VVD

Tekst Jacques Niederer plenaire debat Taakstraffen.

Groep: Tweede-Kamerfractie Datum: 20 januari 2000

Niederer neemt een positief/kritische houding in m.b.t. onderhavig wetsvoorstel. Hij diende een motie in om het mogelijk te maken taakstraffen op te leggen bij verstekzaken.

Voorzitter,

Reeds in haar schriftelijke inbreng heeft de VVD-fractie zich positief kritisch getoond ten opzichte van de "taakstraf". Positief nu wij de toegevoegde waarde onderkennen van de taakstraf als zelfstandige hoofdstraf. De taakstraf is dan ook een volwaardige aanvulling op de reeds bestaande modaliteiten als de vrijheidsstraf en de geldboete.

Kritisch zijn wij wanneer het gaat om het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel voorziet in een aanzienlijke verruiming van de toepassingsmogelijkheden van alternatieve straffen. Zo wordt het aantal taakstrafuren verdubbeld van 240 naar 480 uur en wordt de huidige koppeling van de taakstraf aan de 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf losgelaten. Straks zal het onder meer mogelijk zijn om een taakstraf op te leggen ten aanzien van misdrijven waar een vrijheidsstraf of geldboete op staat.

De spanning in dit wetsvoorstel zit niet zozeer in de juridische vragen maar meer in de maatschappelijk-emotioneel beladen vraag hoe ver je met taakstraffen moet gaan. Is er voldoende maatschappelijk draagvlak voor de taakstraf in het algemeen en de oplegging daarvan bij bepaalde soorten delicten in het bijzonder? Een andere klemmende vraag is of er wel voldoende maatschappelijk inzicht is of taakstraffen ook echt als straf worden ervaren? Wat dit laatste betreft wijs ik op een recent onderzoek van het ministerie van Justitie naar de manier waarop jonge Antilliaanse, Surinaamse, Turkse en Marokkaanse criminelen hun straf ervaren. Hieruit blijkt onder andere, dat deze jonge allochtonen taakstraffen als lichte straffen beschouwen, waarvan zij bepaald niet onder de indruk raken. Deelt de minister de conclusies van de onderzoekers en zo ja, wat betekent dit dan voor het sanctiebeleid richting jonge allochtone criminelen?

In de nota naar aanleiding van het verslag gaat de minister in op het maatschappelijk draagvlak voor de taakstraf. De minister oordeelt dat draagvlak aanwezig. Toch zijn er recente publieksenquetes, waarvan de wetenschappelijke betrouwbaarheid weliswaar ter discussie kan worden gesteld, die duiden op een algemeen scepsis en een tanend draagvlak. Welke waarde hecht de minister aan deze enquetes?

Ook de VVD-fractie heeft in het recente verleden zich in de media steeds kritisch uitgelaten over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de taakstraf voor delicten die een ernstige schending van de rechtsorde betekenen. Zonder volledig te willen zijn, denk ik dan in het bijzonder aan gewelds- en zedendelicten en drank in het verkeer met dodelijke afloop. Plegers van dit soort delicten mogen er niet met een taakstraf vanaf komen, zo is toch de algemene en overigens ook onze opvatting. Is de wetgever wij dus- hiervoor doof, dan wordt eigenrichting in de hand gewerkt. En eigenrichting is verfoeilijk, ook dat is een algemene opvatting.

De VVD heeft haar bezwaren in haar schriftelijke inbreng verwoord. Ik ben blij, dat de minister in de nota naar aanleiding van het verslag deze bezwaren onderkend en onze opvatting deelt dat het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel moet worden ingeperkt. Vraag is dan hoe je die inperking juridisch vormgeeft: leg je die vast in de wet zelf of schrijf je hiervoor een requireerrichtlijn voor het Openbaar Ministerie. De minister heeft voor deze laatste variant gekozen en deze lijkt mij de juiste. Hiermee zeg ik reeds nu, dat ik het amendement van collega Van de Camp niet steun, niet zozeer om zijn inhoud maar omdat ik het wetgevingstechnisch niet fraai vind en het daarnaast een miskenning is van de prudentie van de onafhankelijke rechter wanneer hij komt tot strafoplegging, zowel de keuze van de strafsoort als die van de strafmaat. Ik kom hierop nog terug.

Voorzitter, de minister heeft vorig jaar zomer aangekondigd dat hij een richtlijn ging ontwerpen waarin zou komen te staan, dat de officier van justitie bij ernstige strafbare feiten als gewelds- en zedendelicten geen taakstraf vordert. Dit is een door de VVD gewenste inperking van het toepassingsbereik van het wetsvoorstel. Weliswaar blijft het laatste woord aan de onafhankelijke rechter maar daar tegenover staat dat het Openbaar Ministerie steeds zijn rechtsmiddelen van hoger beroep en cassatie heeft. Ik vind het belangrijk, dat de minister in de richtlijn ook duidelijk opneemt, dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep dan wel cassatie moet gaan wanneer de rechter desondanks een taakstraf oplegt. Graag hierop een reactie van de minister.

Voorzitter, de onafhankelijke rechter is gelukkig- al lang niet meer "la bouche de la loi" van Montesquieu. De rechter interpreteert de wet, naar inhoud, strekking en in de geest van de wetgever. Dit debat is onderdeel van de wetsgeschiedenis van het voorstel taakstraffen, waarvan de rechter kennis zal nemen. Naast het requisitoir en de eis van de officier van justitie zal de rechter ook langs deze weg duidelijk worden gemaakt hoe de wetgever denkt over het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel. Bovendien zal hij zich oriënteren op de richtlijn van het Openbaar Minister als bron van geschreven recht.

Dit alles maakt, dat naar mijn oordeel de inperking niet in de wet zelf moet worden vastgelegd. Het zou een radicale breuk betekenen met de systematiek van strafbedreigingen in ons Wetboek van Strafrecht en is ook niet consequent. Immers, waarom worden wij er niet zenuwachtig van dat op moord behalve een gevangenisstraf ook een geldboete van de vijfde categorie staat (fl. 100.000,-)? Dat niemand zich hierover druk maakt komt omdat wij de rechter vertrouwen in zijn oordeelsvorming en juiste straftoemeting. Wij gaan voor dit soort ernstige delicten toch ook niet in de wet zelf vastleggen, dat daarvoor geen geldboete meer kan worden opgelegd?
Voor de strafsoort "taakstraf" is dit niet anders. Bovendien moet niet worden vergeten, dat de taakstraf een zelfstandige hoofdstraf wordt die in combinatie met een gevangenisstraf kan worden opgelegd. Ook dit maakt de kans dat iemand er met alleen een taakstraf vanaf komt, geringer.

Voorzitter, ik heb de minister de casus voorgelegd van een in Nederland verblijvende illegaal, die een strafbaar feit pleegt en door de rechter wordt veroordeeld tot een werkstraf. Door de Koppelingswet is deze illegaal onder meer uitgesloten van verzekeringen. Plaatsing in een werkproject zal daardoor illusoir zijn nu de werkgever van de reclassering zal eisen, dat betrokkene adequaat zal zijn verzekerd. De minister onderkent het probleem en zegt, dat hij het ongewenst vindt dat illegaal in Nederland verblijvende buitenlanders een taakstraf opgelegd krijgen. Een gevangenisstraf lijkt hem een meer passende sanctie, gevolgd door uitzetting. Ik ben dit graag met de minister eens, maar vraag hem wel ook dit in de richtlijn op te nemen opdat de officier van justitie weet dat in zaken waarin sprake is van een illegaal er nooit een taakstraf mag worden gevorderd. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter, tot slot een toelichting op mijn ingediend amendement dat ertoe strekt om het de rechter mogelijk te maken óók bij verstekzaken een taakstraf op te leggen. Met andere woorden: Het schrappen van het instemmingsvereiste, zoals verwoord in de artikelen 22b en 77n, lid 1. Vanwege de onmogelijkheid om in verstekzaken een taakstraf op te leggen wordt in deze gevallen een vrijheidsstraf opgelegd. Na het onherroepelijk worden van het vonnis wordt vervolgens dan vaak door de veroordeelde een gratieverzoek ingediend waarbij alsnog wordt aangeboden een taakstraf te verrichten. Hier treedt een onbedoeld en ongewenst neveneffect van het wetsvoorstel op in termen van werklast voor de rechterlijke macht en de administratie in het behandelen van dit soort gratieverzoeken. De gratieprocedure is voor het omzetten van straffen minder geschikt: nu gratieverzoeken toch al aan de lopende band worden gedaan, lijkt het mij aangewezen via het voorgestelde amendement een vermindering tot stand te brengen. Daarnaast zijn de voorgestelde artikelen 22b en 77n, lid 1 wettechnisch minder fraai. Principieel valt immers niet in te zien waarom een vrijheidsstraf en geldboete wél bij verstek kunnen worden opgelegd en de derde zelfstandige hoofdstraf, de taakstraf, niet. Wettechnisch is het juister om alle hoofdstraffen zoveel mogelijk gelijk aan elkaar te regelen.

Meer informatie:
Jacques Niederer, tel. 070 318 29 16

Deel: ' Jacques Niederer plenaire debat taakstraffen '




Lees ook