Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Binnenhof 1a


2513 AA Den Haag

Datum 6 januari 1999
Kenmerk DAM/MO-668/98
Blad /11
Bijlage(n)
Betreft Egypte/Evaluatie OS-programma

Onder verwijzing naar de brief van de griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken d.d. 29 oktober 1998, waarin mij om een reactie werd gevraagd op de evaluatie van het Nederlands hulpprogramma voor Egypte 1975 - 1996, opgesteld door de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB), heb ik de eer u hierbij mijn reactie te doen toekomen.

Zoals u bekend vindt momenteel een algemene herbezinning plaats op de keuze van landen en sectoren die Nederlandse ontwikkelingsgelden ontvangen. Op de uitkomsten van deze herbezinning wil ik in deze reactie niet vooruitlopen.

BELEIDSREACTIE


1. Egypte in de huidige internationale economische contekst

Alvorens in te gaan op het IOB-rapport, dat de periode tot eind 1996 behandelt, is het van belang de ontwikkelingen sinds 1996 in Egypte te belichten, daar Egypte aanzienlijke voortgang heeft geboekt in de hervorming van zijn economie. Deze voortgang toont zich vooralsnog bestand tegen de recente ongunstige internationale ontwikkelingen. Het is van 'laag-inkomensland' opgeklommen tot 'midden-inkomensland'. Egypte is een opkomende markt. De komende jaren moet blijken of Egypte erin slaagt de aansluiting bij de wereldeconomie te vinden. Verdere verdieping van het hervormingsprogramma is nodig, mede ter bestrijding van werkloosheid en armoede. Egypte heeft een bevolking van 60 mln mensen, die een oppervlakte ter grootte van Nederland bewonen. De beschikbare hoeveelheden wateren landbouwgrond zijn beperkt. Uitbreiding van het areaal en effectiever gebruik van water zijn slechts tegen hoge kosten te realiseren.

De internationale financiële instellingen ondersteunen het Egyptische hervormingsbeleid. Het IMF acht donorsteun in de komende jaren van belang voor het welslagen van de noodzakelijke sociale hervormingen. Egypte's Stand-By Arrangement met het IMF is in september 1998 afgelopen. Beide partijen waren het erover eens dat verlenging niet nodig was. De Wereldbank verleent thans nog steun via de IDA, maar zal deze eind 1999 beëindigen, waarna Egypte aangewezen is op IBRD-leningen. De grootste donor van Egypte, de VS, heeft onlangs besloten tot een geleidelijke halvering (over vijf jaar) van de hulp. Daarentegen zal de EU-hulp de komende jaren naar verwachting toenemen.


2. Armoede-oriëntatie

IOB constateert dat de Nederlandse hulp in hoge mate gericht was op economische verzelfstandiging, en in veel mindere mate op armoedebestrijding. Als een oorzaak hiervoor voert zij aan het verschillende relatieve belang dat Egypte resp. Nederland hechtten aan deze doelstellingen. Egypte beschouwde economische groei als de belangrijkste weg naar armoedebestrijding, terwijl Nederland de voorkeur gaf aan meer directe armoedebestrijding. Verschillen van visie werden, zeker in de beginfase van het programma, in het algemeen in het voordeel van de Egyptische opvattingen opgelost, waarbij Nederland ervoor koos de Egyptische beleidsprioriteiten te volgen. In de latere jaren, en met name vanaf 1990, vormde directe armoedebestrijding in toenemende mate ook een Egyptische prioriteit.

In aanvulling op deze bevindingen is een aantal recente ontwikkelingen relevant. Schattingen van het aantal armen variëren van circa 19 mln (Economic Intelligence Unit/EIU) tot 8 mln (IMF) personen. Voor de meerderheid van de bevolking is de levensstandaard verslechterd in de periode 1985 - 1995, met name vanaf 1991. Sinds 1995 is sprake van een verbetering als gevolg van de aantrekkende economische groei (EIU). Sinds 1990 erkent de Egyptische overheid in toenemende mate de noodzaak van sociale hervormingen. Zo werkte de Egyptische overheid in
1990 met de Wereldbank en UNDP een project uit voor directe armoedebestrijding en schepping van werkgelegenheid ter ondersteuning van het economisch aanpassingsprogramma, het Social Fund for Development. In de afgelopen jaren zijn tevens hervormingsprogramma's voor het onderwijs en de gezondheidszorg van start gegaan. De internationale donorgemeenschap bepleit de laatste jaren meer aandacht voor directe armoedebestrijding in Egypte, onder andere in het kader van de Consultatieve Groep-bijeenkomsten. Het Social Fund werd (en wordt) breed gesteund door de internationale donorgemeenschap, waaronder Nederland.

_________________________________________________________________

IOB stelt vast dat de Nederlandse hulp in de sector gezondheidszorg/ bevolkingsbeleid in belangrijke mate gericht was op armoedebestrijding, terwijl dat in de sectoren water en drinkwater/sanitatie gedeeltelijk het geval was (voor wat betreft de watersector slechts voor het waterbeheer in de Fayoum).

Het effect van de hulp aan basisgezondheidszorgprojecten op de gezondheidssituatie van de bevolking kon niet worden beoordeeld. De hulp aan de stedelijke drinkwatervoorziening leverde een bijdrage aan armoedebestrijding, terwijl een dergelijke bijdrage voor het drinkwaterproject in de Fayoum niet met zekerheid kon worden vastgesteld. De hulp aan het waterbeheer in de Fayoum leidde niet tot een billijker verdeling van irrigatiewater. IOB stelt (op p. 122) tevens dat de steun aan de tuinbouw in de Fayoum in de latere fasen mede was gericht op armoedebestrijding. De activiteit beoogde immers kleine boeren te bereiken. IOB is van mening dat de activiteit niet in deze opzet geslaagd is.

In het algemeen bleek de monitoring van de projecten meer gericht op de 'inputs' en het financieel beheer dan op effectmeting.

Uit bovengenoemde bevindingen trek ik de volgende conclusies:

Het is van belang dat donoren blijven pleiten voor een samenhangend Egyptisch beleid gericht op directe armoedebestrijding. Voortgaande steun aan het Social Fund for Development is van belang.

Met de recente beleidsveranderingen in Egypte zijn de mogelijkheden voor hulp gericht op directe armoedebestrijding toegenomen. Hierbij dienen de effecten van de ondersteunde activiteiten op de armoedesituatie van de doelgroepen regelmatig gevolgd te worden.


3. Kwaliteit van bestuur

De IOB-studie stelt dat de hulp zich in hoge mate richtte op overheidsdiensten die de Egyptische economie en samenleving beheersten. De hulp leidde veelal tot een toename van productie en dienstverlening door de betrokken overheidsdiensten. De beste resultaten werden behaald indien de diensten vraaggericht werkten en voldoende financiële autonomie hadden om aanvullende inkomsten te verwerven. Deze zelfde factoren vergrootten ook de kansen op duurzaamheid van de dienstverlening. De Nederlandse hulp leidde echter niet tot een effectiever functioneren van de overheidsdiensten in het algemeen, daar de structurele problemen van de publieke sector niet op projectniveau opgelost konden worden. Tengevolge van het economische hervormingsbeleid en de sinds kort stijgende economische groei namen de vooruitzichten op duurzaamheid in het algemeen toe.

Aan deze IOB-bevindingen kan het volgende worden toegevoegd.

Hervorming van de publieke sector vormt onderdeel van het huidige hervormingsbeleid. Privatisering van de staatsbedrijven vindt sinds
1996 geleidelijkplaats. Een geleidelijke 'Civil Service Reform' is in gang gezet (reductie van het overheidsapparaat met 2 % per jaar). De Egyptische regering acht een snellere sanering niet verantwoord vanwege de negatieve effecten op de reeds hoge werkloosheid. Wel groeit het draagvlak voor een beleid waarbij de overheid zich terugtrekt op kerntaken (bijvoorbeeld in de landbouw- en drinkwatersector).

Uit het bovenstaande trek ik de volgende conclusies:

Het recente Egyptische hervormingsbeleid biedt uitzicht op verbetering van de kwaliteit van het bestuur.

In het Nederlandse hulpprogramma zijn aanzetten te vinden voor steun aan het proces waarin de overheid zich terugtrekt op kerntaken (bijvoorbeeld in de drinkwatersector). Indien Nederland in een aantal sectoren hulp blijft verstrekken, zal in deze sectoren de steun aan het terugtreden van de overheid als centraal onderdeel van een sectorstrategie worden uitgewerkt. Daarbij zal, waar zinvol, de inbreng van particuliere kanalen, NGO's dan wel organisaties van gebruikers versterkt worden.

In deze sectorstrategie zal daarnaast op projectniveau systematisch ondersteuning (blijven) plaatsvinden van de institutionele ontwikkeling van de betrokken diensten, inclusief bevordering van een meer vraaggerichte benadering en grotere financiële autonomie. Meer dan voorheen zal selectie van projecten mede plaatsvinden op basis van een analyse van de institutionele capaciteit van de betrokken dienst.


4. Diversiteit van het programma

IOB stelt dat het grootste deel van de Nederlandse hulp werd verdeeld over ongeveer 300 zeer diverse projecten. Eenderde van de hulp bestond uit programmahulp, waarvan weer circa 40 % bestond uit importsteun die soms betrekking had op de sectoren van projecthulp. De rest bestond grotendeels uit schuldverlichting.

Als projecthulp wordt gecombineerd met importsteun voor specifieke sectoren, dan werd de Nederlandse hulp in vijf hoofdsectoren besteed. Drie daarvan ontvingen tweederde van de uitgaven: waterbeheer, landbouw en economische infrastructuur/transport. Een kwart werd besteed in de sociale sectoren, ongeveer gelijk verdeeld over gezondheidszorg/ bevolkingsbeleid en drinkwater-/sanitatievoorziening.

IOB stelt voorts dat ad-hoc programma-ontwikkeling bijdroeg aan verlaging van de efficiëntie.

Deze bevindingen roepen vragen op met betrekking tot de samenhang binnen het Nederlandse hulpprogramma, de relatie projecthulp - programmahulp en de rol van technische assistentie.
_________________________________________________________________

De meerwaarde van de Nederlandse hulp aan Egypte lag en ligt niet in de omvang van de ter beschikking gestelde financiële middelen, maar in innovatie en katalysatie, waarbij financiële middelen nodig zijn om de innovaties uit te testen of te realiseren. Hierop is in de afgelopen vijf jaar steeds meer nadruk gelegd.

Hulp in de vorm van goede uitvoeringsadviezen aan landen die een goed algemeen beleid voeren is in de praktijk zeer effectief gebleken. Dit spoort met de bevindingen van Nederland in Egypte in de laatste vijf jaar.

Egypte behoort tot de landen die een goed algemeen (d.w.z. met name macro-economisch) beleid voeren, maar in diverse sectoren (d.w.z. met name de sociale) worden de kwaliteit van beleid en de uitvoeringscapaciteit vooralsnog ontoereikend geacht, waardoor sectorale begrotingssteun niet voor de hand ligt.

Uiteraard beperkt deze situatie de effectiviteit ook van projecthulp. Indien echter sprake is van toenemende bereidheid en/of druk vanuit het economische kernkabinet om ook in diverse sectoren te hervormen kunnen goede technische adviezen nodig en effectief zijn. Mijn inschatting is dat dit in toenemende mate het geval is (Health Sector Reform, decentralisatiebeleid drinkwatersector). In de watersector is de vraag naar goede adviezen op sectorniveau expliciet.

Egypte vraagt ook met name om technische assistentie ten behoeve van beleidsontwikkeling en verbetering van de uitvoeringscapaciteit. Indien de kwaliteit goed is, accepteert men tot op zekere hoogte de hoge kosten van buitenlandse consultants. Nederland heeft op bepaalde terreinen een vertrouwenspositie weten te verwerven door de kwaliteit van de geleverde ideeën.

Het bovenstaande leidt vooralsnog tot een zekere voorkeur voor projectmatige hulp. Deze voorkeur wordt versterkt doordat Egypte thans geen onhanteerbaar begrotings- of deviezentekort heeft.

In het huidige programma is de door IOB geconstateerde versnippering reeds teruggedrongen (slechts 13 % van de projecten valt thans buiten de drie concentratiesectoren waterbeheer, landbouw en gezondheidszorg/drinkwater).


5. Geografische concentratie

IOB stelt dat de concentratie van hulp in het Fayoum Gouvernoraat een aantal voordelen had, zij het dat niet alle potentiële voordelen gerealiseerd zijn. Ik deel deze mening, inclusief de conclusie dat regionale concentratie zinvol is. In het bovenstaande is herhaaldelijk gebleken dat activiteiten op Gouvernoraatsniveau van belang zijn voor de ontwikkeling van het nationale beleid. Tevens past capaciteitsopbouw op decentraal niveau in een beleid dat ten doel heeft de overheid effectiever te laten functioneren.

Sinds het begin van de IOB-studie zijn twee nieuwe concentratiegebieden toegevoegd: milieugerelateerde activiteiten in het Giza Gouvernoraat (dat deel uitmaakt van Greater Cairo), en het Aswan Gouvernoraat.

In het vervolg van deze beleidsreactie wordt per sector en thema beschreven: kenschets en recente ontwikkelingen, het huidige Nederlandse beleid, de evaluatie van het recente beleid door IOB en de beleidsimplicaties voor de toekomst indien Nederland in de betreffende sector of het betreffende thema actief blijft.


6. Waterbeheer en drainage

Het Egyptische beleid in de watersector is in voortdurende ontwikkeling. De hoofdlijnen van het beleid worden vastgesteld door de Egyptische regering, in overleg met grote donoren als USAID en Wereldbank. Dat ook Nederlandse inbreng een rol speelt blijkt uit het (inmiddels ingewilligde) verzoek van het Egyptische Ministerie om technische assistentie te verlenen bij de opstelling van het nieuwe 'National Water Resources Plan'. De Nederlandse deelname vindt in nauw overleg met de Wereldbank plaats (overigens vindt in de gehele sector afstemming met de Wereldbank plaats).

Belangrijke terreinen voor beleidsontwikkeling in de komende jaren, die tevens aansluiten bij de Nederlandse ervaring in de sector, zijn:


* de uitwerking van een geïntegreerd waterbeheer in het licht van dreigende watertekorten (verdeling van water over 'oud' en nieuw te ontginnen land; gebruik van grondwater; hergebruik van water; verdeling over landbouw, industrie en huishoudelijk gebruik)


* beheersing van de waterkwaliteit


* de introductie van allocatie-mechanismen voor water die rekening houden met de economische waarde van water


* aanpassing van het beheer van irrigatie- en drainagewater aan de liberalisering van de gewaskeuze in de landbouw


* institutionele aanpassing van het Ministerie van Waterstaat (concentratie op kerntaken; omslag van aanbodgerichte naar vraaggerichte benadering)


* overdragen van waterbeheerstaken aan boerenorganisaties.

In de watersector heeft Nederland de beste mogelijkheden voor een beleidsdialoog met het betreffende Ministerie, als gevolg van jarenlange samenwerking op nationaal niveau. Deze beleidsadvisering heeft de laatste jaren aan belang gewonnen. Het Advisory Panel, door IOB kritisch beoordeeld, heeft in de ogen van de Egyptische Minister waarde als direct aan hem adviserend orgaan. De ondersteuning van de Planning Sector van het Ministerie heeft zijn vervolg gekregen in de hogergenoemde inbreng in het 'National Water Resources Plan'.

Naast de beleidsadvisering is het huidige Nederlandse beleid gericht op institutionele steun bij de aanleg van drainagesystemen, onderzoek in de watersector en de ondersteuning van lokaal waterbeheer. Mede als gevolg van de IOB-bevindingen is de Nederlandse hulp aan de onderzoeksinstituten sinds 1997 sterker gericht op versterking van de financiële autonomie, onder andere door een meervraaggerichte benadering. Deze ombuiging gaat gepaard met een geleidelijke vermindering van de Nederlandse steun aan de instituten. De ondersteuning van lokaal waterbeheer is mede gericht op de praktische uitwerking en toetsing van gewenst beleid (bijvoorbeeld het overdragen van waterbeheerstaken aan organisaties van boeren, als onderdeel van de benodigde institutionele aanpassing in de sector).

IOB constateert een gemengd beeld voor de effectiviteit en duurzaamheid van de verleende hulp. In de hulp aan de uitvoering van drainagewerken zijn de doelstellingen gedeeltelijk bereikt en is de duurzaamheid redelijk verzekerd. De steun aan de onderzoeksinstituten heeft weliswaar geleid tot de vestiging van gerenommeerde instituten, maar de onderzoeksresultaten zijn onvoldoende toegepast in de uitvoering en de instituten zijn voor hun voortbestaan nog in hoge mate afhankelijk van het overheidsbudget. Het lokale waterbeheer in de Fayoum is verbeterd in de zin dat de efficiëntie van de irrigatie is verbeterd, maar de waterverdeling is niet billijker geworden. Evenmin is de duurzaamheid van de projectresultaten verzekerd door onvoldoende inbedding in de lokale diensten.

Indien Nederland de watersector blijft ondersteunen zijn de implicaties van deze bevindingen voor het Nederlandse beleid: blijvende aandacht voor beleidsadvisering gericht op de hierboven genoemde prioriteiten; blijvende afstemming met andere donoren, met name Wereldbank en GTZ (het Duitse Gesellschaft fùr Technische Zusammenarbeit); voortzetting van de steun aan de uitvoering van drainagewerken; voortzetting van steun aan lokaal waterbeheer onder andere door replicatie van ervaringen opgedaan in Fayoum (organisatie van boeren t.b.v. onderhoud en beheer kanalen); ombuiging en vermindering van de steun aan de onderzoeksinstituten ter bevordering van hun verzelfstandiging.


7. Drinkwater en sanitatie

In Egypte zijn de bevoegdheden ten aanzien van deze sector verdeeld over vele ministeries en diensten. Sinds enige tijd werkt het Ministry of Housing aan een stroomlijning van de organisatie van de sector.

In de afgelopen jaren is een proces van decentralisatie van de besluitvorming ten gunste van de bedrijven op Gouvernoraatsniveau ingezet, dat nog op enig verzet van centrale instanties stuit. USAID, de grootste donor in de sector en voornamelijk gericht op de steden, adviseert het Ministerie over hervorming van de organisatie in de sector. Het Ministerie en de betrokken consultants voeren regelmatig overleg met de door Nederland voorgezeten donoroverleggroep.

Het Nederlandse programma in de sector is gericht op verzelfstandiging van rurale drinkwater- en sanitatievoorziening, met name in de Fayoum. Daarnaast wordt een centrale instantie gesteund met managementtraining ter bevordering van de decentralisatie.

De effectiviteit en de vooruitzichten op duurzaamheid van de hulp aan het Fayoumbedrijf worden door IOB als gering beoordeeld. De vooruitzichten op duurzaamheid hangen immers mede af van de mate waarin een hogere kostendekking kan worden gerealiseerd. Wel is op dit terrein voortgang geboekt, zoals blijkt uit de door IOB geconstateerde toename van de dekking van de operationele kosten van 18 % tot 30 %. Complicerende factor is dat sinds 1996 het drinkwaterbedrijf ook de verantwoordelijkheid voor sanitatie is toegewezen door de Egyptische overheid. De vooruitzichten op kostendekking van dit bedrijfsonderdeel zijn veel geringer (zie verder).

Alles afwegende rechtvaardigen de resultaten voortzetting van het lopende project, met als einddoel een kwalitatief goede drinkwatervoorziening en zo groot mogelijke financiële autonomie van het drinkwater-sanitatiebedrijf.

Indien Nederland de drinkwatersector blijft ondersteunen, verdient ook de steun aan de centrale organisatie voortzetting teneinde te bevorderen dat de ervaringen in de Fayoum op nationaal niveau worden verankerd (op voorwaarde dat de organisatie het decentralisatieproces blijft steunen).

Op het gebied van de sanitatie is de beleidsomgeving minder gunstig. De Egyptische overheid, zich bewust van de problemen, heeft een aantal maatregelen genomen, waaronder het opnemen van sanitatie in de taken van de verzelfstandigde drinkwaterbedrijven waarvan het Fayoumbedrijf er een is. Maar een duidelijk en betaalbaar beleid ter oplossing van de problemen ontbreekt vooralsnog. Het lopende Nederlandse project met het Fayoumbedrijf ondersteunt de benodigde beleidsontwikkeling.


8. Gezondheidszorg

De publieke gezondheidszorg in Egypte, waarop de armere bevolkingsgroepen grotendeels aangewezen zijn, is van lage kwaliteit, ondanks een geografisch redelijke spreiding van diensten.

De particuliere gezondheidszorg nam in omvang toe en verzorgt thans naar schatting 85 % van de curatieve zorg. Sinds kort is een begin gemaakt met een Health Sector Reform (met steun van Wereldbank, EU en USAID) die in eerste instantie beoogt een pakket basisvoorzieningen en een algemene ziektekostenverzekering te ontwikkelen. Nederland, als een van de weinige donoren actief in de rurale gezondheidszorg, is hierbij via donoroverleg betrokken.

De huidige Nederlandse hulp richt zich vooral op de ontwikkeling van een duurzaam systeem van basisgezondheidszorg. In het basisgezondheidszorg/bevolkingsbeleid-project in de Fayoum lag tot voor kort de nadruk op verlaging van de drempel tot de publieke gezondheidszorg en kwaliteitsverbetering. Een verschuiving in de richting van inbedding in hetGouvernoraatsbestuur (ook in financiële zin) is inmiddels ingezet.

Het tuberculose-project beoogt tbc in het gehele land terug te dringen. Het project volgt de WHO-strategie voor tbc-bestrijding. Realisering van de doelstellingen tegen het jaar 2001 wordt aannemelijk geacht.

IOB kan bij gebrek aan voldoende gegevens geen conclusies trekken ten aanzien van de effectiviteit van het Fayoumproject. De monitoring van dit project zal op dit punt versterkt worden. Vooralsnog acht ik de resultaten voldoende belangrijk (mede in het licht van de lopende nationale beleidsdiscussie) en veelbelovend om de lopende fase voort te zetten, met als einddoel een met lokale middelen betaalbare, kwalitatief goede basisdienstverlening waar (ook) de armere bevolkingsgroepen gebruik van maken. Inbreng van de bevindingen in de nationale discussie over de 'Health Sector Reform' is uitdrukkelijk nevendoel.

IOB acht de resultaten van het tbc-project redelijk bemoedigend, maar constateert tegelijkertijd dat de tbc-bestrijding onvoldoende geïntegreerd wordt in de basisgezondheidszorg. De veranderingen ten goede die IOB op dit punt verwachtte van in 1996 aangebrachte wijzigingen in de projectstrategie zijn thans inderdaad gerealiseerd. Naar verwachting kan het project in 2001 bevredigend worden afgerond.


9. Landbouw

De landbouw is een belangrijke sector, mede vanuit het oogpunt van werkgelegenheid en armoedebestrijding. Naar schatting 90 % van de boeren heeft kleine tot zeer kleine bedrijven. Mannen zoeken in toenemende mate aanvullende inkomsten elders, terwijl vrouwen de verantwoordelijkheid over de boerderij overnemen. De liberalisatie van de sector heeft tot stijging van de productiegroei geleid (4,3 % in
1996/97; EIU), waarin ook de kleine bedrijven hebben gedeeld. In 1997 is het grondbezit geliberaliseerd, hetgeen zou kunnen leiden tot aaneenvoeging van bedrijven en verlies van werkgelegenheid in de landbouw. Overmatig pesticidengebruik in de landbouw vormt een probleem. De overheid heeft reeds een aantal maatregelen getroffen, maar een coherent beleid ontbreekt nog.

Het Ministerie van Landbouw werkt met de Wereldbank, FAO, UNDP en IFPRI aan een herzien beleidsdocument 1997 -2017. De nadruk ligt daarbij op productieverhoging en het scheppen van werkgelegenheid, mede door ontginning van nieuw land. Een samenhangend beleid gericht op kleine boeren ontbreekt vooralsnog, hoewel recent binnen het Ministerie een afdeling is opgericht om de problemen en mogelijkheden van steun aan kleine bedrijven te onderzoeken, evenals de rol van vrouwen in de landbouw.

De huidige Nederlandse steun aan de sector concentreert zich op tuinbouwproductie, kredietverlening aan kleine boeren, geïntegreerde ziektebestrijding en verbeteringvan de positie van vrouwen in de landbouw. Ook in deze sector wordt veel aandacht besteed aan het inbrengen van lokale ervaringen in de nationale beleidsontwikkeling.

Van dit lopende programma beoordeelt IOB slechts de vóór 1996 gestarte steun aan de tuinbouwsector. De effecten worden als matig tot positief aangeduid. De bijdrage aan armoedebestrijding is echter niet aantoonbaar.

Indien Nederland de landbouwsector blijft steunen zal een door Nederland uit te werken sectorstrategie uitgaan van het binnenkort te verschijnen herziene Egyptische beleidsdocument. Een dergelijke strategie zal aansluiting moeten zoeken bij Egyptische beleidslijnen die gericht zijn op armoedebestrijding. Tevens zal de strategie aan moeten geven in hoeverre de V & O-doelstellingen kunnen worden bereikt, mede gezien de prioriteiten binnen het beleid van Egypte.


10. Vrouwen en Ontwikkeling

Nederland begon het thema V & O vorm te geven in een tijd dat in Egypte nog weinig belangstelling voor de positie van de vrouw bestond. Met name in het kader van de Internationale Conferentie voor Bevolking en Ontwikkeling van Kairo in 1994, en van de Wereldvrouwenconferentie van Beijing van 1995, heeft Nederland Egyptische vrouwengroeperingen gesteund. Dit heeft er mede toe geleid dat V & O thans beter op de agenda staat dan begin negentiger jaren.

Het huidige Nederlandse V & O-beleid bouwt voort op deze aanpak. Nederland verleent steun aan de ontwikkeling van nationale V & O-organen, zowel buiten als binnen de overheid (in voor Nederland relevante sectoren). Zo heeft Nederland succes geboekt bij de introductie van V & O-beleid binnen het Social Fund for Development. Daarnaast wordt integratie van V & O-aspecten in alle OS-activiteiten nagestreefd.

IOB stelt vast dat het Nederlandse OS-programma weinig mogelijkheden bood de positie van vrouwen te verbeteren. In de gezondheidssector werd het thema het meest expliciet opgenomen, terwijl verbeterde drinkwatervoorziening ook een gunstig effect had op de situatie van vrouwen. Ook de landbouw biedt goede mogelijkheden vrouwen te bereiken (vgl. FAO-project genoemd op p. 124 van het IOB-rapport).

Uit het bovenstaande blijkt dat een effectieve verbetering van de positie van de vrouw in Egypte een aparte V & O-strategie vergt, naast de integratie van V & O-aspecten in het reguliere programma.
_________________________________________________________________


11. Milieu

Het thema milieu komt binnen het Nederlandse OS-programma in ruime mate aan de orde, geïntegreerd binnen de sectoren waterbeheer, drinkwater/sanitatie en landbouw. Aparte milieu-activiteiten worden dan ook niet overwogen.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Deel: ' Herfkens over Egypte en evaluatie programma ministerie '




Lees ook