Universiteit Maastricht


_________________________________________________________________

Persbericht 9 september 1999 _________________________________________________________________

Inauguratie prof.dr. Struijker Boudier: duizenden patiënten lopen verhoogd risico

Geneesmiddelenbehandeling van hartpatiënten is niet optimaal

De behandeling met geneesmiddelen van hart- en vaatziektepatiënten in Nederland laat veel te wensen over. Meer dan de helft van de patiënten krijgt niet de optimale medicatie. Voor jaarlijks duizenden mensen betekent dit dat ze onnodig een verhoogd risico lopen op overlijden en ziekte. Gegeven deze cijfers, is het onbegrijpelijk dat het huidige politieke debat over de kwaliteit van de gezondheidszorg zo sterk wordt gedomineerd door de kosten van geneesmiddelen. Prof. dr. H.A.J. Struijker Boudier zegt dit in zijn rede bij zijn benoemingen tot hoogleraar in het Onderzoek van de Hart- en Vaatziekten in de Faculteit der Geneeskunde en wetenschappelijk directeur van het onderzoekinstituut CARIM, het Cardiovasculair Research Institute Maastricht, beide van de Universiteit Maastricht (UM).

Struijker Boudier houdt zijn oratie, getiteld: Moed of methode: vooruitgang in het hart- en vaatziektenonderzoek, op vrijdag 10 september om 16.30 uur in de aula aan de Tongersestraat 53 in Maastricht.

CARIM-lezing

Voorafgaand aan de inauguratie van Struijker Boudier, zal prof.dr. Y. Nemerson de jaarlijkse CARIM-lezing houden. Nemerson is hoogleraar Biochemie en Interne Geneeskunde aan de Mount Sinai School of Medicine in New York en hij staat bekend als internationaal expert op het terrein van trombose en vaatwandonderzoek.
Tevens zal prof.dr. R.S. Reneman bij deze gelegenheid zijn functie van wetenschappelijk directeur van CARIM formeel overdragen aan Struijker Boudier. Reneman werd eerder dit jaar geïnstalleerd als president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Prof.dr. A. Nieuwenhuijzen Kruseman, rector magnificus van de Universiteit Maastricht, houdt een rede over de positie van onderzoekscholen in het universitaire bestel.

Hart- en vaatziekten grootste sterfteoorzaak
De effectievere aanpak van hartinfarcten en de verbeterde diagnose, herkenning van risicofactoren en steeds beter werkende geneesmiddelen, hebben hun uitwerking op de sterftecijfers voor hart- en vaatziekten en de levensverwachting van patiënten sinds begin deze eeuw niet gemist. Toch zijn hart- en vaatziekten nog steeds de grootste oorzaak van sterfte. Wellicht zal de sterfte zelfs weer toenemen. De veroudering van de bevolking is daarvoor volgens prof Struijker Boudier geen afdoende verklaring. Hij somt in zijn oratie drie aanvullende oorzaken op voor het standhouden en zelfs toenemen van hart- en vaatziekten.

Meeteenheid voor risicovol gedrag

Ten eerste is het terugdringen van risicofactoren maar beperkt succesvol. Rookgedrag en voedingsgewoonten blijken op korte termijn moeilijk beïnvloedbaar. Ter ondersteuning van de voorlichting over gezond gedrag pleit Struijker Boudier voor het formuleren van een eenvoudige risicomaat in het algemeen taalgebruik. "Iedereen begrijpt de waarde van de florijn of de kilogram en zelfs van de Richter-eenheid voor aardbevingen, maar een (meet)eenheid die aangeeft hoe risicovol een bepaald gedrag is, ontbreekt nog: op dat gebied zijn wij, midden in dit computertijdperk, als Neanderthalers." Ook op voedingsgebied groeit geleidelijk het inzicht hoe risico’s voor hart- en vaatziekten beter kunnen worden beïnvloed. Bovendien worden er nog steeds nieuwe risicofactoren voor hart- en vaatziekten ontdekt. Vooral in de sfeer van hormonen en bloedstolling blijken er belangrijke risicofactoren te bestaan, zoals oestrogeentekort, fibrinogeen, weefselplasminogeenactivator en proteïne C. In hoofdlijn I van het CARIM-programma worden de nieuwe risicofactoren op het gebied van de bloedstolling grondig bestudeerd.

Falende voorschrijving geneesmiddelen

Ten tweede bereiken de talrijke geneesmiddelen voor de behandeling van hart- en vaatziekten slechts een beperkt effect. Eén oorzaak hiervan is het niet-optimale voorschrijfgedrag van artsen. Ruim 40% van de patiënten met hart- en vaatziekten krijgt niet de optimale therapie voorgeschreven. Van hen die dit wel krijgen, slikt zeker 20% de voorgeschreven middelen niet of onregelmatig. Dat betekent dat meer dan de helft van de hart- en vaatziektepatiënten in Nederland niet de optimale medicatie krijgt. Daardoor lopen jaarlijks duizenden mensen een verhoogd risico op sterfte en ziekte. Dat veroorzaakt persoonlijk lijden en het leidt tot onnodige kosten, die de kosten van geneesmiddelen gemakkelijk kunnen overstijgen. Daar zou in het politieke debat meer naar gekeken moeten worden dan de kosten van geneesmiddelen, aldus Struijker Boudier. Hij illustreert dat met een voorbeeld: het gedurende één weekeinde overslaan van een eenvoudige dagelijkse plaspil ter behandeling van hartfalen kan leiden tot een acute ziekenhuisopname op zondagnacht wegens asthma cardiale. De kosten van zo’n ziekenhuisopname zijn meer dan 10.000 keer groter dan de prijs van de twee vergeten pillen. Struijker Boudier pleit onder meer voor nog intensievere aandacht voor de farmacotherapie in de opleiding en nascholing van artsen, beter gecontroleerde farmacotherapie van de hart-en-vaatziektenpatiënt en maatregelen ter verhoging van de therapietrouw met behulp van moderne elektronica en informatietechnologie.

Standaardbehandeling

De derde en meest fundamentele oorzaak van het standhouden van de hart- en vaatziekten is volgens Struijker Boudier te wijten aan wat hij zou willen noemen "de erosie van het pathofysiologisch denken" in de medische wetenschappen. Dat denken gaat uit van een standaardbehandeling van patiëntgroepen, waardoor onvoldoende rekening wordt gehouden met verschillen in individuele gevoeligheden. Bovendien is deze aanpak gericht op aandoeningen die het eindresultaat zijn van langdurige onderliggende ziekteprocessen. Het doel van de therapie ligt weliswaar dicht bij de doodsoorzaak, maar niet noodzakelijkerwijs bij het ziekteproces, dat soms al tientallen jaren eerder is begonnen. Over de aard van de ziekteprocessen en hun specifieke bijdragen aan de cardiovasculaire sterfte weten we nog opvallend weinig. Een ernstig gevolg hiervan is dat de behandeling van acute vormen van hart- en vaatziekten een nieuwe epidemie van andere cardiovasculaire aandoeningen aan het blootleggen is. Struijker Boudier doelt hierbij op hartfalen, boezemfibrilleren en vaatlijden. Nu al is hartfalen de grootste oorzaak van ziekenhuisopnames in mensen boven vijfenzestig jaar. Ook het aantal ziekenhuisopnames voor boezemfibrilleren is de laatste twee decennia sterk toegenomen. Hartfalen en hartritmestoornissen zijn de centrale onderwerpen van onderzoek de komende jaren binnen de tweede hoofdlijn van het CARIM-onderzoek.

Vaatonderzoek

Over vaatlijden zijn volgens Struijker Boudier nog weinig precieze cijfers bekend, simpelweg als gevolg van het feit dat de gezondheidszorg niet is ingericht op het systematisch opsporen, diagnosticeren en behandelen van vaataandoeningen. Als je kiespijn hebt, ga je naar een tandarts. Een vaatprobleem kan echter boven tafel komen bij de chirurg, de nefroloog, de neuroloog, de cardioloog, de endocrinoloog, de dermatoloog, de radioloog of zelfs de uroloog, aangezien potentiestoornissen soms berusten op vaatvernauwing. Struijker Boudier noemt het verheugend dat in diverse ziekenhuizen, waaronder het Academisch Ziekenhuis Maastricht, een start is gemaakt met doelgerichte aandacht voor de patiënt met vaatlijden. Struijker Boudier voorspelt dat zo’n verandering van aandacht op den duur grote positieve gevolgen zal hebben voor de cardiovasculaire ziektelast en sterfte. Hoofdlijn III van het CARIM-programma is gericht op vaatonderzoek. Een team van klinisch en basaal-wetenschappelijke onderzoekers zal zich in de komende jaren geconcentreerd richten op de oorzaken, de vroege opsporing en de behandeling van vaataandoeningen.

Vooraanstaand onderzoek

CARIM heeft zich de afgelopen 10 jaar ontwikkeld tot een van de grootste onderzoekinstituten voor Hart- en vaatziekten in Nederland. Het maatschappelijk belang is enorm. Hart- en vaatziekten, vaak veroorzaakt door atherosclerose (of aderverkalking), zijn de oorsprong van een groot aantal ernstige ziekten en veroorzaken ongeveer de helft van alle sterfgevallen. Met name op het gebied van bloedstolling, hartritmestoornissen en vaatonderzoek loopt het Maastrichtse onderzoek voorop. In het kader van het stollingsonderzoek toonde men bijvoorbeeld een verband aan tussen het gebruik van de derde generatie anti-conceptiepil en trombose.

Interdisciplinair en thematisch

Binnen de Universiteit Maastricht (UM) neemt het onderzoek naar hart- en vaatziekten een belangrijke plaats in. Meteen bij het begin werd gekozen voor een nieuwe benadering en organisatie van het onderzoek: interdisciplinair en thematisch. Deze (toen) unieke structuur blijkt nu bijvoorbeeld nog uit het feit dat de UM een van de weinige universiteiten is met hoogleraren pathologie en endocrinologie, die hart- en vaatziekten als aandachtspunt hebben. De 'Maastrichtse' onderzoeksstructuur werd later overgenomen bij het andere onderzoek binnen de UM en op vele plaatsen daarbuiten. In 1988 werd het onderzoek ondergebracht in het instituut CARIM. In 1992 was de onderzoekschool Hart- en Vaatziekten, waarin CARIM samenwerkt met ICaR van de Vrije Universiteit, een van de eerste onderzoekscholen die door de KNAW werd erkend (de erkenning is in 1997 verlengd). De brede interdisciplinaire opzet van CARIM sloot goed aan bij wat de KNAW van onderzoekscholen verwacht.

Curriculum vitae

Harrie Struijker Boudier (1950) is na een studie scheikunde en een opleiding tot farmacoloog in 1975 aan de K.U. Nijmegen gepromoveerd. In 1976 heeft hij een jaar postdoc werkzaamheden verricht aan de medische faculteit van de University of Mississippi in de USA. Vanaf eind 1976 is hij aangesteld aan de Universiteit Maastricht, aanvankelijk als wetenschappelijk medewerker en vanaf 1980 als hoogleraar experimentele farmacologie. In 1984 werd hij voorzitter van de vakgroep Farmacologie en Toxicologie met als leeropdracht Farmacologie, inclusief Farmacotherapie. Vanaf de start in 1988 was hij als bestuurslid (vanaf 1994 als voorzitter) betrokken bij het Cardiovasculair Research Institute Maastricht (CARIM). In 1991 was hij gedurende 10 maanden werkzaam als gasthoogleraar aan de INSERM Unité 141 in het Hôpital Lariboisière te Parijs. Hij was een van de grondleggers van de gezamenlijke TU Eindhoven/UM opleiding in de biomedische technologie. Struijker Boudier heeft aan de UM ruim 30 promovendi opgeleid. Sinds 1992 is hij codirecteur van de promotieopleiding Vasculaire Biologie en Farmacologie aan de Universiteit van Parijs.
Zijn wetenschappelijk oeuvre bestaat uit circa 15 boeken en enkele honderden artikelen op het gebied van de farmacologie, hart- en vaatziektenonderzoek en technologieonderzoek. Hij is lid van een aantal wetenschappelijke verenigingen in Europa en de V.S. Sinds 1998 is hij lid van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen. Hij maakt deel uit van de redactie van een aantal internationale tijdschriften op het gebied van de farmacologie en het hart- en vaatziektenonderzoek. Hij was of is lid van de diverse wetenschappelijke adviesraden, waaronder die van NWO Medische Wetenschappen, de Nederlandse Hartstichting, de Nierstichting Nederland, de Gezondheidsraad, de Geneesmiddelencommissie van de Ziekenfondsraad en de Radboudstichting. Van 1990-1996 was hij voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Farmacologie en bestuurslid van de European Federation of Pharmacological Societies.

Deel: ' Geneesmiddelenbehandeling hartpatiënten niet optimaal '




Lees ook