SLEEPING WITH THE ENEMY. Over de verhouding tussen auteurs en exploitanten in het auteursrecht

Bernt Hugenholtz

Rede uitgesproken op 24 november 1999 t.g.v. de benoeming van mr. P.B. Hugenholtz tot hoogleraar informatierecht, in het bijzonder auteursrecht, aan de Universiteit van Amsterdam. Een uitgebreide, geannoteerde versie verschijnt bij AUP Vossius Pers, Amsterdam.

1. Inleiding

Volgens de laatste telling bezit de Vereniging voor Auteursrecht (VvA) 501 leden. Hiervan zijn 272 advocaat, 61 juridisch adviseur, 28 uitgever of producent, 27 rechtswetenschapper, 20 lobbyist en 12 student. Verder zijn 24 leden werkzaam bij een rechtenorganisatie, 15 bij de overheid en 4 bij de rechterlijke macht. Voorts tellen wij 13 gepensioneerden, 5 werklozen, 5 "overigen" en één journalist in dienstverband. Vijftien leden wilden of konden aan onze enquête niet meewerken. De overige leden zijn vrij gevestigd ontwerper of auteur. Inderdaad, vijf stuks - precies 1% van de VvA-leden is auteur.

Aan de diplomatieke conferentie over het auteursrecht van 1996, die resulteerde in het WIPO Auteursrechtverdrag, werd - naast een groot aantal landendelegaties - deelgenomen door niet minder dan 76 NGO's (grotendeels belangenorganisaties - lobbies dus). Twee weken lang werden de arme ambtenaren door hordes lobbyisten op de huid gezeten: namens de rechtenorganisaties, de uitgevers, de platenproducenten, de filmproducenten, de software-industrie, de omroep, de bibliotheken, de telecommunicatie-industrie en de elektronicafabrikanten. Langs de zijlijn zag een klein clubje auteursorganisaties het strijdgewoel hoofdschuddend aan; naar hen werd in elk geval niet geluisterd.

Hoe anders was het in de jaren die voorafgingen aan de Berner Conventie. Tijdens de wereldtentoonstelling van 1878 werd in Parijs door een aantal prominente schrijvers (waaronder Hector Malot en Ivan Toergenjef) de Association littéraire et artistique internationale (ALAI) opgericht. Victor Hugo was voorzitter van het congres dat de associatie baarde. Tijdens de jaarvergadering van 1882 werd het plan gesmeed voor een internationale auteursrechtconventie, die vier jaar later (in 1886) daadwerkelijk werd gerealiseerd.

Ook andere grote schrijvers hebben zich in de vorige eeuw voor de ontwikkeling van het auteursrecht verdienstelijk gemaakt: Beaumarchais, Balzac, Dickens, Shaw. Maar tegenwoordig?

Tijdens het symposium dat in 1986 in de Ridderzaal gehouden werd (ter gelegenheid van 100 jaar Berner Conventie), hield W.F. Hermans een tirade tegen roofdruk en tegen de fotokopieercultuur aan de universiteiten - een moderne vorm van 'roofdruk' die door de universitaire gemeenschap nota bene werd bevorderd. Dat kwam, zo vermoedde Hermans

"... door de misvatting dat studenten wezens van hogere orde zijn, dat studenten gratis dienen te verkrijgen waar anderen voor moeten betalen. Dat studenten boven de wet staan als bedelmonniken, fakirs of heilige koeien. Zoals U allen weet, komt van rond vijftig procent van de Nederlandse studenten niets terecht. Maar hun leermeesters menen dat iedereen die beweert dat hij studeert, voor niets mag profiteren van en kopiëren uit wetenschappelijke en artistieke publicaties die door anderen met veel moeite en opofferingen tot stand zijn gebracht." Over het universitair auteursrechtbeleid kom ik straks nog te spreken.

Na Hermans is er aan het auteursrechtelijke front van de kant van de auteurs weinig meer vernomen. En dat is, zacht gezegd, verbazingwekkend - vooral in deze tijden waarin het auteursrecht op ieders lippen brandt en vaste prik is in hoofdredactionele commentaren.

Terwijl de auteurs scheppen (of slapen), wordt aan het auteursrechtelijke bouwwerk - onder regie van de exploitanten - gestaag doorgetimmerd. Steeds completer wordt de bundel van exploitatierechten, steeds langer de duur, steeds beperkter de beperkingen van het auteursrecht. En de auteurs, die al deze rechten zomaar in hun schoot geworpen krijgen, slapen door, dankbaar en tevreden in het besef dat de uitgevers, de filmproducenten en de platenfabrikanten het allerbeste met hen voorhebben.

2. Wettelijke beperkingen

Men hoeft geen rechten gestudeerd te hebben om in te zien dat de auteursrechtelijke belangen van auteurs en exploitanten niet persé parallel lopen. De aanstaande Europese Auteursrechtrichtlijn biedt een mooi voorbeeld van zo'n belangenconflict. De richtlijn bevat een opsomming van wettelijke beperkingen die de lidstaten in hun nationale wetten mogen handhaven. Op die lijst ontbreekt: het kopiëren voor privé-gebruik, dat in de meeste landen sinds jaar en dag is toegelaten. Het richtlijnvoorstel laat nog wél enige ruimte voor de fotokopie en de 'thuiskopie', maar de privé-kopie op elektronische dragers (bijv. harde schijf) is voortaan taboe.

De exploitanten krijgen met het verbod op de privé-kopie hun zin. De Richtlijn maakt de weg vrij voor het pay-per-use marktmodel waarvan zij al jaren dromen; de informatieconsument betaalt voortaan voor iedere byte die hij tot zich neemt.

Maar het zijn de auteurs die hiervan het meest te lijden zullen hebben. Creatie geschiedt immers zelden tabula rasa. Anders dan de originaliteitsmythe het wil, bestaat de meeste schepping uit het herschikken en opnieuw vormgeven van bestaande stof. Die stof wil de auteur in de vorm van knipsels, samples of kopieën bij de hand hebben. Een wet die ten doel heeft de creatie van cultuuruitingen te stimuleren, heeft hier rekening mee te houden. Het aanstaande verbod op de privé-kopie vormt een bedreiging van de vrijheid van de scheppende mens.

In de Verenigde Staten, waar de auteurs zich niet door de exploitanten in slaap hebben laten sussen, hebben de schrijvers verenigd in de National Writers Union zich fel verzet tegen plannen het auteursrecht met het oog op de 'digitale netwerkomgeving' verder te versterken. Zij bevonden zich daarbij in goed gezelschap van bibliotheken, universiteiten, scholen en consumentenorganisaties. En met succes: de Amerikaanse wet gaat op belangrijke punten minder ver dan de a.s. Auteursrechtrichtlijn.

Ook het huidige Nederlandse stelsel van wettelijke beperkingen is niet bepaald auteursvriendelijk te noemen. De meeste beperkingen zijn niet geschreven voor mensen van vlees en bloed, maar voor allerlei institutionele gebruikers: overheid, bedrijfsleven, omroep, school, justitie, etc. Het stelsel weerspiegelt onze corporatieve staat; zelfs de kerken komen aan hun trekken. De "gemeentezang en de instrumentele begeleiding daarvan tijdens een eredienst" zijn auteursrechtelijk vrijgesteld. [U mag dus niet zingend de kerk uit gaan, want dan bent U in overtreding]. Maar ik dwaal af. De auteur komt er in onze Auteurswet bekaaid af. Citeren mág, maar alleen in "een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling". Voor het kunstcitaat laat de wet geen ruimte, wat vooral in de beeldende kunsten en de popmuziek tot problemen leidt.

Hetzelfde geldt voor de parodie. Anders dan in Frankrijk en België kent de Nederlandse wet geen parodiebeperking. Parodiërende auteurs (dikwijls striptekenaars) moeten zich behelpen met het Suske en Wiske-arrest van de Hoge Raad, dat alleen ruimte laat voor parodieën die zo min mogelijk op het 'origineel' gelijken. Leuke parodieën zijn dat!

Met dat al wordt in de wet nauwelijks rekening gehouden met de auteur in zijn hoedanigheid van 'creatieve' gebruiker. In de Verenigde Staten is dat beter geregeld. 'Transformatief' gebruik geldt eerder als fair use dan louter consumptief gebruik. Nu de eerste stappen naar een Nederlandse fair use-bepaling inmiddels zijn gezet, zal wellicht ook in ons land voor "transformatief" gebruik meer ruimte ontstaan.

3. Auteur vs. exploitant: van uitgeversrecht naar rechtenoverdracht

Het belangenconflict tussen auteur en exploitant manifesteert zich bij uitstek in de overeenkomst die hun onderlinge relatie bezegelt. Over het exploitatiecontract gaat de rest van dit verhaal.

Hirsch Ballin heeft erudiet beschreven hoe het auteursrecht zich geleidelijk van een 'uitgeversrecht' via een 'copijrecht' tot een 'auteursrecht' in eigenlijk zin ontwikkeld heeft. De drukkersprivilegiën, die door de autoriteiten in de 17e en 18e eeuw werden verleend, verschaften de uitgevers een monopolie op het drukken en verhandelen van boeken. In de loop van de 19e eeuw werd de gedachte gemeengoed, dat het niet de uitgever, maar de makers van de gedrukte werken waren die de bescherming van de wet verdienden. Aldus trad het 'copijrecht' voor het privilege in de plaats - een uitsluitend recht tot reproductie dat bij de maker van het werk ontstond.

Erg veel schoten de auteurs hier nog niet mee op; de eerste 'auteurswetten' bepaalden namelijk dat het 'copijrecht' door de levering van het manuscript aan de uitgever overging. Zo bleef het auteursrecht in wezen 'uitgeversrecht', totdat in de tweede helft van de 19e eeuw het auteursrechtelijke exploitatierecht definitief werd losgekoppeld van de eigendom van het manuscript. De intellectuele eigendom was geboren. Voor de bescherming van zijn product was de uitgever voortaan afhankelijk van de auteur.

In de 19e en 20e eeuw hebben de uitgevers zich van deze juridische catastrofe opmerkelijk snel hersteld. De panacee heette 'contractsvrijheid'. De wetgever mocht het auteursrecht aan de auteur hebben toegekend, niets belette de uitgever de auteur diens wettelijke bevoegdheden vervolgens langs contractuele weg weer af te nemen. Daarbij boden de auteurs in hun onderhandelingen met de uitgevers nauwelijks verweer. Tot diep in de 19e eeuw was het voor schrijvers 'not done' om van de pen te leven. De ware auteur schiep gloria et fama - niet voor de centen.

De uitgevers ontdekten al snel dat hun afgeleide rechtspositie zelfs allerlei voordelen opleverde. Doordat het auteursrecht voortaan de auteur centraal stelde, werd de duur van het recht gekoppeld aan het leven van de auteur - vermeerderd met een "alimentatieperiode" voor de nabestaanden (inmiddels 70 jaar). Zo beschikten de uitgevers ineens over een recht dat de duur van de drukkersprivilegiën en het copijrecht aanmerkelijk overtrof.

Ook in politiek opzicht profiteerden de exploitanten van het auteursrecht van hun 'partners'. Versterking van het auteursrecht was politiek veel beter te 'verkopen' dan de roep om een eigen, op kapitalistische leest geschoeid uitgeversrecht. De auteurs lieten zich gemakkelijk voor het politieke karretje van de exploitanten spannen, en zo is het eigenlijk nog steeds. Zo waren de 'Spice Girls' - blijkens een door de platenindustrie verspreid persbericht - met de Auteursrechtrichtlijn, die eerder dit jaar in eerste lezing door het Europees Parlement werd aanvaard, bijzonder in hun nopjes.

4. Het evenwicht (enigszins) hersteld: de socialisering en collectivisering van het auteursrecht

In de loop van de 20e eeuw is dankzij de 'socialisering' van de maatschappij de positie van de auteur gaandeweg verbeterd. Zo bepaalt artikel 2 van onze Auteurswet 1912, dat de overdracht "alleen die bevoegdheden , waarvan dit in de akte is vermeld of uit aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit" (de doeloverdrachtregel). De bepaling is voortgekomen uit de zorg auteurs te beschermen tegen 'arglistige' uitgevers door 'ondoordachte overdracht' onmogelijk te maken.

Veel verder gaat de Franse wet van 1957, die voorziet in een uitgebreide regeling van het auteurscontractenrecht. Zo moet bij iedere rechtenverlening de beoogde exploitatie qua omvang, doel, plaats en tijdsduur omschreven worden, inclusief het recht op proportionele vergoeding. Daarnaast zijn er regels die specifiek zijn toegesneden op de praktijken in bepaalde branches, zoals de uitgeverij, de omroep, etc. Vergelijkbare regelingen treffen wij aan in de auteurswetten van Italië, de Scandinavische landen, Spanje en sinds 1994 ook België.

Ook de Duitse auteurswet van 1965 bevat enkele algemene bepalingen van contractenrecht: de doeloverdrachtsregel; de regel dat licenties met betrekking tot onbekende exploitatievormen nietig zijn; de Bestsellerparagraph (het contract mag worden opengebroken als een werk onverwacht succesvol is); en het recht om een licentie te beëindigen in geval van niet-uitoefening.

In Nederland is het, afgezien van art. 2 Aw, van wettelijke bepalingen met betrekking tot auteurscontracten nooit gekomen. Wel is in 1972 een voorontwerp voor een wettelijke regeling openbaargemaakt, bedoeld om als titel 8 ('Uitgave van werken') deel te gaan uitmaken van Boek 7 van het Nieuw BW. Het ontwerp bevatte hoofdzakelijk regels van dwingend recht ter bescherming van de auteur. Geen wonder dat de uitgevers er fel tegen gekant waren. Tot een wetsvoorstel is het nooit gekomen.

De geleidelijke positieverbetering van de auteurs is niet alleen te danken geweest aan wettelijke maatregelen. Collectieve belangenbehartiging leidde in een aantal branches tot modelcontracten die met organisaties van exploitanten werden 'uitonderhandeld', zoals het 'Modelcontract voor de uitgave van oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk'. In het modelcontract worden de rechten en plichten evenwichtig over auteur en uitgever verdeeld. De uitgever verkrijgt slechts die bevoegdheden die met zijn activiteiten rechtstreeks in verband staan (uitgave in druk, herdruk, boekenclubedities, etc.); de overige rechten blijven aan de auteur.

Ook in de CAO-sfeer hebben de bonden auteursrechtelijke successen geboekt. Zo geeft de Dagblad-CAO de journalisten in dienstverband recht op vergoedingen voor allerlei vormen van hergebruik.

Maar echte marktmacht kregen de auteurs pas goed door de ultieme vorm van krachtenbundeling: collectieve rechtenorganisaties. Door hun exploitatierechten te 'poolen' konden de auteurs de exploitanten eindelijk hun wil opleggen. Maar de successen van de rechtenbureaus hadden ook een keerzijde. De efficiency gebood dat de auteurs hun exploitatierechten onvoorwaardelijk inbrachten, zodat de bureaus hun cliënten (de omroep, horeca, enz.) een 'blanket license' konden aanbieden. Zo degenereerde het auteursrecht tot een vergoedingsaanspraak. Op jacht naar grotere omzetten - en in toenemende concurrentie met buitenlandse zusterorganisaties - begonnen de rechtenorganisaties steeds meer te lijken op hun aloude tegenstrevers, de exploitanten.

5. Rechtenoorlog opnieuw opgelaaid

Het precaire machtsevenwicht tussen auteurs en exploitanten is in de afgelopen jaren opnieuw verstoord geraakt. Exploitanten hebben de jacht op de auteursrechten heropend. Hiervoor zijn drie, onderling samenhangende oorzaken aan te wijzen: - multi-makerschap - multi-nationalisering - multi-media.

5.1 Multi-makerschap

De spectaculaire groei van de informatie- en amusementsindustrie is gepaard gegaan met enorme schaalvergroting. Aan een Hollywood-productie leveren soms meer dan duizend medewerkers een bijdrage. In de software-industrie werken teams van honderden programmeurs aan een enkel informatieproduct. Zelfs in de wetenschappelijke wereld zijn publicaties met tientallen, soms meer dan honderd coauteurs, geen uitzondering meer.

Dit multiple makerschap noopt tot concentratie van de auteursrechten bij de producenten. Het kan niet zo zijn dat één dwarsliggende auteur (de decorontwerper bijvoorbeeld) de exploitatie van het collectieve werk (de speelfilm) verhindert. Filmproducenten wensen een "schoon product" in handen te krijgen, dat zij vrij van auteursrechtelijke smetten aan investeerders, distributeurs en omroepen kunnen doorverkopen.

De filmproducenten hebben van de wetgever hun zin gekregen. De wet voorziet in een wettelijke vermoeden van overdracht aan de filmproducent van de rechten van de auteurs die aan de film hebben meegewerkt. Maar deze overdracht impliceert geen 'buy-out'. Ook indien de exploitatierechten bij de producent berusten, hebben de auteurs het recht in de opbrengsten van (verdere) exploitatie te delen.

Paradoxaal genoeg, heeft het wettelijke filmauteursrecht voor de filmindustrie zelf weinig nauwelijks betekenis gehad. Het filmauteursrecht is van regelend recht; het is de contractuele praktijk die de rechtspositie van de auteurs bepaalt. Die praktijk is al sinds de beginjaren van de cinema dezelfde, en gemakkelijk in een halve zin samen te vatten: alle rechten naar de producent. In haar fraaie boek 'Le métier d'auteur' velt Michèle Vessillier een vernietigend oordeel over deze praktijk: "En fait, et depuis toujours, le cinéma vit hors la loi sur le droit d'auteur, hors l'esprit de cette loi et le principe de l'intéressement de l'auteur au produit de son oeuvre."

5.2 Multi-nationalisering

De schaalvergroting in de informatie-industrie manifesteert zich bij uitstek in het verschijnsel mediaconcentratie. Zowel nationaal als internationaal is het aantal onafhankelijke mediabedrijven van enige omvang drastisch teruggelopen. Het verwerven van rechten op 'content' is een belangrijke drijfveer geweest achter de golf van overnames en fusies die het medialandschap de afgelopen jaren drastisch veranderd heeft. Daarbij is 'synergie' telkens het toverwoord; de bedrijfsonderdelen zullen elkaar creatief bevruchten, en elkanders 'content' tot grote bloei brengen, zo klinkt het telkens optimistisch.

Maar in de praktijk komt van die 'synergie' niet veel terecht. Door de rentabiliteitseisen die aan de onderdelen van het mediaconcern worden opgelegd, bestaat er weinig animo de gehele exploitatieketen "in the corporate family" te houden. "Selling movie rights or book rights to the highest bidder is how you make money", concludeert Janine Jaquet. Synergie is "dead".

De bedrijven die na de fusiegolf zijn overgebleven zijn 'global players', zoals Warner Brothers, News Corp., Bertelsmann en Elsevier, die zich van nationale grenzen weinig aantrekken. Schaalvergroting en internationalisering brengen een cultuuromslag teweeg die directe gevolgen heeft voor de wijze waarop de exploitanten met hun auteurs en auteursrechten omgaan. Koesterde de klassieke gentleman-uitgever zijn fonds nog met liefde en soms een vleugje jaloezie, de 'mediamogul' van deze tijd ziet het auteursrechtelijk beschermde werk bij voorkeur als productiemiddel ('asset'), dat als activum op de balans kan worden geplaatst.

Daarbij hebben de normen van het internationale mediabedrijf zich aangepast aan het land dat in deze markt een dominante rol speelt: de Verenigde Staten. Deze 'Amerikanisering' uit zich vooral op het juridische vlak. Mediabedrijven krijgen grote juridische afdelingen met gespecialiseerde auteursrechtjuristen. Het producentgerichte copyrightparadigma wordt normatief. Eenvoudige auteurscontracten krijgen de omvang van kleine telefoonboeken. En de 'buy-out', volgens Nordemann een relikwie uit het tijdperk van de Amerikaanse slavernij, wordt weer regel.

5.3 Multi-media

"The seismic explosion of digitised information systems appears to drive myriad splinters into copyright contracting", zo schreef Cornish in zijn rapport générale voor het ALAI Congres van 1997. Daarmee is niets te veel gezegd. De media-convergentie, die in het analoge tijdperk al was ingezet, wordt door de digitalisering van de productie, distributie en consumptie van informatie in rap tempo voltooid. De klassieke scheidslijnen tussen 'papieren' uitgeverij, fonografische industrie, filmindustrie, omroep en 'nieuwe media' verdampen. Door het wegvallen van een 'natuurlijke' (mediagebonden) taakstelling moet de exploitant zich opnieuw bezinnen op zijn missie. De uitgever, voorheen handelaar in bedrukt papier, is ineens 'informatieproducent' geworden. Waar welke informatie? En hoe die informatie aan de man te brengen?

Het dilemma van de uitgever wordt een ware identiteitscrisis zodra hij beseft dat de typografie-, reproductie- en distributiefuncties die van oudsher tot de kern van het metier behoorden, in een digitale omgeving door eenieder (erger: door de auteurs zelf) kunnen worden vervuld. Het Internet is de ultieme nachtmerrie van de uitgever: niet alleen 'wereldomspannend kopieerapparaat' maar ook gratis, wereldwijd distributiekanaal.

Beroofd van zijn klassieke rol, zijn missie en zijn identiteit kiest de uitgever voor de vlucht vooruit. Hij "contracteert het werk als grondstof voor meerdere producten"; hij verwerft rechten in alle mogelijke media omdat "de uitgever bij het aangaan van het contract ook nog niet weet wat er met het werk allemaal kan gaan gebeuren"(schrijft NUV-jurist Frequin). De uitgever wordt "totaalexploitant" van een rechtenportefeuille – hamsteraar van rechten, auteursrechtspeculant.

Zo zien wij in de uitgeverij de terugkeer van de totale rechtenoverdracht, niet uit noodzaak, niet om de handhaving te vergemakkelijken, niet uit overwegingen van efficiency of rechtszekerheid, maar uit existentiële onzekerheid - omdat de uitgever geen idee heeft wat de toekomst, en zijn fonds in het bijzonder, hem nog zal brengen.

De multimediale uitgever bestaat niet.

5.4 Roep om wettelijke versterking rechtspositie producent

Vanuit het perspectief van de exploitant wijzen alle geschetste factoren in dezelfde richting. Het auteursrecht dient zich (verder) te ontwikkelen tot een recht van industriële eigendom dat bij voorkeur originair bij de onderneming ontstaat. Het auteur-centrische droit d'auteur is een relikwie uit een romantisch verleden; lang leve het entrepreneurial copyright!

Illustratief voor deze visie op het auteursrecht zijn de voorstellen die de Regeringscommissaris voor Boek 9 BW in 1997 heeft openbaargemaakt. De Regeringscommissaris stelt voor om in het kader van een uniforme wettelijke regeling van de vermogensrechtelijke aspecten van de intellectuele eigendom art. 2 lid 2 Aw koudweg af te schaffen. De motivatie is in zijn eenvoud verbijsterend: "Niet valt in te zien dat een auteur en een uitvoerende kunstenaar per definitie zwakker zijn en meer bescherming behoeven dan bijvoorbeeld een uitvinder of een ontwerper." Niet 'per definitie', inderdaad, maar wél in de praktijk. Nederland telt naar schatting enkele tienduizenden zelfstandige auteurs, die voor hun broodwinning van een handjevol mediaondernemingen afhankelijk zijn. Hoeveel 'Willy Wortels' zouden er in Nederland vrij rondlopen? Een stuk of tien?

Met de opmars van de overdracht en de afschaffing van art. 2 lid 2 is de zelfstandige auteur binnenkort weer terug bij af. Hij moge door de schepping van het werk van rechtswege auteursrechthebbende zijn geworden, hij is zijn auteursrecht bij eerste aanraking met de exploitant onmiddellijk weer kwijt.

6. Naar een nieuw evenwicht

De moraal van dit verhaal begint zich af te tekenen: het auteursrecht is alleen in naam nog van de auteurs. De exploitanten zijn er, net als 100 jaar geleden, met het auteursrecht van doorgegaan. Hoog tijd, kortom, om de bordjes weer te verhangen en het auteursrecht terug te bezorgen waar het thuishoort.

Biedt het bestaande wettelijke instrumentarium dan geen soelaas? Ik vrees van niet. De doeloverdrachtregel is in een multimediale omgeving zinledig geworden. Een uitgever hoeft zich maar in het kleed van multimedia-exploitant te hullen, zijn auteur een auteurscontract met ruim geformuleerde rechtenverlening ("voor multimediaal gebruik in de ruimste zin des woords") voor te leggen en presto: de auteur is al zijn rechten kwijt.

Het algemene overeenkomstenrecht misschien? Inderdaad voorziet het BW in een aantal mogelijke remedies: - de "redelijkheid en billijkheid", - de regeling van de algemene voorwaarden, - en de imprévision-regel.

Maar het overeenkomstenrecht schiet in belangrijk opzicht te kort. Het geeft auteurs en uitgevers geen inzicht vooraf in de (on)redelijkheid van een specifieke contractsbepaling.

Waar de auteurs wel mee geholpen zouden zijn, zijn model-contractsbepalingen. Dergelijke regels kunnen op verschillende wijzen gestalte krijgen. Allereerst: door contractuele zelfbediening. Als exploitanten standaardvoorwaarden hanteren, kunnen de auteurs dat natuurlijk ook. Zo beschikken de freelance-journalisten verenigd in de NVJ al sinds 1992 over eigen 'algemene leveringsvoorwaarden'. Het probleem is: geen freelancer die ze durft te gebruiken.

Veel effectiever zijn de modelcontracten die door auteurs en exploitanten gezamenlijk zijn ontwikkeld. Wij hebben gezien dat deze modellen daadwerkelijk 'normatief' zijn, zelfs al zijn ze binnen de branche niet bindend voorgeschreven. Vooral voor de wetenschappelijke auteurs (en de universiteiten) liggen hier kansen. Zoals bekend, zijn de wetenschappelijke uitgevers op het punt van de rechtenverlening notoir inhalig. Het is met het oog op de wetenschappelijke informatievrijheid essentieel dat de auteurs het recht behouden hun publicaties elektronisch te verspreiden, bijv. via web sites of e-print servers. De universiteiten zouden zich daarvoor sterk moeten maken - door het (in samenspraak met de uitgevers) ontwikkelen van modeluitgeefovereenkomsten.

Voor de grote groep auteurs in dienstverband is de CAO uiteraard het aangewezen middel. Die groep is dankzij de 'Flexwet' onlangs aanzienlijk uitgebreid; veel 'vaste freelancers' (vooral in de omroep) hebben ineens werknemerstatus verkregen – en zijn daardoor hun auteursrecht kwijt. Het is aan de bonden dat recht via de CAO weer (geheel of gedeeltelijk) terug te halen. Overigens staat de Wet op de CAO het toe ook 'losverbanders' in een CAO onder te brengen. Zo'n CAO kan zelfs algemeen verbindend worden verklaard.

Mogelijkheden genoeg, kortom, voor de georganiseerde auteur om contractueel of arbeidsrechtelijk van zich af te bijten. Groot probleem blijft echter de lage organisatiegraad; veel auteurs kiezen voor het freelance-bestaan niet uit sociale noodzaak, maar uit overtuiging. De zelfstandige auteur is een Einzelgänger die zich niet in het keurslijf wil laten dwingen van een vaste baan, vaste werktijden en vakbond.

Voor deze categorie auteurs bestaat maar één remedie: wettelijke maatregelen. Hoe zou een wettelijke regeling van het auteurscontract er uit kunnen zien? Van de wetgeving in de ons omringende landen kunnen we leren hoe het wél en hoe het niet moet. Hoe het m.i. niet moet is door gedetailleerde codificatie van branche-specifieke regelingen. Dus géén wettelijke regeling van de uitgeefovereenkomst, het omroepmedewerkerscontract, etcetera. Degelijke regelingen zullen de dynamiek en innovatie in de branche belemmeren, en ongetwijfeld snel door de tijd zijn achterhaald.

Om tóch aan de behoefte aan normatieve 'modellen' tegemoet te komen, zou gegrepen kunnen worden naar het nieuwe middel van de standaardregeling (art. 6:214 BW). De Minister van Justitie benoemt een commissie met leden uit belanghebbende kringen. De door de commissie vastgestelde regelingen worden goedgekeurd door de Kroon, en krijgen daardoor kracht van wet. Voordeel t.o.v. een wet in formele zin is de flexibiliteit; standaardregelingen kunnen gemakkelijk aan de actualiteit worden aangepast. Nadeel is dat een standaardregeling niet van dwingend recht is, maar door het normstellende effect behoeft dat geen onoverkomelijk bezwaar te zijn.

Daarnaast valt veel te zeggen voor de invoering van een aantal media-neutrale wettelijke regels, zoals die in de landen om ons heen te vinden zijn. De volgende regels zouden m.i. in onze wet niet misstaan: - automatische terugval van rechtenverlening (overdracht of licentie) in geval van non-usus binnen 3 jaar na verlening; - een 'bestseller'- bepaling ('succes-beding'); - en wellicht ook: een verbod op overdracht of licentie t.a.v. onbekende exploitatievormen.

Het auteursrecht is er natuurlijk niet alleen voor de auteurs (of voor de exploitanten), het is er voor ons allemaal. Het auteursrecht vervult een veelheid aan maatschappelijke en economische functies: het bevordert de productie van cultuurgoederen, het stimuleert de informatie-economie, het houdt juristen van de straat, enzovoorts. Een van de belangrijkste functies is misschien wel dat het auteurs in staat stelt zelfstandig van hun werk te leven - zonder te hoeven dansen naar het pijpen van een baas, een opdrachtgever, een suikeroom of vadertje staat. Het is belangrijk deze kwetsbare groep in stand te houden - voor de diversiteit van onze cultuur, voor de pluraliteit van het informatieaanbod, als remedie tegen de toenemende mediaconcentratie, voor onze democratie.

Vandaar deze 'oratio pro autore'.

7. Slot

Veertig jaar geleden hield Hirsch Ballin, hoogleraar 'auteurs- en uitgeversrecht' aan deze universiteit, zijn inaugurele rede "over ontaardingsverschijnselen in het recht van de scheppende mens". Ook zijn opvolger (mijn voorganger) Cohen Jehoram heeft zich in zijn talloze publicaties met de relatie tussen auteur en exploitant bezig gehouden. Het doet mij - ook om die reden - veel plezier in hun voetsporen te treden ben, ook al besef ik dat de kans om ooit nog ergens hoogleraar 'uitgeversrecht' te worden na vandaag wel definitief verkeken is.

Tot slot nog een enkel woord tot de auteurs in deze zaal: Auteurs aller landen, ontwaakt, sta op, schep - maar teken niets!

Ik heb gezegd.


Deel: ' Hugenholtz Over auteurs en exploitanten in auteursrecht '




Lees ook