22 juni 1999-06-22 22 juni 1999-06-22

inbreng van oven( pvda ) bij debat over het rapport van de evaluatiecommissie opsporingsmethoden( rapport commissie kalsbeek)

inleiding


1. de evaluatie-commissie opsporingsmethoden ( de commissie- kalsbeek) dient gerespecteerd
voor de enorme hoeveelheid werk die door haar leden en haar staf is verricht ter uitvoering van de
motie schutte. op die manier krijgt de tk een unieke kans om tot een tussentijdse evaluatie te komen van de reorganisatie van justitie en politie op het gebied van de praktische aanwending van opsporingsmethoden. een inhoudelijke tussenstand, een tussentijdse totaalstand los van de concrete wetgevingsvoorstellen die regelmatig te behandelen zijn, los van het totale reorganisatie-o.m.-gebeuren en los van de incidenten op strafrechtelijk en strafvorderlijk gebied die ons nu en dan blijven bezig houden.

het werk van de commissie betekent tevens een saluut van de tk aan de leden van de parlementaire enquete commissie opsporingsmethoden die de tk in de beginstand leverde ( en natuurlijk in de eerste plaats aan haar voorzitter maarten van traa, wiens wegvallen zeker op dagen als deze zo concreet voelbaar is).

de fractie van de p.v.d.a. is de commissie voor haar inspanningen bijzonder erkentelijk.


2. de tweede kamer heeft het zich met het opgestelde tijdschema niet gemakkelijk gemaakt. wij behandelen nu met de commissie het rapport van 231 blz. 12 dagen nadat het is uitgebracht. en 5 dagen nadat de schriftelijke vragen erover zijn beantwoord. uiteraard is daarbij van belang :


* de noodzaak om die aanbevelingen waarvan de uitvoering spoedeisend is snel te behandelen, ook met de regering;

* zo spoedig mogelijk binnen de tk als zodanig het debat te hebben gevoerd. de leden van de commissie kunnen hun arbeid daarmee praktisch als afgerond beschouwen. op basis van de resultaten van de diskussie kunnen wij dan met de regering verder praten, wel - hoop ik - spoedig na het reces.


3. de inhoud van hoofdstuk v - de bijzondere bevindingen - trekt begrijpelijkerwijs de meeste aandacht. wij moeten oppassen dat de rest van het rapport daardoor niet wordt overschaduwd. vandaar dat ik zelf een strakke indeling heb gemaakt v.w.b. enerzijds de aanbevelingen 1 t/m 64 en anderzijds de aanbevelingen 65 en 66 met het daaraan ten grondslag liggende hoofdstuk v, waaraan ik achtereenvolgens aandacht zal geven.


4.voorts is lastig het gegeven dat wij v.w.b. hoofdtuk v deels met operationeel nog relevante gegevens te maken hebben. vandaar de besloten briefing gisteren over hoofdstuk v die welhaast onvermijdelijk was. uit het feit dat daartoe kamerbreed kon worden besloten blijkt wel dat het opsporingsbelang in de nederlandse samenleving kamerbreed wordt ingezien. dat is een verworvenheid van de nederlandse samenleving.

inmiddels is dat gegeven wel een handicap voor de diskussie die wij vandaag voeren. volksvertegenwoordigers verrichten hun werk nu eenmaal zoveel mogelijk in openheid. wij moeten ons dus realiseren dat het ook deze week zal kunnen voorkomen dat wij er vragen gesteld orden die de commissie niet wil beantwoorden. voor een dergelijk antwoord zullen wij begrip hebben.

hoofdstuk 5

5) in dit hoofdstuk schetst de commissie een verontrustend beeld voor wat betreft strafrechtelijke gedragingen die - direct of indirect - verband houden met de bevindingen van de commissie van traa. na de publikatie van het rapport heeft de pvda-fractie laten weten perplex te staan over de bevindingen. sprake zou zijn van:

a) door de commissie van traa niet ontdekte importen van grotere partijen marihuana en cocaíne die tussen 1991 en 1994 parallel aan de door de commissie toen al gewraakte "doorlatingen" in Nederland zijn ingevoerd (parallel-importen). Het kan daarbij gaan om 15.000 kg coke met een straatwaarde van 1,2 miljard. Mogelijk zou dit nu nog gebeuren.

Medewerking van douane en politie zou daarvoor noodzakelijk zijn geweest.

b) Informanten van de politie aan wie in die periode of na afloop van de doorlaattrajecten grote sommen aan beschermingsgeld is gegeven om "af te bouwen". Een aantal van hen was daarentegen zelf verantwoordelijk voor de parallel-importen (dubbel-informanten). Bovendien gingen sommigen van hen door met het plegen van strafbare feiten. De overheid bevindt zich t.o.v. hen in een chantabele positie.

c) Een traject met een groei-infomant is m.b.t. XTC uitgeprobeerd in het kader van export naar Engeland. Daarbij is een chauffeur door een informant gedwongen XTC naar Engeland te vervoeren. De chauffeur is tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld.

d) Er zijn dubieuze afspraken gemaakt met een topcrimineel waarbij de daarvoor geldende procedures niet zijn gevolgd.


6.Gesuggereerd wordt dat tussen deze verschillende verschijnselen een verband zou kunnen bestaan.

Het College van PG's, ministerie van Justitie en leden van het OM waren van dit alles op de hoogte.
Het onderzoek vanuit het OM stuitte op verzet en werd vertraagd. De Commissie beveelt een integraal onderzoek aan onder directe verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie.

Het is een schokkend relaas.

7) Brief van de Minister van 17/6

In deze brief

a) Erkent de Minister het verschijnsel van de parallel-importen voor 1994, zij het dat " over de hardheid van de feiten valt te diskussiëren", welke diskussie de Minister " weinig vruchtbaar" acht, omdat "op dit moment het bewijs in juridische zin ontbreekt". (blz. 4 van de brief). Hij stelt v.w.b. de corruptie dat aanwijzingen daarvoor met name bestaan voor de periode vóór 1994.

b) Meldt hij dat de rol van "een dubbel-informant" strafrechtelijk wordt onderzocht;

c) Gaat hij niet in op de XTC- zaak;

d) Stelt hij dat hier sprake is van een "pre-deal " ( dus de afspraak om een afspraak te maken op basis waarvan de crimineel "op tafel legt" wat hij aan informatie te bieden heeft en wat hij daarvoor kan verwachten) die weliswaar is "geformaliseerd".


8.De Minister erkent dat het onderzoek stroef is verlopen. De voortgang is in 1997 en een groot deel van 1998 gering geweest. Vanaf oktober 1998 is het College van PG's zich er intensiever mee gaan bemoeien (resultaat o.m. de veroordeling van Taartman). Er zitten nu 20 a 30 rechercheurs op de zaak. In oktober 1998 is de Minister ook zelf over de hoofdlijnen van het onderzoek geinformeerd.

Na het aantreden van de Wijckerslooth als super PG ( op 1 april 1999, d.w.z. 4 dagen na het gesprek op 26 maart van de commissie met Korthals zelf) heeft Korthals er bij de nieuwe super PG op aangedrongen de zaak "persoonlijk op te pakken". Er wordt dus aan gewerkt. Inmiddels is besloten tot "een nieuwe structuur" van het onderzoek en een nieuwe "samenstelling van" het onderzoeksteam.

Commentaar

Als vraagpunten blijven nu over :


9. Hoe is het verschil in "hardheid van waardering" van de parallel-importen (vóór 1994) tussen commissie en minister te verklaren. Zelf meen ik - ook op basis van de briefing door de commissie - dat sprake is van harde feiten ( ook voor wat betreft de hoeveelheid) in de zin van :"voor ieder redelijk denkend mens aannemelijk en logisch. "

De Minister (en voorafgaand aan hem in persberichten het College van PG's) denkt echter kennelijk in termen van :"door de strafrechter als feiten vastgesteld " (waar helaas nog geen sprake van is; vgl. antwoord 180) dan wel "zonder enige twijfel leidend tot sluitende bewijsvoering door de strafrechter". Maar wij moeten ons dan wel goed realiseren dat voor de bewijsvoering voor de strafrechter nu eenmaal meer nodig is dan voor het proces van waarheidsvinding sec. Voor het bewijs bij de strafrechter gelden in wet en verdrag vastgelegde - soms ingewikkelde - bewijsrechtelijke regels die het moeilijk maken op voorhand te spreken van "bewijsbaar". Strafvorderlijke minimumregels verduisteren - zeker in een dergelijke zaak - het zicht op de eindstreep. Een minister die in dit soort zaken op dit moment de veroordeling als voor het oprapen zou beschouwen zou als snel van overmoed beticht kunnen worden.

Deelt de commissie deze verklaring voor het vastgestelde verschil in waardering?

9a. onderzoek parallel-importen
In antwoord 178 meldt de commssie dat de parallel-importen op dit moment niet tactisch worden onderzocht. De minister wekt de indruk ( blz. 4 onderaan) dat er wel onderzoek gaande is. (" Lopende onderzoeken zullen hopelijk daarin meer helderheid brengen"). Betekent dat dat het mogelijk is dat er geen tactisch maar wel andersoortig onderzoek naar de parallelimport loopt?

10. Voor wat betreft de parallel-importen ná 1994 en de daarmee gepaard gaande corruptie meent de Commissie dat er aanwijzingen bestaan, terwijl de Minister het heeft over geen duidelijke aanwijzingen of geen concrete aanwijzingen. Wellicht dat dit verschil verklaard moet worden uit het feit dat aanwijzingen tegen bepaalde personen niet bestaan, wat aan de aanwijzingen voor het verschijnsel niet afdoet. Kan dat kloppen?

11.In het rapport van de commissie wordt de term " medewerking van de douane en de politie "
(196 rapport) gebruikt. Nu kan die medewerking in 4 vormen voorkomen.

De medewerking (van in ieder geval douaniers) kan immers gaan om;
* medewerking zonder dat de douane daar weet van heeft ( willoos werktuig)
* medewerking op gezag van hogerhand ( medewerking bij doorlaten)
* medewerking als gevolg van platte corruptie

* medewerking door chantage

Het rapport wekt de indruk dat volgens de commissie sprake moet zijn geweest van bewuste medewerking ( In een aantal gevallen gebruik gemaakt van door de politie opgerichte storefronts. " Een douane-ambtenaar heeft altijd zorg gedragen voor de afdoening van de omzetbelasting en invoerrechten). Maar betekent dat ook telkens sprake is geweest van daadwerkelijk bewuste medewerking?

In de 2e mogelijkheid ( medewerking op gezag van hogerhand) lijkt de commissie ook zelf niet te geloven. Medewerking ten gevolge van chantage wordt niet uitdrukkelijk genoemd.
Klopt het dan dat de commissie zelf eigenlijk alleen de platte corruptie aannemelijk vindt?

Moet dan de uitlating van de Minister ( blz. 4 brief) dat hij niet over concrete aanwijzingen beschikt dat individuele overheidsfunktionarissen ook in het huidige tijdsgewricht betrokken zouden zijn bij invoer of doorvoer van verdovende middelen zo worden verstaan dat die aanwijzingen voor wat betreft de periode vóór 1994 wel bestaan?

En hoe moet antwoord 178 verstaan worden waarin de commissie meldt dat een deel van de corruptieverdenkingen op dit moment niet tactisch wordt onderzocht? Voor wat voor deel geldt dat dan? En wat voor soort onderzoek wordt dan momenteel op dit terrein wel verricht ?

De Commissie acht het onbevredigend dat de corruptie van verschillende ambtenaren niet tactisch is onderzocht. ( antwoord 210). Dat had dus in ieder geval moeten en kunnen gebeuren? In hoeverre schiet het opsporingsapparaat hier tekort?

12. De PVDA fractie realiseert zich dat het rapport van de commissie harde wonden heeft geslagen met name binnen de douane-organisatie. En dat is ook begrijpelijk, omdat een hele organisatie als het ware in opspraak is gekomen. Wij vinden het daarom van belang dat de commissie zo mogelijk iets concreter is in haar uitlatingen. Is een bepaald systeem gevolgd? Tegen hoeveel mensen zouden verdenkingen kunnen bestaan? Enz.

12a.Informanten

De passage over de informanten is schokkend. Het zou gaan om dubbel-informanten die hun criminele activiteiten deels hebben voortgezet. Betekent dit letterlijk dat zij de gelden van hun afbouwregeling hebben aangewend voor het ontplooien van nieuwe strafbare activiteiten?

12b. XTC en chauffeur.
Moet worden geconcludeerd dat de chauffeur is geofferd? Heeft de Commissie werkelijk gaan enkele inspanning van de Nederlandse regering te zijnen behoeve kunnen vaststellen?

13. Voor wat betreft de "pre-deal" is duidelijk sprake van een verschil in waardering. De commissie toont zich geschokt door de overeenkomst die zij onder ogen heeft gehad. Naar wat wij daarvan gehoord hebben is dat goed voorstelbaar. Het is niet niks wanneer aan een topcrimineel praktisch vrijwaring van vrijwel alle door hem gepleegde strafbare feiten zou worden beloofd + de belofte wordt gedaan om een al opgelegde onherroepelijke veroordeling niet meer te hoeven uitzitten ( blz.197,198 rapport).

Maar juist op dit punt verzet de Minister zich in zijn brief in krachtige bewoordingen tegen die bevindingen van de commissie. Er zou geen sprake zijn van toezeggingen aan een getuige in de zin van de van kracht zijnde richtlijn, noch van een toezegging dat strafbare feiten uit het verleden niet vervolgd zullen worden. En ook is geen sprake van een belofte de straf tegen betrokkene niet te executeren.

Dit laatste zou verklaard kunnen worden uit de bestendige praktijk in het Amsterdamse ressort geen straf te exekuteren tegen mensen met een ( op het ogenblik van de definitieve veroordeling in Nederland) lopend vonnis zolang zij in beroep zijn bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Ging het inderdaad om een dergelijk geval? Zo ja, hoe kon de verdachte in vrijheid zijn gesteld?

Hoe waardeert de commissie overigens deze uitlatingen? Natuurlijk kunnen wij hier niet op operationele details ingaan. Maar acht de commissie de redenering van de Minister tenminste denkbaar?

14. De PVDA-fractie heeft hier - net als de commissie - vooralsnog de indruk dat het O.M. te ver is gegaan. Je kunt niet door een deal een pre-deal te noemen de procedure-regels voor de deal ontgaan wanneer uit de pre-deal direct verplichtingen zouden ontstaan, die vergelijkbaar zijn met verplichtingen die normaal gesproken uit een deal zouden voortvloeien, en zelfs een begin van informatie houdt uitvoering van de deal in! Dat toelaten zou betekenen dat het systeem naar believen zou kunnen worden opgerekt. En dat mag - ook in afwachting van een nadere wettelijke regeling - niet kunnen.

15. Niettemin heeft de PVDA-fractie aarzelingen t.a.v. de formulering door de Commissie van de door het O.M. te leveren tegenprestatie (" niet vervolgen voor feiten in het verleden begaan en een hem opgelegde straf niet executeren" blz. 197,198 van het rapport). Is het niet zo dat de commissie eigenlijk alleen de verwachting heeft dat het zo zal gaan, maar dat de juridische zekerheid daarover niet uit de overeenkomst voortvloeit ? Als dat zo is dan is de passage op blz. 197 en 198 bepaald te absoluut geformuleerd. ( En de overige diskussie over dit onderwerp moet uiteraard met de Minister worden gevoerd.)

16. Staatsgeheim. ( vragen 193,223 en 236):Op blz. 195 van het rapport meldt de commissie dat de archieven van het " Fort-team" tot Staatsgeheim zijn verklaard, waarbij als argument een mogelijk beroep op de WOB werd genoemd. Het gevolg hiervan is geweest dat het betreffende materiaal niet gebruikt kon worden, ook niet in een strafrechtelijk onderzoek.

Vragen over het waarom van deze staatsgeheimverklaring verwijst de commissie naar de minister.

Toch blijft hier een vraag over in de richting van de commissie. Heeft de commissie de beslissing tot het tot staatsgeheim verklaren van de Fort-archieven zelf gezien? Zo ja, op welke manier is daarbij als argument gebruikt " een mogelijk beroep op de Wet Openbaarheid van bestuur" ? Wanneer dit laatste het enige of doorslaggevende argument zou zijn zou daarmee immers het paard achter de wagen worden gespannen: de WOB kent verschillende motieven waarom een verzoek tot openbaarmaking kan worden afgewezen, maar daaronder valt uiteraard ( a.h.w. per definitie) niet het argument dat om openbaarmaking gevraagd zou kunnen worden. Wanneer dat zou worden aanvaard verliest de WOB elke zin!

Dus: wat heeft de commissie precies gezien of gehoord? Wat vindt de commissie zelf van de geconstateerde reden de gegevens tot staatsgeheim te verklaren? Is naar het oordeel van de commissie sprake van oneigenlijke besluitvorming? Wie heeft daartoe precies besloten? Wanneer? En op grond van welke informatie?

De PVDA fractie acht dit een hoogst ernstige zaak. De regeling m.b.t. het staatsgeheim is een fragiele, omdat de informatie zelf na het beroep er op normaal gesproken niet getoetst kan worden. Dan behoren de beslissende autoriteiten dus ook wel heel goed op te passen!

Heeft de commissie zich nog beziggehouden met de vraag of op een dergelijke beslissing in theorie en praktijk voldoende controle mogelijk is?

17. Er bestaan nog wat onduidelijkheden over de informatie van de opeenvolgende Ministers van Justitie in de verschillende stadia, d.w.z.:

a)periode tot oktober 1998
b)periode van 6 oktober 1998 (gesprek Korthals met College pg's) tot 26 maart 1999 (gesprek Korthals met Commissie) c)periode na 26 maart 1999

Ad a) Nog niet duidelijk is wat Sorgdrager precies wist in de periode 1997 tot haar aftreden. De antwoorden van de commissie geven daar geen helderheid over. Is de commissie dat precies nagegaan? Oud minister Sorgdrager is immers gehoord door de commisie? Hoe ging zij om met die informatie?

Ad b) V.w.b. Korthals is niet duidelijk wat hij precies hoorde op 6 oktober 1998 . De commissie zegt dat de minister in oktober 1998 "op hoofdlijnen is ingelicht" (vgl. antwoord 209). Zelf zegt hij dat in een onderhoud op 6 oktober " gewag werd gemaakt van de voortgang van het hoofdonderzoek en van de diverse deelonderzoeken ( brief 17/6,blz. 3). Slaat dat volgens de commissie op hetzelfde ogenblik? Hoe, waar en hoe lang is dat gebeurd? En hoe is hij daar mee omgegaan?

Ad c) Daarna is de Minister verder ingelicht op 26 maart 1999. " Van alle bevindingen ", aldus de commissie. " Over een aantal aspecten", aldus de minister (blz.3). Hoe moet de argeloze lezer dit allemaal duiden? Kan de commissie, met het oog hierop, meer helderheid bieden ?.

De Minister meldt vervolgens na diens aantreden met de nieuw benoemde voorzitter van het PG-college contact te hebben gehad. En dat inmiddels besloten is tot een nieue structuur van het onderzoek en de samenstelling van het onderzoeksteam ( blz. 3 brief). Heeft de commissie daar ook nog kennis van kunnen nemen? En hoe beoordeelt zij die nieuwe structuur?

Dat is dus op of kort na 1 april, zo mogen we aannemen. Als dat zo is en als dat bevredigend zou zijn dan is de passage over de beschikbare kennis op blz. 198 van het rapport wel wat verwarrend. Daar zou men immers de suggestie uit kunnen lezen dat er sedert 26 maart al veel meer had kunnen gebeuren. Veel meer aan aktiviteiten die - na 1 april - feitelijk al verricht werden en worden. Is dat ook de bedoeling van de correctie in antwoord 215?

18. Overeenstemming bestaat over de wenselijkheid van intensief onderzoek, d.w.z. zowel snelle uitvoering van de strafrechtelijke onderzoeken die al lopen als overig onderzoek. De Commissie wil een integraal onderzoek en wil dat dat gebeurt onder directe verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie, de Minister heeft het over versnelling van het bestaande onderzoek, een nieuwe structuur en een nieuwe samenstelling van het onderzoeksteam. Hij wil dat het College van PG's het onderzoek verricht onder zijn directe controle en wil de TK dan periodiek informeren. Het is nog maar de vraag of hier van een wezenlijk geschilpunt sprake is.

Voorziet de mededeling van de Minister naar de mening van de Commissie voldoende in datgene
wat de Commissie in haar opmerkingen over integraal onderzoek heeft voorgesteld?

Voorzover het onderzoek mede strafrechtelijk onderzoek betreft zal het onderzoek wel onder directe verantwoordelijkheid van het OM moeten worden gevoerd (waarbij direct toezicht van de Minister uiteraard prima en nodig is). Vanwege de samenhang ligt het dan voor de hand het College het gehele onderzoek te doen uitvoeren. De Minister moet er wel direct op aangesproken kunnen worden. Een bijzondere commissie uit de TK - wellicht leden uit de commissie Kalsbeek, zij hebben immers nu al de achtergrondinformatie - ter controle op het toezicht van de Minister op dit onderzoek ( maar zonder permanente status) lijkt mij goed.

Dit doet niet af aan de noodzaak een duidelijk eindpunt te formuleren. Zowel in verband met de noodzaak tot een duidelijke afronding in de richting van de TK te komen als ook om te vermijden dat de Commissie als het ware maar eeuwig aan het controleren blijft moet afgesproken worden dat op een zeker moment openbare rapportage aan de Kamer wordt overlegd.

De aanbevelingen

Inleiding
De aanbevelingen (en het gehele rapport) gaan over drie thema's, normering, organsatie en gezag. In het kort is de inhoud als volgt:

Normering

Op het gebied van normering is er veel wetgeving tot stand gekomen of staat nog op stapel. In het interregnum zijn vele richtlijnen / conceptrichtlijnen / handleidingen e.d. onmtwikkeld. Het nadeel daarvan is wel dat deze regelingen allen consistent zijn. Bovendien zijn zij niet bij alle betrokkenen bekend. Daardoor bestaat er dus veel onduidelijkheid en onzekerheid voor de praktijk. Dit geldt met name voor de regeling van het doorlaten en het verschil in aanpak van een informant en een infiltrant (ook i.v.m. rechtshulpverzoeken).

De Centrale Toetsings Commissie (CTC) speelt een nuttige rol. De oordelen van de CTC over verschillende opsporingsmethoden (de " jurisprudentie" van de CTC) worden echter niet verder verspreid, zodat betrokkenen er niet optimaal van kunnen profiteren.

Organisatie

De reorganisatie van de politie gaat in de korpsen op een verschillende manier. Er wordt te weinig centraal gestuurd vanuit Ministerie.

De verschillende landelijke diensten die zich met opsporing van georganiseerde criminaliteit bezighouden blijkt een onoverzichtelijke lappendeken te zijn.

Gezag

Over het gezag kan worden opgemerkt dat het OM het gezag heeft hernomen. Dit geldt vooral voor wat betreft de zaaksofficieren tegenover de politie. Wel dient het College van pg's sterker sturing te geven aan het apparaat en dient het zorg te dragen voor duidelijkheid op het gebied van regelgeving.

Het beheer over CID registers moet van korpsbeheerder naar OM.

Standpunt aanbevelingen

((Normering ))

Aanbeveling 3: Om onnodige bureaucratisering van de opsporing te voorkomen acht de commissie het wenselijk om te bezien of met name de bevelen tot verlenging van een opsporingsbevoegdheid kunnen worden verminderd.

Akkoord. Dit dient wel per methode te worden bekeken.

Aanbeveling 6: Aangezien er geen principiele bezwaren verbonden lijken te zijn aan de wijziging van de regeling van de relatieve competentie, stelt de commissie voor een wetswijziging terzake voor te bereiden.

Akkoord. Dit mag echter niet leiden tot forum shopping (enkele superstrafrechtrechtbanken, die om hun (soepele) waardering van opsporingmethoden bekend zouden raken.) Hoe oordeelt de Commissie hierover?

Aanbeveling 7: De commissie beveelt aan nader te bepalen dat de notificatie op een zodanige manier plaats dient te vinden, dat wordt voorkomen dat tactische informatie openbaar moet worden gemaakt.

Uitgaande van de gegeven noodzaak van notificatie is op zich de gedachte aantrekkelijk dat je het zo aanpakt dat geen tactische informatie bloot komt te liggen. Toch zal de nadere bepaling van de notificatie zich moeten beperken tot situaties waarmee een accuut strafrechtelijk belang is gemoeid. (Lopend strafrechtelijk onderzoek.) Zo de nadere bepaling verder gaat dan dreigt de notificatie illusoir te worden. Onderzocht moet worden hoever de jurisprudentie van het Europese Hof reikt.

Aanbeveling 8: Het begrip "stelselmatig" dient ten behoeve van de praktijk van de opsporing eenduidig uitgewerkt te worden.

Het is de vraag of dat niet aan de rechtspraak moet worden overgelaten.

Aanbeveling 9: Onder andere bij bepaalde vormen van observatie blijkt in de praktijk dat zich problemen voordoen met de openbaarmaking van tactische aspecten van de opsporingsmethoden (plaats en techniek van camera's). Nader bezien moet worden in hoeverre van de camerawaarnemingen proces-verbaal kan worden opgemaakt zonder dat de tactische informatie (plaats en techniek) hierdoor wordt prijsgegeven.

Akkoord, zolang maar het opgeschrevene de weerslag vormt van feitelijke registratie.

Aanbeveling 12: Een nadere afbakening van de begrippen informanten en infiltranten is noodzakelijk. De commissie beveelt aan het onderscheid te zoeken in het al dan niet onder regie van politie en justitie plegen van strafbare feiten. Dat betekent dat een infiltrant onder regie van politie en justitie bepaalde strafbare feiten kan plegen. Een informant mag geen strafbare feiten plegen. Uitzondering moet daarbij worden gemaakt voor bepaalde hand- en spandiensten van geringe importantie in relatie tot het delict waarover de informant informatie geeft. De hand- en spandiensten moeten van een informant gevraagd kunnen worden en bij weigering daarvan moet de 'dubbelrol' van de informant onmiddellijk aan het licht treden. Om die reden moeten de strafbare feiten de informant niet worden aangerekend. De toegestane hand- en spandiensten moeten worden omschreven in de overeenkomst met de informant. Dit oordeel van de commissie wijkt af van hetgene in het rapport Van der Beek over deze thematiek is opgemerkt.

De vraag is of hier niet wordt geprobeerd een onderscheid te "redden" (i.v.m. datgene wat in de wet BOB is vastgelegd nl: een infiltrant mag onder voorwaarden strafbare feiten plegen, de informant niet.) dat in de praktijk niet werkt. De Commissie is kennelijk van mening dat ook informanten in de praktijk gedwongen zullen kunnen zijn strafbare feiten te plegen. Hier ben ik het mee eens. Wanneer nu in verband daarmee een uitzondering wordt gemaakt voor zogenaamde hand- en spandiensten van geringe importantie en de invulling van dat begrip wordt aan de rechter overgelaten, waarbij de "geringe importantie" ook nog eens gerelateerd moet worden aan het delict waarover de informant informatie geeft (zie antwoord 293), dan is het toch wel zeer de vraag of hier nog sprake is van een voor de praktijk hanteerbaar criterium. Hierdoor zou de bedoeling van het voorstel wel erg makkelijk kunnen worden ontdoken.

Bovendien is het wel erg veel gevraagd om alle denkbare strafbare feiten tevoren in een overeenkomst vast te leggen. Het zal immers in de praktijk kunnen voorkomen dat de informant het plegen van strafbare feiten " bijwoont" ( in zekere zin is dat ook zijn taak) , die niet in alle openheid verricht worden. Doet hij dan niet mee, dan komt al gauw zijn geloofwaardigheid en dus zijn positie en eventueel ook zijn veiligheid in gevaar. In dat soort situaties kan toch niet gevergd worden dat de informant er a.h.w. snel even zijn informantenovereenkomst bijhaalt om na te zien of wat van hem gevraagd wordt nog geoorloofd is.

En dan helpt de praktijk zichzelf. Al gauw worden dan de hand- en spandiensten gevangen in een algemene formule die alle ruimte laat en daarom nietszeggend is. Rechterlijke invulling op zo'n gebied is dan vanuit een oogpunt van rechtszekerheid al gauw een schijnoplossing.

Het is misschien zuiverder de beoordeling hiervan aan de officier van justitie over te laten. (Het een en ondeelbare O.M. kan dan nog bezien tot wat voor maatstaven men intern kan komen) Zijn beslissing ter zake zou dan door de rechter op grond van het proportionaliteitsbeginsel kunnen worden getoetst.

Aanbeveling 18: Een nadere studie naar de vraag hoe geheimhouders moeten omgaan met criminele informatie acht de commissie noodzakelijk.

Hierover wil ik graag nader met de Commissie spreken. De vraag is waar dit toe moet leiden.

Aanbeveling 19: De commissie is van oordeel dat nadere besluitvorming noodzakelijk is over de reikwijdte van de mogelijke afspraken met criminelen.

Hoofdstuk V geeft ook aanleiding tot deze aanbeveling.

Het is echter de vraag of de criteria die de HR noemt in het arrest Karman niet al voldoende houvast bieden. De Commissie laat kennelijk de mogelijkheid open om te komen tot een ruimere mogelijkheid tot het maken van afspraken met criminelen dan nu is voorzien in het wetsvoorstel "toezeggingen aan getuigen in strafzaken" dat nu in behandeling is bij de Kamer. De discussie over dit onderwerp kan in het kader van de behandeling van dat wetsontwerp worden voortgezet.

Aanbeveling 21: De commissie beveelt aan om op zeer korte termijn aan de praktijk van de opsporing duidelijkheid te verschaffen over de betekenis van het verbod op doorlaten. Ook die leden van de commissie die indertijd tegen het amendement-Kalsbeek c.s. hebben gestemd zijn - onder handhaving van hun destijds ingenomen standpunt inzake het verbod op doorlaten - van mening dat de betekenis van art. 126ff voor de praktijk dient te worden verhelderd. hDaarmee neemt de commissie afstand van het eerder door de Kamer ingenomen standpunt dat geen nadere richtlijn tot stand zou moeten worden gebracht met betrekking tot doorlaten. De commissie geeft de volgende aanwijzingen voor de verduidelijking van artikel 126ff van het wetsvoorstel BOB:

*Volgens artikel 126ff van het wetsvoorstel BOB dient er sprake te zijn van een bevel als omschreven in de titels IVa tot en met V. De informatie die door de politie van een informant wordt verkregen omtrent een op handen zijnd transport (titel Va van het wetsvoorstel BOB) valt hier kennelijk niet onder. De commissie beveelt aan titel Va aan het artikel toe te voegen.
*Volgens artikel 126ff van het wetsvoorstel BOB moet er sprake zijn van het weten van de vindplaats van de betreffende voorwerpen. Naar het oordeel van de commissie betekent weten van de vindplaats van de betreffende voorwerpen dat de politie voldoende aanwijzingen heeft waar en op welk moment zich voorwerpen bevinden waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid en voorts dat inbeslagneming van deze voorwerpen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is.

*Volgens artikel 126ff mag de inbeslagneming in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan. Er dient nadere duidelijkheid te worden gecreëerd omtrent de periode waarin niet tot inbeslagname wordt overgegaan;
*Volgens artikel 126ff kan sprake zijn van een zwaarwegend opsporingsbelang waardoor de verplichting tot inbeslagneming niet geldt. Er kan sprake zijn van een zwaarwegend opsporingsbelang om een bepaalde hoeveelheid van betreffende voorwerpen door te laten om een redelijkerwijs te verwachten grotere hoeveelheid van deze voorwerpen in beslag te kunnen nemen. Naar het oordeel van de commissie is de hoeveelheid van de bedoelde door te laten voorwerpen afhankelijk van de mate waarin de voorwerpen schadelijk zijn voor de volksgezondheid of gevaarlijk zijn voor de veiligheid.
*De veiligheid van politiele infiltranten kan een onderdeel zijn van het zwaarwegend opsporingsbelang;

*Het College van procureurs-generaal dient toestemming te geven voor doorlaten, wat impliceert dat het college door middel van piketdienst vierentwintig uur per dag beschikbaar moet zijn.

Deze aanbeveling is het meest uitgewerkt. In het debat over het rapport van Traa is dit uitgebreid bediscussieerd. De conclusie was toen dat doorlaten niet mag met een heel kleine uitzonderingsmogelijkheid (muizengaatje met name op verzoek van de regering). Tot verontwaardiging van het parlement bleef de kwestie in het wetsontwerp BOB - Bijzondere Opsporings Bevoegdheden - open. Via het amendement Kalsbeek is het toen alsnog in het wetsontwerp BOB vastgelegd. Dit wetsvoorstel is overigens op 25 mei aangenomen in de Eerste Kamer.

Duidelijk is inmiddels dat de praktijk (weliswaar nog niet geconfronteerd met een nieuwe wet maar wel met de uitspraken van de TK n.a.v. het rapport van Traa hierover en ook nog eens het bos in gestuurd met een concept-richtlijn waarover het College van PG's en de Minister het niet eens konden worden) het er moeilijk mee heeft. Dat doet al gauw verleiden tot een rekkelijke interpretatie van het begrip "doorlaten". (Als het immers geen "doorlaten" meer is, dan geldt de regeling niet).

Het antwoord van de commissie hierop is een voorstel tot een nadere richtlijn van het amendement Kalsbeek met het oog op "verheldering " ten behoeve van de opsporingsdiensten. In een gepreciseerde tekst (aanbeveling 21) wordt nader aangegeven in welke zwaarwegende gevallen doorlaten toegelaten zou moeten zijn. Het College van PG's zou hier toestemming voor moeten geven.

Het probleem blijft dat ook de nieuwe tekst van de Commissie weer interpretabele begrippen bevat. Zodat het de vraag is of de beoogde verheldering feitelijk wordt bereikt. Oprekking van de uitzonderingsmogelijkheid ( d.w.z. toch doorlaten) blijft mogelijk.

B) Organisatie

Aanbeveling 23: De commissie beveelt aan deze problematiek nader te bezien, waarbij in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan de navolgende onderwerpen. Een wettelijke basis, breder dan artikel 2 Politiewet, is noodzakelijk voor de informatieverzameling in het kader van de openbare orde. De verschillen tussen het wetsvoorstel BOB en het wetsvoorstel IVD dienen nader te worden bezien. De BVD krijgt namelijk in het wetsvoorstel IVD verdergaande bevoegdheden dan de politie en het OM in het wetsvoorstel BOB. Dit klemt te meer nu bedreiging voor de staatsveiligheid in niet onbelangrijke mate lijkt voort te komen uit ontwikkelingen in de georganiseerde criminaliteit. Ook de relatie tussen de wetgeving met betrekking tot persoonsregistraties en de overige wetgeving die van belang is voor het vergaren van informatie dient beter te worden afgestemd.

Akkoord, dit komt terug bij de behandeling van de wet inlichtingen en veiligheidsdiensten.

C) Gezag

Aanbeveling 34: De rechercheleiding dient zorg te dragen voor meer expliciete taken van de hulpofficier van justitie met betrekking tot de inzet van de bijzondere opsporingsmethoden. De juridische kennis van de hulpofficier als voorportaal voor de officier van justitie is van groot belang. Daarbij moet tevens aandacht worden besteed aan onevenwichtigheden in de wetgeving. Een hulpofficier mag wel een bevel geven tot spoed-huiszoeking, maar mag geen bevel tot stelselmatige observatie geven. Voor dergelijke verschillen moeten goede argumenten zijn. (spoed kan dat onder omstandigheden zijn.)

Niet volstrekt duidelijk is welke expliciete taken de Commissie aan de hulpofficier zou willen geven in het kader van de opsporingsmethoden. De ruimte voor een wettelijke regeling daarvan is ook klein gezien het feit dat in het wetsvoorstel BOB geen rol is weggelegd voor de hulpofficier en de Commissie (kennelijk, zie antwoord 358) geen wetswijziging beoogt.

Internationale samenwerking

Internationale politiële samenwerking is steeds belangrijker geworden bij de aanpak van de georganiseeerde criminaliteit. Ook al zijn wij in Nederland op de goede weg met de regulering van en controle over de opsporingsmethoden, wanneer wij via de internationale samenwerking de grip weer verliezen zijn veel inspanningen tevergeefs. De fractie van de Partij van de Arbeid waardeert het dat de commissie ondanks de beperkte tijd die haar ter beschikking stond ook aan dit aspect aandacht heeft kunnen besteden, maar wij hebben wel de indruk dat de commissie geen volledig beeld heeft kunnen verkrijgen.

De bevindingen van de commissie over de internationale samenwerking op het terrein van bijzondere opsporingsmethoden zijn verontrustend. Maar er resteren nog veel vragen waaraan de commissie geen aandacht heeft besteed. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk geworden hoe de politiële samenwerking in Schengenverband verloopt. In Schengenverband zijn immers afspraken gemaakt over politiële samenwerking.
In oktober 1998 is het Europol verdrag in werking getreden en zijn liaison-officers gestationeerd bij Europol voor uitwisseling van gegevens. In het kader van de goedkeuring van het Europolverdrag is ook gesproken over de positie van liaison-officers. Ten aanzien van deze liason-officers zou toch niet gesproken kunnen worden van het ontbreken van een formeel kader? Het antwoord op vraag 281 dat de verplichtingen ingevolge de SUO en het Europolverdrag ondoorzichtig zijn voor de praktijk van de opsporing en de praktijk deze ervaart als een obstakel voor een goede samenwerking is dan ook zeer verontrustend. Immers als er afsrpaken worden gemaakt worden deze als knellend ervaren.

In het kader van de voorbereiding van de JBZ Raad is in de Kamer ook herhaaldelijk gesproken over de toepassing van opsporingsmethoden. Toen is ons altijd verzekerd dat over het begrip "doorlaten" geen misverstand bestond. In Europees verband betekent het begrip "durchlassen" "gecontroleerd afleveren" Dat staat ook in het verdrag van Wenen. "Het betekent dat je op je eigen grondgebeid een transport door laat gaan, maar wel met de bedoeling om het uiteindelijk in beslag te nemen", aldus de minister van justitie in het Algemeen Overleg d.d. 29 mei 1996 met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie over de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad op 4 en 5 juni 1996 ( 23 490, nr. 50).

Een beoordeling van de internationale samenwerking op het terrein van opsporingsmethoden zonder de ontwikkelingen in het kader van Schengen, de JBZ-raad en Europol daarbij te betrekken geeft een onvoldoende en onvolledig beeld van de stand van zaken van de internationale samenwerking. Het lijkt er op dat het onderzoek van de commissie in dit opzicht onvolledig is geweest. Zie ook het antwoord op vraag 72 waarbij wordt aangegeven dat niet nader onderzocht is onderscheid kan worden gemaakt tussen Schengen- en niet Schengenlanden. Hoe ziet de commissie dit?

De Parlementaire Enquete commissie heeft indertijd al pogingen ondernomen om over de rol van buitenlandse opsporingsdiensten in Nederland meer duidelijkheid te verkrijgen. Tevergeefs want buitenlandse diensten weigerden toen voor de commissie te verschijnen.

Ik wil nu ingaan op de aanbevelingen die zijn gedaan:

Voor een beoordeling van de internationale samenwerking op het terrein van de opsporingsmethoden zal zowel een beter zicht moeten zijn op bestaande afspraken en regelgeving, op welke terreinen verdere afspraken moeten worden gemaakt en op welke wijze de praktijk van de internationale opsporing in beeld kan worden gebracht. Daar is de commissie nog onvoldoende aan toegekomen. Professor Tak doet op dit moment onderzoek naar de praktijk van de ons omringende landen. Wachten wij dit onderzoek af of moet aanvullend en meer uitgebreid onderzoek worden gedaan? Uiteraard zullen wij deze vraag ook voorleggen aan de regering, maar ik verneem ook graag de mening van de commissie hierover.
In ieder geval hebben wij een beter en vollediger beeld nodig om tot uitwerking van de door de commissie gedane aanbevelingen te kunnen komen.

Aanbeveling 46: De commissie beveelt aan formeel te regelen aan welke regels een buitenlandse opsporingsorganisatie moet voldoen als in Nederland opsporingshandelingen worden verricht. Daarbij dienen met bevriende staten afspraken gemaakt te worden omtrent de aan te leveren informatie over deze opsporingshandelingen. Verdergaande controle door de Nederlandse autoriteiten is dan niet noodzakelijk aangenomen dat de verdachte in het buitenland voor de rechter wordt gebracht.

De commisie beveelt aan formeel te regelen aan welke regel een buitenlandse opsporingsorganisatie moet voldoen als in Nederland opsporingshandelingen wordt verricht.
Er is ook al veel geregeld in het kader van het Schengenverdrag, het reeds genoemde verdrag van Wenen, Europol verdrag. Zo is er bijvoorbeeld in Schengenverband een leidraad voor politiële samenwerking tot stand gekomen. In december 1998 is in JBZ verband het Actieplan van de Raad en de Commissie over hoe de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid het best kunnen worden uitgevoerd, gepresenteerd. Dit actieplan bevat bepalingen over de politiële en justitiële samenwerking. Er zal dus eerst geïnventariseerd moeten worden welke internationale afspraken al bestaan, in hoeverre deze aanvulling behoeven, en op welke wijze een land in staat is te controleren dat opsporingsdiensten zich aan de gestelde regels houden.
Zo is het de vraag of, zoals in aanbeveling 46 wordt gesteld, verdergaande controle door de Nederlandse autoriteiten niet noodzakelijk is onder de voorwaarde dat de verdachte in het buitenland voor de rechter wordt gebracht. Ontnemen wij ons dan niet de mogelijkheid om ook achteraf te controleren of buitenlandse opsporingsdiensten zich wel houden aan de gemaakte afspraken?
En willen wij dat Nederlandse opsporingsambtenaren zich in het buitenland houden aan de Nederlandse normen of staan wij toe dat de mogelijk ruimere normen van dat land worden gehanteerd? (Voorbeeld Antilliaanse zaak)

Aanbeveling 47: De commissie beveelt aan op meer structurele wijze voorlichting te geven over de geldende regels in Nederland met betrekking tot opsporingsmethoden in de landen waarmee Nederland regelmatig samenwerkt.

De commissie beveelt aan op meer gestructureerde wijze voorlichting te geven over de geldende regels in Nederland met betrekking tot opsporingsmethoden in de landen waarmee Nederland regelmatig samenwerkt. Akkoord. Deze aanbeveling kan uiteraard pas worden uitgevoerd wanneer aan aanbeveling 46 is voldaan.

Aanbeveling 48: De commissie beveelt aan de al eerder aangegeven noodzaak tot verduidelijking rond doorlaten, gecontroleerde aflevering en criminele burgerinfiltranten ook van toepassing te laten zijn op het omgaan met buitenlandse rechtshulpverzoeken rond doorlaten, gecontroleerde aflevering en criminele burgerinfiltranten.

De positie van de buitenlandse burger-infiltrant is onduidelijk. De commissie stelt daarom voor om ook bij rechtshulpverzoeken de Nederlandse normen rond doorlaten, gecontroleerde aflevering en criminele burgerinfiltranten van toepassing te laten zijn. In hoeverre kan de Centrale Toetsingscommissie hierin een rol spelen?

Aanbeveling 49: De commissie ondersteunt de initiatieven om op korte termijn een uitgewerkt kader voor het optreden van liaison officers te formuleren. Het is ongewenst dat de liaison officers op dit moment zonder formeel kader vergaande opsporingsactiviteiten uitoefenen.

De aanbeveling over het formele kader voor liaison-officers is akkoord. Wel blijft bij ons de vraag of de bezwaren die zijn genoemd ook van toepassing zijn op de liaison-officers die zijn gestationeerd bij Europol. Daar heeft de commissie helaas blijkens haar antwoord op vraag 76 geen aandacht aan kunnen besteden.

Aanbeveling 54: De commissie beveelt aan dat het college van procureurs-generaal op korte termijn voor inwerkingtreding wetsvoorstel BOB nadere beslissingen neemt omtrent de doorwerking van richtlijnen en regels over opsporingsmethoden en de herziening van de procedure tot toewijzing van kernteamonderzoeken. De commissie verwacht van het college een meer actieve houding ten aanzien van de normering en organisatie van de opsporingsmethoden.

Akkoord. Dit is een kernpunt. Het College heeft het er lelijk bij laten zitten. Dit blijkt zowel uit de nog steeds bestaande onduidelijkheid over de toelaatbaarheid van verschillende opsporingsmethoden (men is nog niet verder gekomen dan de hantering van concept-richtlijnen, die (niet door het College zelf) maar door een actieve officier van justitie bijeen zijn gesprokkeld en achter elkaar zijn gezet. Een van de oorzaken dat dit pakket nooit is geformaliseerd is vermoedelijk dat het College en de vorige Minister van Justitie het niet eens konden worden over de inhoud van een concept-richtlijn, nl. die van het doorlaten.

Ook de passieve houding van het College met betrekking tot de afwerking van het Delta-onderzoek (zie hoofdstuk 5) is daarbij van betekenis omdat dat onderzoek nu juist (tenminste mede) de toelaatbaarheid van opsporingsmethoden betreft.

Nu mag wel niet vergeten worden dat het College in 1997 en 1998 een moeilijke tijd heeft doorgemaakt vanwege de affaire Steenhuis, de daarop volgende crisis met Minister Sorgdrager en het daar weer mee verband houdende vertrek van Docters van Leeuwen. Het College heeft daardoor vrij lang onder een waarnemend voorzitter moeten functioneren.

Dat doet aan de verantwoordelijkheid van het College en de centrale rol die het binnen het OM behoort te spelen niet af. De doorwerking van de besluitvorming in het kader van het rapport Van Traa en de afwerking van daarbij en ook in dit rapport gebleken misstanden maken een krachtig optredend College van pg's tot een eerste vereiste.

Met name in het debat met de Minister zal dan ook aan de orde moeten komen de vraag of de bemensing van het College zodanig is dat daarin voldoende vertrouwen gesteld kan worden. Daarvoor zorg dragen is een primaire verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie.

Ik zal in dit kader meteen aanbeveling 61 bespreken, gezien de samenhang.

Aanbeveling 61: De commissie beveelt aan dat het ministerie van Justitie een actievere houding aanneemt ten aanzien van de implementatie met betrekking tot de normering van de bijzondere opsporingsmethoden

Akkoord, zolang niet vaststaat dat het College van pg's zijn taak op het gebied van de implementatie van de normering van bijzondere opsporingsmethoden behoorlijk vervult zal de Minister van Justitie er direct op moeten toezien dat dit gebeurt. Maar dat mag er niet toe leiden dat het Ministerie de taak van het College als het ware overneemt.

Aanbeveling 56: De criteria waaraan de CTC toetst moeten duidelijk gemaakt worden aan politie en officieren van justitie. De jurisprudentie van de CTC dient toegankelijk te worden gemaakt voor alle betrokkenen.

In beginsel moet duidelijkheid voor wat betreft de criteria waaraan bijzondere opsporingsmethoden moeten voldoen (zoals ontwikkeld in de praktijk door de Centrale Toetsingscommissie) worden toegejuicht.

Het kan echter in tactisch opzicht nadelig zijn wanneer daarover in de richting van criminelen al te grote duidelijkheid wordt verschaft. Vandaar dat de Commissie suggereert deze "jurisprudentie op het gebied van de toetsingscriteria" alleen aan betrokkenen bekend te maken. (Daarmee zal dan uitsluitend justitie en politie zijn bedoeld; zie antwoord 177.)

Het is echter zeer de vraag of die beperking haalbaar zou zijn: van in de praktijk gehanteerde opsporingscriteria zal de advocatuur al gauw openbaarmaking vragen, zeker wanneer verwacht mag worden dat de rechter direct of indirect aan die criteria zal gaan toetsen. (Zie bovendien de Wet openbaarheid van bestuur en artikel 99 RO.) Graag de reactie van de Minister hierop.

Kan de Commissie aangeven wie zij precies verstaat onder "alle betrokkenen"?

Aanbeveling 59: De commissie beveelt aan nader onderzoek te (laten) verrichten naar mogelijkheden om een eenmaal door een rechter(-commissaris) gehoorde getuige, niet nogmaals door een rechter te doen horen.

Akkoord. Volgens het EVRM is dit mogelijk. De EVRM rechtspraak bepaalt dat getuigen tenminste eenmaal ter openbare zitting worden gehoord; maar als een getuige in het vooronderzoek is gehoord en de verdediging kreeg de gelegenheid tot kruisverhoor dan is tevens aan de toets voldaan. De Nederlandse wetgeving gaat op dit ogenblik dus verder dan de Europese normen omdat in Nederland oproeping van getuigen bij de rechter-commissaris en ter zitting in eerste instantie en ook nog eens in geval van appel ter zitting van de tweede instantie mogelijk is. Bij een beperking tot een verhoor bij de rechter-commissaris zou wel geregeld moeten worden dat de betrokkene voor dat verhoor wordt beedigd. Daarvoor is wetswijziging nodig.

Aanbeveling 60: De commissie beveelt aan nu daadwerkelijk een wettelijke basis voor de coordinerend rechter-commissaris te formuleren. Daarbij kan tevens een nadere formulering van de taken en bevoegdheden worden opgenomen.

De vraag is of dit werkelijk wettelijk geregeld moet worden nu de functie van coordinerend rechter-commissaris nog niet overal is uitgekristalliseerd, en de praktijk zich kennelijk goed helpt.

65 en 66.

Aanbeveling 65: De commissie is van oordeel dat er een integraal onderzoek, waarbij alle beschikbare informatie wordt betrokken, dient plaats te vinden onder directe verantwoordelijkheid van de minister van Justitie.

Aanbeveling 66: In adequate parlementaire controle moet worden voorzien door middel van een speciale ad hoc commissie uit de vaste commissie voor Justitie, overeenkomstig de door de Werkgroep vervolgonderzoek enquetecommissie opsporingsmethoden aan de vaste commissies voor Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geadviseerde constructie.

Over deze aanbevelingen heb ik onder punt 18 reeds gesproken. In het kort komt het voor de PvdA fractie dus neer op:

*Het strafrechtelijk gedeelte van het onderzoek moet onder verantwoordelijkheid van het OM worden gevoerd.

*Gezien de samenhang ligt het voor de hand het gehele onderzoek te laten uitvoeren door het College van PG's.

*De Minister moet hier direct op kunnen worden aangesproken.
*Een bijzondere commissie uit de TK (leden uit Commissie Kalsbeek) oefenen controle uit over het toezicht van de Minister.

*Een duidelijk eindpunt dient te worden geformuleerd.

Tot slot: overige aandachtspunten


1. Rol van de Commissie

De Commissie had een unieke taak gekregen: te onderzoeken hoe door de TK zelf vastgestelde uitgangspunten hun uitwerking hebben op de praktijk. De commissie heeft zijn nut bewezen. Ten eerste door in een uitgebreid onderzoek vast te stellen dat de operatie tot herstel van de drievoudige crisis (normering, organisatie en gezag) "op spoor" ligt, ten tweede door in een concreet dossier (de afwerking van Fort en Delta) aan te tonen dat te traag en ongecoórdineerd is opgetreden. Dit laatste vergt wellicht nog een natraject van de commissie of enige leden daarvan. Er dient wel een eindpunt te worden gemarkeerd. Dit kan samen vallen met het rapportage van de kant van de Minister van justitie, zodra dit gereed is voor openbaarheid.


2. Rol Tweede Kamer
De TK heeft aan de hand van de voortgangsrapportages in het kader van het groot project Reorganisatie openbaar ministerie van die voortgang een ander beeld gekregen dan het beeld dat de commissie zich heeft gevormd. Het instrument "grote projectenprocedure" is op een reorganisatieproject als hier aan de orde niet toegesneden.

Verder heeft de TK de behandeling van het wetsontwerp BOB (Bijzondere Opsporings Bevoegdheden) onnodig vertraagd en onvoldoende op samenhangende wetsontwerpen (Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten, electronische snelweg en privacy) afgestemd en daardoor de onduidelijkheid over de normen m.b.t. de opsporingsmethoden onnodig vertraagd.

Het is de vraag of aanbeveling 64 (De kamer dient zich bij het plannen van de agendering van wetsvoorstellen beter rekenschap te geven van het belang van een tijdige behandeling)

- eerder een voornemen dus - aan dit gebrek voldoende tegemoet komt.

11

1

Deel: ' Inbreng PvdA bij debat rapport Commissie Kalsbeek '




Lees ook