NIBUD Persbericht


P E R S B E R I C H T

13 januari 2000

IEDEREEN KRIJGT IN 2000 EEN PAAR TIENTJES EXTRA IN DE PORTEMONNEE

Vrijwel alle huishoudens zullen er dit jaar ten minste een paar tientjes per maand in koopkracht op vooruit gaan. Aan de inkomstenkant zorgen met name de verwachte gemiddelde loonsverhoging van 3,5 procent, de verlaging van het tarief van de eerste belastingschijf en de verhoging van de kinderbijslag voor een hoger besteedbaar inkomen. De verlaging van de eerste belastingschijf komt vooral de lagere inkomens ten goede. Aan de uitgavenkant zijn het vooral de gestegen ziektekosten en de hogere energieheffingen die dit voordeel weer enigszins teniet doen. Huishoudens met kleine kinderen kunnen er door de verruiming van de belastingaftrek voor kinderopvang aanzienlijk meer op vooruit gaan. Zelfstandigen die met ingang van dit jaar via het ziekenfonds verzekerd zijn, gaan er verhoudingsgewijs het minst op vooruit. De koopkrachtstijgingen zijn redelijk in overeenstemming met wat het Kabinet in de Miljoenennota voor 2000 geschetst heeft. Dit alles blijkt uit koopkrachtberekeningen van het NIBUD voor een aantal voorbeeldhuishoudens.

Het NIBUD wijkt af van onlangs gepubliceerde koopkrachtberekeningen door uit te gaan van gemiddelde cijfers over het hele jaar genomen, zowel aan de inkomsten- als aan de uitgavenkant. Dit is, aldus het instituut de meest eerlijke manier om de koopkracht voor 2000 in beeld te brengen. Het NIBUD sluit daarbij aan bij de koopkrachtopvattingen, zoals bijvoorbeeld ook het CPB die hanteert.

VOORBEELDEN
Onderstaande berekeningen laten zien hoe wijzigingen in de belastingen, premies en heffingen en dergelijke van invloed kunnen zijn op de inkomsten en uitgaven van een aantal voorbeeldhuishoudens. Het zijn nadrukkelijk voorbeeldhuishoudens, waarbij de situatie bewust simpel is gehouden.

VOORBEELD 1. MODAAL GEZIN, MAN, VROUW, 2 KINDEREN
* Er is 1 inkomen van 54.000 gulden bruto per jaar. Het gezin woont in een huurhuis van 800 gulden per maand.

* In 1999 bedroeg het netto inkomen 3290 gulden per maand en was de kinderbijslag 300 gulden per maand. De totale inkomsten in 1999 waren 3590 gulden per maand.

* Na een loonstijging van 3,5% is in 2000 het netto salaris 3385 gulden per maand. De kinderbijslag is gestegen naar 320 gulden per maand. Het besteedbaar inkomen in 2000 is dan 3705 gulden per maand.

* Het gezin heeft dus maandelijks 115 gulden meer te besteden.
* Het leven wordt echter duurder. Ze zullen dus meer kwijt zijn aan het dagelijks levensonderhoud, de huur, de auto etc. Omhoog gaat ook de heffing op gas (voor hen 7 gulden per maand) en elektriciteit (11 gulden per maand) en ook de nominale ziekenfondspremie gaat iets omhoog. Daarentegen hoeft er geen omroepbijdrage meer betaald te worden en worden diensten als de kapper, de schoenmaker, fietsenmaker e.d. goedkoper a.g.v. het lagere btw-tarief. De totale verwachte inflatie bedraagt 2,25%, wat voor dit gezin neerkomt op een stijging aan de uitgavenkant van 80 gulden per maand.

* Per saldo heeft dit modale gezin in 2000 dus maandelijks (115 minus 80 =) 35 gulden meer te besteden. Verhoudingsgewijs is dit een koopkrachtstijging van 1%.

VOORBEELD 2. ALLEENSTAANDE VROUW, NET BOVEN HET MINIMUMLOON
* De vrouw verdient in 1999 31.000 bruto per jaar. Ze leeft in een flat met een huur van 500 gulden.

* Ze krijgt in 1999 aan salaris maandelijks netto 1940 gulden op haar bankrekening gestort.

* Na een loonsverhoging van 3,5% in 2000 krijgt ze gemiddeld genomen iedere maand 2020 gulden aan salaris.

* Dit is dus een stijging van 80 gulden, voor een groot deel te danken aan de tariefsverlaging in de eerste belastingschijf.
* Uiteraard heeft ook deze vrouw het komende jaar te maken met inflatie. De hogere energieheffing op gas kost haar maandelijks ongeveer 4 gulden; voor elektriciteit is ze eveneens 4 gulden duurder uit. Door inflatie zullen haar uitgaven in 2000 maandelijks met zo'n 45 gulden stijgen.

* Per saldo stijgt haar koopkracht met (80 minus 45 =) 35 gulden per maand. Verhoudingsgewijs stijgt haar koopkracht met 1,8%.

VOORBEELD 3. TWEEVERDIENERS MET EEN JONG KIND

* De man werkt full-time en verdient in 1999 bruto 70.000 gulden per jaar. De vrouw werkt drie dagen per week en verdient bruto 30.000 gulden per jaar. Ze hebben samen een kind dat drie dagen per week naar een kinderdagverblijf gaat. Dat kost hun 670 gulden per maand. Geen van beide krijgt hiervoor een bijdrage van de werkgever. Het stel moet de kosten dus helemaal zelf opvangen. Wel hebben ze recht op belastingaftrek voor de kosten van kinderopvang (ze kunnen 1730 gulden per jaar aftrekken). Het gezin woont in een koophuis met een waarde van 300.000 gulden; ze hebben een hypotheek van 250.000 gulden. De man en het kind hebben een particuliere ziektekostenverzekering; zij is verzekerd via het ziekenfonds.

* Zijn inkomen bedraagt in 1999 4400 gulden netto per maand; haar inkomen is 1855 gulden per maand. Verder ontvangen ze op maandbasis 110 gulden kinderbijslag. In totaal is in 1999 het maandelijks besteedbare inkomen 6365 gulden.
* In 2000 krijgen ze beiden een loonsverhoging van 3,5%. Zijn netto maandinkomen is dan 4575 gulden; haar maandinkomen is gestegen naar 1930 gulden. De kinderbijslag is nu 120 gulden op maandbasis. Het totale netto besteedbare gezinsinkomen is nu 6625 gulden per maand.

* Dit is een stijging van 260 gulden per maand. Deze wordt enerzijds veroorzaakt door de algemene belastingverlichting waar iedereen van profiteert, anderzijds profiteren zij van een verruiming van de mogelijkheden voor belastingaftrek voor de kosten van kinderopvang. Ze kunnen nu namelijk 2915 gulden aftrekken.
* Ook dit gezin ontkomt niet aan de inflatie. Het duurdere levensonderhoud, hogere kosten voor kinderopvang en ook weer de hogere heffing op energie (voor hen is dat maandelijks 7 gulden meer voor gas en 9 gulden meer voor elektriciteit). Als gevolg van de inflatie stijgen de uitgaven met 100 gulden per maand. Daar bovenop komt nog een stijging in de kosten voor de particuliere ziektekostenverzekering. De premie stijgt, terwijl de MOOZ en WTZ-bijdragen iets dalen. Al met al pakt de particuliere ziektekostenverzekering maandelijks tien gulden duurder uit. Inflatie en hogere ziektekosten zorgen samen voor een stijging van de uitgaven van 110 gulden per maand.

* Per saldo gaat dit gezin er dit jaar (260 minus 110 =) 150 gulden per maand in koopkracht op vooruit. Verhoudingsgewijs is dit een stijging van 2,4%.

VOORBEELD 4. ECHTPAAR 65+, AOW EN PENSIOEN

* De man en de vrouw in dit voorbeeld ontvangen beiden AOW. Hij krijgt bovendien nog een ouderdomspensioen van bruto 10.000 gulden per jaar. Het echtpaar woont in een huis met een huur van 750 gulden.

* Zijn inkomen in 1999 bedraagt 1740 gulden netto per maand (AOW plus pensioen). Zij krijgt in 1999 maandelijks 1100 gulden aan AOW. Ze hebben nog recht op huursubsidie: een maandelijks bedrag van 65 gulden. In totaal hebben ze een netto besteedbaar inkomen van 2905 gulden per maand.

* In 2000 worden de AOW-uitkeringen verhoogd. Zij ontvangt gemiddeld dit jaar 1135 gulden netto per maand. Hij ontvangt nu in totaal 1805 gulden per maand. (Er is uitgegaan van een indexering van het aanvullend pensioen van 3,5%.) Met de huursubsidie van 65 gulden per maand wordt het totale netto besteedbare inkomen dit jaar 3005 gulden per maand.

* Dit is een stijging van 100 gulden per maand. Deze wordt vooral veroorzaakt door belastingmaatregelen: verlaging van de eerste belastingschijf en een hogere ouderenaftrek.
* De inflatie kost hun 65 gulden per maand, waaronder ook weer de hogere heffing op gas (6 gulden extra per maand) en elektriciteit (7 gulden extra).

* Per saldo heeft het echtpaar een koopkrachtstijging van 35 gulden per maand. Verhoudingsgewijs is dit een stijging van 1,2%.

VOORBEELD 4.A ECHTPAAR MET ALLEEN AOW

* In 1999 ontvangt het echtpaar een AOW-uitkering van 2200 gulden per maand.

* In 2000 ontvangen ze gemiddeld 2270 gulden per maand.
* Dit is een stijging van 70 gulden per maand.
* Door de inflatie stijgen de uitgaven met 50 gulden per maand.
* Per saldo houden ze 20 gulden per maand over. Verhoudingsgewijs is dit een stijging van 0,9%

.

VOORBEELD 5. ZELFSTANDIG ONDERNEMER

* Een zelfstandig ondernemer heeft in 1999 een winst uit onderneming van 75.000 gulden. Hij is particulier verzekerd met een hoog eigen risico. Hij heeft een eigen huis met een waarde van 300.000 gulden en een even zo hoge hypotheek.

* In 1999 is zijn netto inkomen 5100 gulden per maand.
* We gaan ervan uit dat zijn inkomsten in 2000 bruto met 3,5% stijgen. Netto houdt hij hiervan maandelijks 5040 gulden over.
* Dit is een verlies van 60 gulden per maand aan de inkomstenkant. Dit verlies wordt veroorzaakt doordat er nu ziekenfondspremie wordt ingehouden.

* Gelukkig staat daar een meevaller aan de uitgavenkant tegenover. Hij hoeft nu niet meer 150 gulden per maand voor zijn particuliere ziektekostenverzekering (inclusief wettelijke heffingen) te betalen. Ook het eigen risico (omgerekend naar een bedrag van 50 gulden per maand) vervalt. Daarentegen betaalt hij nu maandelijks een nominale ziekenfondspremie van 35 gulden.
* Uiteraard heeft ook de zelfstandig ondernemer met de inflatie rekening te houden. Zijn overige uitgaven stijgen met 70 gulden per maand.

* Per saldo heeft de zelfstandig ondernemer een koopkrachtstijging van 35 gulden per maand. Dit is verhoudingsgewijs een koopkrachtstijging van 0,7%.

VERANTWOORDING BIJ DE VOORBEELDEN

* Er is uitgegaan van een gemiddelde loonstijging van 3,5 procent. Dit kan individueel uiteraard verschillen.

* Er is gerekend met een verwachte inflatie van 2,25 procent. In het inflatiecijfer zijn onder meer opgenomen: stijging van de kosten van levensonderhoud, hogere kosten voor energie, hogere benzinekosten, wegvallen van de omroepbijdrage, lager btw-tarief voor kapper en andere diensten, etc.

* De voorbeelden geven de totale gemiddelde bedragen in 1999 versus de verwachtingen over heel 2000, zowel qua inkomsten als qua uitgaven. Immers in januari heb je niet onmiddellijk met alle wijzigingen voor 2000 te maken.

* De bedragen zijn zoveel mogelijk omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. Fiscale voordelen, vakantiegeld en dergelijke zijn al bij het netto maandbedrag omgerekend. Ook de kinderbijslag, die per kwartaal wordt verstrekt, is omgerekend naar een maandbedrag.
* De bedragen zijn zoveel mogelijk afgerond.
* De hier genoemde huishoudens zijn slechts voorbeelden, waarbij de situatie bijzonder simpel is gehouden. In werkelijkheid gebeurt er natuurlijk veel meer in een huishouden. Promotie, veranderen van baan, (gedeeltelijk) stoppen met werken, gezinsuitbreiding, verhuizing, kinderen naar de middelbare school en dergelijke zijn allemaal gebeurtenissen die in feite veel meer invloed hebben op het besteedbare inkomen van huishoudens.

* Als gevolg van bovenstaande punten zullen consumenten zich nooit volledig in de voorbeelden kunnen herkennen. Ook al niet, omdat loonstijgingen bijvoorbeeld zelden al direct in januari worden toegekend. Meestal gebeurt dit wat later.


Deel: ' Iedereen krijgt in 2000 paar tientjes extra in de knip '




Lees ook