Algemene Onderwijsbond

25 februari 2003; Gezamenlijke inzet Centrales CAO Onderwijs 2003

Inleiding
De inzet van de Centrales voor de CAO Onderwijs 2003 moet worden gezien tegen de achtergrond van het Centraal Akkoord en het rapport van de werkgroep Van Rijn. De analyse van dat rapport De arbeidsmarkt in de collectieve sector Investeren in mensen en kwaliteit en de oplossingsgerichte maatregelen zijn voor de sectoren primair- en voortgezet onderwijs nog steeds actueel. Bij het afsluiten van een akkoord naar aanleiding van dit rapport en de verlenging van de CAO Onderwijs in 2001, spraken de bewindslieden zelf van een start van de oplossing voor de personeelsproblematiek in deze sectoren. Centrales constateren met het departement dat er nog steeds sprake is van een ongunstige arbeidsmarktpositie als het gaat om de personeelsvoorziening. Zie de nota Werken in het Onderwijs 2003. Het ligt dan ook in de rede om wederom van het kabinet te eisen dat er extra middelen voor po en vo beschikbaar worden gesteld om de problemen op te lossen. Centrales denken daarbij aan het verder verkorten van de carrièrelijnen voor onderwijsgevenden, het verhogen van het functieniveau en het verder opbouwen van de dertiende maand. Daarnaast zou de lijn die in het vorige akkoord is ingezet met betrekking tot de functiedifferentiatie moeten worden voortgezet: er is meer onderwijs ondersteunend personeel nodig voor de vermindering van de werkdruk en het terugdringen van het ziekteverzuim. In dit kader denken Centrales ook aan het gedeeltelijk structureel maken van middelen die nu beschikbaar zijn voor I&D-banen. Een tweede element van personeelsbeleid dat aan de orde dient te komen is de persoonlijke ontwikkeling. Centrales willen afspreken dat het onderwijspersoneel recht heeft op een persoonlijk ontwikkelingsplan. Ten slotte willen de Centrales in het kader van dit overleg afspraken maken over de middelen die via het Participatiefonds vrijkomen.

Looptijd
Maximaal 1 jaar.

Inkomen
In het licht van het in de inleiding gestelde, vinden de Centrales het noodzakelijk om te komen tot een generieke salarisverhoging van 2,5% over het jaar 2003.

Arbeidsmarktmaatregel
De Centrales zijn nog steeds van mening dat de invoering van een dertiende maand bijdraagt aan het werven van nieuw personeel en het behouden van zittend personeel. In de verlengde Onderwijs-CAO 2000-2002 zijn hierover afspraken gemaakt.
De Centrales willen een volgende stap zetten in de opbouw van de dertiende maand.

Verdere uitwerking Van Rijn maatregelen
Afspraken moeten worden gemaakt over het voortzetten van de nog slechts ten dele gerealiseerde:

A. verhoging van het functieniveau
In de verlengde CAO Onderwijs zijn middelen beschikbaar gesteld om een bescheiden stap te zetten voor het verhogen van het functieniveau van onderwijsondersteunend en onderwijsgevend personeel. De huidige situatie maakt duidelijk dat vervolgstappen hard nodig zijn. Daartoe zullen budgetten beschikbaar moeten komen. Voor het primair onderwijs verwijzen Centrales naar de inzet voor onderwijspersoneel waarop het RPBO integraal van toepassing is.

B. verkorting van de carrièrelijnen
In de verlengde Onderwijs-CAO 2002 hebben sociale partners de carrièrelijnen met twee stappen verkort. Om het beroep aantrekkelijker te maken ligt een verdere verkorting in de rede. De Centrales willen onderzoeken of de carrièrelijnen van onderwijsgevend personeel in de komende CAO met een verdere stap verkort kunnen worden.

Knelpunten

A. Reiskostenvergoeding
De Centrales hebben kennis genomen van het eindrapport Effectiviteit reiskostenregeling
in primair onderwijs, voortgezet onderwijs en BVE-sector. Hieruit kan worden opgemaakt dat de reiskostenregeling van de onderwijssector in de CAO-vergelijking duidelijk achter blijft. De Centrales willen afspreken dat de reiskostenregeling wordt verbeterd. Dit enerzijds uit het oogpunt van reparatie om de ontevredenheid over de reiskostenregeling te verminderen en anderzijds het aantrekkelijker maken van aanvaarding van een baan die ver van de woonplaats ligt. Verder vinden de Centrales dat een fietsvergoeding onderdeel moet uitmaken van de regeling.

B. Pensioenopbouw bij werktijdfactor > 1
De werkdruk in het onderwijs is hoog. De Centrales zijn daarom geen voorstander van het uitbreiden van de deeltijdfactor tot boven 1,0. Als dit tijdelijk door de arbeidsmarkt gedwongen noodzakelijk is zal dit ook consequenties moeten hebben voor de pensioenopbouw. De Centrales stellen voor overeen te komen dat bij een deeltijdfactor van meer dan 1,0 er ook pensioenopbouw plaats vindt over een deeltijdfactor van meer dan 1,0. Nu is pensioenopbouw over een werktijdfactor van maximaal 1,0 mogelijk. Ook dienen in het kader van levensloopbeleid mogelijkheden geschapen te worden om (tijdelijk) minder te werken, zonder dat dit direct negatieve consequenties heeft voor de pensioenopbouw.

C. Ziekteverzuim en reïntegratie
In de OnderwijsCAO 2000-2002 en het ARBO-convenant Onderwijs en Wetenschappen zijn afspraken gemaakt over terugdringing van het ziekteverzuim (binnen drie jaar verlagen met één procentpunt) en reïntegratie (reïntegratie van 10% van de zittende suppletiegerechtigden). De Centrales willen de ontwikkelingen en resultaten bespreken en afhankelijk hiervan nieuwe afspraken maken. Verder dient te CAO aangepast te worden aan de Wet Verbetering Poortwachter.

D. I&D-baners in het onderwijs
I&D-ers doen volgens de Centrales in het onderwijs onmisbaar werk. Zoals hierboven beschreven, willen de Centrales komen tot een uitbreiding van het aantal reguliere OOP-banen. Een aantal I&D-ers in het onderwijs moeten volgens het recent gesloten Convenant Gesubsidieerde Arbeid 2003 recht krijgen op een reguliere baan. De Centrales gaan er van uit dat de minister uitvoering geeft aan het Najaarsakkoord en extra gelden beschikbaar zal stellen om het voor onderwijs vastgestelde quotum aan I&D-banen om te zetten in reguliere banen. De Centrales willen duidelijke afspraken in de sector-CAOs laten opnemen, om te zorgen dat het geld maximaal benut wordt en zoveel mogelijk mensen goed begeleid worden naar een reguliere baan. Om doorstroming van I&D-baners naar hogere reguliere banen mogelijk te maken willen de Centrales experimenten laten starten waarbij de I&D-er het recht krijgt binnen de betrekkingsomvang scholing krijgen. In de praktijk blijkt dat de maximale beloning voor I&D-ers vaak blijven steken op 120% van het minimumloon. De wet regelt echter dat instromers 130% (I-banen) van het minimumloon mogen verdienen en doorstromers 150% (D-banen). De Centrales streven naar het zo snel mogelijk realiseren van deze maxima, door het vastleggen in de CAO van een gefaseerde verhoging van de I&D-salarissen.

Scholing, opleiding en begeleiding
De Centrales zien scholing als een belangrijk instrument voor het versterken van de positie
en het functioneren van werknemers. In de verschillende onderwijs-CAOs zijn reeds afspraken gemaakt over faciliteiten in het kader van scholing en deskundigheidsbevordering. De Centrales willen komen tot een uitbreiding van de individuele rechten en een grotere inspanning van de werkgevers op dit gebied.
Tevens dient nadruk gelegd te worden op deskundigheidsbevordering van schoolleiders, direct leidinggevenden en P&O medewerkers. Zij moeten professioneel kunnen werken aan al die aspecten die voor het goed functioneren van een organisatie zo van belang zijn, zoals goed personeelsbeleid, invoeren van een nieuw functiewaarderingssysteem, ontwikkeling van taakbelastingbeleid en vormgeving en uitvoering van de arbeidsongeschiktheids- en reïntegratieregelingen etc. Zowel vanwege de krapte op de arbeidsmarkt als om onderwijsinhoudelijke redenen zijn de Centrales een voorstander van een grotere uitwisseling tussen de bedrijfs- en onderwijssector. Daarmee neemt wel de instroom van personeel dat geen onderwijskundige achtergrond heeft toe. De Centrales zijn van mening dat dit alleen in goede banen geleid kan worden als er formatieve ruimte voor begeleiding komt. Dit geldt zowel voor de nieuwkomers die binnen hun betrekkingsomvang een geringere lestaak moeten krijgen als voor hun begeleiders.
Verder pleiten Centrales ervoor dat wanneer de werknemer na voltooiing van zijn studie 5 jaar aaneengesloten werkzaam is in het regulier onderwijs hem of haar de studieschuld wordt kwijtgescholden. Tenslotte willen de Centrales extra middelen voor de doorstroom van OOP-ers naar hogere functies. Volgens de Centrales kan doorstroming bijdragen aan vermindering van de werkdruk en de tekorten problematiek.

VOORSTELLENBRIEF CENTRALES BIJ ONDERWIJS-CAO 2003 Voor onderwijspersoneel waarop het RPBO integraal van toepassing is

A. Functies
Vergroting van het aantal hogere leraarsfuncties. Momenteel bestaat de mogelijkheid om 20% van de leraren in een hogere schaal te plaatsen. In de verlengde Onderwijs-CAO 2000-2002 is de wens uitgesproken om tot een vergroting van het aantal hogere leraarsfuncties te komen. De Centrales staan nog steeds een verhoging van het huidige percentage voor.

B. Functiewaardering
In navolging van de sectoren BVE en VO wordt thans onderzocht of FUWASYS 2000 zodanig kan worden aangepast dat onderwijsfuncties in het PO hiermee op adequate wijze kunnen worden beschreven en gewaardeerd. De Centrales vinden dat de uitkomst van de (her)waardering van functies moet worden gerespecteerd en de financiële consequenties gedragen moeten worden. Vanzelfsprekend moeten extra investeringen worden gepleegd om bestaande rechten via overgangsrecht te waarborgen.

Ten aanzien van bepaalde OOP functies vindt momenteel functiewaardering plaats, die leidt tot een hogere inschaling dan de huidige.
Voor het management is het noodzakelijk de laagste schalen (DA en AA) voor directeuren en adjunct directeuren te laten vervallen. Centrales stellen voor een onderzoek te starten naar een andere systematiek voor het inschalen van adjunct directeuren en directeuren waarbij het totaal aantal aan de school toegewezen FTEs en/of fres maatgevend is.

C. Beroepskosten paramedici
Paramedisch personeel in het onderwijs krijgt geen beroepskosten vergoed, terwijl dat in andere sectoren (gezondheidszorg) per CAO geregeld is. De Centrales stellen voor om kosten voor opname in het kwaliteitsregister van een beroepsvereniging te vergoeden.

D. Toezichthoudende taken
Verplichte pauzes voor het onderwijsgevend personeel in het kader van de werk-en rusttijdenwet resulteren vaak in regelingen waarbij onderwijsondersteunend personeel toezicht moet houden. Deze categorie personeel is daar echter niet voor toegerust. Vaak betekent het toezicht houden een behoorlijke (emotionele) verzwaring van de functie. De Centrales bevelen aan het toezicht houden onder te brengen in aparte functies.

Utrecht, 25 februari 2003

Deel: ' Gezamenlijke inzet Centrales CAO Onderwijs 2003 '




Lees ook