Partij van de Arbeid


Den Haag, 17 november 1999

INBRENG PVDA-FRACTIE M.B.T. WIJZIGING VAN DE MESTSTOFFENWET I.V.M. DE INVOERING VAN EEN STELSEL VAN PLUIMVEERECHTEN (26 473) Woordvoerder: Harm Evert Waalkens

De leden van de PvdA hebben met instemming kennis genomen van het wetsvoorstel. De excessieve groei van de pluimveehouderij in de afgelopen jaren moet worden gestopt. De milieudoelstellingen dreigen namelijk onhaalbaar te worden. De 'uitbreidingslekken' die bestaan (het grondgebonden mestproductierecht en de latente ruimte binnen niet grondgebonden mestproductierecht) moeten worden gedicht. Pluimveerechten vormen hiertoe een adequaat middel. Ze leggen een plafond aan in de productie. Dit plafond is nodig zolang er geen evenwicht is op de mestmarkt en andere instrumenten zoals de milieuvergunning onvoldoende sturingskracht hebben. Gekozen is voor een nieuw instrument, een pluimveerecht. Dit recht wordt niet gemeten in aantallen dieren, zoals bij de varkenshouderij, maar in hoeveelheden fosfaat. Kan de regering nog eens aangeven waarom voor deze oplossing is gekozen en niet voor aantallen dieren? Kan de regering ook aangeven wat de meerwaarde van een nieuw begrip is (pluimveerecht ten opzichte van het mestproductierecht kippen/kalkoenen) als slechts de naam wordt gewijzigd. Waarom is met andere woorden niet gekozen voor een groeistop op het mestproductierecht kippen/kalkoenen, gecorrigeerd naar de werkelijke productie in de referentiejaren? Onduidelijk is of de latente ruimte in het mestproductierecht kippen/kalkoenen is vervallen. Maakt het hierbij nog verschil of het gaat om de latente ruimte binnen het grondgebonden recht en het niet grondgebonden recht? Verwacht de minister nog schadeclaims ten aanzien van het eventueel vervallen van latente ruimtes en hoe schat hij de juridische haalbaarheid van dergelijke claims in?

Een belangrijk punt van zorg is voor de PvdA de Europees-rechtelijke inbedding van dit wetsvoorstel. Terecht stelt de minister dat schadevergoeding voor inkrimping, zoals bij de varkenshouderij, zich niet voordoet, simpelweg omdat er geen inkrimping plaatsvindt. Wel speelt voor de leden van de PvdA de vraag of een economische activiteit door één lidstaat afzonderlijk mag worden beperkt of dat dit strijdig is met het Europees recht. Is milieu hierbij een voldoende voorwaarde, welke rol speelt het feit dat voor pluimvee (en overigens ook voor varkenshouderij) een Europese marktordening bestaat, is de maatregel proportioneel en belemmert zij niet onnodig het handelsverkeer? Deze vragen deden zich ook voor bij de varkenswet (Wet Herstructurering varkenshouderij) en doen zich ook hier weer voor. Zie bijvoorbeeld het artikel van mr. G.J.M. de Jager in Agrarisch Recht nr.2 van februari 1999. Daarom vragen wij de minister het volgende:

- is het wetsvoorstel besproken in de Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER) en zo ja wat was de uitkomst?
- is de minister bereid een oordeel te vragen aan de Europese Commissie over het wetsvoorstel en zo ja, op welke termijn?
- kan de minister nog eens aangeven waarom de introductie van een pluimveerecht het handelsverkeer niet belemmert? Een buitenlandse producent die zich in Nederland wil vestigen, zal immers eerst dure pluimveerechten moeten kopen, terwijl een Nederlandse producent die zich in een andere EU-lid staat wil vestigen dit niet hoeft te doen. Kan men hier nog praten over een milieukundige randvoorwaarde, zoals de minister stelt, of gaat het om een economische belemmering?

Na indiening van dit wetsvoorstel heeft zich nog een belangrijke wijziging in het mestbeleid voorgedaan (Integrale aanpak Mestproblematiek). Welke gevolgen heeft dit voor het voorliggende wetsvoorstel? Met name denken wij hier aan het voorstel de mestproblematiek te reguleren via mestafzetcontracten en de eisen die vanuit de Nitraatrichtlijn gelden. Pluimveerechten worden gebaseerd op de fosfaatproductie. Waarom blijft stikstof daar nog altijd buiten?

Sinds 6 augustus 1998 is verdere groei niet meer mogelijk. Niettemin is de pluimveestapel naderhand nog gegroeid tot over de 100 miljoen stuks heen. Dit roept de volgende vragen op:
- welke omvang heeft de intensieve pluimveehouderij op dit moment?
- welke legale ruimte is er nog voor verdere uitbreiding? Wij denken hier aan de knelgevallenregeling. Over welke productieomvang praten wij dan en in welke sectoren kunnen wij deze uitbreiding verwachten? Is het reëel te veronderstellen dat alle knelgevallen hiermee voldoende aan de orde zijn gekomen of gaan wij dezelfde weg op als bij de varkenswet, waar de knelgevallenregeling tot op bijna de laatste individuele boer werd opgerekt?
- zijn er indicaties voor illegale uitbreiding en zo ja in welke orde van grootte? Hoe vindt de handhaving plaats en kan de minister aangeven in welke mate daadwerkelijke extra fysieke controles zullen plaatsvinden op de bedrijven om deze wet te controleren?
- sluit de keuze voor de referentiejaren aan bij de huidige omvang van de pluimveestapel en zo nee, welke krimp is te verwachten? Hoe wordt deze geëffectueerd?

Bij verhandeling vindt 25% korting op de rechten plaats. Vindt er nog een vergoeding plaats en zo ja tegen welke tarief? Om welke bedragen gaat het dan naar verwachting per jaar? Is de minister bereid om de korting van 25% te verhogen indien zou blijken dat het generieke mestbeleid onvoldoende resultaten boekt, ook al gaat dat dan ten koste van de verhandeling van pluimveerechten en dus de dynamiek in de sector? Waarom wordt er geen grondgebonden deel binnen het pluimveerecht gemaakt, zoals dat wél bij de varkensrechten is gebeurd? De pluimveerechten zijn hierdoor volledig verhandelbaar. Waarom moet de varkenshouderij wél grondgebonden blijven/worden en de pluimveehouderij niet? Heeft dit nog gevolgen voor de waardepaling die in het economisch verkeer kan worden toegekend aan de rechten? Bij grondgebonden rechten kan immers nog worden gesteld dat zij niet vrij verhandelbaar zijn en als het ware onderdeel vormen van de grond. Bij vrije verhandelbaarheid ontstaat ook een economische waarde. Welke gevolgen kan dit hebben voor komende herstructureringsplannen, zoals de Reconstructiewet concentratiegebieden en voor aankopen van pluimveebedrijven door gemeenten en andere overheden?

De administratieve last voor de pluimveehouder zal als gevolg van deze wet toenemen. Kan de minister aangeven om hoeveel extra financiële lasten en extra tijdsbeslag het gaat?

Deel: ' Inbreng Waalkens (Pvda) wijziging meststoffenwet '




Lees ook