Gerechtshof Amsterdam


PERSBERICHT

GERECHTSHOF AMSTERDAM

UITSPRAAK IN DE ZAAK E.L.M.U. EN VIER MEDE-VERDACHTEN

De vijfde strafkamer van het hof heeft op 29 maart 1999 alle vijf verdachten vrijgesproken van de aan hen tenlastegelegde deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot hash-handel (art 140 Wetboek van Strafrecht).

Wel zijn er sterke aanwijzingen dat verdachten deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat zich bezig hield met zaken die het daglicht niet kunnen velen. Er is geen andere verklaring voor de kennelijk door verdachten gevoelde noodzaak om - onder meer - het afluisteren en begrijpen door derden van de door hen gevoerde telefoongesprekken te belemmeren door wisselende telefoonaansluitingen en verhullende taal te gebruiken.

Er is evenwel onvoldoende wettig bewijs dat dat samenwerkingsverband tot doel had de in de tenlastelegging omschreven misdrijven te plegen.

E.L.M.U. is ter zake van wel bewezen belastingfraude veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden. De verdachten C.T.C. en J.E.F. zijn veroordeeld tot respectievelijk twee en één jaar, ieder wegens een op zichzelf staande drugstransactie van relatief beperkte omvang. De verdachten L.H.C. en N.M.K. zijn geheel vrijgesproken.

Het hof heeft alle verweren met de strekking dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, verworpen.

In de loop van de procedure in hoger beroep is gebleken dat enige door het hof gehoorde getuigen (CID-chefs en observanten) een zogenaamde rechtbank-training hebben gevolgd.

Die training was erop gericht om bij te dragen aan de stress-bestendigheid, mede om te voorkomen dat de getuige in paniek of verwarring zou raken als in snelle opeenvolging een groot aantal vragen door de advocaten op hem zou worden afgevuurd. Daarnaast werden aanwijzingen gegeven over gedrag en houding tijdens het verhoor en diende de training ertoe de dossierkennis op te frissen, mede ter wille van het zelfvertrouwen. Op deze drievoudige doelstelling valt niets aan te merken, aldus het hof.

Het feit evenwel, dat de tijdens de training gestelde vragen telkens waren ontleend aan en vrijwel uitsluitend betrekking hadden op de materie waarover de getuige ter terechtzitting zou worden gehoord, acht het hof onverstandig, omdat daardoor de schijn is gewekt dat het tevens de bedoeling was de getuigen te laten verklaren in een voor de politie (KTR) gewenste zin. Die schijn is versterkt doordat de trainingsgesprekken met de CID-chefs op uitnodiging van het KTR en in een KTR-setting hebben plaatsgevonden, met nota bene -in elk geval naar de schijn- belanghebbende KTR-leden als toehoorder en/of klankbord.

Het hof heeft geoordeeld dat deze (op onverstandige wijze uitgevoerde) trainingen geen schending opleveren van de rechten van de verdachten, omdat niet aannemelijk is geworden dat de getrainde getuigen de hun ter zitting gestelde vragen niet naar behoren en naar waarheid hebben beantwoord. Evenmin is aannemelijk geworden dat geprobeerd is de getuigen te benvloeden ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun verklaring en/of de mogelijkheid van een behoorlijk verhoor van hen.

Deel: ' Gerechtshof A'dam spreekt verdachten vrij van hash-handel '




Lees ook