Partij van de Arbeid


Den Haag, 20 januari 2000

INBRENG PVDA-FRACTIE T.B.V. HET VERSLAG BIJ HET WETSVOORSTEL STUDIEFINANCIERING 2000 Woordvoerder: Peter Rehwinkel

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet studiefinanciering 2000. De uitbreiding van de leeftijdsgrens tot 30 jaar en de verlenging van de diplomatermijn tot 10 jaar zijn vooruitstrevende voornemens, die de leden van de PvdA-fractie dan ook van harte steunen. Het onderhoud dat aan de oorspronkelijke wet op de studiefinanciering is gepleegd heeft een grote verbetering teweeg gebracht.

De minister geeft in een brief van 9 november jl. (26 397/26 873 nr. 17) aan dat hij in 2000 wil starten met een studentenmonitor, waarbij een representatieve groep studerenden regelmatig wordt ondervraagd over studiefinanciering. De leden van de PvdA-fractie zijn content met dit voorstel en waarderen het streven van de minister om zo goed mogelijk op de hoogte te blijven van de werkelijke situatie waarin studenten zich bevinden. Deze leden vragen zich echter wel af wat er precies wordt bedoeld met het aanbesteden van dit onderzoek; wordt dit openbaar aanbesteed en welke criteria worden bij de aanbesteding gehanteerd? (26 397/26 873 nr. 17)

Wie studiefinanciering heeft aangevraagd, krijgt 10 jaar de tijd om zijn beursmaanden en leenmaanden in te zetten; binnen deze 10 jaar gelden de huidige prestatienormen (21 studiepunten eerste jaar, diploma). Hoe kijkt de minister aan tegen het invoeren van deelcertificaten? Tevens zouden de leden van de PvdA-fractie graag willen weten welke eventuele problemen op de loer liggen doordat het in- en uitschrijven van studiefinanciering straks makkelijk gaat, maar de instellingen deze flexibiliteit (nog) niet verworven hebben? (blz. 3)

(Onderstaande vragen hebben allen betrekking op stuknummer 26873 nr. 3 tenzij anders vermeld)

Een van de belangrijkste doelstellingen van de PvdA-fractie wat betreft studiefinanciering is het uit de wind houden van mensen met een aanvullende beurs. De leden van deze fractie zijn dan ook content met het feit dat de aanvullende beurs nu voor eerstejaars studenten onder het prestatieregime vandaan gehaald wordt. Deze leden willen de minister verder vragen na te gaan op welke manier de gelden die resteren van de besparing (63 miljoen gulden) die optreedt omdat de beurs voor thuiswonende studenten voortaan anders geïndexeerd wordt, ingezet kunnen worden voor de aanvullende beurs. Is het voor deze 63 miljoen gulden bijvoorbeeld mogelijk naast eerstejaars ook tweedejaars studenten met een aanvullende beurs onder de prestatiesystematiek vandaan te halen? (blz. 4)

Aangezien in dit wetsvoorstel de leeftijdsgrens wordt uitgebreid naar 30 jaar, zullen studenten tot hun 30ste het wettelijk collegegeld dienen te betalen. Daarna, en ook voor deeltijdstudenten onder de 30 jaar, zal het instellingstarief van kracht zijn. De leden van de PvdA zijn beducht voor een mogelijke sterke stijging van het collegegeld voor studenten die ouder dan 30 jaar zijn; instellingen zijn hierin immers vrij. Deze leden willen de minister dan ook vragen of hij mogelijkheden ziet het instellingstarief aan een maximum te verbinden. (blz. 4)

In het wetsvoorstel wordt aangegeven dat studenten die leren en werken met elkaar combineren (duale studenten) dezelfde rechten krijgen op studiefinanciering als voltijds studenten. Uitzondering hierop is de duale student HBO-V. De leden van de PvdA-fractie betreuren dit. Ook de HBO-raad en de Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) spreken hierover hun zorg uit. In het antwoord op schriftelijke vragen van de PvdA-fractie geeft de minister aan dat hij zich beroept op afspraken die gemaakt zijn tussen de HBO-raad, de zorgwerkgevers en zijn ambtsvoorganger. De leden van de PvdA-fractie vragen de minister of het mogelijk is om de tafel te gaan zitten met de HBO-raad en de zorgwerkgevers om nieuwe afspraken te maken over de duale opleiding HBO-V, aangezien deze leden het een ongewenste situatie vinden dat één klein segment van de duale studenten uitgezonderd wordt van het recht op volledige studiefinanciering. Tevens vragen deze leden hoeveel het zou kosten om duale studenten HBO-V dezelfde rechten te geven als andere duale studenten. (blz. 4)

Het normbudget voor studenten wordt, conform het regeerakkoord, verhoogd met 100 gulden in het leendeel. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de minister aantoonbaar kan maken dat de koopkracht van de basisbeurs na invoering van het nieuwe belastingplan 2001 op gelijk niveau blijft (dus gecorrigeerd voor bijvoorbeeld de verhoging btw en andere maatregelen die iedereen in Nederland - en dus ook studenten - treffen) en dat eventuele correcties terugvloeien naar de basisbeurs. Tevens vragen deze leden of de minister samen met de minister van Financiën de mogelijkheden zou willen verkennen om, wanneer bij het nemen van collectieve maatregelen (zoals het verstrekken van de Zalmsnip) studenten de dupe worden van het feit dat zij vaak geen zelfstandige woonruimte bezitten, in te kunnen grijpen. (blz. 6)

Studenten kunnen voor studiefinanciering in aanmerking komen bij buitenlandse opleidingen die door de minister aangewezen zijn. Waarom, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, kunnen studenten wel voor studiefinanciering in aanmerking komen, ook aan middelbare beroepsopleidingen, maar niet voor tegemoetkoming in de studiekosten, indien zij de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt hebben? En waarom is het grenslandenbeleid slechts op het niveau van hoger onderwijs ingesteld? Voorts zouden de leden van de PvdA-fractie graag vernemen of de minister voornemens is om, in het kader van toenemende internationalisering, ook op lagere niveaus dan het hoger onderwijs de drempels voor het volgen van een buitenlandse opleiding weg te nemen? (blz. 35)

Is het juist, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat studenten die in het buitenland studeren niet onder de prestatiesystematiek vallen zoals deze in Nederland geldt (dus bij voldoende punten wordt eerste jaar lening omgezet in gift)? Zo ja, waarom worden Nederlandse studenten die in het buitenland studeren niet gelijk behandeld als in Nederland studerenden? (blz. 35)

Waarom, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, geldt bij de verruimde mogelijkheden tot herkansing van het eerste jaar nog steeds als voorwaarde dat de student in het eerste jaar tenminste 10 studiepunten moet hebben behaald? (blz. 7)

De huidige leeftijdsgrens van 27 jaar wordt vervangen door een leeftijdsgrens van 30 jaar. De leden van de PvdA-fractie willen de minister vragen duidelijk aan te geven wat de overgangsregeling wordt voor studenten die voor 1 september 2000 studeren en 27 jaar of ouder (maar niet ouder dan 34 jaar) zijn. (blz. 9)

Zal de zgn. SUS-regeling (ingevoerd voor vluchtelingstudenten die bij aanvang van hun studie gemiddeld 7 jaar ouder zijn dan Nederlandse studenten) worden aangepast nu de nieuwe WSF van kracht gaat, zo vragen de leden van de PvdA-fractie? Zo ja, waarborgt een aangepaste SUS-regeling dat vluchtelingen die voor hun 30e zijn gestart met hun studie, recht op gemengde studiefinanciering hebben voor een periode gelijk aan de cursusduur plus drie jaar leenrecht? (blz. 9)

Wat betreft de afstudeersteun het volgende. De leden van de PvdA-fractie hebben bemerkt dat 'onvoldoende studeerbare opleiding' vervalt als bijzondere omstandigheid, waarvoor afstudeersteun gegeven kan worden (behalve voor tempobeursstudenten). Dit vinden de leden van de PvdA-fractie een ongewenste situatie. Studenten die buiten hun macht om niet het door hun gewenste studieverloop kunnen nastreven vanwege bijvoorbeeld niet goed aansluitende vakken, docenten die te laat tentamens nakijken zodat de aansluiting op het volgende vak mislukt, en dergelijke, kunnen zich nu nergens meer op beroepen. Ook voor studenten met een handicap is de studeerbaarheid van het curriculum van groot belang; zonder deze studeerbaarheidseis zijn er onvoldoende garanties dat de studeerbaarheid voor gehandicapte studenten gewaarborgd wordt. De leden van de PvdA-fractie vragen de minister dan ook om de studeerbaarheidseis opnieuw in te voegen als bijzondere omstandigheid waarvoor afstudeersteun ontvangen kan worden. Tevens zijn deze leden van mening dat de hardheidsclausule niet afgeschaft dient te worden; zij vragen de minister dan ook deze clausule te handhaven. Ten slotte vragen de leden van de PvdA-fractie hoe het staat met het voornemen om afstudeersteun voortaan niet meer onder de inkomstenbelasting te laten vallen. (blz. 10 en 82-83)

Studenten die bestuurslid zijn van een maatschappelijke, politieke of onderwijskundige landelijke organisatie kunnen aanspraak maken op de landelijke afstudeersteun, die voortaan door de IBG verzorgd wordt. De leden van de PvdA-fractie vrezen dat met deze regel de lokale, plaatselijke activiteiten van studenten ondergesneeuwd raken. Heeft de minister met het opstellen van deze regel inderdaad bedoeld dat slechts activiteiten ondernomen door studenten op landelijk niveau recht hebben op afstudeersteun? Zo ja, wat is hier de reden van? De leden van de PvdA-fractie informeren dan ook naar de mogelijkheid van het aanpassen van deze regel, zodat het bestuurslidmaatschap van niet alleen landelijke, maar ook van lokale maatschappelijke, politieke of onderwijskundige organisaties recht geeft op afstudeersteun, indien nodig. (blz. 10 en 82-83)

Om een student beter in staat te stellen zijn studiefinanciering tijdelijk te onderbreken op een zelf te bepalen tijdstip en voor een zelf te bepalen periode is, naast de leeftijdsgrens, ook de koppeling van het collegegeld met de studiefinanciering aangepast. Om een flexibel studiefinancieringssysteem in te voeren, zou het collegegeld niet alleen losgekoppeld moeten worden van de studiefinanciering, maar zou het collegegeld gekoppeld moeten worden aan de daadwerkelijke studietijd, zo denken de leden van de PvdA-fractie. Dit houdt volgens deze leden in dat wanneer een student tussentijds zijn studiefinanciering stop kan zetten, hij ook de gelegenheid moet hebben om zijn collegegeldbetaling op dat moment stop te zetten. Volgens de leden van de PvdA-fractie zou dit mogelijk zijn, wanneer het collegegeld per maand betaald zou worden. Wat zijn hiertoe de mogelijkheden, zo vragen deze leden? (blz. 12)

De leden van de PvdA-fractie constateren tot hun spijt dat motie nr. 11 (kamerstuk 26397) ingediend bij het notaoverleg over de nota Flexibele studiefinanciering over het gedeeltelijk tussentijds kwijtschelden van studieschulden niet wordt uitgevoerd. Ondanks het uitbreiden van de diplomatermijn naar 10 jaar zouden de leden van de PvdA-fractie het op prijs stellen dat onderzocht wordt wat de mogelijkheden zijn voor het creëren van extra tussenmomenten. (blz. 18)

De renteopslag wordt vanaf 2001 afgeschaft om het vervallen van de renteaftrek te compenseren als gevolg van de wijziging in de wet inkomstenbelasting 2001. Wat is de reden dat de rente niet langer aftrekbaar zal zijn, zo vragen de leden van de PvdA-fractie? Zal 20 miljoen gulden structureel voldoende zijn om het gederfde belastingvoordeel te compenseren? Ten slotte vragen deze leden wat de minister zal doen met de groep studenten die tussen wal en schip valt, oftewel die groep die nu al het hoge rentetarief betaalt en na 2001 af zal lossen - wanneer de rente dus niet meer aftrekbaar zal zijn. (blz. 19)

Onlangs heeft de minister van Onderwijs het wetsvoorstel nr. 26 943 mede ondertekend, waarin voorgesteld wordt de persoonsgegevens opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) te koppelen aan de gegevens van de Informatie Beheer Groep. Dit voorstel baart de leden van de PvdA-fractie op dit moment grote zorgen. Deze leden vragen zich dan ook af of de minister op de hoogte is van de uitkomsten van de rapporten 'Kamers en Koppeling' van het onderzoeksbureau Regioplan Stad en Land en 'IBG en GBA, een gevaarlijk koppel' van het wetenschappelijk bureau ASVA/OBAS, waarin aangegeven wordt dat een aanzienlijk percentage van de uitwonende studenten door een eventuele koppeling van de gegevens in de problemen dreigt te komen en waarover de vorige minister van onderwijs zijn zorg ook heeft uitgesproken. De leden van de PvdA-fractie vragen de minister dan ook aan te geven hoe hij denkt te kunnen voorkomen dat veel uitwonende studenten (vooral in de steden Amsterdam, Utrecht en Delft) de huisvestingsproblemen zullen ondervinden die in het rapport aangegeven staan. De leden van de PvdA-fractie vragen of de minister niet van mening is dat een dergelijke koppeling alleen tot stand gebracht mag worden wanneer de huisvestingsproblemen - vooral in de grote steden - voor studenten opgelost zijn. (blz. 26)

Bij het vaststellen van de manier van verzekeren voor studenten (particulier of ziekenfonds) wordt gekeken naar de peildatum van 1 januari. Voor sommige studenten kan dit nadelige gevolgen hebben omdat zij slechts tijdelijk ziekenfondsverzekerd zijn (bijvoorbeeld in het kader van een stage). Zeker in het laatste studiejaar kan de vaststelling van verzekering langduriger gevolgen hebben, bijvoorbeeld wanneer in de loop van het jaar overgegaan wordt op een afstudeerfonds en/of een auditorenfonds. De leden van de PvdA-fractie realiseren zich dat de vaststelling via een peildatum administratief gezien het meest effectief is, maar vragen de minister of het mogelijk zou zijn een uitzonderingsbepaling op te nemen of anderszins probleemgevallen tegemoet te komen. (blz. 37-38)

Waarom, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, wordt er bij gescheiden ouders niet gekeken naar de huidige gezinssituatie van diegene/diegenen die de student onderhoudt/onderhouden? Zou het niet rechtvaardiger zijn, zo vragen deze leden, wanneer de feitelijke situatie wel in ogenschouw genomen zou worden? (blz. 39)

Tevens geeft de minister in deze brief aan dat de voorlichting aan de ouders zal verbeteren. Ook dit streven waarderen de leden van de PvdA-fractie. Graag zouden deze leden echter meer duidelijkheid krijgen over de principiële dilemma's en uitvoeringstechnische bezwaren omtrent het direct informeren van ouders door de IB-Groep. De minister kiest ervoor om de voorlichting van ouders via studenten te laten verlopen. Hiermee zijn de leden van de PvdA-fractie minder gelukkig; de studenten die immers de meeste behoefte hebben aan verbetering van de voorlichting aan ouders hebben vaak geen optimale relatie met hun ouders. Van hen wordt nu verwacht dat zij hun ouders deze voorlichting verstrekken. Daarnaast wordt aangegeven dat gerichte en uitgebreide voorlichting aan alle ouders over het stelsel van studiefinanciering en hun rol daarin de voorkeur geniet. Hoe valt dit te rijmen met het voorlichten van ouders via studenten? De leden van de PvdA-fractie zouden graag onderzocht zien welke fiscale mogelijkheden er zijn om ouderbijdrage te innen. Deze leden zien het fiscaliseren van de ouderbijdrage als een niet al te ingewikkelde oplossing voor een al tientallen jaren bestaand probleem dat ook nu niet opgelost wordt; zeker gezien het feit dat bij weigerachtige ouders de voorwaarden voor het alsnog verstrekken van een aanvullende beurs absoluut te streng zijn. Indien de ouderlijke bijdrage niet gefiscaliseerd zal worden, pleiten de leden van de PvdA-fractie vóór het handhaven van de hardheidsclausule. (blz. 41)

Is het juist, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat wanneer studenten momenteel niet lenen (omdat zij hiervoor kiezen of omdat zij hiervoor niet meer in aanmerking komen) ouders maximaal 10% van het onzuivere inkomen als aftrekpost mogen opvoeren bij hun inkomstenbelasting, waarbij de ondergrens f.800.- is (of 2% van het onzuivere inkomen, indien dit lager is)? Zo ja, betekent dit dan dat hoe hoger het inkomen is, hoe hoger de aftrekpost? Verder vragen de leden van de PvdA-fractie waarom de aftrekpost van ouders van studenten die niet lenen komt te vervallen met de Belastingherziening 2001. (blz. 41)

De bijverdiengrens van 15.000 gulden blijft gehandhaafd. De uitwerking van deze bijverdiengrens heeft echter nogal eens nadelige gevolgen. Zo moet iemand die meer verdiend dan 15.000 gulden over alle maanden van verkregen studiefinanciering dat jaar een boete betalen. Klopt het, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat deze boete gebaseerd is op een onterecht ontvangen studiebeurs én een onterecht ontvangen OV-kaart? Zo ja, is het juist dat zelfs studenten die hun OV-jaarkaart niet ophalen toch de boete over de 'onterecht ontvangen OV-jaarkaart' moeten betalen? Daarnaast lijkt het deze leden niet redelijk dat wanneer (iets) meer dan de bijverdiengrens verdiend wordt, de (volledige) studiefinanciering die over het gehele jaar ontvangen is, terugbetaald dient te worden. Daarom vragen de leden van de PvdA-fractie of het niet mogelijk zou zijn in samenwerking met de studentenorganisaties scenario's te onderzoeken waarbij dergelijke ongelukkige neveneffecten niet optreden. Tevens vragen deze leden of het de minister niet van mening is dat de bijverdienregeling veel eenvoudiger en inzichtelijker zou zijn wanneer inkomsten van de student in de maanden dat hij/zij geen studiefinanciering ontvangt, niet zouden worden meegeteld voor het maximaal bij te verdienen bedrag. Hiertoe zou de beperking van de vrijstellingsperiode (art.3.17 lid 4) opgeheven moeten worden. Ten slotte maken deze leden zich zorgen over het concurrerende effect dat het bijverdienen van studenten vaak heeft op de arbeidsmarkt voor lager opgeleiden. Bijbaantjes van studenten zijn vaak op MBO-niveau, waardoor studenten nogal eens de plek innemen van MBO-afgestudeerden. Deze leden vragen daarom om een inventarisatie van oplossingsmogelijkheden voor dit probleem. (blz. 43)

Momenteel is het niet mogelijk om te studeren wanneer men een algemene bijstandsuitkering ontvangt. Dit zou immers in de hand kunnen werken dat men liever via de bijstandsuitkering studeert dan op de gebruikelijke wijze studiefinanciering aan te vragen. Toch zouden de leden van de PvdA-fractie graag, in het kader van een leven lang leren, onderzocht zien of het mogelijk is mensen met een bijstandsuitkering te laten studeren, hetzij aan het middelbaar (beroeps)onderwijs, hetzij aan het hoger onderwijs. Deze leden zouden de minister dan ook willen vragen een dergelijk onderzoek te initiëren, in samenwerking met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. (26873 nr. 1 blz. 43)

Is het waar, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat de beperking van het leningsdeel in art. 5.2 lid 3 tot 36 maanden een beperking van de leenmogelijkheden teweegbrengt voor studenten die een studie volgen die korter dan 4 jaar duurt? (blz. 50)

Klopt het, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat bij deregulering van de lening (maximaal 1.500 gulden ongeacht budgetopbouw) studenten met éénouder- of partnertoeslag erop achteruit gaan? Zo ja, wat is hier de reden van? (blz. 52)

Wat is de reden, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat ondanks toezeggingen gedaan in overleg met de HBO-raad, in het wetsvoorstel niet een bepaling is opgenomen die studenten die in kortere tijd dan vier jaar afstuderen de mogelijkheid geeft de resterende rechten als onvoorwaardelijke beurs voor een vervolgstudie op te nemen? (blz. 53)

Het komt voor dat studenten tijdens hun studie een handicap/chronische ziekte oplopen waardoor zij door de aard van deze handicap/ziekte niet meer in staat zijn de studie te vervolgen. Zij zullen moeten stoppen met hun studie en zouden kunnen kiezen voor het volgen van een nieuwe studie. Is de minister van mening, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat dergelijke studenten gedurende hun nieuwe studie in aanmerking zouden moeten komen voor de volledige studiefinancieringsrechten? Zo ja, hoe zou dit bewerkstelligd en wettelijk vastgelegd kunnen worden? (blz. 55)

In artikel 5.17 wordt gesproken over bijzondere omstandigheden van tijdelijke en structurele aard. De leden van de PvdA-fractie vragen of de minister hiermee ook functiebeperking en chronische ziekte bedoelt. Indien dit inderdaad het geval is, dan willen de leden van de PvdA-fractie vragen of dit mogelijk expliciet in de wet opgenomen zou kunnen worden. (blz. 58)

Is het juist, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat wanneer een student aangeeft dat zijn studiefinanciering herzien moet worden, dit slechts tot 2 jaar terug kan gelden en dat na twee jaar niet meer teruggekomen mag worden op de rechtens onaantastbare beslissing (terwijl de minister maatregelen kan treffen die tot 5 jaar terug werken)? De leden van de PvdA zijn van mening dat in bepaalde serieuze gevallen die hierdoor buiten hun schuld ernstig in de problemen komen hierop een uitzondering gemaakt zou moeten kunnen worden. Welke mogelijkheden ziet de minister hiertoe, zo vragen deze leden. (blz. 66)

Een apart artikel is geweid aan tempobeursstudenten. Er bestaat veel onduidelijkheid over deze studenten. Het schijnt dat zelfs studenten zelf vaak niet weten waar zij recht op hebben (bijvoorbeeld op 6 jaar studiefinanciering in plaats van 5; wel of niet recht op studiefinanciering na tien jaar; etc.). De leden van de PvdA-fractie zouden het dan ook op prijs stellen als de cohorten die nog onder de tempobeurs vallen, duidelijke voorlichting zullen krijgen over hun rechten op studiefinanciering. (blz.73)

In het wetsvoorstel staat dat het wettelijk collegegeld voortaan voorbehouden is aan 'studenten van de staten van de Europese Unie die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt'. De leden van de PvdA-fractie begrijpen uit deze zinsnede dat niet EU-onderdanen geen recht zullen hebben op het betalen van het wettelijk collegegeld. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe voorkomen kan worden dat vluchtelingen met A- of C-status en recht op studiefinanciering het recht op betalen van wettelijk collegegeld verliezen (vluchtelingen hebben immers in de regel een niet EU-nationaliteit). (blz.81)

De VSNU en de LBS/LOS-HBO hebben in hun reactie op de WSF 2000 kritiek geuit op de wijze waarop de afstudeerregeling ingevuld wordt. Zo geven zij onder andere aan dat het ongewenst is dat universiteiten afstudeersteun dienen te geven als compensatie voor ziekte/persoonlijke omstandigheden, zonder dat hier voorwaarden aan gesteld kunnen worden; zonder dat vaststaat wie gedurende tien jaar bijhoudt met welke bijzondere omstandigheden een student geconfronteerd is geweest en wat precies de bijzondere omstandigheden zijn waardoor een prestatiebeurs omgezet kan worden in gift. De leden van de PvdA-fractie horen graag de reactie van de minister op deze kritiek. (blz. 81-84)

Deel: ' Inbreng PvdA verslag wetsvoorstel studiefinanciering 2000 '




Lees ook