Partij van de Arbeid


Den Haag, 27 januari 2000

Schriftelijke inbreng van de fractie van de Partij van de Arbeid over het Wetsvoorstel inzake verbod op leeftijdsdiscriminatie bij de arbeid (26 880)

 

De leden van de PvdA-fractie hebben verheugd kennis genomen van het Wetsvoorstel inzake verbod op leeftijdsdiscriminatie bij de arbeid (26 880). Dit wetsvoorstel is een aanmerkelijke verbetering ten opzichte van het vorige. Zowel de gewijzigde structuur, systematiek als reikwijdte spreekt ons aan en is in lijn met datgene wat door de PvdA-fractie werd beoogd. De leden van de PvdA-fractie hebben echter nog wel een aantal vragen.

Het kabinet beargumenteert het wetsvoorstel nog steeds grotendeels met het belang van de arbeidsparticipatie van ouderen tegen de achtergrond van de vergrijzing van de samenleving. Neemt het kabinet ook principieel stelling tegen leeftijdsdiscriminatie?

In de Memorie van Toelichting wordt aangegeven dat de verschillende departementen hun eigen wetgeving hebben getoetst. De leden van de PvdA-fractie willen graag weten wat het toetsingskader is geweest, wat de resultaten zijn geweest en of bepalingen met leeftijdsgrenzen die niet kunnen worden gerechtvaardigd inmiddels zijn geschrapt. Is het kabinet voornemens om een nadere inventarisatie te verrichten naar wetgeving die mogelijk discriminerende bepalingen bevat? Is het kabinet van plan de Commissie Gelijke Behandeling bij deze inventarisatie te betrekken?

Het kabinet is voornemens 'onheuse bejegening' vooralsnog buiten de wet te houden omdat het begrip veelomvattend is en omdat het niet juist zou zijn om een onderdeel van de arbeidsvoorwaarden uit het geheel te lichten. Is het kabinet van mening dat opname van onheuse bejegening in een wettelijk verbod op leeftijdsdiscriminatie zou aansluiten bij de (gekozen systematiek in de) ontwerprichtlijnen en het actieprogramma op grond van het nieuwe artikel 13 van het EG-Verdrag, zoals die op 25 november jl. door de Commissie zijn gepresenteerd?

Het wetsvoorstel bepaalt niet dat bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst onderscheid op grond van leeftijd is verboden. Toch lijkt dit een veel voorkomend probleem. De commissie gelijke behandeling heeft daar ook op gewezen. Het kabinet meent dat eerst verder onderzoek nodig is om te voorkomen dat beschermende maatregelen ook teniet zouden worden gedaan. Wanneer is de uitkomst van dit onderzoek te verwachten? Valt hier een parallel te trekken met de beschermende maatregelen die niet onder het discriminatieverbod vallen als het (zwangere) vrouwen betreft? Een dergelijke bepaling is opgenomen in de AWGB. Of doelt het kabinet hier specifiek op regelingen betreffende vervroegd uittreden, pre-pensioneringsverlof of -deeltijd?

Bestaat er nu al een indicatie van de hoeveelheid en soort gevallen waarin 'oudere' werknemers worden ontslagen bijvoorbeeld omdat ze te duur worden? Vallen tijdelijke contracten die beogen het dienstverband met de werknemer te beëindigen indien hij of zij bijvoorbeeld op de leeftijd komt dat het volwassen-minimumloon moet worden betaald, ook onder dit verbod tot leeftijdsdiscriminatie? Wanneer denkt het kabinet overigens een beeld te hebben van de eventuele consequenties van het uitbreiden van het discriminatieverbod naar leeftijd bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst?

Voor de systematiek is aansluiting gezocht bij het systeem van Algemene wet gelijke behandeling. Desondanks valt het de leden van de PvdA-fractie op dat op enkele punten gekozen is voor andere terminologie. Kan het kabinet beargumenteren waarom in voorkomende gevallen hiervoor is gekozen? Het gaat met name om: artikel 1 sub c waar de woorden 'of gedragingen' niet zijn overgenomen uit de AWGB en artikel 2 waar gekozen is voor de term 'vacature' in plaats van 'betrekking'. Wat is de betekenis van 'vacature' en van 'openstaande vacature'?

In de Memorie van Toelichting wordt onder artikel 2 aangegeven dat het begrip arbeidsverhouding dezelfde betekenis heeft als in de Algemene wet gelijke behandeling. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of in de visie van het kabinet het vrije beroep onder de nieuwe wet valt? Het vrije beroep valt wel onder de AWGB (artikel 6).

In de Memorie van Toelichting worden drie voorbeelden genoemd van het geoorloofd stellen van leeftijdsgrenzen bij arbeidsbemiddeling. Kan het kabinet criteria aangeven voor het gebruik van leeftijdsgrenzen bij arbeidsbemiddeling? Als het kabinet arbeidsbemiddeling voor bepaalde leeftijdsgroepen mogelijk wil maken, is het middel van een voorkeursbehandeling dan niet beter geschikt? Is het kabinet van mening dat uitzendbureau's voor 65-plussers wel of niet onder de uitzonderingsbepalingen vallen en daarmee wel of niet verboden zullen worden bij in werking treden van deze wet?

In artikel 3 zijn de uitzonderingen op het verbod van onderscheid opgenomen. De leden van de fractie van de Partij van de Arbeid vragen het kabinet waarom en op grond van welke criteria voor deze uitzonderingen is gekozen. In de Memorie van Toelichting bij artikel 3 wordt gesproken over een 'meer evenwichtige leeftijdsopbouw'. Waaraan dient dit volgens het kabinet getoetst te worden? Wat bedoelt het kabinet met 'werkgelegenheid voor de andere werknemers'?

De leden van de fractie van de PvdA vragen het kabinet om een heldere uitleg van de rechtvaardiging van leeftijdsgrenzen bij een gesloten personeelssysteem.

Tot slot hebben de leden drie meer algemene vragen bij dit wetsvoorstel: Kan het kabinet enig inzicht geven tussen de samenloop van leeftijds- en seksediscriminatie? Wat zal het effect zijn van deze nieuwe wet op de op dit moment geoorloofde voorkeursbehandelingen op grond van leeftijd? Wat is de opvatting van het kabinet op voorkeursbehandeling op grond van leeftijd tegen de achtergrond van dit wetsvoorstel?

Deel: ' Inbreng PvdA over voorstel verbod op leeftijdsdiscriminatie '




Lees ook