancee richting de toenmalige officier van justitie Dorhout komt er - kort samengevat - op neer, dat mr Dorhout in een proces-verbaal verklaringen aan Bianca Lancee zou hebben toegeschreven welke in werkelijkheid afkomstig waren van haar schoolmentor. De heer Dorhout had op 19 april 1996 als voormalig lid van de ouderraad van de school van Bianca en niet als officier van justitie een gesprek met Bianca, waarvan hij later proces-verbaal heeft opgemaakt. Bij dit gesprek was ook de bewuste schoolmentor aanwezig.
De conclusie op grond van de uit het onderzoek naar voren gekomen gegevens is, dat het verhaal neergelegd in het proces-verbaal van 24 april 1996 als het verhaal van Bianca beschouwd kan worden. Het is bovendien consistent met wat anderen eerder als verhaal van haar hadden gehoord. Het bewijs voor de stelling dat het proces-verbaal inhoudelijk onjuist is, is derhalve niet te leveren.

Leeuwarden, 24 maart 1999

Deel: ' Geen strafrechtelijke vervolging aangiften Lancee '




Lees ook