Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Gezondheidseffecten van producten in de tapijt- en parketleggersbranche

Toxicologische beoordeling van de receptuur en trends in het optreden van huidklachten en overige gezondheidseffecten

Auteurs:
A.T. van Raalte
J. Terwoert
IVAM ­ Research and Consultancy for Sustainability

December 2002

Bestelcode: 02-25
ISBN-code: 90-77286-02-0

1


2


INHOUDSOPGAVE

SAMENVATTING.........................................................................................................5

1. INLEIDING.......................................................................................................8

2. SAMENSTELLING EN GEZONDHEIDSRISICO'S VAN
PRODUCTEN GEBRUIKT DOOR TAPIJTLEGGERS................................11 2.1 Egaliseermiddelen............................................................................................11 2.2 Hydrofoberingsmiddelen .................................................................................12 2.3. Tapijtlijmen......................................................................................................13 2.3.1 Primers voor tapijtlijmen .................................................................................18 2.4 Reinigingsmiddelen voor gereedschap en handen...........................................18

3. SAMENSTELLING EN GEZONDHEIDSRISICO'S VAN
PRODUCTEN GEBRUIKT DOOR PARKETLEGGERS .............................20 3.1 Egaliseermiddelen............................................................................................20 3.2 Parketlijmen.....................................................................................................20 3.2.1 Primers voor parketlijmen................................................................................23 3.3 Houtlijm...........................................................................................................24 3.4 Voegmiddelen..................................................................................................24 3.5 Parketlakken.....................................................................................................25 3.5.1 Watergedragen PUR-acrylaat parketlak ..........................................................26 3.5.2 Watergedragen polyurethaan parketlakken......................................................27 3.5.3 Primers voor parketlakken...............................................................................28 3.5.4 Conventionele oplosmiddelrijke parketlakken ................................................28 3.6 Parketoliën en ­wassen....................................................................................29 3.7 Reinigingsmiddelen voor gereedschap en handen...........................................30

4. BLOOTSTELLING VAN DE HUID, LUCHTWEGEN EN OGEN AAN BESTANDDELEN VAN PRODUCTEN..............................................33 4.1 Beschikbaarheid van meetgegevens ­ algemeen.............................................33 4.2 Tapijtleggers.....................................................................................................36 4.3 Parketleggers....................................................................................................43 4.3.1 Het leggen van tapisparket...............................................................................44 4.3.2 Het leggen van vast mozaïkparket...................................................................46 4.3.3 Het leggen van vast lamelparket......................................................................47 4.3.4 Het leggen van zwevend tapisparket, lamelparket en laminaat.......................47 4.3.5 Het lakken, oliën of in de was zetten van tapis- of lamelparket......................47 4.3.6 Reinigingsmiddelen .........................................................................................48 4.3.7 Beschermende maatregelen..............................................................................48


---



5. VÓÓRKOMEN VAN HUIDAANDOENINGEN, LUCHTWEG-
EN OOGIRRITATIES BIJ TAPIJT- EN PARKETLEGGERS......................49 5.1 Tapijtleggers.....................................................................................................49 5.2 Parketleggers....................................................................................................50

6. OORZAKELIJKE FACTOREN VAN HUIDAANDOENINGEN, LUCHTWEG- EN OOGIRRITATIES............................................................52 6.1 Blootstelling aan allergene stoffen...................................................................52 6.1.1 Tapijtleggers.....................................................................................................53 6.1.2 Parketleggers....................................................................................................56 6.2 Blootstelling aan irriterende stoffen.................................................................57 6.2.1 Tapijtleggers.....................................................................................................57 6.2.2 Parketleggers....................................................................................................59 6.3 Mechanische belasting.....................................................................................61 6.4 Weersinvloeden................................................................................................61 6.5 Persoonlijke gevoeligheid................................................................................61 6.6 Discussie ..........................................................................................................62

7. PREVENTIEVE MAATREGELEN ...............................................................65 7.1 Aanpassing producten......................................................................................65 7.2 Aanpassing werkwijze.....................................................................................69 7.3 Persoonlijke bescherming en ­hygiëne............................................................70 7.4 Vroege signalering en interventie....................................................................73

8. REFERENTIES ...............................................................................................74

Bijlage 1: Waarschuwingszinnen betreffende bijzondere gevaren (R-zinnen) ............78


---


SAMENVATTING

In dit rapport worden de resultaten beschreven van een onderzoek naar de gezondheidseffecten van conventionele en watergedragen producten die worden gebruikt door tapijtleggers en parketleggers. Het onderzoek omvatte een toxicologische beoordeling van de receptuur van de diverse producten en een studie naar trends in het optreden van huidklachten en overige gezondheidseffecten. Tevens is getracht - potentiele- oorzakelijke verbanden aan te geven tussen blootstelling aan belastende factoren en effecten, en wordt besproken welke preventiemaatregelen mogelijk zijn.
Het onderzoek vond plaats tegen de achtergrond van de Vervangingsregeling die het gebruik van oplosmiddelarme producten binnenshuis vereist. Opdrachtgevers was het Ministerie van SZW, terwijl begeleiding plaatsvond vanuit het Ministerie en de Stichting Arbouw.
Het onderzoek is uitgevoerd door middel van literatuurstudie, het benaderen van leveranciers van de diverse producten, het beoordelen van productinformatie en het houden van interviews met leveranciers en tapijt- en parketleggers.

De producten die in dit onderzoek aan de orde komen, omvatten voor de tapijtlegger egaliseermiddelen, hydrofoberingsmiddelen, tapijtlijmen, primers voor tapijtlijmen en reinigingsmiddelen voor gereedschap en handen. Met betrekking tot de parketlegger wordt aandacht besteed aan egaliseermiddelen, parketlijmen, primers voor parketlijmen, houtlijmen, voegmiddelen, parketlakken, primers voor parketlakken, parketoliën en -wassen en reinigingsmiddelen voor gereedschap en handen.

Resultaten
Onderzoek in het begin van de jaren '90 wees uit, dat onder tapijtleggers méér handeczeem voorkwam dan onder een controlegroep van machinisten (Geuskens et al., '93). Recenter onderzoek, en onderzoek onder parketleggers, is niet voorhanden. Een reeks aan factoren kan in principe bijdragen aan het ontstaan van handeczeem bij tapijt- en parketleggers, maar met name irritatieve factoren lijken een voorname rol te spelen. Specifieke onderzoeksgegevens die de rol van de diverse factoren kunnen bevestigen of ontkennen zijn voor deze beroepsgroepen zijn echter niet beschikbaar. Afgezien van het incidentele gebruik van epoxyprimers lijken tapijt- en parketleggers niet intensief te worden blootgesteld aan allergische stoffen. Wel kan blootstelling aan Portlandcement (egaliseermiddelen, parketlijm op cementbasis) als gevolg van de combinatie van het sterk basische karakter (irritatie) en de aanwezigheid van allergene chroomverbindingen tot huidproblemen leiden. Verder kan blootstelling aan isocyanaten plaatsvinden bij het gebruik van polyurethaanlijmen (trappen, plinten, parket), voegmiddelen en verharders voor bepaalde parketlakken. De isocyanaten die hierin worden toegepast (MDI) zijn echter weinig vluchtig. De invloed van irritatieve factoren lijkt bij deze beroepsgroepen beduidend groter. Cement en Portlandcement, lijmen, epoxy's en reinigingsmiddelen voor handen en gereedschap zorgen potentieel voor een aanzienlijke irritatieve belasting bij beide beroepsgroepen. Voor de parketlegger komt hier nog blootstelling aan fijn houtstof bij. 5


Gezien de typen hout die vaak voor parket worden gebruikt (de hardere soorten) is het risico op irritaties relatief hoog. Ook kunnen de parketoliën en ­wassen hoge concentraties irriterende bestanddelen bevatten.
Voor tapijtleggers is de mechanische belasting van de huid mogelijk een niet te onderschatten factor. Afhankelijk van het type vloerbedekking, kan het hanteren hiervan de huid mechanisch beschadigen. Deze factor lijkt voor de parketlegger van minder groot belang.
Ook voor tapijt- en parketlegger speelt de persoonlijke gevoeligheid van de huid waarschijnlijk een grote rol. Hoewel specifieke gegevens voor deze beroepsgroepen niet beschikbaar zijn, blijkt uit onderzoek onder andere groepen dat de factoren `huid- atopie' en `droog huidtype' het risico aanzienlijk kunnen verhogen.

De blootstelling aan allergene, irriterende en mechanische factoren die de huid belasten wordt beïnvloed door het gebruik van handschoenen. Het lijkt erop, dat handschoenen door tapijt- en parketleggers nauwelijks worden gebruikt (hf. 4). Het al dan niet gebruiken van handschoenen kan wisselende effecten hebben, en kan daardoor het beoordelen van oorzaken van huidklachten sterk bemoeilijken. Aan de ene kant kunnen handschoenen uiteraard het contact met allergenen en irriterende stoffen en mechanische belasting voorkomen, en de werknemer daardoor beschermen tegen het ontstaan van huidklachten. Aan de andere kant worden handschoenen door velen pas gebruikt wanneer eenmaal huidklachten zijn opgetreden. Uit de literatuur is het dan ook bekend dat een beschermende werking van handschoengebruik niet kan worden aangetoond, en dat zelfs een tegenovergesteld effect lijkt op te treden: degenen die handschoenen dragen, hebben meer huidklachten. Tenslotte kan het gebruik van handschoenen zélf tot huidklachten leiden. Transpiratie in de handschoen, of het aantrekken van handschoenen over vochtige handen ­ hetgeen beide veel voorkomt ­ leidt tot blootstelling van de huid aan vocht; een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van irritatieve huidaandoeningen. Wanneer de handschoen aan de binnenzijde verontreinigd is met allergene of irriterende stoffen of over vervuilde handen heen wordt aangetrokken, wat bij veel werkzaamheden ook al snel gebeurt, vindt een nog intensievere blootstelling aan deze stoffen plaats (occlusie). Bovendien speelt het probleem van latex-allergie (Smits et al., '00).

De gevolgen van de Vervangingsregeling voor het risico op huidklachten lijken beperkt, ondanks dat behalve de lijmen ook alle `overige producten' (voegmiddelen, egaliseermiddelen etc.) onder de regeling vallen. Een lichte afname van de irritatieve belasting van de huid als gevolg van de afname in het gebruik van oplosmiddelgedragen producten (lijmen, parketlakken) is waarschijnlijk. Niet alleen de lijmen zelf bevatten lagere gehalten (ontvettende) oplosmiddelen, met name ook het reinigen van de handen (en apparatuur) met oplosmiddelen zal minder vaak voorkomen als minder vaak oplosmiddelgedragen producten worden gebruikt. Tegelijkertijd lijkt het gebruik van allergene stoffen niet significant te zijn toegenomen. De voornaamste allergenen - epoxyprimers en Portlandcement (egaliseermiddel) - werden in het verleden ook al gebruikt. De extra allergene belasting zal met name van het gebruik van biociden in watergedragen producten komen. Deze worden in een zeer laag gehalte toegepast, maar kunnen wel tot 6


problemen leiden indien de persoon in kwestie vooraf is gesensibiliseerd als gevolg van het gebruik van cosmetica met hetzelfde biocide. Uitsluitsel omtrent het belang van allergene vs. irritatieve factoren kan overigens alleen worden bereikt door onderzoek op individueel niveau, in casu: het uitvoeren van `lapjesproeven' bij personen die een huidaandoening hebben ontwikkeld, uiteraard in combinatie met het verzamelen van informatie over blootstellingen.
Overigens zal een aanzienlijke afname in de blootstelling aan organische oplosmidden via inademing optreden wanneer de vervangingsregeling adequaat wordt nageleefd. Dit vormde echter niet de focus van dit onderzoek.

7


1. INLEIDING

In dit rapport worden de resultaten beschreven van een onderzoek naar de gezondheidseffecten van conventionele en watergedragen producten die worden gebruikt door tapijt- en parketleggers. Ongeveer 1000 parketleggers vallen onder de CAO voor parketvloerondernemingen (de Kruif, '01), terwijl het werkelijke aantal parketleggers waarschijnlijk aanzienlijk hoger is, aangezien er in Nederland meer dan 2000 leveranciers van parketvloeren zijn. Voor tapijtleggers zijn de aantallen minder duidelijk, omdat de gegevens omtrent deze beroepsgroep zijn ingebed in de gegevens van de bredere groep van `woninginrichters'. Met name de branche van parketleggers is overigens relatief nieuw, en tot nog toe is weinig tot niets gepubliceerd omtrent de beroepsgroep.
Het onderzoek omvatte een toxicologische beoordeling van de receptuur van de diverse producten, en een studie naar trends in het optreden van huidklachten en overige gezondheidseffecten. Tevens is getracht - potentiële - oorzakelijke verbanden aan te geven tussen blootstelling aan belastende factoren en effecten (m.n. huidaandoeningen), en wordt besproken welke preventiemaatregelen mogelijk zijn.

Achtergrond van het onderzoek
Het onderzoek vond plaats tegen de achtergrond van de Vervangingsregeling met betrekking tot oplosmiddelrijke producten voor deze werkzaamheden, welke op 1 januari 2000 is ingegaan. Krachtens deze regeling is niet alleen het gebruik van oplosmiddelarme lijmen binnenshuis verplicht gesteld, maar ook het gebruik van `overige' producten, zoals voegmiddelen, lakken etc. Het Ministerie van SZW heeft aangegeven, dat het wenselijk was méér inzicht te krijgen in de mogelijke gevolgen van de Vervangingsregeling voor de gezondheidsrisico's voor werknemers, anders dan het OPS-risico waarop de Vervangingsregeling zich focust. Met name de kans op het ontstaan van huidklachten stond in deze vraag centraal.

Onderzoeksvragen
In dit onderzoek is uitgegaan van de volgende onderzoeksvragen:

Welke allergene stoffen bevinden zich in de gebruikte producten? Welke mogelijke overige gezondheidseffecten hebben de bestanddelen van de producten?
Welke zijn de mogelijkheden tot blootstelling aan de bestanddelen? Welke factoren bevorderen contacteczeem?
Wat is op dit moment het percentage tapijt- en parketleggers met een contacteczeem of `overige' klachten?
Welke preventiemaatregelen zijn bekend?

Het effect `neurotoxiciteit' is van het onderzoek uitgesloten aangezien dit effect in het kader van de invoering van de Vervangingsregeling al uitgebreid was bestudeerd. Bovendien was het doel van dit onderzoek juist het signaleren van mogelijke `nieuwe' 8


gezondheidsproblemen die zouden kunnen worden geïntroduceerd als gevolg van de Vervangingsregeling.

Onderzoeksmethoden
De volgende onderzoeksmethoden zijn ingezet:
Rechtstreeks benaderen van leveranciers;
Literatuurstudie;
Beoordeling productinformatie;
Interviews met vloerenleggers (~werkgevers).

Benaderen van leveranciers
Leveranciers van lijmen en overige producten - en bestanddelen - zijn rechtstreeks benaderd met het verzoek om productinformatie te verstrekken. In eerste instantie werd verzocht Veiligheidsinformatiebladen (VIB's) en technische documentatie toe te sturen. In tweede instantie werd, waar nodig, verzocht om aanvullende informatie. Aanvullende informatie werd bijvoorbeeld opgevraagd met betrekking tot het gebruik van biociden.

Literatuurstudie
Via de literatuur is zo veel mogelijk getracht eventuele ontbrekende productinformatie aan te vullen. Hierbij is onder meer gebruik gemaakt van handboeken met betrekking tot lijmtechnologie, van eerdere inventarisaties en van productinformatiesystemen zoals het PISA-systeem van Stichting Arbouw en het GISBAU-systeem van de Duitse `Berufsgenossenschaften' voor de bouwsector.
Via de wetenschappelijke literatuur zijn gegevens omtrent huidblootstelling bij tapijt- en parketleggers gezocht, evenals publicaties omtrent de effecten van blootstelling aan o.m. allergenen. Met andere woorden: studies naar het optreden van allergieën bij tapijt- en parketleggers, en naar de vraag of deze gerelateerd kunnen worden aan blootstelling aan bepaalde allergenen.
Bestaande rapporten en brochures werden gebruikt voor informatie omtrent mogelijkheden tot blootstelling, eczeem-bevorderende factoren en preventieve maatregelen.

Beoordeling productinformatie
Op basis van de verzamelde productinformatie zijn de bestanddelen gescreend op de aanwezigheid van de zogenaamde R-zinnen (`risk phrases') die in het kader van de Wet milieugevaarlijke Stoffen (WmS) ­ op basis van de Europese Preparatenrichtlijn ­ aan stoffen worden toegekend. Een overzicht van de betekenissen van de R-zinnen wordt in bijlage 1 gegeven.
Indien de R-zinnen niet op de productinformatie van de leveranciers aanwezig waren, is deze informatie achterhaald via informatiebestanden op Internet (Web-ISIS, VIB- sites van de chemische industrie), de WmS zelf en de literatuur. Aangezien niet alle leveranciers de R-zinnen volledig en juist vermelden op hun VIB's, is de informatie van de leveranciers telkens gecheckt met behulp van de overige. De beoordeling van de gezondheidseffecten heeft zich in een aantal gevallen niet beperkt tot het registreren van de R-zinnen. Zo is in de literatuur bijvoorbeeld 9


informatie verzameld omtrent cases van allergieën tegen bepaalde bestanddelen en de allergene potentie van bestanddelen.

Interviews tapijt- en parketvloerenleggers, werkgevers en deskundigen Met (werkgevers van) tapijt- en parketleggers is van gedachten gewisseld omtrent product-gebruik, werkwijzen, toegepaste beheersmaatregelen etc. Producenten van lijmen en overige producten en producenten van additieven zijn geïnterviewd om aanvullende productinformatie te verkrijgen. Ook is gesproken en gecorrespondeerd met kenniscentra voor beroepsgebonden (huid)aandoeningen in binnen- en buitenland, met name omtrent het vóórkomen van huidaandoeningen onder tapijt- en parketleggers, en omtrent mogelijke (allergene) oorzaken.

Leeswijzer
Het vervolg van dit rapport vangt aan met de inventarisatie van de samenstelling en gezondheidsrisico's van producten voor tapijtleggers (hoofdstuk 2) en parketleggers (hoofdstuk 3). Per productgroep wordt een `gemiddelde samenstelling' gepresenteerd en besproken. In hoofdstuk 4 wordt de blootstelling(-skans) van tapijt- en parketleggers aan de producten beschreven. Zowel blootstelling via de huid als blootstelling via de luchtwegen komen aan de orde. Hoofdstuk 5 geeft een bespreking van het vóórkomen van gezondheidsklachten onder tapijt- en parketleggers, met de nadruk op huidaandoeningen.
In hoofdstuk 6 vindt de synthese plaats van de informatie uit de voorafgaande hoofdstukken. Getracht wordt relaties te leggen tussen product-samenstelling, blootstelling en het voorkomen van gezondheidsklachten bij tapijt- en parketleggers. Maatregelen die kunnen worden genomen om de kans op het ontstaan van met name huidklachten terug te dringen, worden beschreven in hoofdstuk 7. De bijlage bij dit rapport bevat een overzicht van de omschrijvingen van de R-zinnen.

Voor een snelle indruk van de voornaamste conclusies uit deze studie, kan worden begonnen met het lezen van paragraaf 6.6 (De `discussie' bij het hoofdstuk `Oorzakelijke factoren').

10


2. SAMENSTELLING EN GEZONDHEIDSRISICO'S VAN
PRODUCTEN GEBRUIKT DOOR TAPIJTLEGGERS

De volgende producten waaraan blootstelling kan plaatsvinden, worden door tapijtleggers toegepast:

egaliseermiddelen
hydrofoberingsmiddelen
tapijtlijmen
reinigingsmiddelen (voor reinigen van gereedschap en handen)

Daarnaast is er blootstelling aan stof van tapijt. Bij het leggen van tapijt wordt in het algemeen geen primer gebruikt. Wel kan de vloer vooraf worden gereinigd met een gewone allesreiniger.

In het navolgende, een bespreking van de ruwe samenstellingen van een aantal product-typen, op grond van product-informatie die van leveranciers is ontvangen.

2.1 Egaliseermiddelen
Egaliseermiddelen worden, indien nodig, gebruikt om de vloer te egaliseren. Afhankelijk van het type vloer wordt daartoe gebruik gemaakt van beton- of houtvulmiddelen. In het geval van een betonnen vloer wordt gebruik gemaakt van een vulmiddel op basis van gips en/of cement, bij een houten vloer van stopverf. Aan het cement of gips wordt een kunstharsdispersie toegevoegd teneinde bepaalde eigenschappen te verkrijgen, zoals verminderd krimpgedrag, verlaging van de uithardingssnelheid, tack, bestandheid tegen basische omgevingen, viscositeit. De harsen die worden gebruikt zijn op basis van ethyleen, vinylacetaat, vinylchloride (brandvertragend), vinyllauraat, en acrylaten (voor betere hechting en hogere flexibiliteit). Het meest gebruikte vulmiddel, en ook de meest simpele (en goedkope) is die op basis van enkel vinylacetaat.
In het geval gebruik wordt gemaakt van redispergeerbare poeders, die ter plekke dienen te worden aangelengd met water, zijn in het algemeen geen biociden toegevoegd. Echter, sommige leveranciers voegen toch een biocide toe, om bederf ná redispersie te voorkomen (de Beer, '01).

Onderstaande tabel is gebaseerd op één bron (Forbo/Eurocol). Het betreft egaliseermiddelen voor betonnen/cementen vloeren.
11



Tabel 2.1 Samenvatting samenstelling egaliseermiddel voor betonnen of cementen vloer
Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid) Portlandcement 15 - 40 R36,38,43 bindmiddel calciumcarbonaat en/of 40 ­ 70 - vulmiddel zand (SiO2) 40-70 - calciumsulfaat (gips) 5 - 10 - bindmiddel polyvinylacetaat of 1 - 10 - bindmiddel vinylacetaat/ethyleen of - polyacrylaat - caseïne (koemelk-eiwit) en/of 0,2 - 1 ? Rheologische methylhydroxyethylcellulose - hulpstoffen natriumtetrapolyfosfaat 0,2 ­ 0,5 - bevochtiger lithiumcarbonaat en/of 0,1 ­ 0,8 - Vertrager/versneller natrium pentahydroxy-capronaat ? en/of calcium hydroxide R34

Portlandcement, één van de belangrijkste bindmiddelen, is na aanmaken met water sterk basisch (pH 12-13) en irriteert de ogen en huid. Gezien de R43 die de leverancier vermeldt, gaat het hier waarschijnlijk om cement met een relatief hoog gehalte chroom(VI)-verbindingen. Chroomeczeem als gevolg van chroomhoudend cement is een bekend probleem in de bouw. `Zeswaardige' chroomverbindingen zijn bovendien reproductietoxisch (R61 & R62) en verdacht carcinogeen (R40). Het chroomgehalte van cement kan overigens sterk variëren, al naar gelang de herkomst van de grondstoffen. Afgezien van dit aspect, bevatten egaliseermiddelen wat gezondheidseffecten betreft weinig opvallende componenten. Mogelijk bevat het bindmiddel een biocide, welk vervolgens in een zeer lage concentratie ook in het eindproduct aanwezig zal zijn. Sensibiliserende isothiazolinon-verbindingen zijn daarbij de meest waarschijnlijke componenten.

2.2 Hydrofoberingsmiddelen
Hydrofoberingsmiddelen moeten vochtdoorslag vanuit de ondergrond voorkomen. De producten zijn er in oplosmiddelgedragen en watergedragen varianten. In beide gevallen is het bindmiddel, c.q. de hydrofoberende component, gebaseerd op silaan- en/of siloxaan-oligomeren. Deze reageren met vocht uit de lucht tot de waterafstotende siliconenhars (polysiloxanen). Tabel 2.2 bevat een ruwe samenstelling van een watergedragen emulsie. Deze is gebaseerd op productinformatie van het bindmiddel (Wacker Chemie, 01), gecombineerd met productinformatie van een gereed product (Remmers, '01).

12


Tabel 2.2 Samenvatting samenstelling hydrofoberingsmiddel voor betonnen of cementen vloer
Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid) Water > 90% - oplosmiddel `Aminofunctionele' < 5% R36 bindmiddel polydimethylsiloxaan
Tetraethylsilicaat (= < 2% R10,20,36,37,38 bestanddeel tetraethoxysilaan) bindmiddel Tensiden ? (< 5%) R36, (38) emulgator (alkylfenolethoxylaten?)
Methanol < 0,1% R23,24,25,39 bestanddeel bindmiddel (Biocide? evt. MCI/MI) < 0,01% R23,24,25,34,43 conserveermiddel

Niet duidelijk is of hydrofoberingsmiddelen emulgatoren en biociden bevatten. Met name de aanwezigheid van een emulgator is echter aannemelijk, tenzij de silaan- en siloxaan-oligomeren `zelf-emulgerend' zijn. Indien een emulgator en biocide aanwezig is, zijn de in de tabel genoemde verbindingen de meest waarschijnlijke bestanddelen. Het bindmiddel bevindt zich in een concentratie van 5 à 10% in het eindproduct, afhankelijk van de omstandigheden bij toepassing. Het bindmiddel bevat "< 20%" tetraethoxysilaan. Dit is een vluchtige verbinding (vlampunt 45°C), welke tevens irriterend is voor ogen, luchtwegen en de huid. Het siloxaan-oligomeer is eveneens irriterend voor de ogen. Aangezien de producten zowel met de nevelspuit als door middel van vloeien of rollen kunnen worden opgebracht, is oogirritatie hier extra relevant. Het bindmiddel bevat verder een laag percentage methanol. Dit ontstaat - samen met ethanol - tijdens de polymerisatie-reactie (met water) na het opbrengen, maar ook al in de verpakking. Aangezien de reactie zeer traag verloopt, is methanol in een gehalte van minder dan 1% aanwezig.

2.3 Tapijtlijmen
Tapijtlijmen voor `standaard toepassingen' (niet voor trappen) zijn al geruime tijd
- ook vóór het ingaan van de Vervangingsregeling - oplosmiddelarm. Een overzicht van de mogelijke, meest gebruikelijke bestanddelen van oplosmiddelarme tapijtlijmen en de gehalten in de lijmen staat in onderstaande tabel. Het definiëren van één richtreceptuur voor een `gemiddelde' tapijtlijm bleek moeilijk. Er zijn bijvoorbeeld diverse bindmiddelsystemen, tackifiers (kleefkrachtversterkers) en weekmakers in gebruik. De diverse mogelijkheden worden na de tabel besproken.

Aan lijmen voor trappen en plinten worden hogere eisen gesteld dan voor vloeren als het gaat om initiële tack en definitieve kleefkracht. Tot voor kort werd hiervoor vooral oplosmiddelrijke contactlijm op basis van chloropreen gebruikt (Geuskens et al., '93a). Thans zijn hiervoor een aantal alternatieven op de markt: een watergedragen contactlijm op basis van chloropreen, hotmeltlijmen (op basis van styreen-butadieen of ethyleenvinylacetaat) of dubbelzijdige tapes. Met name 1-component polyurethaanlijmen worden echter hiervoor aangeboden. Een globale receptuur voor 13


een dergelijke lijm wordt in tabel 2.4 gepresenteerd en daarna besproken. Ter vergelijking wordt ook de oplosmiddelrijke contactlijm kort aangestipt.

Tabel 2.3 Globale samenstelling en meest gebruikelijke bestanddelen van VOS-arme tapijtlijmen
Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid) Water 10-20 - oplosmiddel Acrylaat-dispersie 55-70% of 15 - 35 - bindmiddel Acrylaat-vinylacetaat dispersie 60-65% - Krijt (CaCO3) 40 - 60 - vulstof (soms:mica, kwarts, Mg- en Al-silicaten)
Alifatische koolwaterstofhars of 5 - 20 - tackifier Gomhars: gemodificeerde colofoniumhars* - of - Gemodificeerde indeen-coumaronhars
Gestyreniseerd fenol of 5 - 10 - weekmakers Gemodificeerde colofoniumhars* of - Butyldiglycolacetaat of R36,37,38 Aromatische, naftenische en paraffinische (R65) kws of - Methyladipaat, - succinaat en - gluconaat
Methylhydroxyethylcellulose of 0,2 - 1 - verdikkingsmiddel Acrylaatcopolymeren of - Urethaanpolymeren - Natriumacrylaat copolymeer (30% in 0,2 ­ 0,8 - emulgator water) of R36 Natriumzout van alkylfenolethersulfaat R38,41 (35%) of
Sulfobarnsteenzuurester (Na+-zout), in
isotridecanolethoxylaat
Natriumpolyfosfaat en/of 0,2 ­ 0,8 - dispergeermiddel/ Diethyleenglycolmonomethylether of R63 vloeimiddel? Ethyleenglycolmonomethylether of R20,21,22,60,61 Dipropyleenglycolmonomethylether - Gepolymeriseerde 2,2,4-trimethyl-1- 0,1 ­ 0,3 ? biocide dihydroquinoline of
Bronopol of R21,22,37,38,41 Mengsel: - 15% Ethaandiol (oplosmiddel) (0,01-0,05) R22
+ (0,01-0,04) R23,24,25,34,40,43
- 11% formaldehyde + (7-20 ppm) R23,24,25,34,43
- 0,7% MCI/MI
Poly(di)methylsiloxanen of 0,05 ­ 0,2 - antischuimmiddel Alkylfenolethoxylaten of R36 (38) Minerale olie of R65 Propyleenglycol R20,21,22,36,37,38 Zinkfosfaat, magnesiumfosfaat of ? (< 0,1) R36,37,38 corrosieremmer Dimethanolamine ?
* veresterd met triethyleenglycol
14


De bindmiddelen voor tapijtlijm verdienen een iets uitgebreidere bespreking.

Acrylaten zijn thermoplastische kunststoffen. Afhankelijk van het type acrylaat en de toegevoegde copolymeren en additieven kunnen ze tot een zachte of een harde kunststof uitharden. De bouwstenen zijn acrylmonomeren, bijvoorbeeld (meth)acrylzuur(esters), acrylonitril, acrylamides, butlyacrylaat en ethylhexylacrylaat. Ze zijn alle afgeleid van het acrylzuur en bevatten een dubbele band die bij de polymerisatie wordt opengebroken en zo de kern vormt van de keten die leidt tot het acrylpolymeer.
Voor watergedragen tapijtlijmen worden met name butylacrylaat en ethylhexylacrylaat gebruikt, omdat deze tot een zachtere polymeer uitharden. De lijmen bevatten variërende (zeer lage) gehalten monomeren of oligomeren. Grondstoffabrikanten geven aan dat ze het de gehalten aan deze stoffen zo laag mogelijk houden. Het grootste deel van het bindmiddel bestaat uit een dispersie van uitgepolymeriseerde polymeerbolletjes, die na verdamping van het water uitvloeien en zo de lijmlaag vormen. Acrylaat-monomeren zijn in het algemeen sensibiliserend voor de huid.

Polyvinylacetaten hebben als monomeer vinylacetaat. De lijmen bevatten variërende gehalten monomeren of oligomeren. Grondstoffabrikanten geven aan dat ze het de gehalten aan deze stoffen zo laag mogelijk houden. Vinylacetaat heeft overigens géén R-zinnen voor gezondheidseffecten. De lijmen worden gestabiliseerd met polyvinylalcohol, dat tevens de uitharding iets vertraagt. Door het gebruik van PVA als stabilisator is het gebruik van emulgatoren niet meer noodzakelijk. Evenals bij de acrylaten geschiedt de uitharding door verdamping van het water, en uitvloeiing van de polymeerbolletjes.

Combinaties van de bovengenoemde bindmiddelen worden eveneens gebruikt. Het voordeel is dat een lijm ontstaat die een divers scala aan tapijten kan verlijmen. Voor optimale verlijming wordt het gehalte van het ene of het andere bindmiddel gevarieerd. Voorts wordt gebruik gemaakt van een terpolymeersysteem van acrylaat/ethyleen/vinylacetaat. Ook deze variant kan voor verschillende vloerbedekkingen worden ingezet, waarbij vooral de rug van belang is voor de keuze van het lijmtype.

Styreen-butadieen (ook wel SBR: styreen-butadieen-rubber) lijmen zijn niet aangetroffen in VIB's, maar worden in de literatuur wel genoemd als bindmiddel voor tapijtlijm. Ze zijn opgebouwd uit de monomeren styreen en butadieen. De lijmen bevatten variërende gehalten monomeren of oligomeren. Grondstoffabrikanten geven aan dat ze het de gehalten aan deze stoffen zo laag mogelijk houden. Evenals bij de acrylaten geschiedt de uitharding door verdamping van het water, en uitvloeiing van de polymeerbolletjes.

De verschillen tussen de hierboven genoemde lijmtypen zijn niet groot. Het zijn alledrie latices. Er zijn kleine verschillen in kleefkracht, viscositeit, tack, resistentie tegen lage of hoge temperaturen, vocht, chemicaliën, en flexibiliteit. Ook de prijs kan 15


verschillen vertonen. Om de eigenschappen te verbeteren worden weekmakers, kleefkrachtversterkers en verdikkingsmiddelen toegevoegd.

De vulstoffen in lijmen zijn over het algemeen inert. Dit geldt hoogstwaarschijnlijk niet voor de tackifiers. Me name colofoniumhars staat bekend om zijn sensibiliserende eigenschappen. In lijmen worden echter `gemodificeerde' colofoniumharsen gebruikt, wat in dit geval wil zeggen: colofonium veresterd met triethyleenglycol. De zuurgroepen van de hoogmoleculaire organische zuren in de hars, zijn derhalve op zijn minst gedeeltelijk `geïnactiveerd' door reactie met triethyleenglycol. Of de gemodificeerde hars toch nog sensibiliserend is, is niet geheel duidelijk. De verbinding heeft geen R-zinnen, maar is niet volledig geëvalueerd. Gemodificeerde colofoniumhars wordt tevens als weekmaker geleverd. Daarnaast worden zeer diverse verbindingen als weekmaker aangeboden. Butyldiglycolacetaat is irriterend voor de ogen, luchtwegen en huid, hetgeen gezien het maximale gehalte van 10% relevant is. De overige weekmakers hebben geen opvallende gezondheidsrisico's. Ftalaten zijn in de productinformatie niet aangetroffen. De verdikkingsmiddelen leveren geen noemenswaardige gezondheidsrisico's op. Urethaanverdikkers worden overigens niet veel gebruikt in lijmen (De Beer, '01). Onder de emulgatoren bevinden zich verbindingen die irriterend zijn voor de ogen en/of de huid. De gehalten zijn echter laag. Opvallend is echter het voorkomen van reproductietoxische (di-)ethyleenglycolethers onder de dispergeermiddelen. Deze zouden tevens een functie als (extra) weekmaker hebben (De Beer, '01). Wanneer met name ethyleenglycolmonomethylether inderdaad in een concentratie boven de 0,1% in de lijm zou worden toegepast, zou deze stof op het VIB van het product moeten staan. Voor de producten waarvan VIB's beschikbaar waren was dit echter niet het geval. Als biocide worden in watergedragen lijmen grotendeels dezelfde verbindingen gebruikt als in watergedragen verven (o.m. Wouters, '01). In het deelrapport over de schildersector worden deze uitgebreid besproken. Samengevat, gaat het met name om isothiazolinonen (sensibiliserend), Bronopol (`alleen' irriterend, maar niet als enige biocide in producten gebruikt) en formaldehyde. De gehalten zijn laag, maar met name isothiazolinonen zijn sterk sensibiliserend. Specifiek aangeboden voor toepassing in lijmen wordt het product dat in tabel 2.3 is beschreven: een combinatie van formaldehyde en isothiazolinonen. De concentratie MCI/MI in het eindproduct ligt in dit geval wellicht net onder de grens (15 ppm) waarboven labelling van het product met een Andreaskruis en R43 in de nabije toekomst verplicht wordt. Tenslotte kunnen lijmen in zeer lage gehalten ontschuimers en corrosieremmers bevatten.

Resumerend, kan worden gesteld dat watergedragen vloerbedekkingslijmen op basis van acrylaten of acrylaat-vinylacetaat copolymeren, afhankelijk van de toegepaste weekmaker en tackifier, hoge gehalten irriterende stoffen kunnen bevatten (rond de 10%). Wanneer de gemodificeerde colofoniumhars inderdaad sensibiliserend voor de huid is, zou vloerbedekkingslijm met deze tackifier als product ook (sterk) sensibiliserend zijn. Dit zou dan eveneens gelden voor de conventionele oplosmiddelrijke lijmen, welke ook vaak (gemodificeerde) colofoniumharsen als 16


tackifier bevatten. Dit zou dan echter wel in de etikettering van het product tot uiting moeten komen, hetgeen voor zover bekend niet het geval is.

VOS-arme lijm voor trappen en plinten
Tabel 2.4 bevat de globale samenstelling van een oplosmiddelvrije, 1-component polyurethaanlijm, die toegepast kan worden als lijm voor plinten en voor vloerbedekking op trappen (en als parketlijm: zie hfst. 3). De tabel is gebaseerd op productinformatie van één leverancier. Het toepassingsgebied voor deze lijm wordt door de leverancier omschreven als "vullende lijm voor hout, beton, diverse kunststoffen etc."

Tabel 2.4 Globale samenstelling 1-component polyurethaan lijmen (trappen/plinten) Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid) 4,4-Difenylmethaan- 25-50% R20,36,37,38,42 bindmiddel- diisocyanaat (MDI) monomeer Benzylbutylftalaat 25-50% R20,21,22,36,37,38,40 weekmaker Vulmiddelen < 50% -

De lijm bevat volgens de productinformatie een hoog gehalte diisocyanaat, welke irriterend is voor ogen, luchtwegen en huid, en sensibiliserend voor de luchtwegen. De betreffende diisocyanaat is echter weinig vluchtig. Overigens zullen hoogstwaarschijnlijk oligomeren aanwezig zijn, en een beperkter percentage monomeer diisocyanaat. Tevens bevat de lijm een hoog gehalte benzylbutylftalaat als weekmaker. Deze verbinding is eveneens irriterend voor ogen, luchtwegen en huid, en bovendien verdacht carcinogeen. Ook deze ftalaat is (zeer) weinig vluchtig (zie verder hf. 4 ­ blootstelling).

Conventionele oplosmiddelrijke contactlijm voor trappen en plinten Tabel 2.4.a beschrijft de globale samenstelling van een oplosmiddelrijke contactlijm op basis van het synthetische rubber polychloropreen, die vóór het ingaan van de Vervangingsregeling het meest werd toegepast voor het lijmen van trappen en plinten (Van Broekhuizen et al., '86; Van Raalte et al., `92; Van den Boom et al., `94).

17


Tabel 2.4.a Globale samenstelling oplosmiddelrijke contactlijm (trappen/plinten) Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid) Polychloropreen 15-20% - Bindmiddel Tolueen max. 75% R11, 20 Oplosmiddel Methylethylketon (samen) R11, 36, 37, 66, Ethylacetaat 67 Cyclohexaan R11, 36, 66, 67 R11, 38, 65, 67 Gemodificeerde colofoniumhars of 5-10% - Tackifier Gemodificeerde indeen- - coumaronhars
Minerale olie of ~ 5% R65 Weekmaker Ftalaten (R40?) Zinkoxide, of < 1% - Harder Magnesiumoxide - Butylhydroxytolueen of < 0,5% R22, 36, 37, 38 Anti-oxidant p-Fenyleendiamine R23, 24, 25, 43

Het meest opvallende aspect aan de conventionele contactlijm is het zeer hoge oplosmiddelgehalte. De betreffende oplosmiddelen zijn bovendien zeer vluchtig, en sterk huid-ontvettend en/of irriterend. Daarnaast bevat ook deze lijm een tackifier waarvan niet exact duidelijk is in hoeverre deze nog allergene eigenschappen heeft. Het monomeer chloropreen van het bindmiddel is schadelijk voor de voortplanting en verdacht kankerverwekkend, maar is in de lijm `waarschijnlijk niet aanwezig' (Van Broekhuizen et al., '86). Wel bevat contactlijm nog een aantal overige additieven, zoals anti-oxidanten, harders en weekmakers. In tabel 2.4.a zijn de meest gebruikelijke additieven opgenomen, maar in principe zijn er nog veel meer mogelijke verbindingen (Van Raalte et al., '94). Een aantal ftalaten is verdacht kankerverwekkend. De anti- oxidanten p-fenyleendiamine en BHT zijn bekende allergenen, hoewel BHT niet als zodanig is gelabeld.

2.3.1 Primers voor tapijtlijmen
Bij een zeer harde ondergrond wordt soms gebruik gemaakt van epoxy primers vóórdat het tapijt wordt gelijmd. Voor de beschrijving van watergedragen epoxyprimers wordt verwezen naar paragraaf 3.2.1.

2.4 Reinigingsmiddelen voor gereedschap en handen Niet-uitgeharde lijmresten zullen met water verwijderd kunnen worden, voor zover het om watergedragen lijmen gaat. Voor uitgeharde lijmresten en resten van 1-component polyurethaanlijmen zullen hoogstwaarschijnlijk oplosmiddelen gebruikt worden. Het verwijderen van uitgeharde lijmresten is bijzonder moeilijk, en vereist in het algemeen relatief agressieve oplosmiddelen. Verbindingen die hiervoor gebruikt worden, zijn bijvoorbeeld (nog steeds) methyleenchloride en methylethylketon. Ook thinner wordt wellicht gebruikt. Al deze oplosmiddelen zijn zeer vluchtig, en ontvetten de huid sterk. Methyleenchloride is bovendien verdacht carcinogeen. 18


Het is aan te nemen, dat de genoemde oplosmiddelen tevens gebruikt worden om de handen te reinigen. Hoe frequent dit gebeurt is echter niet bekend.

Tabel 2.5 Enkele door tapijtlijmers gebruikte reinigingsmiddelen Type-aanduiding Globale samenstelling Gehalte R-zinnen Thinner - Xyleen 30-60% 20,21,38 (voorbeeld) - n-Butanol 10-30% 20
- n-Butylacetaat 10-30% -
- Aceton 10-30% - Methylethylketon 100% 36,37 Methyleenchloride 100% 40

19



3. SAMENSTELLING EN GEZONDHEIDSRISICO'S VAN
PRODUCTEN GEBRUIKT DOOR PARKETLEGGERS

Ongeveer 1000 parketleggers vallen onder de CAO voor parketvloerondernemingen (de Kruif, '01). De volgende producten worden door parketleggers toegepast:

egaliseermiddelen (stopverf voor hout of cement voor beton) parketlijmen
houtlijm (bij zwevend parket)
voegmiddelen
parketlakken
primers (voor parketlak)
parketoliën en ­wassen: boenwas, vernis/verglazer, beits, lijnolie reinigingsmiddelen voor gereedschap en handen

Daarnaast is er blootstelling aan houtstof.
In het navolgende, een bespreking van de ruwe samenstellingen van een aantal product-typen, op grond van product-informatie die van leveranciers is ontvangen, en de literatuur. De nadruk in de bespreking ligt op de oplosmiddelarme producten die sinds de Vervangingsregeling toegepast dienen te worden. Aangezien de Vervangingsregeling met name door de kleinere bedrijven nog slecht zou worden nageleefd (Van de Wiel & Bos, '01), wordt echter tevens aandacht besteed aan de conventionele oplosmiddelrijke producten.

3.1 Egaliseermiddelen
Voor de egaliseermiddelen wordt verwezen naar paragraaf 2.1 in het hoofdstuk over tapijtleggers.

3.2 Parketlijmen
Er bestaan (zeer) diverse typen oplosmiddelarme parketlijmen. Parketlijmen met als bindmiddel polyvinylacetaat- dispersies worden veel aangeboden, evenals 1K- of 2K polyurethanen op basis van MDI. Het voordeel van polyurethaan boven polyvinylacetaat is de grotere flexibiliteit. Daarnaast vindt men redispergeerbare poederlijmen op basis van cement. Van al deze vier typen parketlijm is productinformatie ontvangen (o.m. Wakol, 01). De oplosmiddelarme lijmen dienen ter vervanging van de conventionele oplosmiddelrijke contactlijmen op basis van polychloropreen. Dit lijmtype is in hoofdstuk 2 (tabel 2.4.a) beschreven. Overigens komen er geluiden uit de branche dat de Vervangingsregeling nog slecht wordt nageleefd, en dat oplosmiddelrijke lijmen nog veel worden toegepast (FNV Bouw, '02; Van de Wiel & Bos, `01).

Onderstaande globale samenstelling van een oplosmiddelvrije 2-component polyurethaanlijm is gebaseerd op veiligheidsbladen en aanvullende informatie van twee leveranciers.
20



Tabel 3.1 Globale samenstelling oplosmiddelvrije 2-component polyurethaan parketlijm
Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid) A-component:

- Polyurethaan polymeer - bindmiddel
- Castor olie - crosslinker/tackifier? (plantaardige olie) - vulmiddel
- Kalk (CaCO3)
B-component:
(Poly)4,4- 50-100% R20,36,37,38,42/(43) bindmiddel- Difenylmethaan- monomeer diisocyanaat (MDI),
(+ isomeren +
homologen; CAS 9016-
87-9)

Voor de A-component werden in het veiligheidsblad geen componenten opgegeven, maar in de aanvullende informatie wel. De gezondheidsrisico's van de bestanddelen zijn beperkt. Voor de B-component daarentegen wordt een hoog gehalte monomeer diisocyanaat opgegeven. Het daarbij vermelde CAS-nummer verwijst echter naar "polymeer MDI". Het betreffende mengsel zal minder dan de vermelde 50-100% vrij isocyanaat (MDI) bevatten. De leverancier geeft een mengverhouding van A:B van 8:1, en komt daarmee tot een `vrij isocyanaat-gehalte' van 11% voor de lijm. Het werkelijke gehalte MDI zal lager liggen.
MDI is irriterend voor de ogen, luchtwegen en de huid, en in ieder geval sensibiliserend voor de luchtwegen. Eén van beide leveranciers vermeldt ook de R43 voor sensibilisatie via de huid. Mogelijk is dit terug te voeren op de aanwezigheid van bepaalde isomeren en homologen. MDI is overigens een relatief weinig vluchtige isocyanaat. Volgens de literatuur zijn overigens ook de prepolymeren nog sensibiliserend, als gevolg van de resterende actieve groepen in het molecule (Snippe et al., '01).

Tabel 3.2 bevat een globale samenstelling van een oplosmiddelvrije 1-component polyurethaanlijm. Deze is gebaseerd op veiligheidsbladen en aanvullende informatie van twee leveranciers.

Tabel 3.2 Globale samenstelling oplosmiddelvrije 1-component polyurethaan parketlijm
Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid)
-Polyurethaan - - bindmiddel prepolymeer 10-20% R20,36,37,38,42,(43) bindmiddel-
- MDI - - monomeer
- Kalk (CaCO3) vulmiddel 21



Castor olie wordt voor de 1-component lijm niet vermeld. Het veiligheidsblad geeft een gehalte van 50-100% voor de (poly)difenylmethaan-diisocyanaat. De aanvullende informatie van de leverancier vermeldt het vrije MDI-gehalte van 10-20%. Ondanks dat het gehalte vrij MDI in de lijm hoger is dan in de gemengde 2-componenten lijm, geeft de leverancier de voorkeur aan de 1-componentenlijm, aangezien in dat geval niet met "puur isocyanaat" hoeft te worden gewerkt (hoewel het niet daadwerkelijk om `puur' isocyanaat gaat; zie boven).

Tabel 3.3 bevat een globale samenstelling van een watergedragen polyvinylacetaat dispersielijm. De informatie is afkomstig van één leverancier.

Tabel 3.3 Globale samenstelling watergedragen polyvinylacetaat-dispersie parketlijm Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid) Polyvinylacetaat/~ethyleen- (15-35%) - bindmiddel dispersie
Kalk (40-60%) - vulmiddel Polyvinylalcohol ? - stabilisator dispersie Di-isobutyl ftalaat < 3% R36/37/38-40 weekmaker MCI/MI < 0,15% R23,24,25,34,43 biocide

De gehalten aan bindmiddel en vulmiddel zijn geschat aan de hand van de gehalten die voor tapijtlijmen worden gegeven (zie tabel 2.3). De stabilisator polyvinylalcohol bestaat in varianten met sterk uiteenlopende molecuulgewichten (7000 tot 97000). Geen van de varianten is gelabeld met R-zinnen. Het monomeer vinylalcohol kan in lage percentages aanwezig zijn. Deze stof is niet volledig onderzocht op gezondheidseffecten (VIB's div. leveranciers).
De gebruikte weekmaker is verdacht carcinogeen en/of verdacht mutageen. Tevens geeft de leverancier zelf aan, dat de stof verdacht wordt van reproductietoxische eigenschappen. Daarom wordt gewerkt aan vervanging door benzoaat- of adipaat- gebaseerde weekmakers. Di-isobutylftalaat is overigens niet vluchtig. Het opgegeven gehalte voor de biocide is erg hoog (d.w.z. de bovengrens). Waarschijnlijk gaat het om een formulering met een gehalte actieve stof benden de 10%, zodat het gehalte biocide in het product op de gebruikelijke waarden beneden de 0,01% uitkomt.
Niet genoemd in de richtreceptuur in tabel 3.3, maar wel in de productinformatie van een andere leverancier, is het cosolvent butyldiglycolacetaat. Het gehalte hiervan was "< 2,5%"; de stof is irriterend voor de ogen en de huid.

Tabel 3.4 bevat een globale samenstelling van een watergedragen parketlijm op cementbasis. Deze is gebaseerd op de veiligheidsbladen en aanvullende informatie van twee leveranciers. Het betreft redispergeerbaar poeders, die de parketlegger zelf moet oplossen in water.

22


Tabel 3.4 Globale samenstelling watergedragen parketlijm op cementbasis(vóór redispersie)
Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid) Cement 20-50% R38, 41 bindmiddel/vulstof Portlandcement 2,5-10% R36, 38,43 bindmiddel/vulstof Calciumsulfaat (gips) of kalk 2,5-10% - bindmiddel/vulstof Polyvinylacetaat ? - bindmiddel IJzer(II)- en IJzer(III)-oxide ? - pigment

De bindmiddelen cement en Portlandcement zorgen in deze lijm voor de voornaamste risico's. Aangemaakt (nat) cement is sterk alkalisch (pH 12-13), en kan bij herhaald huidcontact aanleiding geven tot irritatief eczeem. Dit wordt versterkt door de schurende werking op de huid. Cementstof (niet-aangemaakt) is irriterend voor de ogen en luchtwegen. Cement bevat van nature bovendien een (laag) gehalte aan chromaten: `zeswaardige' chroomverbindingen die sensibiliserend zijn voor de huid (< 0,1%). In de bouw is allergisch chromaateczeem als gevolg van blootstelling aan cement ­ daarom ook wel aangeduid als `cement-eczeem' - een bekend probleem. `Zeswaardig' chroom is bovendien reproductietoxisch (R61 & R62) en verdacht carcinogeen (R40).
Het natuurlijke chromaatgehalte van cementgrondstoffen varieert relatief sterk van regio tot regio. Het Nederlandse cement is van nature chromaat-arm. Helaas wordt ook goedkoop, relatief chromaat-rijk cement ingevoerd vanuit bijvoorbeeld Oost-Europa. Overigens wordt ook het Portlandcement van de grootste Nederlandse leverancier met een R43 voor huid-sensibilisatie gelabeld. Het onderscheid tussen `cement' en `Portlandcement' in de hier beschreven lijm, zit waarschijnlijk in het gehalte aan chroomverbindingen. Dit verklaart dat de één wel en de andere niet met R43 gelabeld is.
Eén van de leveranciers vermeldt nog, dat het gehalte monomeer in de polyvinylacetaathars lager dan 300 ppm is. Het monomeer vinylacetaat is echter niet (gelabeld als) schadelijk. De lijm op cementbasis bevat géén biocide en geen emulgator.

3.2.1 Primers voor parketlijmen
Enkele leveranciers van polyurethaan parketlijmen bevelen het gebruik van primers op basis van acrylaatdispersies of epoxy's aan, vóór het aanbrengen van de lijm. Acrylaatdispersies voor deze toepassing lijken in samenstelling hoogstwaarschijnlijk sterk op muurverven, afgezien van het pigment. Ze bestaan grotendeels uit inert vulmiddel, en het oplosmiddelgehalte is zeer laag (1 à 2%, of zelfs oplosmiddelvrij). Als biocide worden in acrylaatdispersies veelal isothiazolinonen gebruikt. Het gehalte is met 20 à 100 ppm erg laag, maar isothiazolinonen worden al bij zeer lage concentraties als potentieel sensibiliserend beschouwd. Het totaal aan huidirriterende en/of sensibiliserende stoffen in acrylaatdispersies voor vloeren of muren is zeer laag (< 0,1%).
23


Primers op basis van epoxy's kennen aanzienlijk meer risico's, met name voor de huid. Het meest waarschijnlijk in deze toepassing is een watergedragen epoxyprimer. Een globale samenstelling staat in tabel 3.5.

Tabel 3.5 Samenstelling van een `gemiddelde' watergedragen epoxy primer Component Gewichts% R-zinnen Functie (gezondheid) Harscomponent:

- Epoxyhars bisfenol-A 50-100% R36, 38, 43 bindmiddel (50-100%)

- Epoxyhars Bisfenol-F 25-50% R43 bindmiddel (25-50%)

- Reactieve verdunners 10-25% R36, 38, 43 verdunningsmiddel (10-25%)
Hardercomponent:

- Polyamine-epoxyhars 10-25% tot 50- R22, 41 verharder adduct 100%

De harscomponent van watergedragen epoxyprimers bevat sensibiliserende bestanddelen in hoge gehalten. De reactieve verdunner bestaat uit één of meer diglycidylethers, waarvan 1,6-hexaandiol diglycidylether de meest toegepaste is. Epoxyharsen zijn `zelf-emulgerend' zodat een emulgator niet nodig is (Faber, '01).

Voor de hardercomponent geeft de productinformatie als bestanddeel slechts polyamine-epoxyhars adducten. Deze zijn `corrosief voor de ogen' (R41 ­ gevaar voor ernstig oogletsel), maar niet corrosief en/of sensibiliserend voor de huid, zoals de `vrije' (poly-)aminen. Het gehalte vrije amine in de `adductverharders' voor watergedragen primers is < 1%, zodat deze niet op het veiligheidsblad vermeld hoeven te worden.

3.3 Houtlijm
Houtlijmen zijn watergedragen lijmen op basis van polyvinylacetaat-dispersies. Zij worden gebruikt voor zgn. `zwevend parket'. De lijm dient daarbij niet om het parket op de ondergrond te lijmen, maar om de parket-delen aan elkaar te lijmen. Houtlijmen bestaan in `standaard' uitvoering en in `extra vochtbestendige' ("speciaal voor laminaatparket") en `snelle' uitvoeringen (productinfo Bison). In alle gevallen gaat het echter om watergedragen PVAc-dispersies. De onderlinge verschillen worden uit de productinformatie niet duidelijk. Voor een globale samenstelling van deze dispersielijmen kan worden verwezen naar tabel 3.3.

3.4 Voegmiddelen
Drie typen voegmiddelen voor parket zijn in de productinformatie van leveranciers gevonden: kitten op basis van nitrocellulose, polyurethaan en polyacrylaten. Producten op basis van nitrocellulose bevatten, net als de nitrocelluloselakken, hoge gehalten oplosmiddelen. De parketlegger mengde het geleverde product zelf met houtstof om een voeg in dezelfde kleur als het parket te krijgen. Voegmiddelen werden 24


in de oorspronkelijke Vervangingsregeling niet met name genoemd, maar zijn later toegevoegd1. De oplosmiddelrijke voegmiddelen worden mogelijk wel nog steeds toegepast.
Momenteel worden veelal polyacrylaat-dispersies aangeboden als voegmiddel. Deze producten lijken hoogstwaarschijnlijk sterk op de acrylaatkitten die door schilders worden gebruikt. Het verschil zit waarschijnlijk in de vulstof, die in geval van voegmiddelen voor parket uit houtstof zal bestaan. Verder bevat de acrylaatdispersie hoogstwaarschijnlijk een conserveermiddel op basis van isothiazolinonen (sensibiliserend).
Tenslotte worden ook voegmiddelen op basis van polyurethaan aangeboden. Deze lijken sterk op de 1-component polyurethaankitten die door schilders worden gebruikt. Het oplosmiddelgehalte ligt op 4 à 8%, waarmee ze aan de Vervangingsregeling voldoen (grenswaarde van 100 g/l voor `voorbehandelingsmiddelen' geldt).

Tabel 3.6 Overzicht van de voornaamste bestanddelen van veel gebruikte voegmiddelen
Type- Globale samenstelling Gehalte R-zinnen Functie aanduiding
Nitrocellulose - Nitrocellulose R11 bindmiddel
- Alcoholen, b.v. >70% R11,36,67 oplosmiddel isopropanol

- Houtstof (zelf vulstof toegevoegd)
Acrylaat- - Acrylaat - bindmiddel dispersie polymeerdispersie -
- Houtstof < R23,24,25,34,43 vulstof
- MCI/MI 0,01% biocide Polyurethaan - Prepolymeer bindmiddel isocyanaat 2,5-5% R11,20
- Tolueen 1-2,5% R65 oplosmiddel
- Solvent nafta < 0,1% R20,36,37,38,42,43 monomeer
- MDI bindmiddel
- Houtstof vulstof
3.5 Parketlakken
Als gevolg van de vervangingsverplichting is het gebruik van oplosmiddelrijke parketlakken (meestal nitrocelluloselak) niet meer toegestaan. Er komen echter geluiden uit de branche dat oplosmiddelrijke producten nog veel worden toegepast, net als oplosmiddelrijke lijmen (FNV Bouw, '02; Van de Wiel & Bos, `01). In de literatuur en via leveranciers zijn enkele richtrecepturen verkregen van watergedragen parketlakken, welke in het navolgende worden beschreven. De producten worden overigens onder diverse termen op de markt gebracht: parketlak, parketpolish, parketvernis e.d. Ter vergelijking, wordt ook de oplosmiddelrijke nitrocelluloselak kort aangestipt.

1 Formulering in art. 4.32a Arboregeling: "het lijmen van bekleding op vloeren, trappen, wanden of plafonds van de betreffende woningen of andere gebouwen, inclusief de voorbewerking". Later zijn voegmiddelen toegevoegd. 25



3.5.1 Watergedragen PUR-acrylaat parketlak
Vanwege z'n krasvastheid wordt momenteel veelal een PUR-acrylaat als parketlak aangeboden. Net als bij de PUR-acrylaat verven voor houtwerk (zie rapport schilders) gaat het wat het bindmiddel betreft om mengsels van PUR-dispersies en acrylaat dispersies. Onderstaande richtreceptuur is overgenomen uit . Productinformatie van een grote bindmiddel-leverancier en diverse additieven- leveranciers leverden vrijwel overeenkomstige recepturen.

Tabel 3.7 Samenvatting samenstelling PUR-acrylaat parketlak (op basis van de actieve stoffen):
Component Gewichts% Functie R-zinnen (gezondheid) Water 59,0 Oplosmiddel - Polyacrylaat-polyurethaanhars 25,6 Bindmiddel - N-methylpyrrolidon 4,3 Cosolvent (?) R36, 38 PUR-dispersie Butylglycol 3,0 Cosolvent R20,21,22,37 Butyldiglycol 2,5 Cosolvent R36 Was 2,0 Mattering - SiO2- pyrogeen/chemisch 1,1 Matering/anti- - schuim 4-Ethylmorfoline 0,6 in bindmiddel R20,22 (pH-regulator) Triethylamine 0,5 in bindmiddel R20,21,22,35 (pH-reg.) Polypropyleenglycol 0,4 in anti-schuim R22 3-Butoxypropaan-2-ol 0,2 in mattering R36,38 Siloxaan copolymeer ± 0,4 anti-schuim & - vloeimiddel Dipropyleenglycolmonomethylether 0,2 vloeimiddel - Polyurethaan 0,1 Rheologie- - additief Butoxydiglycol 0,08 in rheologie- R36 additief Nonylfenolethoxylaat 0,04 in mattering R22, 36, 38 Niet benoemde component 0,03 in vloeimiddel R36,38 Isothiazolinon < 0,01% biocide R23,24,25,34,43

De leverancier van het bindmiddel vermeldt dat hierin "geen vrije isocyanaatgroepen" voorkomen. Het totale oplosmiddelgehalte is 10%, waarmee het product waarschijnlijk net beneden de grens van 125 gram/liter valt. Vanaf 1 januari 2002 zal het oplosmiddelgehalte echter net te hoog zijn (> 100 g/l). Het totale gehalte aan huidirriterende verbindingen bedraagt 5,1%. Sensibiliserende verbindingen bevat het product niet, afgezien wellicht van een laag gehalte acrylaatmonomeren. Wanneer wordt aangenomen dat de acrylaathars maximaal 0,1% monomeer bevat (Schwarz & 26


Baumstark, '01) en de lak 20% acrylaathars bevat, dan is het gehalte acrylaatmonomeer in de lak maximaal 0,02%. Echter, één van de leveranciers gaf aan, dat tevens kleine hoeveelheden monomeer worden toegevoegd, om het bindmiddel `zelf-emulgerend' te maken (Stalmach, '01). De gehalten liggen beneden de 1%, want vermelding op de VIB's vindt niet plaats. De acrylaatmonomeren worden geneutraliseerd met amineverbindingen, zoals het in de tabel genoemde triethylamine. Een in tabel 3.7 niet-genoemd cosolvent dat in productinformatie van een additieven- leverancier wordt opgegeven, is ethyldiglycol (diethyleenglycol monoethylether; R20,21,22,36). Tenslotte is het waarschijnlijk dat de lak een biocide bevat, ook al werd deze niet vermeld in de richtreceptuur. Het meest waarschijnlijke biocide is een isothiazolinon (sensibiliserend voor de huid), in een gehalte < 0,01%.

3.5.2 Watergedragen polyurethaan parketlakken (1-K) Een volledige richtreceptuur voor watergedragen 1-component polyurethaan parketlakken is niet verkregen, maar wel is de samenstelling van twee bindmiddelen voor dergelijke lakken bekend. Beide producten staan beschreven in tabellen 3.8 en 3.9. Hierbij wordt aangegeven dat de overige bestanddelen grotendeels overeen zullen komen met die van de PUR-acrylaat parketlak uit tabel 3.7. Onderstaande bindmiddelen zijn volgens de leverancier als gevolg van de vetzuur-modificatie, `self- crosslinking' via reactie met zuurstof uit de lucht.

Tabel 3.8 Bindmiddel voor een watergedragen polyurethaan parketlak Component Gewichts% Functie R-zinnen (gezondheid) Water 59,0 Oplosmiddel - Aromatische, vetzuur-gemodificeerde 31,0 Bindmiddel - polyurethaanhars
N-methylpyrrolidon 7,5 Cosolvent R36, 38 (?) Dimethylamino ethanol 1,5 pH-regulator R20,21,22,34 Dipropyleenglycol monomethylether 1,0 Cosolvent -

Tabel 3.9 Bindmiddel voor een watergedragen polyurethaan parketlak Component Gewichts% Functie R-zinnen (gezondheid) Water 59,0 Oplosmiddel - Alifatische, vetzuur-gemodificeerde 34,0 Bindmiddel - polyurethaanhars
N-methylpyrrolidon 5,8 Cosolvent R36, 38 (?) Triethylamine 1,1 pH-regulator R20,21,22,35 Dipropyleenglycol monomethylether 1,0 Cosolvent -

Parketlakken op basis van één van beide bindmiddelen zullen niet wezenlijk verschillen van de bovenbeschreven PUR-acrylaatlak, in ieder geval niet wat betreft gezondheidsrisico's. Ook aan deze bindmiddelen worden naar verluidt kleine 27


hoeveelheden (< 1%) acrylaatmonomeren toegevoegd, om een `zelf-emulgerend' effect te krijgen. Deze monomeren zijn sensibiliserend voor de huid. Eén leverancier van 1-component polyurethaandispersies, levert tevens een isocyanaat-verharder voor deze lak, ondanks dat de dispersie uitgereageerde polyurethaan-polymeer bevat. Het isocyanaat in deze verharder zou reageren met de nog aanwezige vrije hydroxyl-groepen in het polyurethaan (afkomstig van de polyol). Op deze manier vindt `extra crosslinking' plaats, waardoor de coating nog harder wordt.

3.5.3 Primers voor parketlakken
Als primer voor parketlakken worden veelal producten op basis van polyacrylaat- dispersies aangeboden. Een geschatte, ruwe samenstelling voor een dergelijke primer staat in tabel 3.10 (gebaseerd op div. productinformatie). De acrylaatdispersie bevat ± 6,5% huid-irriterende verbindingen. Alleen de biocide is sensibiliserend, en bevindt zich in een gehalte < 0,01% in de primer. Het grootste verschil met een watergedragen acrylaatdispersie verf (primer of aflak) is het ontbreken van een pigment.

Tabel 3.10 Geschatte samenstelling acrylaat-dispersie primer voor parket Component Gewichts% Functie R-zinnen Water 40,0 Oplosmiddel - Acrylaat polymeer 20,0 Bindmiddel - Vulstoffen 30,0 - Propyleenglycol 6,0 Cosolvent 20,21,22 36,37,38 Dipropyleenglycolmonomethylether 2,0 Cosolvent - Polyether-polyurethaan copolymeer ± 1,0 Verdikker - Triethylamine 0,3 pH-stabilisator 20,21,22,35 Nonylfenolethoxylaat 0,2 Dispergeermiddel 36, 38 Na-polyacrylaat 0,15 Dispergeermiddel - 2-Fenoxyethanol ± 0,1 Oplosmiddel in 22,36 verdikker 2-Butoxyethanol ± 0,1 Oplosmiddel in 20,21,22,37 verdikker 1,2-Ethaandiol ± 0,1 Dispergeermiddel 22 2,4,7,9-Tetramethyl-5-decyn-4,7- ± 0,1 Dispergeermiddel 36 diol
Anionisch en nonionisch tenside ? Dispergeermiddel 36 (38) in acrylaatdispersie Isothiazolinon ~ 0,01 Biocide 23,24,25,34,43

3.5.4 Conventionele oplosmiddelrijke parketlakken
Vóór het ingaan van de vervangingsregeling, en door een deel van de parketleggers nog steeds, werden met name nitrocelluloselakken toegepast als parketlak. Een globale samenstelling staat in tabel 3.10.a (GISBAU, '00). 28


Tabel 3.10.a Globale samenstelling oplosmiddelrijke nitrocellulose parketlak Component Gewichts% R-zinnen Functie Cellulosenitraat 5-15% R1, 3 Bindmiddel Alkyd of acrylaatpolymeer 5-15% - Bindmiddel Ethylacetaat 70-80% R11, 36, 66, 67 Oplosmiddelen Butylacetaat (samen) R10, 66, 67 Methylethylketon (Butanon) R11, 36, 37, 66, 67 Tolueen R11, 20 Xyleen R10, 20, 21, 38 Ethylbenzeen R11, 20 Butanol R10, 22, 37, 38, 41, Isopropylalcohol 67 R11, 36, 67 Ftalaten (b.v. di-octylftalaat) of (R40) Weekmakers Adipaten/ succinaten/ - gluconaten
Vulstoffen -

Nitrocellulose parketlakken hebben een zeer hoog oplosmiddelgehalte. De betreffende oplosmiddelen zijn bovendien in het algemeen zeer vluchtig, en sterk huid-ontvettend en/of irriterend. Het (pure) bindmiddel is explosief, maar is niet geclassificeerd voor gezondheidsrisico's. Tenslotte kunnen ftalaten als weekmaker voorkomen, zoals het verdacht kankerverwekkende di-octylftalaat.

3.6 Parketoliën en ­wassen
Er is een breed scala aan `parketverzorgingsproducten' op de markt, die een oppervlakkige beschermlaag vormen, en - met name - glans aan het parket geven. Onderscheiden worden parketolie en parketwas, hoewel het toepassingsgebied lijkt te overlappen. Ook combinaties van oliën en wassen komen voor. Er bestaan zowel oplosmiddelhoudende als oplosmiddelvrije en watergedragen oliën. Voor wassen zijn alleen oplosmiddelhoudende varianten aangetroffen. Tabel 3.11 geeft een overzicht van de informatie die uit technische productbladen en (enkele) product-veiligheids- bladen afkomstig is.
29


Tabel 3.11 Globaal overzicht van bestanddelen in parketoliën en -wassen Producttype Component Gewichts% Functie R-zinnen Parketolie; Houtolie 100% bescherming/gla - oplosmiddelvrij Lijnolie (samen) ns - Parketolie; Water oplosmiddel - watergedragen `Natuurlijke olie' bescherming/gla - N-methylpyrrolidon 1-5% ns R36,38 cosolvent? Parketolie; `Natuurlijke oliën' bescherming/gla - Oplosmiddel- `Natuurlijke ns R10,20,21,22,36, houdend oplosmiddelen' oplosmiddel 38,43,65 (waarschijnlijk
terpentijn)
Parketwas; Polyacrylaat- bindmiddel - watergedragen dispersie bescherming/gla - Was 1-5% ns R22,41 Alcohol ethoxylaat < 1% emulgator R43 Trisisobutylfosfaat 1-5% weekmaker - Tributhoxyethylfosfa 1-5% weekmaker(?) R22 at < 0,14% cosolvent R23,24,25,40,4 Ethyldiglycol biocide 3 Chlooracetamide
Parketwas; `Natuurlijke en 5-15% bescherming/gla - Oplosmiddel- synthetische ns houdend wassen'
Terpentijnolie ) R10,20,21,22,3 )samen oplosmiddel 6,38,43,65 >30% White spirit R65 Siliconenhars oplosmiddel - waterafstotend
* In geval van citrus-terpenen (meest waarschijnlijke bestanddeel)
Helaas is de beschikbare informatie omtrent parketoliën en -wassen niet erg volledig. Toch lijkt het dat de oplosmiddelvrije en watergedragen oliën weinig belastend zijn. De watergedragen was bevat echter een sensibiliserende weekmaker en biocide, terwijl het biocide tevens verdacht carcinogeen/mutageen is. De oplosmiddelhoudende systemen, met name die met `natuurlijke oplosmiddelen', bevatten hoge percentages bestanddelen die irriterend en sensibiliserend voor de huid zijn.

3.7 Reinigingsmiddelen voor gereedschap en handen Aangezien parketleggers evenals tapijtleggers met lijmen werken, zullen de gebruikte producten waarschijnlijk grotendeels overeen komen. Niet-uitgeharde lijmresten zullen met water verwijderd kunnen worden, voor zover het om watergedragen lijmen gaat.
30


Voor uitgeharde lijmresten en resten van 1- en 2-component polyurethaanlijmen zullen hoogstwaarschijnlijk oplosmiddelen gebruikt worden. Het verwijderen van uitgeharde lijmresten is bijzonder moeilijk, en vereist in het algemeen relatief agressieve oplosmiddelen. Verbindingen die hiervoor gebruikt worden, zijn bijvoorbeeld (nog steeds) methyleenchloride en methylethylketon. Ook thinner wordt wellicht gebruikt. Al deze oplosmiddelen zijn zeer vluchtig, en ontvetten de huid sterk. Methyleenchloride is bovendien verdacht carcinogeen. Het is aan te nemen, dat de genoemde oplosmiddelen tevens gebruikt worden om de handen te reinigen. Hoe frequent dit gebeurt is echter niet bekend. Een speciale industriële handreiniger die door parketleggers werd genoemd, is een tissue die is geïmpregneerd met oplosmiddelen, `dibasic esters' en andere werkzame stoffen (zie tabel 3.13).

Tabel 3.12 Enkele door parketleggers gebruikte reinigingsmiddelen Type-aanduiding Globale samenstelling Gehalte R-zinnen Thinner - Xyleen 30-60% 20,21,38 (voorbeeld) - n-Butanol 10-30% 20
- n-Butylacetaat 10-30% -
- Aceton 10-30% - Methylethylketon 100% 36,37 Methyleenchloride 100% 40

Tabel 3.13 Samenstelling industriële reinigingstissue (ref.: Deb, '01) Component Functie Gehalte R-zinnen Opmerkingen Katoenvezel drager 50- - 100% Water oplosmiddel 50- - 100% Ethanol oplosmiddel 5-10% 11 Dimethyl glutaraat reiniger/ weekmaker 1-5% (36,37,38) dibasic ester Dimethyl succinaat reiniger/ weekmaker 1-5% - dibasic ester Glycerine huidverzachtend 1-5% 36,38 Trideceth-5 tenside 0,1-1% - (reiniger/emulgator)
Cetrimonium ? 0,1-1% 22,37,38,41 bromide
Dimethyl adipaat reiniger/ weekmaker 0,1-1% - dibasic ester Geurstof 0,1-1%

Volgens de leverancier van de reinigingstissues bevatten de tissues ook nog D-limoneen (R38, irriterend voor de huid), maar dit bestanddeel wordt niet vermeld op het Veiligheidsblad van het product (Deb, '01). D-limoneen met overigens niet worden verward met limoneen, dat sensibiliserend voor de huid is (R43). Niet alle bestanddelen in het reinigingsdoekje zijn volledig geëvalueerd op gezondheidsrisico's. Ook dimethylglutaraat heeft vooralsnog geen R-zinnen, maar de leverancier geeft aan dat de stof irriterend is voor de luchtwegen en de huid, en sterk irriterend voor de ogen 31


(Du Pont, '02). In feite moeten alle drie de dibasic esters als irriterend worden beschouwd (ze zijn in gebruik als verfverwijderaar), en geldt hetzelfde voor de tenside, cetrimonium bromide en glycerine (toegevoegd als `huidverzachtende stof').

32


4. BLOOTSTELLING VAN DE HUID, LUCHTWEGEN EN OGEN AAN BESTANDDELEN VAN PRODUCTEN

Dit hoofdstuk vangt aan met een algemene bespreking van de beschikbaarheid van meetgegevens. Vervolgens wordt de blootstelling van de tapijtlegger en de parketlegger tijdens de diverse werkzaamheden besproken.

4.1 Beschikbaarheid van meetgegevens - algemeen Blootstelling via de luchtwegen
Recente meetgegevens van de blootstelling van de beroepsgroepen stoffeerders en parketleggers zijn bijzonder schaars. In het verleden zijn wel metingen uitgevoerd naar de blootstelling aan organische oplosmiddelen uit lijmen, lakken en andere producten die door stoffeerders en parketleggers worden gebruikt (onder meer Barig, 1994, Geuskens, 1993a, GISBAU 1993), maar de producten waarvan in die onderzoeken sprake was, mogen thans niet meer binnenshuis worden gebruikt. In Barig 1994 bijvoorbeeld zijn concentraties tolueen gemeten die vrijkwamen uit watergedragen lijm. Tolueen wordt in de huidige watergedragen lijmen echter niet meer als oplosmiddel gebruikt. Hetzelfde geldt voor de metingen die zijn uitgevoerd door GISBAU, 1993. Meetgegevens over blootsteling aan de vluchtige bestanddelen van de huidige producten, bijvoorbeeld weekmakers, cosolvents en silanen, zijn eveneens schaars. Alleen in GISBAU, 1993 wordt gemeld dat bij het gebruik van watergedragen parketlak geen overschrijdingen van de MAC-waarden worden gemeten. Verdere gegevens zijn helaas niet voorhanden.
Voor schilders zijn er vele onderzoeken geweest naar de bloostelling aan verfbestanddelen via de luchtwegen. De gegevens daaruit kunnen deels worden gebruikt voor een inschatting van de blootstelling van stoffeerders en parketleggers. Daarbij dienen echter de volgende kanttekeningen te worden gemaakt. Alleen die verfproducten die qua samenstelling en wijze van applicatie overeenkomen met producten die door stoffeerders en parketleggers worden gebruikt, dienen in de analyse te worden meegenomen. Muurverven die met een roller worden aangebracht komen dan overeen met acrylaatprimers, en watergedragen houtverven, voor zover met roller aangebracht, met de watergedragen 1K parketlakken. Voorts moet rekening worden gehouden met een eventueel verschil in tijdsduur die benodigd is voor een bepaalde activiteit.
Voor de blootstelling via de luchtwegen aan bestanddelen van watergedragen lijmen, die met een lijmkam worden aangebracht, zijn er geen analogieën met verfapplicaties. Voor de epoxy primers en egaliseermiddelen kan gebruik worden gemaakt van gegevens over vloerenleggers.

Blootstelling aan biociden
In verscheidene watergedragen producten worden biociden toegevoegd om de houdbaarheid in de pot te garanderen. Metingen van de concentraties van isothiazolinon-biociden in ruimten waarvan de muren en plafonds geschilderd waren met watergedragen muurverven zijn in 1999 en 2000 verricht in Duitsland (Rosskamp et al., '01). Het betreft stationaire metingen, die resp. één dag en zeven dagen ná het 33


schilderen werden verricht. De verven bevatten de veel gebruikte combinatie methylchloorisothiazolinon/ methylisothiazolinon (MCI/MI 3:1). De ventilatie was laag (ventilatievoud ± 1). De concentraties van MCI, de meest vluchtige component, bedroegen na één dag 15-85 µg/m3 en na zeven dagen < 0,05 tot 16 µg/m3. De concentraties MI bedroegen na één dag < 0,12 tot 5 µg/m3 en na zeven dagen < 0,12 µg/m3 (Rosskamp et al., '01). Aangezien isothiazolinonen niet vluchtig zijn, is de persoonlijke blootstelling van de schilder (c.q. stoffeerder of parketlegger) mogelijk lager. De MAC-waarde voor MCI/MI bedraagt 200 µg/m3; tot 1 juni 2001 bedroeg deze echter slechts 50 µg/m3 (SDU, '01).

Blootstelling van de huid
Over de belasting van de huid is voor deze beroepsgroepen in de literatuur eveneens weinig te vinden. In GISBAU, 1993 wordt melding gemaakt van het risico op eczeem als gevolg van blootstelling aan chroomhoudend cement in egaliseermiddelen. Een artikel van Wahlberg (1985) beschrijft het voorkomen van hyperkeratosen op de handen en voeten bij tapijtleggers als gevolg van herhaalde fysieke belasting.

Bij schilders zijn wel meerdere onderzoeken uitgevoerd om inzicht te krijgen in de factoren die de mate van blootstelling beïnvloeden (Bremmer & Van Veen, '00; Brouwer et al., '00; Garrod et al., '00; Roff, '97). Deels zullen die overeenkomen met hetgeen voor tapijtleggers en parketleggers geldt.

De evaluatie van schattingen van blootstelling van de huid is echter moeilijk, omdat er geen (getalsmatige) normen voor bestaan. Bovendien is uit experimentele studies van de blootstelling via de huid bekend dat de verschillen tussen de blootgestelde personen zich over een factor 100 tot 10.000 kunnen uitstrekken (Garrod et al., '00; Bremmer & Van Veen, `00). Wel kan een aantal factoren worden besproken die de mate van blootstelling van de huid beïnvloeden (o.m. naar Bremmer & Van Veen, '00; Roff, `97):

Wijze van applicatie
De auteurs van een in Nederland ontwikkeld model dat de blootstelling van consumenten aan verfproducten schat, nemen aan dat er wat betreft blootstelling van de huid geen verschil is tussen het gebruik van roller of kwast (Bremmer & Van Veen, `00). Dit lijkt echter niet terecht. Afhankelijk van het type roller (vachtroller vs. schuimroller), en afhankelijk van de individuele werkwijze (zie onder) kan het gebruik van rollers leiden tot het ontstaan van een `mist' van verfspatjes. Bij het gebruik van korte rollers, en derhalve het werken op de knieën, kunnen niet alleen de handen en onderarmen, maar ook het gezicht hierdoor worden blootgesteld. Vaak zullen tapijtleggers en parketleggers de primers en lakken echter staand met een lange roller aanbrengen, zodat met name de onderbenen (potentieel) worden blootgesteld. Het doseren van verf (c.q. acrylaatprimer of parketlak) in een bak die wordt gebruikt wanneer met de roller wordt gewerkt, kan leiden tot blootstelling van de huid indien wordt gemorst, of als de buitenkant van de bak verontreinigd raakt. De zorgvuldigheid van werken bepaalt de blootstelling hier sterk (zie onder). Het gebruik van rollers en 34


watergedragen producten kan verder resulteren in een extra bron van huidblootstelling indien ze onder de kraan met de hand worden schoongemaakt.

Type product
In het algemeen wordt aangenomen dat een lage viscositeit van het product de blootstelling van de huid vergroot. Voorheen waren watergedragen verven vaak `dunner' dan oplosmiddelrijke verven. De verfindustrie heeft echter veel ontwikkelingswerk gestopt in het verbeteren van de eigenschappen van watergedragen verven op dit gebied. In hoeverre er grote verschillen in viscositeit bestaan tussen de producten waarvan bij deze beroepsgroepen sprake is, is niet bekend.

Hoeveelheid gebruikt product & tijdsduur
Het ligt voor de hand, dat wanneer de hoeveelheid verbruikt product en/of de tijdsduur van het werk toenemen, de blootstelling van de huid (potentieel) ook toeneemt.

Zorgvuldigheid van werken
De zorgvuldigheid waarmee de betreffende persoon werkt is in feite de voornaamste factor die de blootstelling van de huid bepaalt (Bremmer & van Veen, '00). De hoeveelheid op de roller gebracht product, de manier van rollen (rustig/ `wild'), de manier van afstrijken van de roller aan de bak, het overgieten van het product in de bak e.d. bepalen alle in hoge mate de blootstelling van de huid.

Werkkleding
Werkkleding kan effectief beschermen tegen contact van de huid, maar kan daarentegen ook een bron van blootstelling worden (Roff, '97; Garrod et al., '00). Professionele schilders bijvoorbeeld werken vaker dan doe-het-zelvers met kleding die al vervuild is met verf als gevolg van vorige klussen. Meetgegevens met betrekking tot het werken met blote handen of met handschoenen geven aan dat de bescherming van handschoenen een factor 100 kan zijn (Garrod et al., '00). Tegelijkertijd bleek echter uit ander onderzoek ­ onder gebruikers van niet-landbouw bestrijdingsmiddelen - dat handschoenen "bijna altijd" aan de binnenkant vervuild waren (Garrod et al., '01). Dit nam overigens niet weg dat de blootstelling onder gebruikers van handschoenen lager was dan onder degenen die zonder handschoenen werkten.

Opname via de huid
In watergedragen verven (c.q. acrylaatprimers en parketlakken) kunnen een aantal bestanddelen voorkomen die goed door de huid worden opgenomen. Opname via de huid is met name relevant in de volgende gevallen (Gezondheidsraad, '01): Een goede oplosbaarheid in water én vet: log Kow tussen de ­1 en +4; Een molecuulgewicht < 500;
Een lage vluchtigheid, omdat het relatieve belang van blootstelling via de huid dan groot is;
Een (relatief) hoge toxiciteit.
Een aantal ethyleenglycolen en diethyleenglycolen die nog in de producten kunnen voorkomen voldoen aan deze criteria. In de Nationale MAC-lijst bestaat de "H- 35


notatie" voor "stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling" (SDU, '01). De volgende verbindingen die in het rapport omtrent schilders als bestanddeel van watergedragen verven zijn genoemd hebben de H- notatie:
triethylamine
2-butoxyethanol (ethyleenglycol monobutylether; EGBE) 2-(2-butoxyethoxy)ethanol (diethyleenglycol monobutylether; DEGBE) 2-(2-ethoxyethoxy)ethanol (diethyleenglycolmonoethylether (DEGEE) 2-(2-methoxyethoxy)ethanol (diethyleenglycol monomethylether; DEGME) Alleen voor de laatste stof geldt overigens dat deze ook een relatief hoge (systemische) toxiciteit heeft. Twee ethyleenglycolethers die wel een H-notatie hebben, maar die in verband met de hoge toxiciteit niet meer in bouwverven worden toegepast, zijn 2- ethoxyethanol (ethyleenglycolmonoethylether; EGEE), 2-methoxyethanol (ethyleenglycol monomethylether; EGME).

4.2 Tapijtleggers
Onderstaande besprekingen van de kansen op blootstelling bij de diverse activiteiten laat buiten beschouwing dat blootstelling kan worden voorkomen door het gebruik van beschermingsmiddelen. Dit aspect wordt aan het eind van deze paragraaf apart besproken. De informatie met betrekking tot de werkzaamheden die de tapijtlegger uitvoert, is grotendeels afkomstig uit een interview met een stofferingsbedrijf (Sipman, '01).

Werkzaamheden
Vloerbedekking (tapijt, vinyl, linoleum) kan gelegd worden in woningen en in `projecten'(kantoorgebouwen, showrooms, en dergelijke). Bij het leggen van projecten worden hogere eisen gesteld omdat sprake is van een aanzienlijk grotere belasting van de vloer (den Ronden,'95). In onderstaande beschrijving van de werkzaamheden worden de projecten als uitgangspunt genomen. Daarna wordt een vergelijking gemaakt met woningstoffering.

De volgende werkzaamheden worden achtereenvolgens uitgevoerd: aanbrengen van een primer, egaliseren, schuren, lijm aanbrengen, leggen van de vloerbedekking.

Aanbrengen van een primer
De ondergrond bepaalt voor welke primer en welke egaliseerlaag wordt gekozen. Bij zowel houten vloeren als vloeren van steenachtig materiaal wordt een acrylaat-primer gebruikt. Bij anhydriet-vloeren kan het voorkomen dat eerst het instabiele slik-laagje dient te worden afgeschuurd, maar eigenlijk dient dit door het bedrijf dat de vloer heeft gelegd, reeds te zijn gedaan.
Bij zeer harde ondergrond, zoals handgebakken tegels, wordt een epoxyprimer ingezet. Het mengen van de twee componenten van de primer zal meestal in de verpakking (verfbus) van de `stamlak' (hars, vulmiddel, oplosmiddel) plaatsvinden. Na het toevoegen van de vloeibare verharder, wordt gemengd met behulp van een lange mixer op een boortol. Handmatig mengen met behulp van een spatel is ook mogelijk, maar 36


wordt in de branche al lange tijd sterk afgeraden (Arbouw, ongedat.). In productinformatie van leveranciers wordt aanbevolen om na een eerste menging, het product over te gieten in een tweede bus en nogmaals te mengen, om onvolledige menging te voorkomen (NKC, '99).
In het algemeen wordt aangeraden om alleen de volledige inhoud van verpakking te gebruiken, en niet zelf componenten af te wegen of af te meten, teneinde de blootstelling te verlagen. Omdat de vereiste mengverhouding soms vrij complex is, is het niet waarschijnlijk dat dit advies altijd kan worden opgevolgd.

Een primer wordt primair aangebracht om de hechting van de egaliseerlaag te verbeteren. In sommige gevallen wordt een vochtscherm gebruikt. Dit is om optrekkend vocht uit de ondergrond tegen te gaan. In feite zijn dit dezelfde middelen als de primers zelf; het verschil is dat meerdere lagen (2 of 3) worden aangebracht, en dat de producten een hoger gehalte vulmiddel bevatten. Ook worden hiervoor silaanhoudende primers aangeboden.
Voor een oppervlak van ca. 250 m2 wordt ca. 3 uur besteed aan het aanbrengen van de primer.
Primers worden aangebracht door middel van een roller met een lange steel.

Huid
Blootstelling van de huid aan acrylaatprimers vindt normaliter niet plaats, indien zorgvuldig wordt gewerkt (zie boven voor factoren die hierop van invloed kunnen zijn).
Bij het doseren van de vloeibare componenten van 2K epoxy-primers in het mengvat of de menginstallatie is de kans op blootstelling van de huid als gevolg van spatten groot. Hetzelfde geldt voor het handmatig mengen met een spatel. Bij gebruik van een mixer op een lange boortol is de kans op blootstelling kleiner, maar alléén als met een laag toerental wordt gemengd. De kans op spatten zal mede afhangen van de viscositeit van het product: hoe lager, hoe meer kans op spatten.

Tijdens het aanbrengen zal blootstelling via de huid plaatsvinden via spatjes die ontstaan tijdens het rollen. De huid van de onderbenen is dan potentieel het hoogst blootgesteld, aangenomen dat deze niet goed wordt beschermd.

Luchtwegen/ogen

Acrylaatprimers
Dit type producten komt ruwweg overeen met watergedragen muurverven. Gegevens over muurverven, zoals in de literatuur zijn aangetroffen, worden hieronder samengevat.
De meest recente publicatie met betrekking tot de blootstelling aan vluchtige bestanddelen uit verven, betreft een aantal metingen die zijn uitgevoerd ter evaluatie van de OAR-benadering2 met betrekking tot binnenshuis schilderen met de kwast (Brouwer et al. ,'01). In een experimentele situatie, waarin gebruik werd gemaakt van

2 OAR: Occupational Air Requirement; een classificatiesysteem voor de gezondheidsrisico's van oplosmiddelhoudende producten.
37


standaard-ruimten en standaard-verfklussen, werden vijf verftypen (alleen houtverven) met de kwast aangebracht, terwijl de persoonlijke blootstelling van de schilder aan vluchtige organische stoffen werd gemeten. Tevens werden stationaire metingen in de ruimte verricht. De meetduur varieerde ruwweg van 30 tot 60 minuten. Daarnaast werden nog `real-time' metingen van de piekconcentraties uitgevoerd. De ventilatie tijdens de metingen werd minimaal gehouden; het ventilatievoud lag beneden de 0,2/uur (Brouwer et al., '01). Tijdens elke meting werden één deur en één of twee kozijnen geschilderd. De globale receptuur van de vijf verftypen werd verstrekt door de leverancier die aan het onderzoek meewerkte. Tabel 4.1 geeft de resultaten weer voor de watergedragen acrylaatverf.

Tabel 4.1 Meetresultaten (ranges) tijdens experimentele verwerking van watergedragen acrylaatverf binnenshuis, in 1999 en 2000. Zie de tekst voor de meetomstandigheden (bron:Brouwer et al., '01)
Ter vergelijking met het verwerken van acrylaat primers door tapijtleggers. Verftype Verbinding Concentratie Concentratie ademzone stationair (mg/m3) (mg/m3) Watergedragen Propyleenglycol - - Acrylaat 2-Butoxyethanol 5,1 ­ 5,8 10,7 ­ 13,9 Propyleenglycol-n- 16,5 ­ 18,5 35,0 ­ 41,8 butylether

Gezien het `worst-case' karakter van de metingen (nauwelijks ventilatie), moeten de resultaten voorzichtig worden geïnterpreteerd. Bovendien is alleen binnenshuis gemeten, en alleen tijdens het verven. Aan de andere kant is gemeten tijdens het schilderen van kleine oppervlakken (een deur en twee kozijnen), terwijl het bij het aanbrengen van primers op vloeren om grote oppervlakken gaat. De acrylaatdispersie bevatte 1,9% propyleenglycol en daarnaast 0,9% 2-butoxyethanol en 2,3% propyleenglycol-n-butylether. Propyleenglycol is ook tijdens de verwerking van deze verf niet aangetoond. De MAC-waarde van 2-butoxyethanol is 100 mg/m3, zodat de blootstelling 5 à 6% van de MAC bedroeg. Voor PnB is geen MAC-waarde vastgesteld.
Opvallend is verder, dat de stationaire metingen hogere concentraties te zien geven dan de persoonlijke metingen. Vaak wordt juist gedacht dat de persoonlijke blootstelling hoger is, omdat de schilder dichter op de bron van de oplosmiddelen zit. In dit geval heeft de uitkomst waarschijnlijk te maken met het voortgaan van de verdamping van oplosmiddelen, terwijl de schilder het werk al heeft afgerond. Het gebrek aan ventilatie tijdens de experimenten leidt er vervolgens toe dat de concentratie in de ruimte blijft oplopen.

Uit de Scandinavische landen zijn enkele studies bekend waarin de blootstelling aan componenten uit watergedragen verven werd gemeten. In het algemeen zijn de metingen in de jaren '80 verricht. Bestanddelen als ammoniak en formaldehyde kwamen destijds nog in hogere concentraties in watergedragen verven voor dan 38


momenteel gebruikelijk is. Recentere gegevens waren echter niet voorhanden. Tabel 4.2 geeft een overzicht van de meetresultaten.

Tabel 4.2 Meetresultaten persoonlijke blootstelling aan bestanddelen uit watergedragen verven (ter vergelijking met blootstelling van tapijtleggers aan primers)
Stof MAC Concentraties Meetduur Opmerkingen Bron (mg/m3) (mg/m3)
Ammoniak 14* 2 ­ 12 piek muur- en houtverf Hansen, `87 < 0,6 ~30 min. muurverf Ulfvarson, `92 4,2 ­ 6,3 ~30 min. hout-/badkamerverf Ulfvarson, `92 0 ­ 3,9 8 uur muur- en houtverf Norbäck, `95 25 max. piek badkamerverf Norbäck, `95 Triethylamine 20 4-6 20 min. muur- en houtverf Hansen `87 1,5 ~30 min. houtverf alkyd Ulfvarson, `92 Formaldehyde 1,5 0 ­ 0,4 30 min. muur- en houtverf Hansen `87 0 ­ 0,10 8 uur muur- en houtverf Norbäck, `95 0,14 max. piek badkamerverf Norbäck, `95 Butylacrylaat 11 0 ­ 2 30 min. muur- en houtverf Hansen `87 Propyleenglycol - 2 ­ 70 30 min. muur- en houtverf Hansen, `87 53,6 (max.) 30-120 m. muurverf Ulfvarson, `92 12,7 (max.) 4­5 uur muur- en houtverf Norbäck, `95 2,6 (gemidd.) 4-5 uur muur- en houtverf Norbäck, `95 Texanol - 0,5 ­ 12 30 min. muur- en houtverf Hansen, `87 46,6 (max.) 30-120 m. muurverf Ulfvarson, '92 1,7 (max.) 4-5 uur muur- en houtverf Norbäck, `95 Terpentine 575 40 ­ 75 30 min. muur- en houtverf Hansen, `87 Diethyleenglycol 50 4­5 30 min. muur- en houtverf Hansen, `87 butylether 8,0 (max.) 4-5 uur muur- en houtverf Norbäck, `95 0,8 (gemidd.) 4-5 uur muur- en houtverf Norbäck, `95 Diethyleenglycol 45 8 ­ 32 30 min. muur- en houtverf Hansen, `87 methylether
Dipropyleenglycol 300 30 ­ 40 30 min. muur- en houtverf Hansen, `87 methylether 3,8 (max.) 4 ­ 5 uur muur- en houtverf Norbäck, `95

Ethyleenglycol 100 2 ­ 60 30 min. muur- en houtverf Hansen, `87 butylether 0,7 (max.) 4 ­ 5 uur muur- en houtverf Norbäck, `95 "Som van 7 - 31 (max.) 4 ­ 5 uur muurverf Norbäck, `95 glycolen" 3,9 (gemidd.) 4 ­ 5 uur muurverf Norbäck, `95 "Som VOS- - 39 (max.) 4 ­ 5 uur muur- en houtverf Norbäck, `95 totaal" 4,9 (gemidd.) 4 ­ 5 uur muurverf Norbäck, `95 Hexyleenglycol 125 34,3 (max.) 30-120 min. muurverf Ulfvarson, `92 Dibutylftalaat - n.d.** 30-120 min. muur-/houtverf Ulfvarson, `92
* MAC-15-min. TGG: 36mg/m3

** `Not detectable'
39



In het algemeen werden de beschreven metingen verricht bij een, al dan niet kunstmatig gecreëerde, zeer geringe ventilatie. Geschilderd werd er in het algemeen met een roller. De metingen van Hansen et al. werden deels verricht aan het eind van een periode van 4,5 uur schilderen, terwijl ook aangrenzende ruimten al waren geschilderd. De metingen zelf waren van korte duur, en werden uitgevoerd in 1984 (Hansen et al.,'87). Met name de concentraties van enkele relatief schadelijke glycolethers, welke thans veel minder worden toegepast, lagen in deze kortdurende metingen dicht tegen de MAC-waarden (TGG 8 uur) aan.

Epoxy-primers
Tijdens en na het mengen van twee-componenten producten start de uithardingsreactie direct. Als gevolg hiervan, wordt warmte ontwikkeld. De temperatuur van een uithardende epoxy kan bijvoorbeeld wel 20 à 30°C boven de omgevingstemperatuur liggen (informatie leveranciers). Hierdoor zullen vluchtige componenten sneller verdampen dan men zou verwachten op grond van de omgevingstemperatuur. Bij de oplosmiddelvrije epoxy primers gaat het hierbij dan met name om de amineverharders, de reactieve verdunners (diglycidylethers) en het verdunningsmiddel benzylalcohol. In geval van watergedragen epoxy primers worden vaak amine-epoxy aducten als verharder gebruikt, zodat wat betreft vluchtige bestanddelen met name de reactieve verdunners van belang zijn. De amineverharders die in oplosmiddelvrije epoxy primers worden gebruikt zijn niet zeer vluchtig (kookpunten 200 à 270°C), maar gezien de warmte-ontwikkeling zal verdamping wel optreden. Hetzelfde geldt voor het verdunningsmiddel benzylalcohol, dat volgens de Nederlandse beleidsdefinitie nog net een vluchtige organische stof is (dampspanning 13 Pa bij 20°C). De reactieve verdunners zijn in het algemeen nog wat vluchtiger dan de amineverharders. De kookpunten van de meest gebruikte verbindingen liggen tussen de 118 en 200°C.
De blootstelling via de luchtwegen is tijdens het aanbrengen potentieel hoger dan bij het mengen, gezien het grote verdampingsoppervlak. Meetgegevens zijn niet bekend.

Egaliseren
Na het aanbrengen van de primer wordt een egaliseerlaag aangebracht ("egaline"). Voor houten vloeren wordt een egaliseerlaag gebruikt waarin kunststof vezels zijn verwerkt. Daardoor ontstaat een flexibele laag, die oneffenheden in de houten vloer neutraliseert. Bij steenachtige ondergrond (zandcement, anhydriet) wordt een egaliseerlaag gebruikt op basis van cement. Het leggen van een egaline-laag neemt veel tijd in beslag en is fysiek zwaar werk. In het algemeen zijn twee medewerkers hiermee bezig. De één maakt het mengsel aan door de poedervormige substantie door middel van een mixer te mengen met water (25 kg poeder op 6 liter water), de ander giet het mengsel uit de emmer en smeert het uit door middel van een spatel. Dit gebeurt op de knieën, en neemt voor een oppervlak van 250 m2 ca. een dag in beslag. De volgende stap is het schuren van de egaline-laag. Dit gebeurt door middel van een schuurmachine, waarbij staand wordt gewerkt. De schuurmachine is niet voorzien van een afzuiging. Stofvorming wordt enigszins beperkt door de vorm van de schuurmachine. Na afloop van het schuren wordt gestofzuigd om de vloer stofvrij te 40


maken. De tijdsduur die met het schuren en stofzuigen is gemoeid bedraagt ca. 3 a 4 uur voor een oppervlak van 250 m2.

Bij de bespreking van de kans op blootstelling bij het egaliseren wordt gebruik gemaakt van informatie die beschikbaar is voor vloerenleggers.

Huid
Bij het mengen van het poedervormige egaline met water kan blootstelling van de huid aan het poeder plaatsvinden. Ook bij het uitgieten kan huidblootstelling optreden wanneer dat niet zorgvuldig gebeurt. Wanneer niet alle egaline in één keer wordt uitgegoten, maar in meerdere stappen, kan blootstelling aan het egaline optreden als gevolg van de verontreiniging van de buitenkant van de emmer. Indien sprake is van een egaliseerlaag waarin cement is verwerkt, is er kans op cement-eczeem. Bij het uitsmeren met behulp van een spatel vindt direct contact met (onder)benen, handen en onderarmen plaats. Dit werk wordt op de knieën gedaan. Bij het schuren vindt blootstelling aan schuurstof plaats. Dit kan de kans op cement- eczeem vergroten.

Luchtwegen/ogen
Blootstelling aan relatief hoge concentraties cement- of gipsstof vindt plaats tijdens het leegschudden van de zak droge cement of gips in de menger. Metingen tijdens het handmatig storten van grondstoffen in een menger gaven concentraties totaal-stof van rond 9 mg/m3 te zien, bij een meetduur van 60 minuten (Remijn et al., '88; in Dijkstra et al., '91). Aangezien het handmatig storten zelf aanzienlijk korter zal duren, is dit geen piekwaarde. Schattingen op basis van metingen bij stukadoors, kwamen uit op maximaal 110 mg/m3 totaal-stof tijdens het storten van cementgrondstoffen in een menger (Bosman & Bruns, '90).

Cement is irriterend voor ogen en luchtwegen. Daarnaast kan blootstelling optreden aan kwarts, dat in sommige producten is verwerkt. Bij het schuren van de egaline-laag geldt dit eveneens. Niveaus van blootstelling zijn niet bekend.

Leggen van vloerbedekking
Vervolgens begint men aan het leggen van de vloerbedekking zelf. De lijm wordt gekozen aan de hand van het type vloerbedekking, en aangebracht met een lijmkam. Het lijmen neemt ca. 10% in van de totale tijd die nodig is voor het leggen. De resterende tijd wordt gebruikt voor het snijden, frezen, lassen en walsen. De vloerbedekking wordt eerst op maat gesneden, vervolgens wordt op de naden een dunne strook weggefreesd, die gevuld wordt met een `veter' (PVC- of Linocord). Deze veter wordt verhit met een speciaal pistool, waardoor de delen aan elkaar worden gelast. Tenslotte wordt de vloerbedekking gewalst.

41


Huid
Blootstelling van de huid vindt alleen plaats bij het lijmen. Daarnaast is er mechanische belasting van de huid bij het op maat snijden van de vloerbedekking. Meetgegevens zijn niet voorhanden.

Luchtwegen/ogen
Bij het lassen vindt blootstelling plaats aan de dampen die vrijkomen. Bij het lassen van een PVC-veter komt een heel scala aan gassen vrij (Andersson 1988, Williamson 1987). Het belangrijkste gas dat vrijkomt is waterstofchloride. Verder zijn onder meer formaldehyde, benzeen, aromatische en alifatische koolwaterstoffen, gehalogeneerde koolwaterstoffen, ftalaten, adipaten en vinylchloride monomeer gemeten in verbrandingsgassen van PVC. De temperatuur waarmee wordt gelast, heeft invloed op de precieze samenstelling van de gassen. Verschillende onderzoeken geven echter ook verschillende conclusies ten aanzien van de schadelijkheid van de vrijkomende gassen. Er is wel overeenstemming over het feit dat waterstofchloride irritatie kan veroorzaken aan ogen en luchtwegen, en dat maatregelen getroffen dienen te worden om de blootstelling zo laag mogelijk te houden. Alleen bij zeer hoge temperaturen (> 600 °C) zijn vinylchloride monomeer en fosgeen gemeten. Deze temperaturen worden bij het lassen van PVC-koord echter naar alle waarschijnlijkheid niet gehaald.

Gebruik van conventionele oplosmiddelrijke contactlijm Daar waar in het verleden oplosmiddelrijke contactlijmen werden toegepast, met name bij het lijmen van plinten en van vloerbedekking op trappen, kon een hoge blootstelling aan oplosmiddelen ontstaan.
In een onderzoek onder 175 tapijtlijmers werd gevraagd naar het voorkomen van prenarcotische effecten (duizeligheid, dronken gevoel) ­ een indicator voor piekblootstelling aan oplosmiddelen. Twee-derde van de ondervaagden hadden dergelijke klachten ervaren gedurende het jaar vóór het onderzoek (Geuskens et al, `93a). Het overgrote deel (95%) weet de klachten aan het werken met contactlijm. Tien procent van de tapijtlijmers had deze klachten meer dan 25 maal per jaar, 32% tussen de 5 en 25 maal per jaar en 57% minder dan vijf maal per jaar (Geuskens et al., `93a).
In hetzelfde onderzoek werden tevens metingen verricht. Hierbij werden tijdens het werk met contactlijm overschrijdingen van de huidige (2002) 8-uurs tijdgewogen gemiddelde MAC-waarden geconstateerd, met name van die voor tolueen. Metingen van de momentane piekconcentraties van ketonen, methanol en n-hexaan tijdens het werk met contactlijm, gaven met name bij de laatste twee verbindingen zeer hoge concentraties te zien: voor methanol van 2,5 tot 10 maal de MAC-waarde (8h-TGG), en voor n-hexaan van 0,9 tot 3 maal de MAC-waarde (Geuskens et al, `93a).

Reinigen van gereedschap en gemorste producten
Voor het reinigen van het gereedschap (lijmkam, spanen) en de handen wordt water gebruikt. Voor het verwijderen van gemorste producten wordt een spons met water gebruikt of, in een enkel geval, een beetje thinner. Echter, schoonmaken wordt niet beschouwd als werk voor de stoffeerder.

42


Woningen
In principe kan in een woning de vloerbedekking op dezelfde wijze worden gelegd als hierboven is beschreven voor projecten. Bij het leggen van linoleum wordt dat ook gedaan, maar bij tapijt en vinyl meestal niet. Veelal wordt er dan voor gekozen een schuimfolie als onderlaag te gebruiken, of in het geheel geen onderlaag. Egaline wordt zelden gebruikt. Een ander verschil is dat de vloerbedekking in woningen veelal niet helemaal in een lijmbed wordt gelegd, maar dat wordt volstaan met het bevestigen van de randen en naden. Voorts wordt vinyl niet gelast, maar worden de naden enkel zo dicht mogelijk tegen elkaar aan gelegd, waarna wordt gelijmd.

Beschermende maatregelen
Handschoenen worden hooguit gebruikt bij het verwerken van 2K-epoxy primers. Verder worden geen beschermende maatregelen genomen.

4.3 Parketleggers
De informatie met betrekking tot de werkzaamheden die parketleggers uitvoeren is grotendeels afkomstig uit een interview met een parketlegger (Strooper, '01). In feite kan onderscheid worden gemaakt tussen drie typen parketvloeren: vast parket, lamelparket en laminaat. Vast parket bestaat geheel uit de houtsoort die zichtbaar is. Er zijn twee soorten vast parket: tapisparket (stroken) en mozaiekparket. Voor vast parket en lamelparket kunnen verschillende typen hout worden gebruikt. Een lamelparket bestaat uit een (meestal vuren)houten laag, met daarop gelijmd een aantal stroken van een duurdere houtsoort. Laminaat bestaat uit samengeperst papier dat is geïmpregneerd met een formaldehydehars, waarop een gedrukte kunststof folie met houtdessin is geperst. De `marktverdeling' van de diverse typen parket is ruwweg als volgt (Strooper, '02):
Laminaat: 20%
Lamelparket: 40%
Vast parket (tapis en mozaiek): 40%

Tapisparket en lamelparket kunnen zowel vast als zwevend worden gelegd, laminaat wordt altijd zwevend gelegd en mozaiekparket altijd vast. Indien vast wordt gelegd, dient er meestal een ondervloer te worden aangebracht. Mozaikeparket is de uitzondering; deze wordt direct op de cementen dekvloer gelijmd. Bij zwevende vloeren kan worden volstaan met een PE-folie en een tussenvloer van naaldviltplaten of ander materiaal, afhankelijk van het type ondervloer (hout of steenachtig), of van de eisen ten aanzien van vocht- en geluidsisolatie.

Indien de vloer dient te worden geëgaliseerd, wordt dat in het algemeen uitbesteed aan een stoffeerder ("een parketlegger kan niet egaliseren, een stoffeerder kan geen parket leggen").

Vervolgens worden de volgende werkzaamheden achtereenvolgens uitgevoerd.

4.3.1 Het leggen van vast tapisparket

43


Voorbehandeling
Op de ondervloer (cement of anhydriet) wordt een primer aangebracht met behulp van een roller met lange steel. In het algemeen wordt gebruik gemaakt van acrylaat- primers. Alleen indien een vochtscherm wordt gewenst, wordt een epoxy-primer gebruikt. Het aanbrengen van een primer geschiedt gemiddeld 1 maal per week, 3 tot 4 uur.

Voor de kans op blootstelling aan huid, ogen en luchtwegen wordt verwezen naar de paragraaf over tapijtleggers, die eveneens acrylaat- en/of epoxy primers toepassen.

Tussenvloer
Vervolgens wordt de tussenvloer (meestal spaanplaat) gelijmd op de ondervloer, met behulp van een lijmkam. De lijm is een polyvinylacetaat dispersielijm. Voor 50 m2 tapisparket is men ongeveer een dag bezig met het leggen van de tussenvloer. Er zijn geen gegevens voorhanden over niveaus van blootstelling aan de bestanddelen van parketlijm. De PVAc-lijm kent echter weinig gezondheidsrisico's.

Wanneer de ondervloer van hout is, wordt de tussenvloer daarop geschroefd. Daarmee is er dus ook geen blootstelling aan lijm.

Tenslotte wordt de tussenvloer eenmaal grof geschuurd. Hierbij treedt blootstelling aan schuurstof op, en wellicht aan formaldehyde dat uit het spaanplaat vrijkomt. Als gevolg van de vaak gebrekkige afzuiging van parketschuurmachines kan de MAC- waarde voor houtstof gemakkelijk worden overschreden (Arbouw, ongedat).

Leggen van het tapisparket
Het parket wordt vervolgens gelegd op de tussenvloer. Daarbij worden de stroken eerst met behulp van een zaagtafel of decoupeerzaag op maat gezaagd, en daarna met behulp van een lijmkam op de tussenvloer gelijmd en geniet. De lijm is een PVAc dispersielijm in geval van smalle stroken, en een 1K- of 2K-polyurethaan in geval van brede stroken, aangezien de laatste meer `werken'. Het leggen van het parket, inclusief zagen en nieten, neemt voor 50 m2 ongeveer anderhalve dag in beslag.

Blootstelling huid, ogen en luchtwegen
Voor watergedragen 1K-parketlijm wordt aangenomen dat er geen vrije isocyanaten in aanwezig zijn. Daarmee is de kans op allergie door isocyanaten niet relevant. Voor 2-K PUR-lijmen (en 2K-parketlakken) kan gebruik worden gemaakt van de informatie over PUR coatings die gebruikt worden op vloeren en over PUR- gietvloeren.
Wat betreft de blootstelling tijdens het mengen van de componenten kan informatie over polyurethaan gietvloeren worden gebruikt. Met name het `vrije' isocyanaat is van belang; in dit geval MDI. MDI is niet vluchtig; de damspanning bij 20°C is slechts 0,0004 Pa. Metingen van de persoonlijke blootstelling tijdens het mengen van een polyurethaan gietvloer die in 1990 zijn uitgevoerd, leverden een MDI-concentratie van 12 µg/m3 op (Snippe et al., '01). Een herhaling van dergelijke metingen in 2000 gaven 44


MDI-concentraties te zien van slechts 1,3 à 2,2 µg/m3 (Snippe et al., '01). De omgevingstemperatuur lag bij deze laatste metingen op 21°C, en werd voor de eerdere metingen niet genoemd. Dit is mogelijk een deel van de verklaring voor het verschil, hoewel een lager gehalte vrij MDI in het product wellicht meer voor de hand ligt. De MAC-waarde voor MDI is overigens 50 µg/m3 (TGG 8 uur); de MAC-waarde voor kortdurende blootstellingen 210 µg/m3 (SDU, 2001). Met name bij de meest recente metingen bleef de concentratie hier ruim onder. Voor de 2K-PUR-lijmen kan ervan worden uitgegaan dat de concentraties daar nog onder zullen liggen, vooral omdat het volume aan lijm veel kleiner zijn dan aan gietvloerproduct. De blootstelling tijdens het aanbrengen van de lijm kan niet worden vergeleken met het aanbrengen van een PUR- coating op vloeren. De wijze van aanbrengen verschilt aanzienlijk. Bij het aanbrengen van de coating wordt gebruik gemaakt van rollers op een lange steel, bij het aanbrengen van lijm van een lijmkam. Wel kan de parketlak hiermee worden vergeleken. Spatjes van de coating kunnen met name op de onderbenen terechtkomen. Voor de blootstelling via de luchtwegen tijdens het aanbrengen van HDI-bevattende coatings zijn recente meetgegevens bekend. De persoonlijke blootstelling aan HDI tijdens het rollen van een polyurethaancoating over een gietvloer was 2,7 à 3,9 µg/m3 (Snippe et al., '01). De MAC-waarde voor HDI is 40 µg/m3 (TGG 8 uur; SDU, `01). Voor de PUR-lijmen zullen de concentraties waarschijnlijk hoger liggen, omdat dit werk op de knieën wordt uitgevoerd. Meetgegevens ontbreken echter.

Voorts treedt blootstelling op aan houtstof. Sommige typen hout bevatten allergene componenten. Stof van hardhout is kankerverwekkend voor de mens; voor zachthout geldt vooralsnog een verdenking van carcinogeniteit voor de mens, op basis van epidemiologische gegevens (Gezondheidsraad, '00). In tabel 4.2.a worden de voornaamste overige effecten van de diverse typen houtstof beschreven (uit: Wander, '99).
Voor de blootstelling die in het verleden optrad bij het werken met oplosmiddelrijke contactlijmen wordt verwezen naar de passage over het leggen van vloerbedekking in paragraaf 4.2.

Tabel 4.2.a Voornaamste effecten van de diverse typen houtstof, afgezien van carcinogeniteit
Houtsoort Effecten (voornaamste effect vetgedrukt) Vuren Huidontsteking, oogontsteking, verkoudheid, astma, reactie van de longblaasjes
Meranti Huidontsteking
Grenen Huidontsteking, oogontsteking, verkoudheid astma Eiken Huidontsteking, oogontsteking, verkoudheid, astma Azobé Jeuk, huidontsteking
Merbau Huidontsteking, oogontsteking, verkoudheid, astma Beuken Huidontsteking, oogontsteking, verkoudheid, astma Balau Huidontsteking
Iroko Huidontsteking, oogontsteking, verkoudheid, astma, reactie 45


longblaasjes
Ramin Huidontsteking, oogontsteking, verkoudheid, astma, reactie longblaasjes
Western red Astma, allergie, oogontsteking, verkoudheid. cedar

Schuren en voegen
Het parket wordt daarna 3 maal geschuurd met behulp van een schuurmachine met stofzak. De nietgaten en voegen worden vervolgens door middel van een spatel gevuld met een acrylaat voegmiddel, waarin schuurstof van de laatste schuurgang (het fijnste schuurstof) is gemengd. Het voegen wordt gedaan door middel van een spatel. Het schuren en voegen neemt voor 50 m2 ongeveer anderhalve dag in beslag.

Huid
Bij het mengen van het voegmiddel met het schuurstof kan blootstelling van de huid optreden aan zowel het voegmiddel als het schuurstof. Indien sprake is van een houtsoort met sensibiliserende componenten is er kans op huidallergie. Het voegmiddel is op basis van acrylaat. Afhankelijk van het monomeergehalte kan een allergische reactie op allergene acrylaten optreden.

Luchtwegen/ogen
Bij het schuren en bij het mengen van het voegmiddel met het schuurstof kan blootstelling van luchtwegen en ogen optreden aan schuurstof (zie tabel 4.2.a). Omdat de afzuiging van parketschuurmachines vaak tekortschiet, kan de MAC-waarde voor houtstof (2 mg/m3) worden overschreden (Arbouw, ongedat.).

4.3.2 Het leggen van vast mozaiekparket
Vast mozaiekparket wordt direct op de cement- of anhydriet gebonden dekvloer gelijmd met een 2K polyurethaanlijm. Voor de blootstelling wordt verwezen naar hetgeen hierboven beschreven is voor het leggen van vast tapisparket.

4.3.3 Het leggen van vast lamelparket
Het leggen van vast lamelparket is in grote lijnen identiek aan het leggen van tapisparket. Het enige verschil is, dat niet gevoegd hoeft te worden.

4.3.4 Het leggen van zwevend tapisparket, lamelparket en laminaat Hierbij wordt een PE-folie los op de ondervoer gelegd, vervolgens ook los een tussenvloer van naaldvilt of ander materiaal, afhankelijk van de eisen ten aanzien van vocht- en geluidsisolatie. Het tapis- of lamelparket wordt tenslotte ook los op de tussenvloer gelegd. Daarbij wordt in mes en groef verlijmd met behulp van een PVAc- lijm.

Bij deze werkzaamheden treedt blootstelling op aan houtstof van het zagen, en aan PVAc-lijm.
Voor houtstof, zie boven. Het gebruik van PVAc-lijm brengt geen gezondheidsrisico's met zich mee, noch voor de huid, noch voor ogen of luchtwegen. 46



Laminaat wordt eveneens los op een tussenvloer gelegd, maar verlijming is niet nodig, aangezien laminaat wordt geklikt.

Het tapisparket wordt vervolgens geschuurd en gevoegd, het lamelparket enkel geschuurd. Voor de kansen op blootstelling, zie boven. Laminaat kent verder geen bewerkingen.

4.3.5 Het lakken, oliën of in de was zetten van tapis- of lamelparket Nadat de vloer is geschuurd (en bij tapis: gevoegd) wordt de vloer gelakt of voorzien van parketolie of ~was. De laatste jaren is het gebruik van olie en was in populariteit toegenomen. In ongeveer 70% van de gevallen wordt hiervan gebruik gemaakt. Het lijkt echter of er de laatste maanden weer een kentering optreedt in de richting van lak. De reden zou kunnen zijn dat een olie- of wasvloer meer onderhoud vergt. Lak wordt in drie lagen aangebracht. De lak is een watergedragen 1K- of 2K polyurethaanlak. De 2K-lak heeft een hogere slijtweerstand. Voor woningen volstaat de 1K-lak. Tussen de tweede en derde laag wordt de vloer gepolijst met een roterende machine. De lak wordt aangebracht met rollers met een lange steel. Hierbij kan hooguit blootstelling van de luchtwegen optreden aan het NMP dat als bestanddeel in de lakken voorkomt. NMP is echter een weinig vluchtige stof. Meetgegevens ontbreken.
Olie wordt in twee lagen aangebracht. Bij een wasvloer wordt het hout eerst tweemaal geïmpregneerd met impregneerolie en vervolgens machinaal in de vaste was gezet.

Het lakken, oliën of in de was zetten van de vloer neemt ca. 1 dag in beslag (bij een vloer van 50 m2).

De gezondheidsrisico's door blootstelling worden bij deze werkzaamheden bepaald door het gebruik van 2K-PU-lak. Zie hierboven bij `PU-lijmen' voor enkele meetgegevens.
Wat betreft de oliën en wassen zijn geen gegevens voorhanden. Blootstelling aan de olie of was treedt echter niet of nauwelijks op.

Gebruik van conventionele oplosmiddelrijke lakken
Bij het gebruik van de conventionele oplosmiddelrijke nitrocelluloselakken kan een bijzonder hoge blootstelling aan oplosmiddelen ontstaan. Geluiden uit de branche geven aan, dat een groot deel van de parketleggers nog oplosmiddelrijke lakken zou toepassen (FNV Bouw, '02; Van de Wiel & Bos, `01). Nitrocelluloselakken bevatten 70 à 80% zeer vluchtige oplosmiddelen. Bovendien is het oppervlak dat wordt gelakt groot. Exacte meetgegevens van specifiek deze activiteit zijn niet bekend, maar gezien de overschrijdingen van de MAC-waarden die al bij het gebruik van contactlijmen door tapijtleggers werden geconstateerd (par. 4.2) is het zeer waarschijnlijk dat ook hier (ruime) overschrijdingen kunnen optreden.

47


4.3.6 Reinigingsmiddelen
Voor het reinigen van gereedschap wordt water gebruikt, of, in geval van hardnekkiger vuil, van speciale doekjes. Voor het reinigen van de handen wordt eveneens van water of van de doekjes gebruik gemaakt (Black Box van Lecol).

4.3.7 Beschermende maatregelen
Bij het zagen wordt gebruik gemaakt van zaagtafels met afzuiging, of van decoupeerzagen zonder afzuiging. In dat laatste geval worden stofkapjes gebruikt. De machinale schuurmachines zijn voorzien van afzuiging en stofzak. De effectiviteit hiervan laat echter vaak te wensen over (Arbouw, ongedat.). Bij het werken met epoxy-primers en PU-lijmen worden handschoenen gebruikt.

48


5. VÓÓRKOMEN VAN HUIDAANDOENINGEN, LUCHTWEG-, EN OOGIRRITATIES BIJ TAPIJT- EN PARKETLEGGERS

Het vóórkomen van huidaandoeningen en luchtweg- en oogirritaties bij tapijt- en parketleggers is bestudeerd door middel van literatuurstudie. Er blijkt in de literatuur weinig bekend te zijn omtrent de beroepsgroep. Slechts één rapport dat specifiek op tapijtlijmers is gericht, is gevonden. Verder zijn gegevens opgevraagd bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. Voor parketleggers zijn géén literatuurgegevens gevonden.

5.1 Tapijtleggers
Het rapport met betrekking tot tapijtlijmers betreft een onderzoek naar de prevalentie van handeczeem bij deze beroepsgroep, in vergelijking met een controlegroep en een groep zandcementvloerenleggers (Geuskens et al., '93). Deze laatste groep wordt besproken in het deelrapport over vloerenleggers.

De studie werd uitgevoerd ruim vóór er sprake was van een vervangingsplicht voor tapijtleggers. Toch wordt gemeld dat voor de meeste toepassingen al gebruik werd gemaakt van watergedragen dispersielijmen. Als oplosmiddel/ cosolvent wordt in het rapport nog tolueen genoemd, in een gehalte van 5%. Voor speciale toepassingen (trappen, plinten) werd nog gebruik gemaakt van oplosmiddelrijke contactlijm, met een oplosmiddelgehalte van ± 75%. Daarnaast wordt nog melding gemaakt van een `kunstharskit' die 15% methanol bevatte. Deze werd met name vóór 1980 gebruikt, maar ook nog ten tijde van de studie, zo bleek uit de enquête (Geuskens et al., '93). Verder worden dezelfde productgroepen genoemd als beschreven in hoofdstuk 3 (egaliseermiddelen etc.), maar deze worden niet verder beschreven.

Bij de studie waren 151 tapijtlijmers betrokken. Een groep van 118 treinmachinisten diende als controlegroep. Het onderzoek werd uitgevoerd met behulp van de `NIPG- TNO eczeemvragenlijst'. Deze bevatte wat betreft huidaandoeningen deels dezelfde vragen als de Schildersvragenlijst:

- Heeft u de afgelopen 12 maanden wel eens last gehad van:
- Rode, opgezwollen handen of vingers

- Rode handen of vingers met kloofjes

- Blaasjes op de handen of tussen de vingers

- Ruwe of schilferende handen met kloofjes

- Jeukende handen of vingers met kloofjes
Het criterium voor `handeczeem was': één of meer van bovenstaande klachten hebben (gehad), én bovendien ófwel langer dan drie weken in het voorgaande jaar, ófwel met een terugkerend karakter. Volgens dit criterium, was de prevalentie handeczeem onder tapijtlijmers 29%, tegen 9% onder de controlegroep (Geuskens et al., '93). Van de groep tapijtlijmers met handeczeem, had 12% het voorgaande jaar ook van het werk verzuimd om deze reden, ofwel 3,5% van de totale groep tapijtlijmers.

49


Met behulp van een aantal aanvullende vragen is getracht relaties te leggen tussen de prevalentie van handeczeem en de werkzaamheden en het productgebruik. Significante relaties werden alleen gevonden tussen het optreden van handeczeem en het verbruik van kunstharskit (+ methanol) en het verbruik van vochtisoleermiddel. Verder was de prevalentie handeczeem significant hoger bij degenen die alléén tapijtlijmwerk deden dan bij degenen die ook ander werk verrichtten. Géén significante relatie bestond onder meer tussen de prevalentie handeczeem en het aantal jaren dat men als tapijtlijmer werkzaam was, het aantal uren dat het afgelopen jaar besteed was met tapijtlijmen, het totale verbruik van lijm per maand (alle typen samen), het verbruik van dispersiekit, het verbruik van contactlijm en het verbruik van neopreen hechtlak, egaliseermiddel en verdunningsmiddel (Geuskens et al., '93). Wél werd een verband gevonden tussen het optreden van één of meer van de genoemde vijf symptomen van huidaandoeningen en het gebruik van bepaalde producten wanneer men de criteria "langer dan drie weken" of "terugkerend" liet vallen. Dit was het geval voor het gebruik van neopreen hechtlak, verdunningsmiddelen en egaliseermiddelen.

Verder werd geen relatie gevonden tussen een `atopische' gesteldheid (`verhoogde individuele gevoeligheid') en het optreden van handeczeem. Als indicatoren voor `atopie' werd echter alleen gekeken naar `hooikoorts' en `dauwworm als baby'. Andere, meer betrouwbare, indicatoren als `eczeem in de plooien van knie of elleboog' of `vroeger handeczeem' (van der Walle, '94) werden niet beschouwd. Tenslotte wordt opgemerkt, dat ook andere, niet bestudeerde factoren het optreden van handeczeem kunnen bevorderen, zoals de samenstelling van het tapijt en mechanische belasting van de huid (Geuskens et al., '93).

Een zoekopdracht in het bestand van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, leerde dat sinds 1998 twee tapijtlijmers zijn aangemeld met een huidaandoening; in beide gevallen contacteczeem. In één geval werd `lijm' als oorzaak gegeven, in het tweede geval `epoxyhars'. Het is echter niet waarschijnlijk dat een epoxylijm als tapijtlijm wordt gebruikt. Mogelijk is gebruik gemaakt van een epoxy primer, zijn andere werkzaamheden verricht, of is sprake van een bestaande epoxy-allergie die geen relatie heeft met de huidaandoening (of in ieder geval niet via het werk als tapijtlijmer).

5.2 Parketleggers
Zoals gezegd, is voor parketleggers geen literatuur gevonden. Ook literatuur omtrent `overige effecten' (m.u.v. neurotoxiciteit) bij tapijt- en parketleggers is niet gevonden. Wel is uit de literatuur een case bekend van een vertegenwoordiger in polyurethaan parketlakken die beroepsastma ontwikkelde (Snippe et al., '01). Isocyanaten vormen in veel landen de belangrijkste oorzaak van beroepsastma, hoewel het aandeel in het totaal uiteenloopt van 3% tot 25% (Snippe et al., '01). Hierbij moet wel worden opgemerkt dat in parketlijmen en -lakken en in voegmiddelen veelal MDI als monomeer wordt gebruikt (zie hf. 3), hetgeen de minst vluchtige isocyanaat is. Alleen bij verneveling zou het risico op beroepsastma significant zijn (Snippe et al., '01).

50


Volgens een parketlegger die is geïnterviewd, ontwikkelt 5 à 10% van de parketleggers eczeem, met name als gevolg van de epoxy primers en polyurethaan- lijmen en -coatings die zij gebruiken (Strooper, '01). Helaas kon dit als gevolg van het gebrek aan gegevens niet worden geverifieerd.

51


6. OORZAKELIJKE FACTOREN VAN HUIDAANDOENINGEN, LUCHTWEG- EN OOGIRRITATIES ONDER TAPIJT- EN PARKETLEGGERS

In het voorgaande hoofdstuk bleek al, dat er in de literatuur bijzonder weinig gegevens te vinden zijn omtrent het optreden van gezondheidsklachten onder de groep van tapijtleggers en parketleggers. Dit geldt in nog sterkere mate voor gegevens omtrent de oorzaken van de klachten, ofwel de bijdrage die de diverse belastende factoren aan het ontstaan van klachten leveren. Dit hoofdstuk zal zich daarom met name baseren op de eigen inventarisatie van het product-gebruik, en op gegevens uit de literatuur die betrekking hebben op andere beroepsgroepen. De nadruk in dit hoofdstuk zal liggen op een bespreking van oorzakelijke factoren van huidklachten, gezien de achtergrond van deze studie. Effecten op de luchtwegen of ogen komen slechts zeer beperkt aan de orde.
Het ontstaan van handeczeem ­ of `huidklachten' ­ is in het algemeen multicausaal. De volgende factoren kunnen in meerdere of mindere mate bijdragen aan het ontstaan van huidklachten onder tapijt- en parketleggers:
Blootstelling aan allergene stoffen
Blootstelling aan irriterende stoffen
Mechanische belasting
Klimatologische factoren
Persoonlijke gevoeligheid.
Deze factoren zullen in dit hoofdstuk achtereenvolgens worden besproken.

6.1 Blootstelling aan allergene stoffen
Het gebruik van producten die allergene stoffen bevatten wordt voor tapijt- en parketleggers apart besproken.

52


6.1.1 Tapijtleggers
Tabel 6.1 geeft een overzicht van allergene stoffen in producten die door tapijtleggers worden gebruikt.

Tabel 6.1 Allergene stoffen (gelabeld met R42 of R43), die in producten voor tapijtleggers voor kunnen komen (zie hf. 2)
Egaliseermiddelen:
Portlandcement (chroomzouten)
Acrylaatmonomeren
Hydrofoberingsmiddelen (watergedragen):
Biociden (b.v. MCI/MI)
Tapijtlijm (watergedragen):
Biociden (MCI/MI of formaldehydedonor)
Acrylaatmonomeren
(Gemodificeerde colofoniumhars)*
Plinten- en trappenlijm (1-K polyurethaan):
4,4-difenylmethaan diisocyanaat (MDI)
Epoxyprimer voor tapijtlijm
Epoxyhars
Reactieve verdunners

* Niet gelabeld met R42 of R43

Aangezien er geen gegevens bekend zijn over de frequentie van allergieën onder tapijtleggers, kan alleen een inschatting worden gegeven van het `allergene risico', op basis van de blootstelling en de allergene potentie van de bestanddelen.

Zoals vermeld in hoofdstuk 2, is chroomhoudend cement in de bouw een bekende oorzaak van allergieën (Arbouw, 1992). Tevens wordt echter vermeld, dat in de meeste gevallen van cementeczeem géén allergie kan worden aangetoond. De invloed van het sterk basische cement (irritatie) kan wel de kans op een allergie voor de chroomverbindingen vergroten, als gevolg van een aantasting van de barrièrewerking van de huid (Piebenga & Van der Walle, '98). Informatie in de literatuur omtrent `chroomeczeem' als gevolg van blootstelling aan cement betreft meestal met name metselaars (b.v. Geier & Schnuch, '98; Coenraads, `83). Specifieke informatie omtrent tapijtleggers en/of egaliseermiddelen is niet voorhanden. Wel bleek uit een onderzoek naar het voorkomen van handeczeem onder tapijtleggers dat er een relatie kon worden aangetoond tussen het aantal uren dat gewerkt werd met egalisatiemiddel en het vóórkomen van één of meer symptomen van handeczeem (Geuskens et al., '93).

Zowel egalisatiemiddelen als tapijtlijmen kunnen lage gehalten acrylaatmonomeren bevatten. Egalisatiemiddelen bevatten maximaal 10% acrylaatbindmiddel, net als tapijtlijmen (maximaal 20% acrylaatdispersie; vaste stofgehalte ± 50%). De gehalten acrylaatmonomeren in het bindmiddel kan ruwweg uiteenlopen van 50 ppm tot 1000 ppm (Schwarz & Baumstark, '01; Visser, '01; Den Elzen, '01), afhankelijk van de kwaliteit van het bindmiddel. In een egaliseermiddel of tapijtlijm zal derhalve 53


maximaal 100 ppm (0,01%) aan acrylaatmonomeren voorkomen. Over de allergene potentie van acrylaat-monomeren wordt in de literatuur gesteld dat deze laag is, ondanks de etikettering met R43 (Fischer et al., '95). Er zouden slechts sporadisch allergiegevallen ten gevolge van blootstelling aan acrylaat-monomeren voorkomen. Binnen een groep van 202 Zweedse schilders bij wie allergietests werden uitgevoerd kwamen geen acrylaat-allergieën voor (Fischer et al., '95). Ook studies onder schilders in Italië en Portugal konden geen gevallen van sensibilisatie tegen acrylaten aantonen (Valsecchi et al., '92; Estlander et al., '00). In een Finse en een Nederlandse studie uit het begin van de jaren '80 worden wel enkele cases van acrylaat-allergieën onder schilders gemeld (Estlander et al., '00). Ook worden enkele cases van acrylaat allergieën na blootstelling via de lucht gemeld (Huygens & Goossens, '01). Mogelijk werden de cases in het verleden veroorzaakt door de hogere gehalten monomeren die voorkwamen.

Hydrofoberingsmiddelen en tapijtlijmen kunnen biociden bevatten. De veel gebruikte isothiazolinonen-combinatie MCI/MI is een sterk allergeen, dat al vanaf een gehalte van 20 ppm kan sensibiliseren (Basketter et al., '99). Dit wordt met name veroorzaakt door het bestanddeel MCI. Het gehalte in verven en lijmen e.d. ligt in het algemeen boven de 20 ppm. In Duitsland werd onder een groep van 72 schilders met handeczeem een frequentie van MCI/MI-allergieën van 5,0% gevonden, terwijl deze frequentie onder een groep van 192 personen uit de algemene bevolking 8,4% bedroeg (Geier, '01). De allergieën onder de algemene bevolking worden met name veroorzaakt door het gebruik van cosmetica die MCI/MI bevat (o.a. Reinhard et al. ,'01). Ook bij de schilders kan de oorzaak van sensibilisatie in het gebruik van cosmetica hebben gelegen. Dit doet overigens niets af aan de klachten die vervolgens ontstaan tijdens het gebruik van andere producten, zoals tapijtlijmen. Voor meer achtergrond informatie wordt verwezen naar het (deel-) rapport met betrekking tot schilders.

Andere biociden die in tapijtlijmen kunnen voorkomen zijn formaldehyde of formaldehyde-donoren. In de bovengenoemde groep Duitse schilders met handeczeem bleek 4,8% allergisch voor formaldehyde. Ook formaldehyde is derhalve een relatief potent allergeen.

Wat betreft de gemodificeerde colofoniumhars die als tackifier in lijmen kan voorkomen is de situatie niet helemaal duidelijk. Colofonium zelf is een veel voorkomende oorzaak van allergieën - bijvoorbeeld onder schilders (Geier, 01) - maar in hoeverre de modificatie de allergene potentie verlaagt is niet bekend. Isocyanaten staan bekend als potente luchtweg-allergenen, maar als zwakke huid- allergenen. In veel landen zijn isocyanaten de belangrijkste veroorzakers van beroepsastma (Snippe et al., '01). Het werken met PUR-lijmen voor het aanbrengen van plinten of tapijt op trappen kan tot blootstelling aan isocyanaten leiden. De isocyanaten die in de lijmen worden toegepast (MDI) zijn niet vluchtig, maar zouden wel tot sensibilisatie via de huid kunnen leiden.

54


Speciale aandacht moet uitgaan naar de watergedragen epoxyprimer voor tapijtlijmen. Zoals gezegd worden deze alleen toegepast bij een zeer harde ondergrond van b.v. tegels. Epoxyprimers bevatten hoge gehalten sensibiliserende stoffen (boven de 50%). De allergene potentie van epoxyharsen en reactieve verdunners (diglycidylethers) is hoog. Dit blijkt onder meer uit de ervaring dat beginnende epoxyverwerkers díe een allergie ontwikkelen, dit in het algemeen binnen 6 maanden doen (Condé-Salazar & Alomar, '00). Behalve uit dergelijke gegevens van epidemiologische aard, is de allergene potentie ook uit de chemische eigenschappen af te leiden (Basketter et al., '95). Epoxyharsen, en de meeste reactieve verdunners zijn namelijk corrosief voor de huid, en zeer reactief. Tapijtlijmers die deze producten regelmatig verwerken hebben daarom een grote kans een epoxy-allergie op te lopen indien zij hun huid niet voldoende beschermen. Slechts enkele spatjes van epoxyverbindingen zouden al tot een allergie kunnen leiden (Estlander et al., '00). Epoxy-allergieën leiden bovendien veelal tot ernstige vormen van handeczeem. Als gevolg van blootstelling aan vluchtige reactieve verdunners, kan daarnaast contactdermatitis aan het gelaat ontstaan (Condé- Salazar & Alomar, '00).

55


6.1.2 Parketleggers
Tabel 6.2 geeft een overzicht van allergene stoffen in producten die door parketleggers worden gebruikt.

Tabel 6.2 Allergene stoffen (gelabeld met R42 of R43), die in producten voor parketleggers voor kunnen komen (zie hf. 3)
Egaliseermiddelen:
Portlandcement (chroomzouten)
Acrylaatmonomeren
Parketlijm; 1-K en 2-K polyurethaan:
4,4-difenylmethaan diisocyanaat (MDI)
Parketlijm; polyvinylacetaat-dispersie:
Biocide (MCI/MI)
Parketlijm op cementbasis:
Portlandcement (chroomzouten)
Primer voor parketlijm; acrylaatdispersie:
Biocide (MCI/MI)
Acrylaatmonomeren
Primer voor parketlijm; watergedragen epoxy:
Epoxyhars
Reactieve verdunners (diglycidylethers)
Voegmiddel; acrylaatdispersie:
Biocide (MCI/MI)
Acrylaatmonomeren
Voegmiddel; 1-K polyurethaan:
4,4-difenylmethaan diisocyanaat (MDI)
Parketlak; PUR-acrylaat dispersie:
Biocide (MCI/MI)
Acrylaatmonomeren
Parketlak; PUR-dispersie:
Biocide (MCI/MI)
Verharder voor PUR-dispersie parketlak:
4,4-difenylmethaan diisocyanaat (MDI)
Primer voor parketlak; acrylaatdispersie:
Biocide (MCI/MI)
Acrylaatmonomeren
Parketolie; oplosmiddelhoudend:
Terpentijn
Parketwas; watergedragen:
Trisisobutylfosfaat
Chlooracetamide
Acrylaatmonomeren
Parketwas; oplosmiddelhoudend:
Terpentijn

56


De parketlegger gebruikt een breder assortiment producten dan de tapijtlegger, waarvan een groot deel enkele allergene stoffen bevat. In veel gevallen gaat het om lage gehalten biociden, acrylaatmonomeren of vrije isocyanaten. Deze zijn in de vorige paragraaf over tapijtlegger (6.1.1) al besproken, evenals Portlandcement, hetgeen hier in egaliseermiddelen en in parketlijm op cementbasis voorkomt. De parketlegger gebruikt verder nu en dan epoxyprimers, met name wanneer een `vochtscherm' wordt gewenst. Ook deze zijn in paragraaf 6.1.1. uitgebreid besproken. Producten die specifiek door de parketlegger worden toegepast, zijn de parketoliën en ­wassen. De oplosmiddelhoudende varianten bevatten terpentijn ­ een bekend allergeen. Onder de eerder genoemde 72 schilders met handeczeem die in Duitsland zijn onderzocht, had 5,6% een allergie tegen terpentijn (Geier, '01). Over trisisobutylfosfaat en chlooracetamide, twee bestanddelen van een watergedragen parketwas, zijn dergelijke gegevens niet bekend.

Voor de parketlegger moet tenslotte worden opgemerkt, dat het zagen van parket in bepaalde gevallen tot blootstelling kan leiden aan allergene componenten uit het hout (b.v. colofoniumhars, terpenen). Met name bij hardhoutsoorten zou dit een rol kunnen spelen bij het ontstaan van huidklachten (zie tabel 4.2.a).

6.2 Blootstelling aan irriterende stoffen
Irriterende stoffen zijn stoffen die bij éénmalige of herhaalde blootstelling kunnen leiden tot kleine of grotere beschadigingen van de huid. Bestanddelen als oppervlakte- actieve stoffen, oplosmiddelen en basen ontvetten daarnaast de huid. Deze droogt hierdoor uit, hetgeen de weerstand tegen andere (irriterende) stoffen weer verlaagt, en op zichzelf een eerste stap is in de richting van een dermatitis (eczeem). Het cumulatieve effect van vele geringe huidbeschadigingen als gevolg van irriterende stoffen, is op den duur een chronische irritatieve contactdermatitis, c.q. contacteczeem (Piebenga & van der Walle, '98). Veelvuldig contact met irriterende stoffen, is derhalve vaak één van de hoofdoorzaken van het ontstaan van huidproblemen, tezamen met de invloed van vocht. Huidbeschadiging door irritatief eczeem bevordert vervolgens het ontstaan van allergisch eczeem, doordat de barrièrewerking van de huid wordt verstoord (Piebenga & van der Walle, '98; Estlander et al., '00).

Zowel tapijt- als parketleggers gebruiken relatief veel producten waarin irriterende stoffen voorkomen. Op grond van de lage concentraties van de afzonderlijke bestanddelen worden de producten in het algemeen echter niet geclassificeerd als `irriterend'.

6.2.1 Tapijtleggers
In het eerder aangehaalde onderzoek naar het voorkomen van eczeem onder tapijtleggers (Geuskens et al., '93) is getracht relaties te leggen tussen het gebruik van specifieke producten en het optreden van handeczeem. Significante relaties bleken alleen aantoonbaar tussen handeczeem en het aantal uren per week dat men met `kunstharskit' (15% methanol) en met 'vochtisolatiemiddel' werkte (Geuskens et al., '93). De producten worden helaas niet verder omschreven. Kuntsharskit met 15% 57


methanol wordt momenteel echter niet meer toegepast. De vochtisolatiemiddelen (hydrofoberingsmiddelen) die momenteel worden toegepast bevatten irriterende silaanverbindingen en tensiden (tabel 2.2). De gehalten van deze stoffen zijn echter niet hoog. De relevantie van de gevonden relaties voor de huidige situatie lijkt twijfelachtig. Wel werd nog een relatie gevonden tussen het aantal uren dat gewerkt werd met egalisatiemiddel en het vóórkomen van één of meer symptomen van handeczeem (Geuskens et al., '93).

Tabel 6.3 geeft een overzicht van irriterende stoffen in de producten die tapijtleggers gebruiken.

Tabel 6.3 Irriterende stoffen die in producten voor tapijtleggers voor kunnen komen (zie hf. 2)(incl. niet als irriterend gelabelde stoffen, zoals huid-ontvettende oplosmiddelen)
Egaliseermiddelen:
Portlandcement, acrylaatmonomeren, calciumhydroxide Hydrofoberingsmiddelen (watergedragen):
siloxanen, tensiden, isothiazolinon-biociden
Tapijtlijm (watergedragen):
Tackifiers, weekmakers (gemod. colofoniumhars, butyldiglycolacetaat, aromatische en alifatische koolwaterstoffen), emulgatoren, biociden (Bronopol, MCI/MI, formaldehyde), anti-schuimmiddel (propyleenglycol, alkylfenolethoxylaten), acrylaatmonomeren, corrosieremmer (b.v. zinkfosfaat). Plinten- en trappenlijm (1-K polyurethaan):
4,4-difenylmethaan diisocyanaat (MDI), weekmaker (benzylbutylftalaat). Epoxyprimer voor tapijtlijm
Epoxyhars, reactieve verdunners, polyamine-epoxyhars adductverharder (oogirr.) Reinigingsmiddelen voor gereedschap en handen:
Thinner (xyleen, butanol, butylacetaat, aceton), methylethylketon, methyleenchloride.

Wat betreft de `irriterende capaciteit' zullen vrijwel alle bovengenoemde producten hoog scoren. Alleen het hydrofoberingsmiddel, met een gehalte water van meer dan 90%, lijkt relatief minder irriterend. Cement en Portlandcement zijn als gevolg van het sterk basische karakter sterk irriterend. Tapijtlijm bevat een grote variatie aan potentieel irriterende stoffen, en trappen- en plintenlijm bevat diisocyanaten en oligomeren. De epoxyprimer bevat een hoog gehalte epoxyhars en reactieve verdunner, welke als corrosief geclassificeerd zijn. De reinigingsmiddelen tenslotte zijn sterk ontvettend, en zullen met name wanneer ze als handenreiniger worden gebruikt een zeer belangrijke irriterende factor zijn. In veel gevallen wordt echter water als reiniger gebruikt (hf.4). Aangezien handschoenen alleen bij het werken met epoxyproducten worden gebruikt (zie hf. 4) zal de blootstelling aan irriterende stoffen een aanzienlijke rol kunnen spelen (uiteraard afhankelijk van de persoonlijke zorgvuldigheid van werken).
58


6.2.2 Parketleggers
Tabel 6.4 geeft een overzicht van irriterende stoffen in de producten die parketleggers gebruiken.
Voor parketleggers geldt in grote lijnen hetzelfde als voor tapijtleggers, zij het dat een nog grotere range aan irriterende stoffen in de producten voorkomt. De blootstelling aan, en dus het risico van, producten als lijmen, primers, parketlakken, oliën en wassen zal sterk afhangen van de persoonlijke werkwijze. Een extra factor bij parketleggers is het zagen en schuren van parket, waarbij de huid, de ogen en de luchtwegen kunnen worden blootgesteld aan irriterend houtstof. Houtstof is hygroscopisch, en droogt de huid derhalve uit, en kan vele irriterende bestanddelen bevatten, afhankelijk van de houtsoort (zie ook tabel 4.2.a). Tenslotte zullen de `handreinigingsdoekjes' wanneer ze regelmatig gebruikt worden een sterke irriterende factor zijn, net als lijmverwijderaars als thinner, methyleenchloride of methylethylketon.

59


Tabel 6.4 Irriterende stoffen die in producten voor parketleggers voor kunnen komen (zie hf. 3) (incl. niet als irriterend gelabelde stoffen, zoals huid-ontvettende oplosmiddelen)
Egaliseermiddelen:
Portlandcement, acrylaatmonomeren, calciumhydroxide Parketlijm; 1-K en 2-K polyurethaan:
4,4-difenylmethaan diisocyanaat (MDI)
Parketlijm; polyvinylacetaat-dispersie:
Biocide (MCI/MI), weekmaker (diisobutylftalaat)
Parketlijm op cementbasis:
Portlandcement, cement.
Primer voor parketlijm; acrylaatdispersie:
Biocide (MCI/MI), acrylaatmonomeren, tensiden, cosolvents (b.v. propyleenglycol) Primer voor parketlijm; watergedragen epoxy:
Epoxyhars, reactieve verdunners (diglycidylethers), polyamine-epoxyhars adductverharder Voegmiddel; nitrocellulose:
isopropanol, houtstof.
Voegmiddel; acrylaatdispersie:
Biocide (MCI/MI), acrylaatmonomeren, houtstof.
Voegmiddel; 1-K polyurethaan:
4,4-difenylmethaan diisocyanaat (MDI), houtstof, tolueen, solvent nafta Parketlak; PUR-acrylaat dispersie:
N-methylpyrrolidon, cosolvents (butylglycol, butyldiglycol, 3-butoxypropaan-2-ol, butoxydiglycol), triethylamine, tenside (nonylfenolethoxylaat), biocide (MCI/MI), acrylaatmonomeren
Parketlak; PUR-dispersie:
N-methylpyrrolidon, pH-regulator (dimethylaminoethanol, triethylamine), biocide (MCI/MI) Verharder voor PUR-dispersie parketlak:
4,4-difenylmethaan diisocyanaat (MDI)
Primer voor parketlak; acrylaatdispersie:
Cosolvents (propyleenglycol, 2-fenoxyethanol, 2-butoxyethanol), tensiden (nonylfenolethoxylaat, anionische tensiden), triethylamine, biocide (MCI/MI), acrylaatmonomeren
Parketolie, watergedragen:
N-methylpyrrolidon
Parketolie; oplosmiddelhoudend:
Terpentijn
Parketwas; watergedragen:
Tenside (alcoholethoxylaat), cosolvents, acrylaatmonomeren Parketwas; oplosmiddelhoudend:
Terpentijn, white spirit (terpentine)
Reinigingsmiddelen voor gereedschap en handen:
Thinner (xyleen, butanol, butylacetaat, aceton), methylethylketon, methyleenchloride, reinigingsdoekjes (D-limoneen, ethanol, dibasic esters, cetrimonium bromide). 60


6.3 Mechanische belasting
Diverse werkzaamheden die tapijt- en parketleggers verrichten, kunnen een `schurende' werking uitoefenen op de huid, waardoor deze licht wordt beschadigd. Andere belastende factoren, zoals irriterende en allergene stoffen, kunnen dan makkelijker in de huid doordringen. Men kan hierbij voor tapijtleggers denken aan het hanteren van het tapijt zelf (Geuskens et al. ,'93), het reinigen van materialen - indien dit met de hand gebeurt - en het reinigen van de handen indien een reiniger met een schuurmiddel wordt gebruikt. Voor parketleggers kunnen de laatste twee factoren eveneens een rol spelen. Daarnaast kan men denken aan het schuren van parket, voor zover dit met de hand (schuurpapier) gebeurt, contact met houtsplinters e.d. Over de daadwerkelijke invloed van mechanische belasting van de huid is weinig bekend, dat wil zeggen: weinig dat uitstijgt boven kwalitatieve beschrijvingen. Een onderzoek onder 500 tapijtleggers in Zweden wees echter uit dat 10-20% van hen beroepsgerelateerde `hyperkeratose' (eelt) vertoonde op de knokkels van de vingers. Dit verschijnsel werd geweten aan langdurige en herhaalde druk en wrijving als gevolg van de werkzaamheden (Wahlberg, 1985).
In een onderzoek onder metaalbewerkers werd een zwakke relatie gevonden (`odds ratio' 1,35) tussen het aantal uren `mechanische huidbelasting' en de ontwikkeling van eczeem (Berndt et al., '00).

6.4 Weersinvloeden
In een enquête onder schilders gaven diverse personen aan, dat met name tijdens de winter huidklachten optreden of verergeren (Terwoert et al., in prep.). Ook uit enquêtes onder andere beroepsgroepen, zoals kappers, is dit bekend (Terwoert et al., '01). Ook is uit de kappersbranche bekend dat droge lucht, in casu als gevolg van het gebruik van föhns én als gevolg van een lage luchtvochtigheid in de kapsalon, het risico op huidklachten vergroot (Uter et al., '99). Een lage luchtvochtigheid, met name tijdens `droog vriesweer' in de winter, is derhalve één van de factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van - irritatieve - huidklachten.

6.5 Persoonlijke gevoeligheid
Het aanwezig zijn van een verhoogde gevoeligheid van de huid en/of de luchtwegen wordt wel aangeduid met de term `atopie'. Wanneer één of meer van de volgende symptomen aanwezig zijn, kan gesproken worden van een persoon met een `atopische constitutie':
Als baby eczeem of dauwworm gehad hebben;
Eczeem in plooien van knie/ elleboog gehad hebben; Eczeem a/d handen al vóór het begin van het werk (als tapijt- of parketlegger); Hooikoorts of astma;
Overgevoeligheid voor huisstof of dieren.
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de atopie-kenmerken die zich uiten in huidklachten en de kenmerken die zich uiten in luchtweg- en oogklachten (de laatste twee punten). Dermatologen zijn het er tegenwoordig over eens, dat alleen de kenmerken die zich uiten in huidklachten het risico op huidaandoeningen als gevolg 61


van het werk vergroten (Coenraads & Diepgen, '97; Diepgen & Coenraads, '99). Hooikoorts of overgevoeligheid voor huisstof vergroot derhalve níet het risico op beroepseczeem. Wel bleek uit onderzoek onder schilders in Zweden dat personen met `luchtweg-atopie' een grotere kans hebben op luchtweg-irritaties als gevolg van de inhalatie van irriterende stoffen (Wieslander & Norbäck, '98).

`Huid-atopie' blijkt niet de kans op allergische huidaandoeningen te vergroten, maar wél de kans op irritatieve huidaandoeningen. Onderzoek onder kapsters, die intensief aan allergenen worden blootgesteld, wees uit dat onder personen met een geschiedenis van `atopisch eczeem' de sensibilisatie-frequentie niet hoger was dan onder anderen (Coenraads & Diepgen, '97). Tegelijkertijd bestaat er op basis van diverse epidemiologische studies consensus over het feit dat `huid-atopie' wél de kans op irritatieve huidaandoeningen aanzienlijk vergroot. Bij personen die één of meer van bovenstaande kenmerken van huid-atopie bezitten is de kans op het ontstaan van irritatief eczeem "op zijn minst verdubbeld" (Coenraads & Diepgen, '97). Onderzoek onder schilders bevestigt deze conclusies (zie deelrapport schilders). Aantasting van de huid door irritatieve huidaandoeningen kan overigens wel leiden tot een hogere kans op sensibilisatie wanneer de huid aan allergenen wordt blootgesteld (Piebenga & Van der Walle, '98).
Onderzoek onder tapijt- en parketleggers naar de invloed van de factor `huid-atopie' is niet bekend. Wel is in een studie naar het voorkomen van handeczeem onder tapijtleggers gekeken naar de factor "droog huidtype". In dit onderzoek kon géén relatie worden gelegd tussen het voorkomen van handeczeem en een droog huidtype (Geuskens et al., `93). In andere beroepsgroepen ­ kapsters en verpleegsters - werd wél een duidelijk verhoogd risico gevonden voor personen met een droog huidtype (Diepgen & Coenraads, '99; Uter et al., '99). Ook het eigen onderzoek onder schilders lijkt deze conclusie te bevestigen.

6.6 Discussie
Onderzoek in het begin van de jaren '90 wees uit, dat onder tapijtleggers méér handeczeem voorkwam dan onder een controlegroep van machinisten (Geuskens et al., '93). Recenter onderzoek, en onderzoek onder parketleggers, is niet voorhanden. Een reeks aan factoren kan in principe bijdragen aan het ontstaan van handeczeem bij tapijt- en parketleggers, maar met name irritatieve factoren lijken een voorname rol te spelen. Specifieke onderzoeksgegevens die de rol van de diverse factoren kunnen bevestigen of ontkennen zijn voor deze beroepsgroepen zijn echter niet beschikbaar. Afgezien van het incidentele gebruik van epoxyprimers lijken tapijt- en parketleggers niet intensief te worden blootgesteld aan allergische stoffen. Wel kan blootstelling aan Portlandcement (egaliseermiddelen, parketlijm op cementbasis) als gevolg van de combinatie van het sterk basische karakter (irritatie) en de aanwezigheid van allergene chroomverbindingen tot huidproblemen leiden. Verder kan blootstelling aan isocyanaten plaatsvinden bij het gebruik van polyurethaanlijmen (trappen, plinten, parket), voegmiddelen en verharders voor bepaalde parketlakken. De isocyanaten die hierin worden toegepast (MDI) zijn echter weinig vluchtig.

62


De invloed van irritatieve factoren lijkt bij deze beroepsgroepen beduidend groter. Cement en Portlandcement, lijmen, epoxy's en reinigingsmiddelen voor handen en gereedschap zorgen potentieel voor een aanzienlijke irritatieve belasting bij beide beroepsgroepen. Voor de parketlegger komt hier nog blootstelling aan fijn houtstof bij. Gezien de typen hout die vaak voor parket worden gebruikt (de hardere soorten) is het risico op irritaties relatief hoog. Ook kunnen de parketoliën en ­wassen hoge concentraties irriterende bestanddelen bevatten.

Voor tapijtleggers is de mechanische belasting van de huid mogelijk een niet te onderschatten factor. Afhankelijk van het type vloerbedekking, kan het hanteren hiervan de huid mechanisch beschadigen. Deze factor lijkt voor de parketlegger van minder groot belang.

Ook voor tapijt- en parketlegger speelt de persoonlijke gevoeligheid van de huid waarschijnlijk een grote rol. Hoewel specifieke gegevens voor deze beroepsgroepen niet beschikbaar zijn, blijkt uit onderzoek onder andere groepen dat de factoren `huid- atopie' en `droog huidtype' het risico aanzienlijk kunnen verhogen.

De blootstelling aan allergene, irriterende en mechanische factoren die de huid belasten wordt beïnvloed door het gebruik van handschoenen. Het lijkt erop, dat handschoenen door tapijt- en parketleggers nauwelijks worden gebruikt (hf. 4). Het al dan niet gebruiken van handschoenen kan wisselende effecten hebben, en kan daardoor het beoordelen van oorzaken van huidklachten sterk bemoeilijken. Aan de ene kant kunnen handschoenen uiteraard het contact met allergenen en irriterende stoffen en mechanische belasting voorkomen, en de werknemer daardoor beschermen tegen het ontstaan van huidklachten. Aan de andere kant worden handschoenen door velen pas gebruikt wanneer eenmaal huidklachten zijn opgetreden. Uit de literatuur is het dan ook bekend dat een beschermende werking van handschoengebruik niet kan worden aangetoond, en dat zelfs een tegenovergesteld effect lijkt op te treden: degenen die handschoenen dragen, hebben meer huidklachten. Tenslotte kan het gebruik van handschoenen zélf tot huidklachten leiden. Transpiratie in de handschoen, of het aantrekken van handschoenen over vochtige handen ­ hetgeen beide veel voorkomt ­ leidt tot blootstelling van de huid aan vocht; een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van irritatieve huidaandoeningen. Wanneer de handschoen aan de binnenzijde verontreinigd is met allergene of irriterende stoffen of over vervuilde handen heen wordt aangetrokken, wat bij veel werkzaamheden ook al snel gebeurt, vindt een nog intensievere blootstelling aan deze stoffen plaats (occlusie). Bovendien speelt het probleem van latex-allergie (Smits et al., '00).

De gevolgen van de Vervangingsregeling voor het risico op huidklachten lijken beperkt, ondanks dat behalve de lijmen ook alle `overige producten' (voegmiddelen, egaliseermiddelen etc.) onder de regeling vallen. Een lichte afname van de irritatieve belasting van de huid als gevolg van de afname in het gebruik van oplosmiddelgedragen producten (lijmen, parketlakken) is waarschijnlijk. Niet alleen de lijmen zelf bevatten lagere gehalten (ontvettende) oplosmiddelen, met name ook het reinigen van de handen (en apparatuur) met oplosmiddelen zal minder vaak 63


voorkomen als minder vaak oplosmiddelgedragen producten worden gebruikt. Tegelijkertijd lijkt het gebruik van allergene stoffen niet significant te zijn toegenomen. De voornaamste allergenen - epoxyprimers en Portlandcement (egaliseermiddel) - werden in het verleden ook al gebruikt. De extra allergene belasting zal met name van het gebruik van biociden in watergedragen producten komen. Deze worden in een zeer laag gehalte toegepast, maar kunnen wel tot problemen leiden indien de persoon in kwestie vooraf is gesensibiliseerd als gevolg van het gebruik van cosmetica met hetzelfde biocide. Uitsluitsel omtrent het belang van allergene vs. irritatieve factoren kan overigens alleen worden bereikt door onderzoek op individueel niveau, in casu: het uitvoeren van `lapjesproeven' bij personen die een huidaandoening hebben ontwikkeld, uiteraard in combinatie met het verzamelen van informatie over blootstellingen.

Overigens zal een aanzienlijke afname in de blootstelling aan organische oplosmidden via inademing optreden wanneer de vervangingsregeling adequaat wordt nageleefd. Dit vormde echter niet de focus van dit onderzoek.

64


7. PREVENTIEVE MAATREGELEN

Aangenomen dat preventie geboden is, hetgeen voor parketleggers strikt genomen niet is aangetoond maar voor tapijtleggers op basis van gegevens uit het begin van de jaren '90 wel, kunnen op diverse niveaus maatregelen worden genomen: Aanpassing van producten
Aanpassing van werkwijzen
Persoonlijke bescherming en hygiëne
Vroege signalering en interventie.

7.1. Aanpassing producten
Wat betreft producten, kan worden gedacht aan product-vervanging, vervanging van schadelijke componenten, aanpassing van de product-`vorm' en aanpassing van de verpakkingen.

Product-vervanging
De mogelijkheden voor product-vervanging zijn voor de betrokken beroepsgroepen niet groot.

Tapijtleggers
Voor tapijtleggers zal wat de allergene stoffen betreft de aandacht met name uitgaan naar de plinten- en trappenlijm op basis van polyurethaan, en naar de epoxyprimer. In plaats van de 1-K polyurethaanlijm werden vroeger oplosmiddelrijke contactlijmen gebruikt voor het lijmen van trappen en plinten. Een teruggang naar deze producten is geen optie. Watergedragen contactlijmen voor deze toepassingen zijn echter in ontwikkeling. Momenteel zijn deze nog niet geaccepteerd in de markt, maar het is van belang de ontwikkelingen te volgen, en vervolgens eventueel het gebruik te stimuleren. Epoxyprimers voor tapijtlijmen worden naar verluidt al zeer selectief toegepast (bij een zeer harde ondergrond). Vaak wordt geen primer gebruikt, en anders een acrylaatprimer. Vervanging van de epoxyprimer in die gevallen waarin deze nu wordt toegepast is waarschijnlijk moeilijk in verband met mogelijke hechtingsproblemen.

Wat de irriterende stoffen betreft komen naast de bovengenoemde producten vooral de reinigingsmiddelen voor handen en gereedschap naar voren. Het gebruik van sterk ontvettende oplosmiddelen moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Met name voor de handen kan het tijdig reinigen, met een doek en eventueel water en zeep, problemen voorkomen. Slechts in uitzonderlijke gevallen zou een - zo mild mogelijke - industriële handreiniger gebruikt moeten worden. Zie verder paragraaf 7.3.

Parketleggers
Voor parketleggers komen deels dezelfde allergene producten in beeld als bij de tapijtlegger: polyurethaan (parket-)lijmen en epoxyprimers. Een alternatieve parketlijm is de polyvinylacetaat-dispersie, welke alleen een allergene biocide bevat. Parketlijmen op cementbasis zijn wat het risico op huidklachten betreft minder aan te 65


bevelen (par. 6.1/6.2). De epoxyprimers worden door parketleggers gebruikt wanneer een `vochtscherm' wordt verlangd. Mogelijk kan in plaats daarvan een combinatie van een hydrofoberingsmiddel (par. 2.2) en een `conventionele' acrylaatprimer worden toegepast.

Allergene producten die eveneens voor vervanging in aanmerking kunnen komen, zijn de voegmiddelen op basis van polyurethaan, de `extra verharder' voor polyurethaandispersie-parketlakken (isocyanaten) en de parketoliën en -wassen die terpentijn bevatten. Voegmiddelen op basis van acrylaatdispersies en watergedragen parketoliën en -wassen kunnen in plaats van bovengenoemde producten worden gebruikt. Het gebruik van de extra verharder voor PUR-dispersie parketlakken moet zo veel mogelijk worden voorkomen.

Wat de irriterende stoffen betreft, komen naast de bovengenoemde producten de parketlijm op cementbasis en de handreinigers in beeld. Parketlijmen op basis van polyvinylacetaat-dispersies kunnen zo veel mogelijk worden toegepast, indien technisch haalbaar. Bij de handreinigers geldt hetzelfde als voor de tapijtleggers, met de toevoeging dat ook het gebruik de handreinigingsdoekjes die zijn beschreven ontraden moet worden.
Overigens hebben veel méér producten die parketleggers gebruiken een sterk irriterend karakter. Echter, lang niet in alle gevallen is een geschikte vervanger aan te wijzen.

Vervanging van schadelijke componenten,
De wenselijkheid en de mogelijkheden voor vervanging van schadelijke componenten in producten zal voor de tapijt- en parketleggers samen worden besproken, omdat veel aanbevelingen overeen zullen komen. Een aantal stofgroepen en/of producten waarbij vervanging of aanpassing van bestanddelen mogelijk is, wordt hieronder besproken.

Cement en Portlandcement
Zowel tapijtleggers als parketleggers gebruiken egaliseermiddelen die cement bevatten. Parketleggers gebruiken tevens soms parketlijmen op basis van cement. Aanpassingen in deze producten zijn met name mogelijk ten opzichte van het chromaatgehalte van het cement. Zoals bekend, kan blootstelling aan chromaten in cement allergisch eczeem veroorzaken. In principe zijn er twee opties om het chromaatgehalte in cement te verlagen (o.m. Arbouw, '92): Kiezen voor cement dat als gevolg van de herkomst van nature een laag chromaatgehalte heeft. Dit geldt in het algemeen voor het cement van Nederlandse afkomst;
Kiezen voor cement dat door middel van de toevoeging van ferrosulfaat een verlaagd chromaatgehalte heeft. Dit `chromaatarme' cement is met name op de Duitse en Scandinavische markt verkrijgbaar.
Naar verluidt bevatten goedkopere cementtypen uit met name Oost-Europa aanmerkelijk hogere chromaatgehalten dan de bovengenoemde typen.

66


Biociden
Biociden komen voor in hydrofoberingsmiddelen, watergedragen tapijtlijmen, parketlijmen op basis van polyvinylacetaat, acrylaatprimers voor parketlijmen, parketvoegmiddelen op basis van acrylaatdispersies en watergedragen parketlakken. Buiten de isothiazolinonen, Bronopol en formaldehyde-donoren worden niet of nauwelijks alternatieve `in-can' biociden toegepast. Zowel de isothiazolinonen als het vrije formaldehyde dat in het product voorkomt als formaldehyde-donoren worden gebruikt is sensibiliserend. Voor Bronopol geldt dit volgens de etikettering niet, hoewel cases van allergieën uit de literatuur bekend zijn. Isothiazolinonen, formaldehydedonoren en Bronopol hebben elk echter een specifieke functie, en zijn niet inwisselbaar.

Vervanging van biociden is wel mogelijk bínnen een groep van biociden. Er zijn met name aanmerkelijke verschillen te zien in de allergene potentie van de diverse isothiazolinon-biociden. In verband met de komende etikettering van producten die meer dan 15 ppm MCI/MI bevatten (met een Andreaskruis), zijn veel leveranciers al aan het overschakelen op de combinatie MCI/BIT, die een lagere allergene potentie heeft en dus niet tot etikettering van het product leidt. De nieuwe combinatie wordt echter in een hogere concentratie toegepast,waardoor het de vraag is of per saldo een gunstiger situatie ontstaat.
Wanneer alternatieve biociden worden geïntroduceerd, zoals methyldibroomglutaarnitril in cosmetica, ontstaat vaak al snel een stijging in het aantal cases van allergieën tegen de nieuwe stof. Kennelijk brengt de biologische activiteit die biociden per definitie hebben met zich mee dat ze in veel gevallen ook sensibiliserend zijn. Voor vervanging van biociden lijkt dit weinig perspectief te bieden. Tegelijkertijd geldt echter, dat de meeste gevallen van sensibilisatie ontstaan door het gebruik van cosmetica, en dat sensibilisaties als gevolg van het gebruik van producten als verven en lijmen tot nog toe niet onomstotelijk zijn bewezen (hf. 6). Dit opent de mogelijkheid tot een andere maatregel, namelijk het toepassen van andere biociden in verven en lijmen dan de biociden die in cosmetica worden gebruikt. Dit zal echter in moeten houden dat er een overleg op gang komt tussen de verf- en lijmindustrie en de cosmetica-industrie. Het gebruik van bepaalde biociden in cosmetica (en dus ook in de andere producten) zal bovendien moeten rouleren, gezien het feit dat na enkele jaren gebruik in cosmetica in het algemeen het aantal cases van allergieën toeneemt.
Overigens kan het nemen van hygiënische maatregelen tijdens de productie (`plant hygiene') de noodzaak om hoge concentraties in-can biociden te gebruiken terugdringen. Het geheel uitbannen van biociden is hoogstwaarschijnlijk niet mogelijk, maar de concentraties in de producten kunnen omlaag als de productie zo hygiënisch mogelijk verloopt (o.a. Bielemann, '00).

Acrylaatmonomeren
Hier speelt niet zozeer het vervangen van bestanddelen, aangezien alle acrylaat- monomeren (zwak) allergeen zijn, maar het verder terugdringen van de gehalten. Uit de inventarisatie die voor het (deel-) rapport over schilders is gedaan, zijn enkele indicaties voor huidige gehalten acrylaatmonomeren in (PUR-)acrylaatdispersies 67


gekomen. Verf- en bindmiddelproducenten bleken echter niet snel te bewegen gegevens hieromtrent te leveren.

Uit informatie van enkele verfproducenten is wel bekend, dat er duidelijk verschillen zijn in het monomeer-gehalte van bindmiddelen. Deze verschillen zijn er zowel tussen de diverse leveranciers van bindmiddelen als tussen verschillende bindmiddel- producten van één leverancier (Visser, '02). Bindmiddelen met een laag monomeer- gehalte (< 100 ppm) zijn "tegen meerprijs" verkrijgbaar bij de bindmiddel-leveranciers (Den Elzen, '02). Veel verfproducenten kopen deze alleen voor toepassing in verven die bijvoorbeeld aan het Duitse milieukeur `Blaue Engel' moeten voldoen (Visser, '02; Den Elzen, '02).

Al met al lijkt er zeker een mogelijkheid te zijn om parketlakken, lijmen, egaliseermiddelen, voegmiddelen en watergedragen parketwassen met een lager monomeer-gehalte te produceren. De kostprijs van de producten zal hierdoor iets stijgen.

Epoxy's
In de watergedragen epoxy's die als primer door tapijt- en parketleggers worden gebruikt, worden als verharder al de relatief weinig schadelijke polyamine-epoxy adducten gebruikt. Aanpassingen zijn wel mogelijk in de harsen en reactieve verdunners. Hoewel alle epoxyharsen en reactieve verdunners die voor toepassingen bij kamertemperatuur worden gebruikt sensibiliserend zijn, kan wel worden gekozen voor relatief minder schadelijke varianten. Bij de epoxyhars gaat het dan met name om een hars met een laag gehalte aan `vrij epichloorhydrine' (kankerverwekkend en sterk allergeen). Bij de reactieve verdunners gaat het om het kiezen van verdunners met een lage vluchtigheid en een zo hoog mogelijk molecuulgewicht. Enige speelruimte is in principe aanwezig (Arbouw/Chemiewinkel UvA, ongepubl. gegevens).

Cosolvents
Cosolvents als propyleenglycol, butylglycol en butyldiglycol die in de richtreceptuur voor de PUR-acrylaat parketlakken voorkwamen, zijn geëtiketteerd als irriterend voor de huid. Lang niet alle glycolethers zijn echter irriterend voor de huid. Enkele zijn wel irriterend voor de ogen en/of luchtwegen, maar indien de vluchtigheid laag genoeg is, is dit minder snel een probleem. In ieder geval lijkt er hier wel een keuzemogelijkheid te zijn voor producenten.
N-methylpyrrolidon (NMP) komt voor in polyurethaan-dispersies. NMP wordt niet aan de parketlak toegevoegd, maar blijft na de synthese in de dispersie achter. Een alternatief lijkt er niet te zijn. Wel zijn er verschillen in het gehalte zichtbaar. Onder leveranciers is het gehalte NMP in PUR-dispersies al een punt van aandacht.

Aanpassing van de product-`vorm'
Bij aanpassingen van de `vorm' of de eigenschappen van het product, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verhogen van de viscositeit van primers of parketlakken om spatten te beperken. Hierdoor wordt de blootstelling van de huid beperkt. Ook het 68


verminderen van de `stoffigheid' van cement en redispergeerbare parketlijmen op cementbasis zou een optie kunnen zijn.

Aanpassing van de verpakkingen
Ook aanpassingen aan de verpakkingen kunnen leiden tot het verkleinen van de blootstellingskans. Met name bij 2-componentenproducten is winst te halen, maar mogelijk ook bij primers of parketlakken in het algemeen. Het doseren en mengen van 2-componenten producten is in het algemeen een handeling waarbij een relatief grote kans bestaat op huidcontact met irriterende of sensibiliserende componenten.
Voor twee-componenten producten zoals epoxyprimers zou een systeem denkbaar kunnen zijn waarmee de componenten in de verpakking kunnen worden gemengd. Verpakkingen die bestaan uit twee afgescheiden segmenten en zijn voorzien van een mengsysteem, bestaan in andere branches en zouden ook in dit geval ontwikkeld kunnen worden.
De huidige verpakkingen van lakken en primers - blikken of plastic containers - leiden bij het uitschenken vrijwel altijd tot morsen, en bij het hersluiten vrijwel onontkoombaar tot huidcontact. Verontreiniging van de handen met het product leidt vervolgens in veel gevallen weer tot de noodzaak om deze te reinigen met oplosmiddelen of reinigers die schuurmiddelen bevatten. Het lijkt waarschijnlijk dat er hier nog verbeteringen te halen zijn.

7.2 Aanpassing werkwijze
In sommige gevallen kan door aanpassing van de werkwijze of verwerkingswijze de blootstelling aan producten worden beperkt.
Het mengen van de twee componenten van epoxyprimers zal meestal in het blik van de `stamlak' (hars plus reactieve verdunner) worden gedaan. In het algemeen wordt aangeraden om te mengen met behulp van een boortol op een lange steel, bij een laag toerental. In het algemeen wordt aangeraden om alleen de volledige inhoud van verpakking te gebruiken, en niet zelf componenten af te wegen of af te meten, teneinde de blootstelling te verlagen. Omdat de vereiste mengverhouding soms vrij complex is, is het niet waarschijnlijk dat dit advies altijd kan worden opgevolgd. Bij het gebruik van egaliseermiddelen treedt blootstelling aan het (cement-bevattende) poeder op tijdens het storten van de grondstoffen in een menger. Afzuiging zal veelal niet mogelijk zijn. Wel kan de stofvorming door een zorgvuldige werkwijze worden beperkt. Zo is het niet aan te raden de zak niet leeg te schudden. Beter is het, deze op de bodem van de menger leggen, en langzaam omhoog te tillen. Het schuren van de egaliseerlaag gebeurt nu nog vaak met schuurmachines zonder afzuiging (hf. 4). Schuurmachines met afzuiging zouden hier ingevoerd moeten worden.
Het volledig lijmen van vloerbedekking of parket komt steeds minder voor. In elk geval bij particulieren wordt vloerbedekking vaak alleen aan de randen, of in het geheel niet, gelijmd. In dat geval wordt de blootstelling aan lijmen vanzelfsprekend aanzienlijk beperkt. In grotere `projecten' (winkels, bedrijfspanden) wordt het tapijt echter nog steeds volledig gelijmd.

69


Van het opvullen van naden door middel van lassen van PVC-veter dat bij het leggen van tapijt in projecten gebeurt (zie hf. 4), zou kunnen worden afgezien. Dit brengt echter wel een mindere kwaliteit van het eindresultaat met zich mee.

Ook parket wordt tegenwoordig minder vaak in z'n geheel aan de vloer gelijmd. Zogenaamd `zwevend' parket wordt alleen mes-in-groef gelijmd, met een polyvinylacetaatlijm. Ook hier zal er echter een verschil zijn tussen de situatie bij particulieren en die bij bedrijven.

Bij het zagen van parket wordt gebruik gemaakt van zaagtafels met afzuiging, of van decoupeerzagen zonder afzuiging. In dat laatste geval worden stofkapjes gebruikt. De eerste werkwijze zal de voorkeur hebben. Het schuren van parket kan worden uitgevoerd met machinale schuurmachines die zijn voorzien van afzuiging en stofzak.

7.3 Persoonlijke bescherming en -hygiëne
In het gebruik van handschoenen, de huidreiniging en huidverzorging kunnen verbeteringen worden voorgesteld. Daarnaast verdient het voorkomen van inademing van houtstof door parketleggers enige aandacht.

Handschoengebruik
In hoofdstuk 4 is gebleken dat tapijtleggers momenteel alleen bij het werken met epoxy's handschoenen dragen, en parketleggers alleen bij het werken met epoxy's en polyurethaanlijmen. In aanvulling hierop, kan bij de volgende activiteiten het gebruik van handschoenen worden aanbevolen:
Het werken met egaliseermiddel: het aanmaken, opbrengen en schuren (irritatie door cement);
Het op maat snijden van tapijt (mechanische belasting); Het werk met PU-lijm door tapijtleggers;
Werk met parketlijm op basis van cement;
Het zagen of schuren van parket (houtstof; irritatieve en allergene belasting) Het reinigen van gereedschap (mechanisch/ irritatief/ allergeen).

In het algemeen, kunnen de volgende aanbevelingen worden gedaan in verband met het gebruik van handschoenen:
Draag handschoenen niet de hele dag, maar alleen bij specifieke werkzaamheden waarbij het risico op blootstelling van de huid groot is (zie boven); Trek handschoenen nooit over vervuilde of vochtige handen aan; Gebruik handschoenen het liefst éénmalig. Gebruik nooit handschoenen die aan de binnenkant verontreinigd zijn. Gebruik lange handschoenen en sla de rand bij de pols om naar buiten, om vervuiling van de binnenkant te voorkomen. Was de handschoenen vóór het uittrekken.
Kijk in het veiligheidsinformatieblad van het product voor informatie over het juiste type handschoen.

Helaas bestaat er over het laatste vaak veel onduidelijkheid. In productinformatie en andere publicaties worden verschillende typen handschoenen aanbevolen voor 70


hetzelfde type product. Andersom, bevelen sommige leveranciers voor hun gehele productenrange één type handschoen aan. Bij 2-componentenproducten worden bovendien voor de ene component vaak andere handschoenen aanbevolen dan voor de andere component.
Bij het op maat snijden van vloerbedekking en het zagen of schuren van parket kunnen wellicht gewone werkhandschoenen worden gebruikt.
Bij het gebruik van oplosmiddelhoudende producten en epoxy's wordt in het algemeen het gebruik van neopreen of nitril handschoenen aangeraden. Op basis van de informatie in het Productgroep Informatie Systeem Arbouw is het volgende overzicht te geven van aanbevolen handschoenmaterialen (Arbouw, '01):

Product-type Aanbevolen handschoenen Polychloropreenlijm (oplosmiddelrijk) Nitrilrubber Polyurethaanlijm 1K Nitrilrubber Polyurethaanlijm 2K Neopreen, nitrilrubber Polyvinylacetaatlijm (watergedragen) -
Lijm op cementbasis Neopreen Egaliseermiddel op cementbasis Neopreen Epoxyprimer, watergedragen Neopreen, nitrilrubber Polyurethaan voegmiddel Nitrilrubber Polyurethaan-dispersie parketlak Nitrilrubber Polyurethaan-acrylaat dispersie parketlak Nitrilrubber Nitrocellulose parketlak Nitrilrubber

In het algemeen zijn latex handschoenen af te raden, gezien de geringe bescherming en de grote kans op het ontstaan van latex-allergie (Smits et al., '00). Het gebruik van katoenen binnenhandschoenen wordt vaak aanbevolen om transpiratie in de handschoen tegen te gaan. Transpiratie leidt tot blootstelling aan vocht, hetgeen de doorlaatbaarheid van de huid kan vergoten en ook op zichzelf kan leiden tot huidklachten (Piebenga & Van der Walle, '98). Het nadeel van binnenhandschoenen is wel dat het tastgevoel afneemt.

Huidreiniging
Wat betreft handreiniging moet voortdurend de balans worden gezocht tussen `te veel' reinigen en `te weinig' reinigen. Uit andere branches is bekend dat het veelvuldig reinigen van de handen, met zeep, een risicofactor is in het ontstaan van huidklachten (Uter et al., '99).
Bij het gebruik van sterk allergene producten, zoals met name epoxy's, is het echter van belang om de huid zo snel mogelijk na een eventuele besmetting te reinigen. Wanneer het product nog niet is ingedroogd, kan dit vaak nog met een schone doek, en vervolgens water en zeep gebeuren.
In het algemeen moet worden geprobeerd om zo veel mogelijk met water alleen, of met water en zeep te reinigen. Bij watergedragen verven is dit meestal wel mogelijk, vooral als de verf niet te lang op de huid zit. Bij oplosmiddel-gebaseerde producten moet meestal een agressiever reinigingsmiddel gebruikt worden. Preventie door 71


middel van `zorgvuldig werken' of het dragen van handschoenen heeft dan de voorkeur. Zowel oplosmiddelen als speciale handreinigers die schuurmiddelen bevatten en reinigingsdoekjes met oplosmiddelen en `dibasic esters' zijn irriterend voor de huid. Wanneer het gebruik toch nodig is, kan een voorkeur worden uitgesproken voor de speciale handreinigers. Handreinigers dienen bij voorkeur te voldoen aan de `Arbo-beoordelingsgrondslag voor handreinigers' die door Arbouw is opgesteld (Arbouw, 1992). Hierin worden eisen gesteld aan de samenstelling van handreinigers. De volgende stoffen mogen volgens deze eisen niet in handreinigers voorkomen:
Natrium laurylsulfaat (oppervlakte-actieve stof);
Aromatische oplosmiddelen;
Bactericiden/ germiciden;
De allergene parfumgrondstoffen cinnamic alcohol, cinnamic aldehyde (kaneelaldehyde), amyl cinnamaldehyde, hydroxycitronellal, geraniol, eugenol, iso- eugenol en `oak moss absolute'.
Handreinigers die zijn bedoeld voor "lichte tot matig vervuilde handen" mogen bovendien geen schuurmiddelen en geen alifatische oplosmiddelen bevatten. Handreinigers voor "sterk vervuilde handen" mogen wel schuurmiddelen bevatten, en alifatische oplosmiddelen tot een maximum van 1600 mmol/l3. De leverancier dient op de verpakking te vermelden of de handreiniger is bedoeld voor lichte tot matig vervuilde, of voor sterk vervuilde handen.

De eisen voor handreinigers voor lichte tot matig vervuilde handen houden overigens in, dat wél alcoholen (b.v. ethanol) als oplosmiddel mogen worden toegepast. Of de eis dat handreinigers geen bactericide bevatten haalbaar is, zal afhankelijk zijn van de concentratie oplosmiddelen. Zo is van haargels bekend dat een conserveermiddel nodig is wanneer de concentratie alcohol in het product lager is dan 15% (Lang, '89). Omdat de handen door handreinigers worden ontvet, dient na elke reiniging een handcrème gebruikt te worden (zie onder).

Huidverzorging
Het verzorgen van de huid met behulp van crèmes is voor degenen die werken met irriterende en/of allergene stoffen in het algemeen aan te bevelen. Uit de literatuur blijkt dat crèmes daadwerkelijk beschermen tegen het ontstaan van met name irritatieve huidklachten, hoewel het effect niet heel stek is (Uter et al., '99). Crèmes zouden zowel vóór als ná het werk, en in pauzes gebruikt moeten worden. Ook na elke keer dat de huid is gereinigd zou een handcrème gebruikt moeten worden. Het gebruik van handcrèmes zou via voorlichting gestimuleerd kunnen worden. Echte belemmeringen lijken er niet te zijn. Geschikte, neutrale verzorgende handcrèmes, liefst zonder parfums, zijn verkrijgbaar bij iedere apotheek.

Bescherming tegen houtstof
Bij het zagen of schuren van parket, zou gebruik moeten worden gemaakt van afzuiging. Parketschuurmachines met een degelijke afzuiging zijn in principe

3 Voor decaan (molecuulgewicht 142 g/mol), komt dit neer op 227 gram/liter, ofwel ruwweg 25% 72


verkrijgbaar. Wanneer geen goede afzuiging is te realiseren, moet een P2 of P3 stofmasker worden gebruikt (Arbouw, ongedat.).

7.4 Vroege signalering en interventie
Vroegtijdig ingrijpen bij beginnende huidklachten kan verergering van de klachten vaak nog voorkomen, en kan de huid herstellen. Wordt gewacht, dan wordt de barrièrefunctie van de huid steeds verder aangetast, waardoor de kans op herstel ook kleiner wordt. Wanneer zich als gevolg daarvan tevens een allergisch eczeem ontwikkelt is de kans op herstel nog kleiner, en zijn de klachten in het algemeen nog ernstiger (Van der Walle, '00).
Vroegtijdig ingrijpen vereist een vroegtijdige signalering van beginnende huidklachten. Veel tapijt- en parketleggers zijn hier zelf niet op bedacht, of denken dat een droge, schilferige huid `bij het vak hoort'. Voor een vroegtijdige signalering zou een nieuw `instrument' kunnen worden ontwikkeld.
Door het Centrum voor Huid en Arbeid is een screeningsinstrument ontwikkeld dat gebruik maakt van foto's van beginnende en meer gevorderde huidklachten, de zgn. `huidscreening pictionnaire'. Werknemers kunnen de foto's vergelijken met hun eigen huid, en eenvoudig aankruisen welke verschijnselen er wel of niet waar te nemen zijn. Tot nu toe is vooral in de kappersbranche ervaring opgedaan met de pictionnaire. De ervaringen zijn positief, in die zin dat de resultaten betrouwbaarder blijken dan die van vragenlijsten omtrent huidklachten, en dat de werknemers weinig moeite hebben de pictionnaire in te vullen (Piebenga, `00).
Aangezien de huidige pictionnaire specifiek voor de kappersbranche is ontwikkeld, zou een aanpassing nodig zijn. Wanneer een dergelijk instrument beschikbaar is, zou deze bijvoorbeeld jaarlijks naar alle medewerkers opgestuurd kunnen worden, met één of meer van de volgende instructies:
Een invulinstructie (in ieder geval);
De instructie de lijst terug te sturen naar de Arbodienst of een adviesbureau, ter evaluatie. Dit zou betrouwbare prevalentie-cijfers kunnen genereren. Instructies met betrekking tot huidbescherming en ­verzorging, bij een bepaalde `score'.

73


8. REFERENTIES

Andel, J.N. & M.C.W.M. van der Velden, 2001, Woninginrichtingsbranche onderzoek Arbeidsomstandigheden. PAGO en RI&E 1998-1999, Commit Arbo. Andersson. B., 1988, Thermal degradation of weldable poly(vinyl chloride) samples at low temperatures, in: Journal of Chromatography, vol. 445, pp. 353-361. Arbouw, 1992, Chromaatarm cement en het cementeczeem, Arbouw Journaal jrg. 2, nr. 2., Amsterdam, Stichting Arbouw.
Arbouw, 1992, Arbo-beoordelingsgrondslag voor handreinigers, Amsterdam, Stichting Arbouw.
Arbouw, ongedateerd, Epoxyharsen: instructies voor een vakman, Amsterdam, Stichting Arbouw.
Arbouw, ongedateerd, Het leggen van parket, Arbokennissysteem, Arbouw, deel W- 008.2.
Arbouw, 2001, Productgroep Informatie systeem Arbouw (PISA) 2000, Amsterdam, Stichting Arbouw.
Barig, A. et al., 1994, Gefahrstoffbelastung von Bodenbelagslegern, in: Staub, Reinhaltung der Luft, vol. 54, pp. 265-270.
Basketter, D. et al., 1995, The chemistry of contact allergy: why is a molecule allergenic?, in: Contact Dermatitis vol. 32, pp. 65-73. Basketter, D. et al., 1999, Skin sensitisation risk assessment: a comparative evaluation of 3 isothiazolinone biocides, in: Contact Dermatitis vol. 40, pp. 150-154. Beer, de, 2001, mondelinge mededelingen, BASF.
Beld, M. van den, 2000, persoonlijke mededelingen, NKC, Deventer. Berndt, U. et al., 2000, Hand eczema in metal worker trainees ­ an analysis of risk factors, in: Contact Dermatitis vol. 43, pp. 327-332. Bieleman, 2000, Additives for coatings, Weinheim, Wiley-VCH Verlag. Bock, M., 2001, Polyurethanes for coatings, Hannover, Vincentz Verlag. Boom, Th.J. van den et al., 1994, Lijmen in de bouw, Rotterdam, Stichting Bouw Research.
Bosman, D.J. & S.A.K.L. Bruns, 1990, Stofblootstelling bij stukadoors, een oriënterend onderzoek, Amsterdam, Chemiewinkel UvA. Bremmer & Van Veen, 2000, Ten behoeve van de schatting van de risico's voor de consument, Bilthoven, RIVM-rapport 612810010.
Broekhuizen, J.C. van et al., 1986, Lijmwijzer. Brochure over de toxiciteit van lijmstoffen, Amsterdam, Chemiewinkel UvA.
Brouwer, D.H. et al., 2000, Assessment of dermal exposure during airless spray painting using a quantitative visualisation technique, in: Ann. occup. Hyg., vol. 44, nr. 7, p. 543-549.
Brouwer, D.H. et al., 2001, Experimentele studie ter evaluatie van de OAR-benadering bij het binnenshuis met een kwast verwerken van VOS bevattende verfproducten, Zeist, TNO Voeding.
Coenraads, P.J. et al., 1983, Prevalence of eczema and other dermatoses of the hands and arms in the Netherlands: associations with age and occupation, in: Clin. Exp. Dermatol. vol. 8, pp. 495-503.
74


Coenraads, P.J. & T.L. Diepgen, 1997, Risk for hand eczema in employees with past or present atopic dermatitis, in: Int. Arch. Occup. Environ. Health, vol. 71, pp. 7-13. Condé-Salazar, L. & A. Alomar, 2000, Floor layers, in: Handbook of Occupational Dermatology (Kanerva et al., 2000, Springer Verlag). Deb, 2001, Productinformatie `Swarfega Black Box', deb Benelux B.V., Tilburg. Den Elzen, K., 2001/2002, persoonlijke mededeling, Akzo Nobel, Sassenheim. Diepgen, T.L. & P.J. Coenraads, 1999, The epidemiology of occupational contact dermatitis, in: Int. Arch. Occup. Environ. Health 72: 496-506. Dijkstra et al., 1992, Gezondheidsrisico's van het werken met toxische stoffen in het stukadoors-, afbouw- en terrazzobedrijf, BGD Dordrecht e.o. Estlander, T. et al., 2000, Paints, lacquers and varnishes, in: Handbook of Occupational Dermatology (Kanerva et al., 2000, Springer Verlag). Estlander, T. et al., 2000, Painters, lacquerers and varnishers, in: Handbook of Occupational Dermatology (Kanerva et al., 2000, Springer Verlag). Faber, 2001, persoonlijke mededelingen, Bakelite AG. Fischer, T. et al., 1995, Skin disease and contact sensitivity in house painters using water-based paints, glues and putties, in: Contact Dermatitis vol. 32, p. 39-45. FNV Bouw, 2002, Arboconvenanten ­ Parket, in: Meubel & Houtkrant vol. 13, nr. 1. Garrod, A.N.I. et al., 2000, Potential exposure of amateurs (consumers) through painting wood preservative and antifoulant preparations, in: Ann. occup. Hyg., vol. 44, no. 6, pp. 421-426.
Geier, J. & A. Schnuch, 1998, Kontaktallergien im Bau-Hauptgewerbe, in: Dermatosen, vol. 46, no. 3, pp. 109-114.
Geier, J., 2001, brief d.d. 15/5/'01, Informationsverband Dermatologischer Kliniken (IVDK), Duitsland.
Geuskens, R.B.M. et al., 1993, Handeczeem bij tapijtlijmers en zandcementvloerenleggers, MBL-TNO.
Geuskens, R.B.M. et al., 1993 Gezondheidsrisico's voor tapijtlijmers. Onderzoek naar effecten op het zenuwstelsel en het voorkomen van handeczeem ten gevolge van beroepsmatige verwerking van tapijtlijmen, Min. SZW, rapport S 169. Gezondheidsraad, 2000, Hardwood and softwood dust. Evaluation of the carcinogenicity and genotoxicity, Den Haag, Gezondheidsraad. Gezondheidsraad, 2001, Normering van huidblootstelling op de werkplek aan mogelijk toxische stoffen (openbaar conceptrapport), Den Haag, Gezondheidsraad GISBAU, 1993, Vorstriche und Klebstoffe; Giscode für Parkett- und Bodenbelagsarbeiten, Berufsgenossenschaften der Bauwirtschaft, Duitsland. GISBAU, 2000, Gefahrstoff-Informationssystem der Berufsgenossenschaften der Bauwirtschaft, Frankfurt, Berufsgenossenschaften der Bauwirtschaft. Gummersheimer & Feuerbacher, 2001,
Hansen, M.K. et al., 1987, Waterborne paints- a review of their chemistry and toxicology and the results of determinations made during their use, in: Scand. J. Work Environ. Health, vol. 13, pp. 473-485.
Huygens, S. & A. Goossens, 2001, An update on airborne contact dermatitis, in: Contact Dermatitis vol. 44, pp. 1-6.
Kruif, F. de, 2001, Arboconvenant Wonenbranche, informatie op internetsite nl.osha.eu.int.
75


Lang, 1989, Hair styling preparations, Ullmann's Encyclopedia of Technical Chemistry vol. A12.
NKC, 1999, Productinformatie Nederlandse Kunststoffen Industrie, Deventer. Norbäck, D. et al., 1995, Occupational exposure to volatile organic compounds (VOCs) and other air pollutants from the indoor application of water-based paints, in: Ann. occup. Hyg., vol. 39, no. 6, pp. 783-794.
Piebenga & Van der Walle, 1998, Huid en Arbeid, Arnhem, Centrum voor Huid en Arbeid.
Piebenga, J.P., 2000, A pictionnaire: a new screening tool in occupational dermatology?, in: Contact Dermatitis vol. 42, p. 31. Piebenga, J.P., 2001, persoonlijke mededelingen, 1/5/'01; Arnhem, Centrum voor Huid & Arbeid.
Raalte, A.T. van et al., 1992, Toxiciteit van synthetische bouwlijmen, Amsterdam, Stichting Arbouw.
Reinhard, E. et al., 2001, Preservation of products with MCI/MI in Switzerland, in: Contact Dermatitis vol. 45, pp. 257-264.
Remmers, 2001, Productinformatie Remmers Bouwchemie. Roff, M.W., 1997, dermal exposure of amateur or non-occupational users to wood- preservative fluids applied by brushing outdoors, in: Ann. occup. Hyg. vol. 41, no.3, pp. 297-311.
Ronden, J.H. den, 1995, Met en zonder oplosmiddel. De ontwikkelingen in het verlijmen van vloerbedekking, in: Vloer Technisch Magazine 1995/1, p. 14-17. Rosskamp, E. et al., 2001, Biozidemissionen aus Dispersionsfarben. I. Emission von Isothiazolinonen, in: Gefahrstoffe ­ Reinhaltung der Luft, vol. 61, no.1/2, pp. 41-47. Schwartz, M. & R. Baumstark, 2001, Waterbased acrylates for decorative coatings, Hannover, Vincentz Verlag.
SDU, 2001, Nationale MAC-lijst 2001, Den Haag, SDU Uitgevers. Sipman, 2001, Interview tapijtlegger, stoffeerbedrijf `TEMA'. Smits, N. et al., 2001, Latexallergie als gevolg van beroepsmatige blootstelling aan latexallergenen, Arboconvenantenreeks Elsevier bedrijfsinformatie, ISBN 90-5749- 772-7
Snippe, R. et al, 2001, Chemische allergenen in Nederland, Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Stalmach, U., 2001, schriftelijke mededelingen, Loba, Duitsland. Strooper, W., 2001/2002, Interviews parketlegger, parketleggerbedrijf `Finesse'. Terwoert, J. et al., 2001, Preventie van Huid- en Luchtwegaandoeningen bij Kappers, Nulmeting Arboconvenant kappers, onderdeel chemische belasting, Chemiewinkel UvA/ Centrum voor Huid en Arbeid.
Terwoert et al., in pep., Gezondheidseffecten van producten in gebruik bij vloerenleggers. Toxicologische beoordeling van de receptuur en trends in het optreden van huidklachten en overige gezondheidseffecten, Arbouw/Min. SZW. Ulfvarson, U. et al., 1992, Temporary health effects from exposure to water-borne paints, in: Scand. J. Work Environ. Health, vol. 18, pp. 376-387. Uter, W. et al., 1999, Hand dermatitis in a prospectively followed cohort of hairdressing apprentices,: final results of the POSH study, in: Contact Dermatitis vol. 41, no. 5, pp. 280-286.
76


Valsecchi, R. et al., 1992, Occupational contact dermatitis from paints, in: Clinics in Dermatology, vol. 10, pp. 185-188.
Visser, C., 2001/2002, mondelinge mededelingen, Sigma Kalon, Amsterdam. Wacker, 2001, productinformatie Wacker Chemie, Duitsland. Wakol, 2001, productinformatie Wakol Chemie.
Walle, H.B. van, 1994, Dermatitis in hairdressers. II. Management and prevention, in: Contact Dermatitis vol. 30, pp. 265-270.
Walle, H.B. van der, 2000/2001, persoonlijke mededelingen, Centrum voor Huid en Arbeid, Arnhem.
Wahlberg, J.E., 1985, Occupational hyperkeratoses in carpet installers, in: American Journal of Industrial Medicine, vol. 8, pp. 351-353. Wander, S.B., 1999, Toxische stoffen in de houtverwerkende industrie, AI-blad 23, Den Haag, SDU Uitgevers.
Wiel, B. van de & J. Bos, 2001, Bekendheid en toepassing van de vervangingsplicht voor oplosmiddelen in de Wonenbranche, Leiden, Research voor Beleid. Wieslander, G. & D. Norbäck, 1998, Asthma, respiratory symptoms and nasal inflammation in house painters mainly exposed to water-based paints, in: Chiyotani, K. et al., 1998, Advances in the prevention of occupational respiratory diseases, Amsterdam etc., Elsevier (Proceedings symposium 13-16 October 1997, Kyoto). Williamson, J. & B. Kavanagh, 1987, Vinyl chloride monomer and other contaminants in PVC welding fumes, in: Am. Ind. Hyg. Assoc. J., vol. 48, no. 5, pp. 432-436. Wouters, 2001, persoonlijke mededelingen, Thor Chemie.

77


Bijlage 1 - Waarschuwingszinnen betreffende bijzondere gevaren (R-zinnen)

R 1 In droge toestand ontplofbaar.
R 2 Ontploffingsgevaar door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken. R 3 Ernstig ontploffingsgevaar door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken.
R 4 Vormt met metalen zeer gemakkelijk ontplofbare verbindingen. R 5 Ontploffingsgevaar door verwarming.
R 6 Ontplofbaar met en zonder lucht.
R 7 Kan brand veroorzaken.
R 8 Bevordert de ontbranding van brandbare stoffen. R 9 Ontploffingsgevaar bij menging met brandbare stoffen. R 10 Ontvlambaar.
R 11 Licht ontvlambaar.
R 12 Zeer licht ontvlambaar.
R 13 Zeer licht ontvlambaar vloeibaar gas.
R 14 Reageert heftig met water.
R 15 Vormt zeer licht ontvlambaar gas in contact met water. R 16 Ontploffingsgevaar bij menging met oxyderende stoffen. R 17 Spontaan ontvlambaar in lucht.
R 18 Kan bij gebruik een ontvlambaar/ontplofbaar damp-luchtmengsel vormen. R 19 Kan ontplofbare peroxiden vormen.
R 20 Schadelijk bij inademing.
R 21 Schadelijk bij aanraking met de huid.
R 22 Schadelijk bij opname door de mond.
R 23 Vergiftig bij inademing.
R 24 Vergiftig bij aanraking met de huid.
R 25 Vergiftig bij opname door de mond.
R 26 Zeer vergiftig bij inademing.
R 27 Zeer vergiftig bij aanraking met de huid.
R 28 Zeer vergiftig bij opname door de mond.
R 29 Vormt vergiftig gas in contact met water.
R 30 Kan bij gebruik licht ontvlambaar worden.
R 31 Vormt vergiftige gassen in contact met zuren. R 32 Vormt zeer vergiftige gassen in contact met zuren. R 33 Gevaar voor cumulatieve effecten.
R 34 Veroorzaakt brandwonden.
R 35 Veroorzaakt ernstige brandwonden.
R 36 Irriterend voor de ogen.
R 37 Irriterend voor de ademhalingswegen.
R 38 Irriterend voor de huid.
R 39 Gevaar voor ernstige onherstelbare effecten.
R 40 Onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten. R 41 Gevaar voor ernstig oogletsel.
R 42 Kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing. 78


R 43 Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid. R 44 Ontploffingsgevaar bij verwarming in afgesloten toestand. R 45 Kan kanker veroorzaken.
R 46 Kan erfelijke genetische schade veroorzaken.
R 48 Gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling. R 49 Kan kanker veroorzaken bij inademing.
R 50 Zeer vergiftig voor in het water levende organismen. R 51 Vergiftig voor in het water levende organismen. R 52 Schadelijk voor in het water levende organismen. R 53 Kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken. R 54 Vergiftig voor planten.
R 55 Vergiftig voor dieren.
R 56 Vergiftig voor bodemorganismen.
R 57 Vergiftig voor bijen.
R 58 Kan in het milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken. R 59 Gevaarlijk voor de ozonlaag.
R 60 Kan de vruchtbaarheid schaden.
R 61 Kan het ongeboren kind schaden.
R 62 Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid. R 63 Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind. R 64 Kan schadelijk zijn via de borstvoeding.
R 65 Schadelijk: kan longschade veroorzaken na verslikken. R 66 Herhaalde blootstelling kan een droge of een gebarsten huid veroorzaken R 67 Dampen kunnen slaperigheid en duizeligheid veroorzaken

79



Deel: ' Gezondheidseffecten producten in tapijt- en parketleggersbranche '




Lees ook