Partij van de Arbeid



Schriftelijke inbreng met betrekking tot nader verslag DNA-onderzoek in strafzaken
21 maart 2000 PvdA-voorlichting
Schriftelijke inbreng van de fractie van de Partij van de Arbeid t.b.v. nader verslag DNA-onderzoek in strafzaken

Woordvoerder: W. Swildens-Rozendaal

Algemeen

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de Nota n.a.v. het Verslag, de Nota van Wijziging en het Concept-Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. Zij constateren dat niet alleen technische ontwikkelingen ertoe hebben bijgedragen dat DNA-onderzoek zich kan ontwikkelen tot een volwaardig opsporingsmiddel, maar ook maatschappelijke ontwikkelingen, leidend tot een groter maatschappelijk draagvlak voor de toepassing van deze techniek, zoals onder andere tot uitdrukking komt in de door de Kamer aanvaarde motie Nicolai c.s. (26 800 VI, nr. 27). Met het verruimen van de door de regering voorgestelde mogelijkheden tot het verrichten van DNA-onderzoek kunnen deze leden dan ook vooralsnog instemmen, zij het dat zij daarbij een aantal kanttekeningen plaatsen, waarop zij een bevredigende reactie van de regering hopen te ontvangen. Juist waar DNA-onderzoek op grote(re) schaal zal worden toegepast, waarbij enerzijds met het uitbreiden van de bevoegdheid van de officier van justitie het accent veel meer komt te liggen in een vroegere fase van het opsporingsonderzoek - en onderzoek op initiatief van de R.C. tot de uitzonderingen lijkt te gaan behoren -, anderzijds de discussie is geopend DNA-onderzoek ook mogelijk te maken bij veroordeling en in het kader van TBS en zelfs t.a.v. veroordeelden, menen de leden van de PvdA-fractie dat de waarborgen m.b.t. dit onderzoek dienen te worden aangescherpt. Het gaat bij DNA-onderzoek immers om uiterst gevoelige informatie, die de privacy van betrokkenen ten zeerste raakt. Buiten twijfel moet komen te staan dat DNA-onderzoek in strafzaken slechts dient ter identificatie, in de zin van vergelijking van DNA-profielen; de regelgeving zal daarop dusdanig dienen te worden toegesneden, dat gewaarborgd wordt dat (ook evt. toekomstige) mogelijkheden tot het verkrijgen van méér informatie waarvan in het strafrechtelijk kader geen gebruik kan worden gemaakt worden voorkomen. Zij verwijzen hierbij naar de voorstellen die de Registratiekamer ter zake heeft gedaan ter wijziging van het Concept-Besluit. Deze leden onderschrijven de mening van de regering, dat het toepassen van sommige andere dwangmiddelen voor de verdachte wellicht meer ongemak met zich meebrengt dan het afnemen van celmateriaal, maar willen er nogmaals op wijzen dat de aan dit materiaal te ontlenen informatie gedegen (procedurele) waarborgen eist. Dat de regering op meerdere plaatsen in de Nota n.a.v. het Verslag deze vergelijking naar voren brengt, m.n. als argument voor het voorstel de officier van justitie meer bevoegdheden toe te kennen, is op zichzelf begrijpelijk. Dit temeer omdat dit ook onderdeel vormt van het inzichtelijk maken hoe de procedures m.b.t. het afnemen van vingerafdrukken zich verhouden t.o.v. gebruik van DNA-onderzoek in strafzaken; de Kamer had de regering daartoe immers middels genoemde motie uitgenodigd. De leden van de PvdA-fractie onderschrijven het voorstel de officier van justitie de bevoegdheid te geven afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek te bevelen. De leden van de PvdA-fractie onderschrijven tevens het verruimen van de mogelijkheden voor DNA-onderzoek tot alle misdrijven waarop voorlopige hechtenis staat. Met name het pilot-project Inbraken heeft het belang daarvan aangetoond. De daarmee gepaard gaande extra mogelijkheid tot gedwongen afname kan een belangrijke bijdrage leveren aan het opsporen van die misdrijven die, naast gewelds- en zedenmisdrijven, het gevoel van veiligheid van de mensen geweld aandoen.

1. Arrest Hoge Raad

De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van het arrest van H.R. d.d. 29-6-1999, nr.4000 Beschikking. Zij delen de door de regering aan deze uitspraak verbonden conclusie.

Ook zij willen beklemtonen dat, waar het betreft DNA-onderzoek aan celmateriaal dat niet middels afname daarvan, maar via inbeslaggenomen voorwerpen plaatsvindt, de bevoegdheid tot het doen plaatsvinden van dit onderzoek slechts bij de officier van justitie, resp. de R.C. dient te worden verleend.

Het arrest van de H.R. mag dan wel duidelijk maken dat DNA-onderzoek middels inbeslaggenomen voorwerpen ter identificatie van een bekende verdachte ook nu reeds mogelijk is, deze leden delen de mening van de regering dat als regel voorop dient te staan dat DNA-onderzoek ter identificatie van een bekende persoon wordt verricht aan de hand van afgenomen lichaamsmateriaal, omdat dit de beste garantie biedt dat daadwerkelijk een betrouwbaar DNA-profiel van de betrokkene kan worden bepaald. Zij onderschrijven de uitspraak dat de betrokkene er bovendien recht op heeft te weten dat zijn DNA in een strafrechtelijk onderzoek wordt onderzocht. In dit verband vragen zij de regering dan ook nader te motiveren waarom het onderzoeksbelang het zou rechtvaardigen dat het DNA-profiel van een verdachte eerst wordt bepaald aan de hand van celmateriaal dat niet is afgenomen en dat de resultaten van dit onderzoek gedurende enige tijd voor de verdachte geheim worden gehouden.

Het gegeven voorbeeld, n.l. de situatie dat er meerdere verdachten zijn, deed bij hen het vermoeden rijzen dat daarmee wordt gedacht aan een situatie waarin tegen elk van hen wel een redelijk vermoeden van schuld bestaat, maar wellicht geen "ernstige bezwaren"; wordt op deze wijze de eis van "ernstige bezwaren" niet omzeild, bijv. omdat deze pas bevestigd worden door het DNA-onderzoek (via voorwerpen) zelf t.a.v. één verdachte die naar aanleiding van dit onderzoek misschien juist niet langer als verdachte kan worden beschouwd.

Wat verzet zich ertegen om bij elk van de verdachten waartegen "ernstige bezwaren" bestaan DNA-onderzoek te bevelen? Zij vragen of, indien buiten weten van de verdachte DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden en een DNA-profiel is opgesteld, daarmee ook reeds onderzoek mag worden gedaan t.a.v. eerdere, nog niet opgeloste misdrijven, m.a.w. dit profiel vergelijken met de in de databank aanwezige DNA-profielen van sporen van die onopgeloste misdrijven.

De leden van de PvdA-fractie delen de mening van de regering dat DNA-onderzoek van niet-verdachten altijd via afname van celmateriaal dient plaats te vinden.

2. Verlaging van de grens

De leden van de PvdA-fractie delen de mening van de regering dat gedwongen afname van lichaamsmateriaal een ultimum remedium dient te zijn. Gestreefd dient te worden naar vrijwillige medewerking, ook van de verdachte. Verzet deze zich echter dan is dwangafname van bloed of haarwortels, desnoods met behulp van de sterke arm, aan de orde; mede i.v.m. de veiligheid van degene die hier celmateriaal afneemt is afname van wangslijmvlies dan niet geïndiceerd. Deze leden gaan er van uit dat niet tot dwangafname wordt overgegaan indien de mogelijkheid bestaat DNA-onderzoek van celmateriaal middels voorwerpen te doen plaatsvinden. Zij gaan ervan uit dat in dit laatste geval aan de verdachte bekend wordt gemaakt dat dit onderzoek op deze wijze plaatsvindt.

Deze leden onderstrepen het belang van de eis dat de verdachte dient te worden gehoord en zich door een raadsman kan laten bijstaan. Het bevreemdt hun dan ook dat in de toelichting bij de Nota van Wijziging wordt gesteld dat diens komst niet behoeft te worden afgewacht en daarvóór zelfs tot afname kan worden overgegaan. Zij achten dit niet terecht. De beslissing om vrijwillig mee te werken is een belangrijke; dit wordt ook door de regering erkend, zoals ook blijkt uit het Concept Besluit, waarin geregeld is dat de verdachte moet worden gewezen op de consequenties daarvan. De opmerking in de toelichting bevreemdt hen dus te meer omdat op meerdere plaatsen in de nota n.a.v. het verslag wordt gesteld dat i.t.t. andere informatie de "DNA-informatie" nu eenmaal "niet wegloopt". Deze leden stellen dat het recht gehoord te worden in aanwezigheid van een raadsman daadwerkelijk moet kunnen worden geëffectueerd.

De leden van de PvdA-fractie realiseren zich dat een bredere toepassing van DNA-onderzoek in strafzaken een kostenverhoging met zich meebrengt t.a.v. de gehele strafrechtsketen. De uiteenzetting van de regering ter zake illustreert dit overduidelijk.

Zij kunnen zich vinden in het voorstel over de realisatie van e.e.a. bij de voorjaarsnota 2000 meer informatie te verschaffen.

Dat de toename van de mogelijkheden DNA-onderzoek in strafzaken toe te passen noodzaakt tot het stellen van prioriteiten, zeker gedurende de eerste jaren, is niet meer dan logisch. Zij vragen de regering de Kamer daarover op gezette tijden, bijvoorbeeld jaarlijks, ter gelegenheid van de behandeling van de begroting, te informeren.

3. DNA-onderzoek bij veroordeelden en veroordeling

De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van de adviesaanvraag aan de Centrale Raad voor de strafrechttoepassing d.d. 10 december 1999 over het gebruik van DNA-onderzoek buiten het kader van het vooronderzoek. De daaruit naar voren komende opvatting van de regering, zoals ook neergeslagen in de Nota n.a.v. het Verslag, kunnen zij vooralsnog volgen. Ook zij zijn van mening dat de uitkomst van dit advies én het oordeel van nog te raadplegen organen en organisaties aanleiding zal geven tot een fundamentele discussie. Daarop willen ook zij niet vooruit lopen.

1.De motie

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat met de nu voorgestelde uitbreiding van de mogelijkheden voor DNA-onderzoek in strafzaken het verschil met die voor het afnemen van vingerafdrukken inderdaad gering is. Dat de aard van de informatie die aan DNA-onderzoek kan worden ontleend gevoeliger is dan die van vingerafdrukken, rechtvaardigt niet alleen het geven van strikte procedurele waarborgen, maar - zoals zij reeds eerder in dit nader verslag hadden betoogd - noodzaakt daar ook toe. Zij delen de mening van de regering dat het wetsvoorstel spoort met de aangenomen motie Nicolai c.s.

IIMemorie van Toelichting

1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de uiteenzetting m.b.t. de noodzaak in het voorgestelde artikel 195 d Sv. dezelfde voorwaarden te stellen aan het bevel tot het afnemen van bloed als aan het bevel tot het afnemen van wangslijmvlies. Zij onderschrijven de noodzaak daarvan en hadden bij het vragen van een nadere motivering door de regering van de gemaakte keus, nl. het aanpassen van de norm aan de minst ingrijpende handeling, ook zelf niet een "tweesporen-benadering" voor ogen.

Zij vroegen, nu afname van bloed immers nog altijd geïndiceerd kan zijn, waarom bij de redenering dat van "dringende redenen" kon worden afgezien omdat het verzamelen van wangslijmvlies minder ingrijpend is, minder inbreuk op de lichamelijke integriteit met zich meebrengt, geen rekening is gehouden met dat gegeven en de norm niet is afgestemd op die meer ingrijpende handeling. Wat daar ook van zij, de beschouwingen die de regering heeft gewijd aan de - ook in de tekst zelf tot uitdrukking gebrachte - volgorde van afname van celmateriaal én het feit dat bloed d.m.v. een vingerprikje wordt afgenomen, heeft de relevantie van hun vraag inmiddels weggenomen.

De leden van de PvdA-fractie herhalen hun opmerking dat zowel in de definitiebepaling (art. 138 a Sv.) als ook in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, overduidelijk tot uitdrukking dient te worden gebracht dat DNA-onderzoek uitsluitend is gericht op profielvergelijking, waarbij uit het DNA-profiel zelf ook niet meer informatie is te putten dan strikt noodzakelijk voor het vaststellen dat verdachte en delict "aan elkaar gekoppeld" kunnen worden. Hetzelfde geldt t.a.v. onopgeloste misdrijven. M.a.w. buiten kijf moet staan dat geen andere (evt. erfelijke) informatie, hoe interessant wellicht ook voor het opsporingsonderzoek, beschikbaar mag komen.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering nader in te gaan op de vraag wat moet worden verstaan onder "belang van het onderzoek". Omdat gesteld wordt dat, ook indien de verdachte bekent DNA-onderzoek kan worden bevolen, vragen zij of met "onderzoeksbelang" alleen wordt bedoeld het belang van een concreet lopend onderzoek of ook het belang om niet opgeloste misdrijven op te helderen. Daaraan kan worden gedacht indien een verdachte een concreet misdrijf bekent in de hoop daarmee DNA-onderzoek te voorkomen dat hem naar eerdere, onopgeloste misdrijven kan leiden. Deze leden zouden graag vernemen of deze overweging ook bij de regering een rol heeft gespeeld.

De leden van de PvdA-fractie delen de mening van de regering dat het wenselijk is één instituut aan te wijzen, i.c. het NFI, waar celmateriaal wordt opgeslagen en dat tevens de Databank met DNA-profielen beheert. Zij vragen, mede n.a.v. de reactie van de Registratiekamer, nader in te gaan op de toepassing van art. 43 Wbp; kan aan de hand van voorbeelden worden duidelijk gemaakt wanneer hiervan gebruik zal worden gemaakt; van bekendheid met het feit dat gegevens zijn opgeslagen kan ook juist een preventieve werking uitgaan.

De leden van de PvdA-fractie onderschrijven de wenselijkheid om DNA-profielen up-to-date te kunnen houden en deze met nieuwe technologieën evt. opnieuw vast te stellen. Dat celmateriaal daartoe kan worden bewaard komt hen terecht voor. Zij vragen de regering evenwel in te gaan op de opmerkingen van de Registratiekamer, n.l. dat - kortgezegd - de bewaartermijn van celmateriaal niet langer dan strikt noodzakelijk dient te zijn.

Ook vragen zij de regering op de wijzigingen die de Registratiekamer heeft voorgesteld, waar deze betreffen de informatie aan politieambtenaren in te gaan; deze komen de leden van de PvdA-fractie uiterst redelijk voor.

Door de regering is m.b.t. het Ontwerp-Besluit ook advies gevraagd aan een aantal andere met name genoemde organisaties (Nota, blz 27). De leden van de PvdA-fractie vragen welke instanties reeds hebben gereageerd en hoe hun reacties luiden.

2. De betrouwbaarheid van onderzoek van het wangslijmvlies

De leden van de PvdA-fractie willen m.b.t. het afnemen van lichaamsmateriaal het volgende opmerken. Niet-verdachten hebben de keuze tussen het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels. Verdachten hebben die keuze in principe niet; de volgorde wordt in de wet aangegeven. Slechts bij medische bezwaren tegen het wegnemen van wangslijmvlies of bij verzet wordt uitgeweken naar afname van bloed of haarwortels (t.a.v. verdachten kan ook DNA-onderzoek middels voorwerpen plaatsvinden). Voor vrijwillige medewerking is schriftelijke toestemming nodig; voor het laten afnemen door een opsporingsambtenaar een aparte schriftelijk gegeven toestemming. Deze leden hebben toch goed begrepen dat de arts voor alle wijzen van afname de (eind-) verantwoordelijkheid heeft. Zij vragen hoe deze in concreto valt te effectueren, m.n. indien de beoordeling of wangslijmvlies kan worden afgenomen en daartegen geen medische bezwaren bestaan, plaatsvindt door een opsporingsambtenaar; is deze laatste voor die taak uitgerust? Dreigt niet het gevaar dat bij niet-verdachten (massa-onderzoek) minder snel een verpleegkundige wordt ingeschakeld dan bij gedwongen afname, al was het maar omdat men wil voorkomen dat bij die laatste afname de rechtmatigheid van de uitvoeringswijze ter discussie wordt gesteld?

4. Het bewaren en vernietigen van celmateriaal

De PvdA-leden kunnen zich vinden in de door de regering voorgestelde gedifferentieerde termijnen die worden gesteld aan het bewaren van celmateriaal en met het uitgangspunt dat dit materiaal wordt vernietigd indien het DNA-profiel uit de Databank wordt verwijderd.

8. De DNA-registratie

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af hoe in concreto over en weer aan een verzoek tot rechtshulp kan worden voldaan indien de bewaartermijn zo'n uiteenlopend beeld vertoont in de verschillende landen buiten Nederland; bovendien is het de vraag of het vergelijken van DNA-profielen mogelijk blijft indien een ander land deze niet heeft aangepast aan de voorhanden zijnde modernere technieken. Wordt in het kader van de besproken samenwerking in Europa op dit terrein ook voldoende aandacht besteed aan het behoud en de bruikbaarheid van reeds bestaande profielen; ook voor het oplossen van in internationaal verband gepleegde misdrijven kan dit "oude" materiaal immers van belang zijn.

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de beheerder van het instituut voor het correct uitvoeren van zijn beheerstaak in belangrijke mate afhankelijk is van de informatie die hem door het Openbaar Ministerie moet worden verschaft. Zij vragen of inderdaad gegarandeerd kan worden dat de informatie wordt doorgegeven.

Deel: ' Inbreng PvdA nader verslag DNA-onderzoek in strafzaken '




Lees ook