CDA

Nota-overleg 'Flexibele studiefinanciering'

Den Haag, 26 April 1999

Ir. Camiel Eurlings
CDA Tweede Kamerfractie

Inbreng

Algemeen
Het CDA is en blijft tegenstander van prestatiebeurs. Dit met name omdat het opjaagkarakter van deze systematiek de maatschappelijke ontplooiing van studenten sterk in het gedrang brengt. Het is goed dat studenten worden geprikkeld tot prestaties. In de maximum termijn waarop studiefinanciering kan worden genoten, gelijk aan de nominale duur van de studie, is volgens ons echter voldoende drive hiertoe in het systeem ingebouwd.

Als we vanuit deze CDA-filosofie kijken naar de voorliggende nota dan is het zondermeer positief dat de nieuw voorgestelde regeling meer ruimte geeft aan flexibiliteit voor de student en instelling. Ook dat de prestatiebeurs voor een klein deel weer ongedaan wordt gemaakt. Wij hadden echter liever gehad dat er een geheel nieuw stelsel was ontwikkeld in samenhang met een uitgewerkte toekomstvisie op het hoger onderwijs. Dit niet alleen omdat zo wellicht in het geheel had kunnen worden teruggekomen op de prestatiebeurs. Maar ook omdat met een nota die ingebed zou zijn in een lange-termijn visie de daadwerkelijke resultaten van de flexibilisering veel zekerder zouden zijn geweest.

Bij het ontwerpen van zon echt millenium-proof stelsel van studiefinanciering gebaseerd op een onderwijs-toekomstvisie hoort volgens ons een gedegen onderzoek naar de relatie tussen de gemiddelde studieduur en de hoogte van de beurs en prestatiesystematiek. Wellicht hangt de gemiddelde verblijfsduur namelijk ook samen met de omvang van het beursbudget. Het feit dat studenten steeds meer zijn moeten gaan werken kan immers heel goed een langere gemiddelde studieduur tot gevolg hebben. Met een goed onderzoek hiernaar kan een juiste balans worden gevonden. Wij vinden het dan ook jammer dat een verhoging van de basisbeurs in plaats van de in de nota voorgestelde verhoging van het leendeel niet serieus is overwogen. Ook ten aanzien van het afschaffen van de prestatiesystematiek kan genoemde analyse nieuwe inzichten verschaffen. Wij zijn ons ervan bewust dat het terugdraaien van de door het vorige kabinet ingevoerde prestatiebeurs financieel een grote operatie is. Maar een goed beeld van de negatieve effecten van het huidige systeem kan deze discussie in een geheel ander licht plaatsen.

Zoals gezegd vindt het CDA het een goede zaak dat de voorliggende nota de prestatiesystematiek iets afbouwt in plaats van verder uitbouwt en dat de student meer flexibiliteit zal worden geboden. Het baart ons echter zorgen dat de mate waarin er in de praktijk iets terecht zal komen van deze extra flexibiliteit voor een groot deel afhankelijk is van onderwijskundige beslissingen die nog moeten worden genomen.

Zo worden veel beslissingen die van invloed zijn op de praktische uitwerking van de vernieuwde studiefinanciering vooruitgeschoven naar het HOOP 2000. Voorbeelden hiervan zijn de discussies over:

de contractgedachte en onderwijsafspraken tussen student en instelling;

flexibilisering en differentiatie van het onderwijs;

de discussie rond een formeel tussenmoment, bijvoorbeeld kandidaats voor de prestatiebeurs;

Juist dit soort beslissingen zullen van grote invloed zijn voor de praktische waarde van de flexibilisering van de studiefinanciering. Zo is bijvoorbeeld het gemak waarmee een student zich kan inschrijven, daarna tijdelijk uitschrijven en vervolgens weer inschrijven van groot praktisch belang voor de mate waarin de studie echt flexibel kan worden ingevuld. In theorie kan een student nu immers ook al zijn studie tijdelijk onderbreken. De praktijk leert dat juist de rompslomp rond uit- en inschrijven en rond het af- en aanmelden voor de OV-kaart veel studenten er toe aanzet om toch hun studie toch maar niet flexibel in te vullen. Wil het voorgestane flexibel plannen van de studie echt gestalte krijgen, dan zal dus met name het gemak van in- en uitschrijven moeten worden vergroot. Wat blijkt nu uit de voorliggende stukken? De minister geeft in gesprekken met de instellingen aan dat het de instellingen vrij staat om verschillende inschrijvingspaketten aan te bieden waarbij ook voorwaarden voor de beëindiging van de inschrijving kunnen worden geformuleerd. Alhoewel het CDA in principe een voorstander is van het geven van meer ruimte aan instellingen om een eigentijdse verbintenis met de studenten aan te gaan, is het de vraag of de bedoelde flexibele studieplanning niet veel weg krijgt van een papieren tijger als de instellingen het uit- en inschrijven van studenten bijvoorbeeld door het invoeren van contracten gaan bemoeilijken.

Een ander aspect waaruit het probleem van onvoldoende inbedding van de nota in een uitgewerkte onderwijsvisie blijkt is de kwestie rond wettelijk collegegeld en instellingsgeld. Het feit dat nu het idee wordt gelanceerd om tot de leeftijd van 30 jaar alleen wettelijk collegegeld te vragen en daarna instellingsgeld is uit hoofde van flexibilisering een goede zaak. Alhoewel tegenwoordig instellingsgeld en wettelijk collegegeld qua hoogte vaak nauwelijks van elkaar verschillen en dit dus nu geen obstakel voor flexibel studeren zou moeten zijn, kan deze situatie in de toekomst immers snel veranderen. In het recente verleden is bij bezuinigingsmaatregelen immers gesteld dat instellingen via het instellingscollegegeld de mogelijkheid hadden om iets van deze bezuinigingen terug te halen. De vraag rijst dan ook of de voorgestelde maatregel vergezeld gaat met extra geld voor de instellingen? En nog belangrijker voor de daadwerkelijke flexibilisering is de vraag in hoeverre de 30-jaren grens voor wettelijk collegegeld in de praktijk ook zal worden ingevoerd. Wat blijkt immers uit de nota? Invoering van dit idee is allerminst zeker. Er loopt nog een onderzoek op dit punt van de overheid in samenwerking met de instellingen. Sommige universiteiten hebben duidelijk aangegeven dat ze voor het handhaven van instellingsgeld voor studenten vanaf 27 jaar zijn. Ook hier is het de vraag of er met het oog op het uiteindelijke resultaat voor de student geen duidelijkheid had moeten zijn alvorens deze nota was gepresenteerd. Graag een duidelijke reactie van de minister. Staat hij voor het voorstel zoals het in deze nota over wettelijk collegegeld tot 30 jaar is gedaan? Hoe wil de minister trouwens in de praktijk het innen van collegegeld inrichten. Dit gelet op de complexiteit van het innen van het jaarlijks collegegeld, daarna weer terugstorten van een deel bij tijdelijke uitschrijving, vervolgens weer storting bij inschrijving enz?

Ook ten aanzien van één van de uitgangspunten van de nota, te weten het element van de nota waarbij we ons afvragen hoe het past binnen het algemene onderwijsbeleid is de beleidslijn om de prestatiesystematiek te verzachten. Aangezien wij als CDA altijd tegenstander van de prestatiebeurs zijn geweest onderschrijven we dit streven volledig. We vragen ons echter af hoe serieus de minister in dit voornemen is. Immers, tegelijkertijd met het aankondigen van enkele, enigszins verzachtende maatregelen is een wetstraject in werking gezet dat ook de OV-jaarkaart onder het prestatieregime moet gaan brengen. Het CDA is hier tegen en vraagt zich af hoe het op deze manier verder verzwaren van de prestatiesystematiek zich verhoudt met het voornemen in de nota.

Ten aanzien van enkele concrete voorstellen in de Nota Het CDA is voorstander van extra flexibiliteit voor de student in het opnemen van zijn studiebeurs. Dit kan door uit te gaan van een voucher systeem waarbij de student de totale hem ter beschikking staande studiebeurs als een echt trekkingsrecht krijgt aangeboden. In de snelheid van opnemen zou middels een aantal paketten variatie kunnen worden geboden. Dit systeem geeft een student bijvoorbeeld de mogelijkheid om in het eerste jaar van zijn studie een hoger studiebeursbedrag per maand op te nemen dan in een latere fase. Met name deze optie zou veel voordeel kunnen bieden. De comissie die onder de naam Hermans door het leven ging heeft immers geconcludeerd dat met name beginnende studenten de hoogte van de beurs te laag vinden. Dit omdat ze vanwege de onzekerheid en aanpassingsproblemen in het begin van de studie niet erg geneigd zijn veel te gaan lenen of bijwerken. Met ons voorstel zouden deze studenten er bewust voor kunnen kiezen om in het begin van de studie meer beurs te krijgen en in een later deel van de studie meer bij te werken of te lenen. Graag zouden wij van de minister vernemen of hij serieus bereid is de mogelijkheden van zon voucher systeem te onderzoeken.

De leeftijdsgrens voor het verkrijgen van studiefinanciering wordt in de nota gelegd bij 30 jaar. De 10-jaren diplomaperiode kan dit echter overschrijden. Mijn fractie is ingenomen met de verruiming van de termijn waarop het diploma kan worden gehaald. Wij kunnen er ons er best iets bij voorstellen dat het om financiële redenen noodzakelijk is een grens te trekken bij het verstrekken van studiebeurzen. In het kader van een leven lang leren zou het volgens onze fractie echter de voorkeur hebben om studenten die met hun studie te beginnen in elk geval recht te geven op de studiebeursduur die ze tot hun 30ste nominaal kunnen behalen (binnen de geldende maximum termijn). Dit idee zou concreet kunnen worden ingevuld met het al eerder genoemde voucher systeem: een student die op zijn 27ste met studeren begint heeft nominaal nog recht op zon 3 jaar studiefinanciering. Hij zou die net als jongere studenten op een flexibele termijn moeten kunnen inzetten. Wij hebben dit al eerder voorgesteld en zouden graag een duidelijke reactie van de minister krijgen op dit voorstel. Wat de categorie studenten betreft die na hun 30ste met een studie begint, zouden wij graag vernemen hoe de minister de verantwoordelijkheid van de overheid richting werkgevers en instellingen ziet in het scheppen van goede randvoorwaarden voor toegankelijkheid.

Met betrekking tot de voorgestelde leeftijdsgrens wordt in de nota bovendien vermeld dat het overgangsrecht nog moet worden bekeken. Kan de minister inmiddels aangeven wat zijn standpunt ten aanzien van het overgangsrecht is. Kunnen studenten die nu reeds studeren ook van de toegnomen flexibiliteit profiteren?

In de nota wordt voorgesteld om de aanvullende beurs in het eerste jaar hoe dan ook een gift wordt en dus buiten de prestatiesystematiek gaat vallen. Kan de minister aangeven waarom ervoor is gekozen om alleen studenten met een aanvullende beurs voor de prestatiesystematiek te behoeden? Studenten die een basisbeurs met een lening hebben kunnen vaak in een financieel even moeilijke situatie zitten. Hoe staat de minister tegenover het gedurende het eerste jaar onttrekken aan het prestatiesysteem van tenminste een deel van de basisbeurs? Niet alleen profiteren zo veel meer studenten. Ook zou dit een aardige eerste stap zijn naar een volledige afschaffing van de prestatiebeurs. Graag een reactie van de minister.

Een andere in de nota aangekondigde verandering is de verruiming van de norm van het leendeel met 100 gulden. Tegelijkertijd wordt in de nota geconcludeerd dat maar een zeer beperkt deel van de studenten gebruik maakt van de geboden leenvoorzieningen. Immers, van het potentiële leenbedrag van 3.500 miljoen gulden wordt maar 419 miljoen daadwerkelijk opgenomen. De vraag is dan ook gerechtvaardigd of in de perceptie van veel studenten ten aanzien van lenen niet geldt dat het middel erger is dan de kwaal. Aangezien veel studenten gewend zijn te rekenen in tientallen of hooguit honderden guldens zal het aangaan van een studieschuld van vele duizenden guldens hoe dan ook door velen nooit serieus worden overwogen. Kan de minister aangeven welk deel van de studenten van de verruimde leenfaciliteiten zal gaan profiteren? Dit kon nog wel eens minder zijn dan het percentage van de studenten dat nu leent. Een verruimde leenfaciliteit betekent immers nog grotere schulden. Welk extra leenresultaat denkt de minister te bereiken met extra voorlichting aan studenten dit wederom in het licht van de fundamentele afkeer van velen tegen studieschuld. Zou het in dit licht uit onderwijskundig oogpunt niet beter zijn geweest om tot een verhoging van de basisbeurs over te gaan? Dit eventueel in het kader van het eerder genoemde onderzoek naar de optimale balans tussen beursvolume en studietijd? Zijn onze bedenkingen ten aanzien van het reële effect van een vergroting van het leenvolume misschien dezelfde bedenkingen die de minister ertoe hebben gebracht om in het gesprek met LSVB en ISO (17 februari 1999) te stellen dat dit minder hoge prioriteit heeft dan bijvoorbeeld de diplomatermijn en leeftijdsgrens?

Ten aanzien van de leenruimte stelde de minister in het onderhoud met HBO-raad en VSNU (16 februari 1999) dat het nieuwe kredietplafond door de IB-groep nog niet voldoende is doordacht. De minister stelt echter dat dit geen problemen gaat opleveren. Wat bedoelt minister hiermee? De concrete regeling die zal worden geïmplementeerd zal toch hoe dan ook van invloed zijn op de mogelijkheden die studenten hebben?

Wat de IB-groep betreft, is er ooit overwogen om ook aan andere partijen de kans te geven in te schrijven op de door IBG uitgevoerde activiteiten? Kan de minister aangeven of het in het kader van klantenservice voor de studenten mogelijk wordt om te allen tijde inzicht te krijgen in de tegoeden en de opgebouwde schulden? Hoe schat de minister overigens op dit moment de ernst in van de financiële problemen die de IBG groep ondervindt met het herontwerp?

Het CDA is er mee ingenomen dat het peiljaar voor het (belastbaar) inkomen van de ouders van de studerende actueler wordt door de overgang van de regel t-3 naar t-2. Immers, hoe actueler het ijkmoment, des te kleiner de kans op verkeerde beslissingen. Zeer ingenomen zijn we met het feit dat er gekeken zal worden of de gehele groep van ouders die tot het sociale minimum terugvallen sprake kan zijn van een verdere peiljaarverlegging.. Het CDA is hier groot voorstander van. Met name voor deze groep ouders kan een niet actuele peildatum zeer negatieve gevolgen hebben. Kan de minister inmiddels al meer duidelijkheid geven of voor genoemde groep een overgang naar peiljaar t-1 zal worden geëffectueerd. En indien dit kan, is het dan administratief (IBG) werkelijk niet mogelijk om peildatum t-1 voor alle ouders te laten gelden? Er staan ten aanzien van de verlegging van de peildatum nergens financiële consequenties vermeld. Kunnen we hieruit concluderen dat deze maatregel budgettair neutraal verloopt?

Wat de afstudeerregelingen betreft gaat er heel wat veranderen. Over de afstudeerregelingen voor studenten die door bijzondere omstandigheden niet in staat zijn geweest om hun studie binnen de termijnen van de basisbeurs te voltooien heeft de vaste kamercommissie enkele weken geleden een algemeen overleg gevoerd. De CDA-fractie en de minister waren hier beide van mening dat de regelgeving van Ritzen moest worden vereenvoudigd. Dit in de vorm van een combinatie van meer ruimte voor instellingen met daarbij afzekering van bepaalde belangrijke basiszekerheden als een minimum basisniveau, het voorkomen van dubbele causaliteit en het definiëren van maatschappelijke activiteiten. In de nieuwe brief van de minister wordt deze basiszekerheden niet duidelijk gemarkeerd. Nogmaals een pleidooi van ons hiervoor. Graag een onderbouwde reactie van de minister. moeten duidelijk worden gesteld.
Over de afstudeerregeling voor die studenten die door bijzondere omstandigheden niet in staat zijn hun diploma binnen de nieuwe termijn van 10 jaar te halen wordt gesteld dat dit niet meer de verantwoordelijkheid van de instellingen zal zijn. In plaats hiervan kunnen studenten een beroep doen op de hardheidsclausule. Tegelijkertijd stelt de nota dat de mogelijkheid van het gebruiken van de hardheidsclausule nog moet worden onderzocht. Kan de minister meer duidelijkheid geven en in ieder geval garanderen dat er voor bedoelde groep studenten ook in de toekomst een regeling zal zijn?

De nota besteed opvallend veel aandacht aan het punt van verdringing op de arbeidsmarkt. De cijfers zijn helder: er zijn 96000 laaggeschoolde werkeloze jongeren en vrouwen die een fulltime baan zoeken, 83000 zoeken een parttime functie van circa 20 uur. Tegelijkertijd wordt vermeld dat de studenten gemiddeld 11,4 uur per week werken en dat 68& van de studenten met een bijbaan aangeeft dat het werk ook door iemand met een lagere opleiding vervuld zou kunnen worden. In de nota wordt vervolgens de volgende uitspraak over het verdringingsvraagstuk gedaan: Wel zou zonder het aanbod van studenten de werkeloosheid en overige inactiviteit onder lager opgeleiden mogelijk iets lager zijn. De CDA-fractie vraagt zich af wat precies met het woord iets wordt bedoeld en waarop het is gebaseerd. Zou het gelet op de genoemde cijfers niet toch goed zijn om samen met de minister van sociale zaken dit vraagstuk actief op te pakken. Het CDA is het met de minister eens dat het verbieden van het doen van bepaald werk door studenten ongewenst en juridisch onuitvoerbaar is. Maar we constateren tegelijkertijd wel dat er wel degelijk een link is tussen de grote vlucht van het aantal manjaren werk dat door studenten wordt verricht en de afgebrokkelde studiebeursvoorzieningen. Wij zouden graag zien dat de minister van OC&W het aanbod van studiegerelateerd praktijkwerk voor studenten sterk probeert te stimuleren. Dit is niet alleen goed voor de studenten zelf, maar in combinatie met een actieve benadering van lager opgeleide jongeren door sociale zaken zal dit ook voor deze laatste groep veel vruchten kunnen afwerpen. Graag een duidelijke reactie van de minister.

De CDA fractie staat achter het plan om de studiefinanciering voor studenten die in een duaal traject studeren door te laten lopen. Op deze manier wordt immers het opdoen van studiegerelateerde werkervaring gestimuleerd in plaats van ontmoedigd. In de nota wordt vermeld dat er in dit verband een gelijkschakeling plaatsvindt in de beoordeling van inkomsten uit duaal werken en de inkomsten uit gewone bijbanen. Geldt deze gelijkschakeling ook andersom? Met andere woorden: hebben studenten ook tijdens het duaal traject de mogelijkheid hun studiebeurs stil te leggen indien ze aan het duale werk (en evt. andere bijbanen) voldoende verdienen voor hun levensonderhoud? Dit in het kader van in- en uitschrijfregels op instellingsniveau?

Nog enkele kleine punten
Het CDA staat achter het voornemen om studenten die een deel van hun studie in het buitenland gaan doen hun leenrechten te laten behouden. Deze maatregel ondersteunt het opdoen van internationale ervaring hetgeen in het kader van één Europa steeds meer een must in plaats van een luxe zal worden.

Het CDA is geen voorstander van een door sommigen bepleit verlagen van de bijverdienregeling. Niet alleen zou dit indruisen tegen het uitgangspunt van flexibiliteit maar ook zou dit alleen maar kunnen met het gelijktijdig terugdraaien van een aantal bezuinigingsoperaties die in het verleden gelijktijdig met de verruiming van de bijverdienregeling zijn genomen.

Een kostenpost van 14 miljoen gulden vanaf 2007 in verband met ruimere herkansingsmogelijkheden in het eerste jaar wordt niet gedekt en welbewust terzijde gelegd. Past zon rekening voor de toekomstigen wel bij goed rentmeesterschap?

De onderbouwing van de percentages studenten die van de nieuwe mogelijkheid om het diploma later te behalen gebruik zal maken (15% van de populatie in het WO, 5% in het HBO) is erg vaag. Kan de minister hierover meer duidelijkheid geven?

Het CDA is net als de minister tegen een formalisering van de relatie tussen student en ouders. In de nota wordt aangegeven dat er sterk zal worden ingezet op voorlichting richting de ouders om de bijdragen van die kant te vergroten.
Heeft de minister inzicht in hoeverre deze voorlichting zin heeft en in hoeverre ouders vaak niet in staat zijn om hun kinderen zwaarder financieel te ondersteunen?

Slot:
Ter afronding kom ik terug op de kern van mijn inbreng: De CDA fractie vindt het positief dat er in de nota extra flexibiliteit aan de student wordt geboden en dat de prestatiesystematiek iets wordt afgezwakt.
We hadden het echter beter gevonden als fundamenteel was nagedacht over een nieuw systeem ingebed in een toekomstvisie. Niet alleen omdat zo het daadwerkelijk bereiken van extra flexibiliteit voor de student zekerder was geweest. Tevens had op die manier een gerichte start kunnen worden gemaakt met het (op termijn) daadwerkelijk afschaffen van de prestatiebeurs. Ook op het vlak van de flexibilisering voor de student wil de CDA-fractie graag verder gaan dan de voorliggende nota. Wij bepleiten het invoeren van een voucher systeem om de studenten de mogelijkheid te geven om de hoogte van de beurs te variëren over de duur van de studie heen. Wat de leeftijdsgrens van 30 jaar betreft zouden wij graag zien dat studenten de studiebeurs die ze voor hun 30ste nominaal zouden kunnen gebruiken, kunnen opnemen over een termijn van tien jaar, ook als een deel van deze tien jaar na het bereiken van de 30 jarige leeftijd is.

Deel: ' Inbreng CDA bij nota-overleg 'Flexibele studiefinanciering' '




Lees ook