Rijks Universiteit Groningen


nummer 50

12 april 1999

Nieuwe hoogleraar farmacie bepleit verruiming van de wet

GENEESMIDDELEN BEREIDEN IN REGIONALE PRODUCTIECENTRA

Apothekers zouden de mogelijkheid moeten krijgen om regionale productiecentra voor geneesmiddelen te stichten. Dat zegt de Groningse hoogleraar prof.dr. H.W. Frijlink in de oratie die hij dinsdag 13 april 1999 aan de Rijksuniversiteit Groningen uitspreekt. In de regionale centra zouden de geneesmiddelen gemaakt moeten worden die apothekers nu nog zelf in eigen huis produceren.

Op het ogenblik wordt nog slechts drie procent van de geneesmiddelen in de apotheek bereid. Gezien deze beperkte omvang wordt terecht de vraag gesteld of dit zo moet doorgaan, zegt Frijlink. 'Magistrale productie', het in eigen huis bereiden van geneesmiddelen, heeft echter wel het voordeel dat de apotheker kan ingaan op individuele wensen van de klant. Lage doseringen voor kinderen en bejaarden zijn daar een voorbeeld van. Maar de kleine omvang van de productie roept de vraag op of een voldoende kwaliteitsniveau gehaald kan worden. De kennis en vaardigheid van apothekers en assistenten zou bij gebrek aan oefening verminderd zijn.

Geschikte tussenoplossing

"Het kwaliteitsniveau dat in de industrie gehandhaafd wordt, ligt ver boven dat van apotheek of ziekenhuisapotheek," constateert Frijlink in zijn oratie. Dat zou reden zijn om de thuisbereiding te verbieden. Frijlink meent echter dat de voordelen die een 'productie op maat' biedt een iets lager kwaliteitsniveau rechtvaardigen. Omdat de apotheken zelf daar niet meer de aangewezen plaats voor zijn, kunnen regionale productiecentra een geschikte tussenoplossing bieden. Met het stichten van regionale laboratoria hebben apothekers aan het eind van de jaren tachtig laten zien dat zij tot zo'n gemeenschappelijke actie in staat zijn. Op het ogenblik laat de wet de regionale productiecentra nog niet toe. Frijlink pleit daarom voor een verruiming van de mogelijkheden.

Efficiënt

Regionale productiecentra zijn volgens Frijlink goed in de gelegenheid om kennis en vaardigheden op het gebied van technologie en biofarmacie verder te ontwikkelen. Ook kan men daar de infrastructuur efficiënt gebruiken. Door de schaalvergroting kan er goede apparatuur worden gekocht en kunnen productie-omstandigheden verbeterd worden. Ook zouden de centra een beter kwaliteitssysteem kunnen handhaven dan individuele apotheken. Frijlink vindt wel dat de centra zich moeten beperken tot preparaten die niet door de industrie gemaakt worden.

Inhalatie

In zijn rede gaat Frijlink ook in op recente ontwikkelingen bij het toedienen van medicijnen. Eén van de meest veelbelovende vormen is inhalatie. Volgens Frijlink kan deze toedieningstechniek een doorbraak betekenen. Twee farmaceutische bedrijven claimen al een insulineproduct te hebben ontwikkeld dat diabetespatiënten kunnen inhaleren. Injecteren is niet meer nodig, regelmatig een 'pufje' nemen volstaat. Frijlink verwacht dat dit middel na succesvolle introductie gevolgd zal worden door andere geneesmiddelen. In dat verband wijst hij erop dat voor gentherapie nog geen geschikte toedieningsvorm bestaat. Frijlink is van plan om over enige tijd een project te starten waarin hij de inhalatietechniek gebruikt om patiënten met cystic fibrose (taaislijmziekte) met nieuwe therapieën te behandelen.

Curriculum vitae

Eric Frijlink (Meppel, 1960) voltooide in 1986 zijn studie farmacie aan de Rijksuniversiteit Groningen. In 1990 promoveerde hij op het proefschrift Biopharmaceutical aspects of cyclodextrins aan RUG. Van 1990 tot 1992 werkte hij in het Groningse Martiniziekenhuis en van 1992 tot 1998 voor de firma Solvay Pharmaceuticals. Frijlink werd op 1 januari 1998 benoemd tot hoogleraar Farmaceutische technologie en biofarmacie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Deel: ' 'Geneesmiddelen bereiden in regionale productiecentra' '




Lees ook