Ministerie van Financien

Titel: Commissie Cultuur en Belastingen

COMMISSIE CULTUUR EN BELASTINGEN

Een hoofdlijnennotitie

I. Inleiding

In de onderhavige notitie wordt op een aantal punten in gegaan die de belangstelling hebben van de cultuursector en die een relatie hebben met de Belastingherziening 2001. In haar eindrapport zal de commissie deze punten waar nodig verder uitwerken en nader adviseren omtrent problemen in de culturele sector die geen verwantschap hebben met de Belastingherziening 2001. Toegevoegd is een totaallijst met punten die bij de commissie zijn aangemeld (bijlage 1).

II. Beeldende, uitvoerende kunstenaars en artiesten in de belastingen

A. Beeldende, uitvoerende kunstenaars en artiesten als ondernemer

De commissie is van mening dat de economische verzelfstandiging van beeldende, uitvoerende kunstenaars en artiesten dient te worden gestimuleerd. Een grotere economische verzelfstandiging zou veel kunnen betekenen voor die kunstenaars die er tot nu toe niet in slagen om voldoende zelfredzaam te zijn. Hiervoor is veel nodig. Voor veel kunstenaars is het creatieve proces hoofdzaak en zijn de commerciële aspecten bijzaak.

De commissie acht het van belang onderscheid te maken tussen:
a. Beeldende kunstenaars

b. Uitvoerende kunstenaars (waaronder artiesten)

Het ondernemerschap van kunstenaars is ook in het fiscale stelsel nog onvoldoende ontwikkeld. Kunstenaars lijken in vergelijking met andere zelfstandige beroepsbeoefenaren een gebrekkige kennis van fiscale en administratieve regels te hebben. Tevens lijkt de belastingdienst nog onvoldoende gewend aan het idee dat beeldende en uitvoerende kunstenaars ondernemer kunnen zijn. Uit de vele knelpunten die de sector naar voren heeft gebracht blijkt dat voor veel kunstenaars de fiscale regelgeving onvoldoende duidelijk is. Daarnaast zijn de criteria voor ondernemerschap in de verschillende fiscale en sociale verzekeringswetten niet gelijk.

Ad a. Beeldende kunstenaars

Zo bestaat bij beeldende kunstenaars het inkomen veelal uit (gekorte) uitkeringen en inkomsten uit verkopen. Hierdoor wordt soms wel en soms niet aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek en aan de overige vereisten voor ondernemerschap in de inkomstenbelasting voldaan. Ook hierdoor kunnen er onduidelijkheden ontstaan over de vraag of een beeldende kunstenaars als ondernemer kan worden aangemerkt en daarmee in aanmerking komt voor ondernemersfaciliteiten. Voorts is voor veel kunstenaars van belang of de kosten van de werkruimte in aftrek kunnen worden gebracht.

Ad b. Uitvoerende kunstenaars

Voor artiesten geldt dat deze thans kunnen vallen onder de Wet op de loonbelasting, tenzij ze in het bezit zijn van een zelfstandigheidsverklaring. Een artiest kan overigens ook zonder zelfstandigheidsverklaring ondernemer zijn voor de inkomstenbelasting, maar niet voor de omzetbelasting, terwijl hij niet als werknemer (maar als zelfstandige) wordt aangemerkt voor de sociale verzekeringen. De artiest wordt op vier verschillende terreinen getoetst op het gebied van het ondernemerschap. Deze situatie, die voor een belangrijk deel samenhangt met de verschillen in wettelijke regelingen, leidt in de praktijk tot grote verwarring bij kunstenaars en artiesten. Daarnaast gelden gecompliceerde regels op het gebied van sociale zekerheid en BTW.

De commissie is van mening dat veel problemen van kunstenaars kunnen verdwijnen als de regelgeving duidelijker en eenduidiger zou zijn.

Een kenniscentrum bij de Belastingdienst of een kunstinspecteur zou dit kunnen bevorderen. Dit kenniscentrum zou samen met de uitvoeringsorganisaties van de sociale verzekeringen naar een betere afstemming van de fiscale behandeling van kunstenaars moeten streven.

Aanbevelingen

* Aanbevolen wordt om de fiscale behandeling van kunstenaars te stroomlijnen door een kenniscentrum (kunstinspecteur) in te stellen.

* Heldere regelgeving en uniforme interpretatie zal duidelijk moeten maken wie als ondernemer kan worden beschouwd.

Stichtingen

Het komt voor dat artiesten en kunstenaars of beperkte groepen (bijvoorbeeld popbands) stichtingen en verenigingen oprichten en via die rechtspersonen hun activiteiten verrichten. Het kan dan voorkomen dat de kunstenaar en niet deze stichting of vereniging als zelfstandig ondernemer wordt aangemerkt. Voor de werknemersverzekeringen wordt de kunstenaar niet als verzekerd aangemerkt.

Het convenant in de audiovisuele branche tussen producenten/omroepen en het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (LISV) is een ander voorbeeld van de problematiek rond de werknemersverzekeringen. Door het LISV wordt beoordeeld of freelancers ondernemer zijn. Zij stelt daarbij eisen die aanmerkelijk verder gaan dan de fiscale wetgeving. Indien bij een controle geen OnafhankelijkheidsVerklaring AudioVisuele branche (OVAV) is overgelegd worden premies werknemersverzekeringen per definitie nageheven. Indien aan producenten geen OVAV wordt overlegd houden deze loonbelasting en premies werknemersverzekeringen in, zelfs als een factuur afkomstig is van een BV.

Aanbeveling

* Aanbevolen wordt om met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overleg te voeren om een uniforme behandeling van kunstenaars in de werknemersverzekeringen te bevorderen. Het convenant voor de audiovisuele branche over de toepassing van de werknemersverzekeringen kan hierbij worden betrokken.

C. Kunstenaars in het belastingplan 2001

In het Wetsvoorstel Inkomstenbelasting 21e eeuw, wordt het voor kunstenaars belangrijker om aan de ondernemerscriteria te voldoen.

Aanbeveling

De commissie beveelt u aan om de invoering van de wet IB 2001 ten behoeve van kunstenaars vergezeld te laten gaan met goede voorlichting.

III. Fiscale stimulering filmproducties

Sinds 1998 1 is in navolging van een regeling voor de scheepvaart, voor de filmbranche de commanditaire vennootschap door de ministeries van Economische Zaken, Financiën en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen mogelijk gemaakt. Daarbij wordt gepoogd geld van particulieren investeerders aan te trekken, teneinde films te kunnen produceren.

De particuliere investeerders worden als commanditaire vennoten deelachtig in de stille reserves van de commanditaire vennootschap en daardoor fiscaal aangemerkt als ondernemer voor de inkomstenbelasting. Als extra faciliteit is het toegestaan om een willekeurige afschrijving op een investering in een film toe te passen.

Door diverse berichtgeving over de nieuwe Inkomstenbelasting 2001 bestaat thans grote ongerustheid over de werking en de looptijd van de commanditaire vennootschappen. De commanditaire vennoten zullen niet langer de status van ondernemer krijgen door invoering van een arbeidscriterium, maar zullen als beleggers vallen onder de vermogensrendementsheffing. De onzekerheid is zo groot, dat films die op het punt van ontwikkeling staan niet langer door de banken worden ondersteund. Er kan geen prospectus meer uitkomen. De banken en daarmee de investeerders overwegen zich op dit moment reeds terug te trekken.

Tot op heden is de structuur van de filmfaciliteit succesvol gebleken voor de Nederlandse film. De commissie zou het betreuren indien de huidige structuur zonder evaluatie zou verdwijnen en aangegane verplichtingen aangetast zouden worden.

Naar aanleiding hiervan heeft de commissie twee hartenwensen. De eerste is de oproep het kind niet met het badwater weg te gooien (dat wil zeggen ook in het nieuwe stelsel voor adequate stimulering te zorgen, vooral voor de op Nederlandse kunst en kunstenaars gerichte elementen). In de tweede plaats wordt aanbevolen er voor te zorgen dat de huidige regeling niet nu door onzekerheid feitelijk om zeep wordt gebracht.

Aanbeveling

* De commissie beveelt aan nu reeds duidelijkheid aan de filmbranche te verschaffen omtrent overgangsrecht en respecterende werking.
* De commissie adviseert om mede vanwege de rechtszekerheid en de recent verkregen expertise de bestaande regeling voor films te handhaven en te onderzoeken welke beperkende maatregelen mogelijk zijn.

* Tevens zou de filmregeling kunnen gaan gelden voor documentaires.

IV. Fiscale stimulering muziek- , theaterproducties en beeldende kunst

Naast de film komen ook in de theater-, muziekbranche en in de beeldende kunsten projecten voor die een meer dan gemiddeld risico kennen. In samenhang met de aanbeveling om kapitaalverschaffing voor de film ook in de 21e eeuw fiscaal te begeleiden, wordt voorgesteld om een fiscale stimulans te bieden aan sectoren in de muziek- en theaterbranche alsmede de beeldende kunst die vanwege het experimentele en vernieuwende karakter onder risicovolle beleggingen gerekend dienen te worden.

Aanbeveling

Voorgesteld wordt om in de nieuwe vormgeving ook deze sectoren te betrekken.

V. Monumentenzorg

Rijksmonumenten die als woonruimte worden gebruikt, worden in de inkomstenbelasting aangemerkt als een bron van inkomsten. Door middel van het huurwaardeforfait worden ook deze woningen in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. In het huurwaardeforfait zit een bedrag voor de kostenaftrek. In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is een regeling voor aftrek van onderhoudskosten voor rijksmonumentenpanden opgenomen.

Aanbeveling

De regeling voor monumentenpanden geldt niet voor het onderhoud van tuinen met een monumentaal karakter, maar zou daarmee kunnen worden uitgebreid, waardoor ook onderhoudskosten van deze tuinen in aftrek kunnen worden gebracht.

VI. Fiscaliteit en literatuurprijzen

De fiscale behandeling van literatuurprijzen is door de maatschappelijke ontwikkeling en door de jurisprudentie niet eenduidig.

Indien een schrijver een literaire prijs ontvangt, dient vanuit een fiscaal oogpunt te worden beoordeeld of de prijs onderdeel uitmaakt van het belastbare inkomen. Prijzen zijn belast indien ze aan te merken zijn als winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking of andere inkomsten uit arbeid. De beoordeling van de belastbaarheid hangt af van de feiten en omstandigheden en de kwalificatie daarvan.

In de jurisprudentie is de belastbaarheid van prijzen een aantal malen aan de orde geweest.

Indien naar een prijs wordt gedongen, is belasting verschuldigd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het schrijven van een literair werk gevolgd door het inzenden daarvan ter mededinging naar een uitgeloofde prijs het verrichten van een werkzaamheid is, waarmee geldelijk voordeel wordt beoogd. Dit is niet anders als het werk reeds werd geschreven voordat de prijs werd uitgeloofd.

Indien niet naar een prijs wordt gedongen kunnen zich verschillende fiscale situaties voordoen.

Indien de prijs moet worden gezien als een eerbetoon aan de persoon van de bekroonde als kunstenaar en zijn werk in zijn algemeenheid en niet in eerste instantie betrekking heeft op een specifiek literair werk, is deze volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad onbelast, tenzij de verstrekker van de prijs met de instelling en de uitkering daarvan een zakelijk oogmerk heeft.

Aanbeveling

* Aanbevolen wordt een eenduidige gedragslijn te ontwikkelen voor de fiscale behandeling van literatuurprijzen.

VII. Popmuziek

De popmuziek ontvangt weinig financiële steun, terwijl er voor deze kunstvorm een grote interesse bij de bevolking bestaat.

Aanbeveling

Ter stimulering van de popmuziek zou een zodanig fonds ingesteld kunnen worden, dat schenkingen aan dat fonds onbelast zijn. Een alternatief zou zijn om het fonds als culturele instelling aan te merken, zodat particuliere giften onder de aftrekbare giftenregeling van de wet op de inkomstenbelasting vallen, het fonds niet vennootschapsbelastingplichtig is en onder het 11%-regime van het schenkingsrecht valt.

VIII. Oudedagsvoorziening kunstenaars

De dotatie aan de fiscale oudedagsreserve (FOR) mag niet uitkomen boven het ondernemingsvermogen. Voor veel kunstenaars geldt dat hun ondernemings-vermogen onvoldoende redelijk is om een pensioen op te bouwen. Naast de FOR kan gebruik gemaakt worden van lijfrenteverzekeringen. De financiële ruimte voor pensioenopbouw ontstaat bij kunstenaars pas in een latere levensfase. Om voor extra aftrek in aanmerking te komen, geldt de beperkende voorwaarde dat de betrokkene meer moet verdienen dan een bepaald persoonlijk inkomen. Deze eis kan een probleem vormen.
In het belastingstelsel 21e eeuw wordt uitgegaan van een oudedagsparaplu. In dit systeem is het mogelijk om via lijfrente-aftrek een individueel pensioentekort weg te werken. Daarbij is van groot belang dat dit wegwerken van het pensioentekort in een beperkt aantal jaren kan plaatsvinden, zodat bij fluctuaties van het inkomen toch een redelijk pensioen kan worden opgebouwd. Veel artiesten zijn slechts korte tijd populair.

Aanbeveling

Bezien in hoeverre een flexibeler pensioenopbouw kan bijdragen aan het verbeteren van de oudedagsvoorziening van kunstenaars.

IX. Culturele instellingen

Culturele instellingen nemen in verschillende fiscale wetten een bijzondere positie in. Door culturele prestaties en inkomsten bestaan vrijstellingen en lagere tarieven in de Vennootschapsbelasting, de BTW en de successie en schenkingsrechten. De criteria op grond waarvan wordt vastgesteld of er sprake is van een culturele instelling verschillen evenwel, waardoor er verwarring en onduidelijkheid ontstaat.
Het voornaamste fiscale punt is de vraag of ze al dan niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting. Indien culturele instelling naar winst streven of in concurrentie treden met anderen, worden ze belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting.

Traditioneel zijn veel culturele instellingen grotendeels afhankelijk van bekostiging door de rijksoverheid. Er worden veelal subsidies op basis van de Wet Specifiek Cultuurbeleid verstrekt; tevens worden er subsidies gegeven door culturele fondsen. Teneinde jaarlijks overleg omtrent de toereikendheid van subsidies te voorkomen is in het verleden een beleidslijn uitgezet, waarbij instellingen een 4-jarige subsidie wordt toegekend. Toegestaan is, dat ze in de eigen inkomsten uit sponsoring enzovoort mogen houden en dat ze in de 4-jarige periode binnen het budget mogen schuiven.

Onder andere om de afhankelijkheid van de overheid te verkleinen en omdat hun budgetten ontoereikend zijn verrichten culturele instellingen naast hun eigenlijke taken ook nevenactiviteiten. Indien ze een productie willen creëren zijn ze aangewezen op hun eigen exploitatie en dienen ze overschotten te verkrijgen voor de financiering van hun activiteiten. Naast commerciële activiteiten worden er gelden verkregen schenkingen van derden. De heffing van vennootschapsbelasting komt dan aan de orde.

Aanbevelingen

Artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting uitbreiden;


- vrijstellingsgrenzen voor de vennootschapsbelasting ophogen tot 100.000 per jaar en 500.000 per 5 jaar. Een criterium van 4 jaar zou nog beter zijn in verband met rapportage van gesubsidieerde lichamen aan OC en W.


- in de AWR een definitie opnemen voor culturele instellingen, die daardoor onder het 11%-tarief van het schenkingsrecht vallen, niet vpb-plichtig zijn en zo mogelijk in aanmerking komen voor de vrijgestelde prestaties van de omzetbelasting (rekening houden met Zesde richtlijn).


- een ruimere mogelijkheid om voorzieningen voor toekomstige producties te treffen, dan thans fiscaal mogelijk is. Immers, indien geen subsidie kan worden verkregen, dient gebruik te worden gemaakt van exploitatieoverschotten. Bij afwezigheid van eigen vermogen kunnen zelden leningen worden verkregen.

X. Kunstbezit in Nederland

Met betrekking tot het kunstbezit in Nederland heeft de fondswerving in Nederland de aandacht van de commissie.
Samenvatting aanbevelingen

* Aanbevolen wordt om de fiscale behandeling van kunstenaars te stroomlijnen door een kenniscentrum (kunstinspecteur) in te stellen.

* Heldere regelgeving en uniforme interpretatie zal duidelijk moeten maken wie als ondernemer kan worden beschouwd.
* Aanbevolen wordt om met het Ministerie van Sociale en Werkgelegenheid overleg te voeren om een uniforme behandeling van kunstenaars in de werknemersverzekeringen te bevorderen. Het convenant voor de audiovisuele branche over de toepassing van de werknemersverzekeringen kan hierbij worden betrokken.
* De commissie beveelt aan om de invoering van de wet IB 2001 ten behoeve van kunstenaars vergezeld te laten gaan van goede voorlichting.

* De commissie beveelt aan nu reeds duidelijkheid aan de filmbranche te verschaffen omtrent overgangsrecht en respecterende werking. De commissie adviseert om mede vanwege de rechtszekerheid en de recent verkregen expertise de bestaande regeling voor films te handhaven en te onderzoeken welke beperkende maatregelen mogelijk zijn. Tevens zou de regeling kunnen gaan gelden voor documentaires.
Voorgesteld wordt om in de nieuwe vormgeving van de filmfaciliteit ook te denken aan de muziek- en theaterbranche, welke aanverwant zijn.

* De regeling voor monumentenpanden geldt niet voor het onderhoud van tuinen met een monumentaal karakter, maar zou daarmee kunnen worden uitgebreid, waardoor ook onderhoudskosten van deze tuinen in aftrek kunnen worden gebracht.

* Aanbevolen wordt een eenduidige gedragslijn te ontwikkelen voor de fiscale behandeling van literatuurprijzen.

* Ter stimulering van de popmuziek zou een zodanig fonds ingesteld kunnen worden, dat schenkingen aan dat fonds onbelast zijn. Een alternatief zou zijn om het fonds als culturele instelling aan te merken, zodat particuliere giften onder de aftrekbare giftenregeling van de wet op de inkomstenbelasting vallen, het fonds niet vennootschapsbelastingplichtig is en onder het 11%-regime van het schenkingsrecht valt.

* Bezien in hoeverre een flexibeler pensioenopbouw kan bijdragen aan het verbeteren van de oudedagsvoorziening van kunstenaars.
* Artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting uitbreiden;


- vrijstellingsgrenzen voor de vennootschapsbelasting ophogen tot 100.000 per jaar en 500.000 per 5 jaar. Een criterium van 4 jaar zou nog beter zijn in verband met rapportage van gesubsidieerde lichamen aan OC en W.


- in de AWR een definitie opnemen voor culturele instellingen, die daardoor onder het 11%-tarief van het schenkingsrecht vallen, niet vpb-plichtig zijn en zo mogelijk in aanmerking komen voor de vrijgestelde prestaties van de omzetbelasting (rekening houden met Zesde richtlijn).


- een ruimere mogelijkheid om voorzieningen voor toekomstige producties te treffen, dan thans fiscaal mogelijk is. Immers, indien geen subsidie kan worden verkregen, dient gebruik te worden gemaakt van exploitatieoverschotten. Bij afwezigheid van eigen vermogen kunnen zelden leningen worden verkregen.

Bijlage 1

Totaallijst met bij de commissie binnengekomen punten

Versie 7 september 1999

KUNSTENAARS

De criteria voor ondernemerschap en aftrekposten zijn algemeen geformuleerd.
Verschillende wetten hanteren verschillende criteria voor ondernemerschap (inclusief de sociale zekerheidswetgeving). De wettelijke mogelijkheden voor het in aftrek brengen van woon-werkverkeer (voor vervoer van instrumenten door musici) voldoen niet.
Veel IB-faciliteiten voor kunstenaars gelden alleen voor ondernemers.
De wettelijke mogelijkheid voor het in aftrek brengen van kosten werkruimte zijn te beperkt voor kunstenaars. Voor beeldende kunstenaars zijn de regels van voorraadwaardering ten behoeve van de winstbepaling niet uitvoerbaar. Er is geen centrale kunstinspecteur.
Er is geen kenniscentrum voor kunstenaars binnen de Belastingdienst.
Er is geen specifiek materiaal beschikbaar waarin de fiscale regels voor kunstenaars zijn uitgelegd.
Fiscale status kunstenaars die onder de Wet inkomensondersteuning kunstenaars (WIK) vallen niet duidelijk.
Regels voor de heffing van inkomstenbelasting voor amateurmusici (hobby of bron van inkomsten) niet duidelijk. Amateurmusici worden vaak anders behandeld dan sporters. Inspecteurs hebben veel ruimte voor eigen invulling en handelen verschillend bij de beoordeling van het ondernemerschap en van de aftrekposten.
Meer duidelijkheid over toepassing urencriterium voor de zelfstandigenaftrek.
Toepassing criteria voor de aftrek van werkruimte (70% van de inkomsten dient vanuit de werkruimte aan huis te worden verdiend) voor kunstenaars niet duidelijk.
Onzekerheden loonverdelingsverklaring nader bezien. Fiscale behandeling kostenvergoedingsregeling voor medewerkers aan theater- en musicalproducties (sejourregeling) niet duidelijk. Voorkomen dubbele belasting bij optreden Nederlandse artiesten. Fiscale behandeling van cultuurprijzen onduidelijk. Fiscale behandeling van auteursrechten in de 21e eeuw lastiger. Voorkomen dubbele belasting bij buitenlandse artiesten in Nederland.
Kunstenaars in loondienst (bijvoorbeeld dansers) hebben vaak een korte carrière, een betrekkelijk laag inkomen en daardoor zeer lage pensioenrechten.
Er bestaat geen keuzerecht voor BTW-ondernemerschap kunstenaars. Er bestaat geen keuzerecht voor BTW-ondernemerschap bij culturele evenementen.
Muziekonderwijs aan personen ouder dan 21 jaar is belast tegen het algemene BTW-tarief.
Dansonderwijs is belast tegen het algemene BTW-tarief. Schrijvers, componisten en journalisten zijn vrijgesteld van BTW-heffing.
Prestaties podiumkunstenaars op scholen zijn belast tegen het algemene BTW-tarief.
Niet alle prestaties van bibliotheken onder het verlaagde BTW-tarief.
Er is geen BTW-nihiltarief van toepassing voor sponsorinkomsten voor reclame van startende ondernemers.
Er is geen BTW-nihiltarief van toepassing bij sponsorinkomsten voor reclame van startende ondernemers scholen. Erfgenamen van auteurs in de BTW worden niet gelijk behandeld aan schrijvers.
Muurschilderingen vallen niet onder het verlaagde BTW-tarief. Schetsopdrachten vallen niet onder het verlaagde BTW-tarief. Educatieve media vallen niet onder het verlaagde BTW-tarief. Zaalhuur voor culturele activiteiten valt niet onder het verlaagde BTW-tarief.
Het lage BTW-tarief geldt niet voor de uitleen of doorverkoop van beeldende kunst.
Videokunst en nieuwe media worden naar het algemene BTW-tarief belast.
De Belastingdienst heft loonbelasting over loon dat in natura is verstrekt.

INSTELLINGEN
Er vindt over subsidies die OC&W verstrekt op basis van de Wet Specifiek Cultuurbeleid heffing van vennootschapsbelasting plaats. Voor de belastingheffing en vrijstellingen van culturele instellingen hanteren verschillende wetten verschillende definities.
De VPB-vrijstellingsbedragen voor culturele instelling (thans 13.000 per jaar en 65.000 in 5 jaar) zijn te laag. NV Amsterdams Monumentenfonds net als de NV Stadsherstel vrijstellen van VPB.
Er bestaat geen VPB-vrijstellling voor de NVs stadsherstel. Invoering VPB-plicht voor overheidsbedrijven zal veroorzaken dat meer culturele instellingen vennootschapsbelasting zullen moeten gaan betalen.
Voor het doen van schenkingen van belangrijke kunstwerken aan musea (algemene en particuliere) moeten faciliteiten blijven bestaan (Inkomstenbelasting: aftrek van periodieke uitkeringen en successiewet) vrijstelling of beperking van successierechten. Kunstwerken die niet van nationaal belang zijn kunnen niet worden gebruikt om successierechten te betalen.
Bestuurdersaansprakelijkheid voor fiscale verplichtingen, gekoppeld aan de bestaande onduidelijkheden over belastbaarheid van subsidies, inhouding van loonbelasting en dergelijke maken dat steeds vaker aspirant-bestuurders afzien van lidmaatschap van stichtingen.
De Rijksdienst Monumentenzorg is geen BTW-ondernemer. De verhoging van de regulerende energiebelastingen en de waardering van monumentale panden voor de Wet Onroerende Zaken leidt tot problemen.
Archeologische diensten (graafwerkzaamheden en dergelijke) worden voor de BTW niet aangemerkt als museale activiteiten. Historische centra zijn niet vrijgesteld van de heffing van onroerende zaakbelasting, andere lokale belastingen, regionale- en rijksbelastingen.
Volledige vrijstelling van schenkings- en successierecht voor alle direct- of indirect door de overheid gesubsidieerde openbaar toegankelijke bibliotheken (gelijkstelling met musea). Kostbare collecties zouden aangemerkt dienen te worden als musea. Er bestaat geen regeling om particulier vermogen beschikbaar te krijgen voor risicovolle culturele producties.

CULTUUR BEZIT
Er bestaat geen fiscale regeling in de inkomstenbelasting voor aftrek en onderhoud en restauratie van WBC-voorwerpen die te zijner tijd aan de staat toe zullen komen. Renteaftrek van leningen voor aanschaf, onderhoud en reparatie van beschermde cultuurgoederen moet niet worden afgeschaft in de 21e eeuw.
Er bestaat geen mogelijkheid in de VPB om archeologische opgravingskosten te reserveren.
Aftrek IB-VPB kosten en lasten van gemeentelijke monumenten niet gelijk aan regeling rijksmonumenten. Successierechten worden niet volledig kwijtgescholden bij vererving van WBC-voorwerpen die te zijner tijd definitief aan de Staat toekomen.
Geen mogelijkheid in de inkomstenbelasting om kosten en lasten van gemeentelijke en provinciale monumenten in aftrek te brengen.
De regeling voor aftrek van kosten van rijskmonumenten ook voor tuinen.
Er is geen bijzondere (lagere) waardering voor monumentenpanden in de Wet Onroerende Zaken. Er bestaat geen stimulerend fiscaal beleid voor historische vaartuigen (door middel van het gelijkstellen van roerende monumenten aan onroerende monumenten). Er bestaat geen fiscale regeling voor oud beleggen.

FONDSEN
Er zijn niet voldoende faciliteiten voor particulieren en bedrijven die direct of indirect gelden verstrekken aan financiële fondsen.
De subsidievoorwaarden kunnen aanleiding geven tot belastingheffing; hulp van Financiën bij het formuleren van subsidievoorwaarden is gewenst. Er bestaat geen fiscale stimuleringsregeling voor particuliere instellingen, particulieren en/of ondernemers om bijdragen te verstrekken om aankopen in cultuurgoederen die voorkomen op de lijst behorende bij de Wet Behoud Cultuurbezit (WBC). Er is geen fiscale faciliteit voor bijzondere muziekinstrumenten.
Een fonds voor de popmuziek instellen dat als overheidslichaam wordt aangemerkt.

Bijlage 2
Instellingsbeschikking commissie cultuur en belastingen 24 februari 1999 nr. AFP 99/71M
Directie Algemene Fiscale politiek
De Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
Overwegende dat het wenselijk is een commissie cultuur en belastingen in te stellen;
Besluiten:
§ 1. Instelling en taak
Artikel 1
Er is een commissie cultuur en belastingen. Artikel 2

1. De commissie heeft tot taak de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te adviseren over de verschillende aspecten van belastingheffing in relatie tot het terrein van cultuur en ontwikkelingen op dit gebied. De commissie betrekt in haar werkzaamheden de plannen om te komen tot een belastingherziening in het kader van de 21e eeuw.
2. De commissie besteedt bij haar werkzaamheden aandacht aan internationale aspecten.
§ 2. Samenstelling en werkwijze
Artikel 3

1. Tot lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: mevrouw C. Habbema
Tot lid, tevens secretaris van de commissie wordt benoemd: mevr. mr. E.A. Starke
Tot leden van de commissie worden benoemd: E. Burgers AA
Mevr. mr. J. Kamp
P.L.M. Kamphuis FB
mr. H. Mobach
drs. J. Riezenkamp
mevr. drs. M.E.J. Schuit
mr. J.P. van der Stap
mr. D.E. Witteveen
Artikel 4
Ter uitvoering van haar taak kan de commissie -mede gezien de breedte van het onderwerp- zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zo nodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te laten zetten.
Artikel 5
De commissie brengt voor 1 oktober 1999 advies uit aan de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
§ 3. Overige bepalingen
Artikel 6
De leden van de commissie, voor zover geen ambtenaar, ontvangen vacatiegelden alsmede een vergoeding voor de reis- en verblijfkosten volgens de bestaande rijksregelingen, voor zover niet uit anderen hoofde een vergoeding van deze kosten wordt verleend uit s Rijks kas.
Artikel 7
Een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de commissie en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij deze werkzaamheden de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 8

1. Dit besluit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
2. Afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

De Staatssecretaris van Financiën, De Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen,

W. Vermeend F. van der Ploeg

Deel: ' Hoofdlijnennotitie Commissie cultuur en belastingen '




Lees ook