Ministerie van Justitie

31.08.99

Kabinet neemt vrijwel alle aanbevelingen over van Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden

Het kabinet neemt op voorstel van minister Korthals van Justitie en minister Peper van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vrijwel alle aanbevelingen over uit het rapport 'Opsporing in uitvoering' van de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden. Een belangrijk deel van de aanbevelingen zal voor de inwerkingtreding van de wet Bijzondere Opsporingsmethoden op 1 februari 2000 zijn gerealiseerd. Dit blijkt uit het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport van de commissie dat vandaag naar de Tweede Kamer is gestuurd.

Tevens zijn de antwoorden van het kabinet aangeboden op vragen van de Vaste Kamercommissies van Justitie en BZK over het rapport 'Opsporing in uitvoering', en een brief van minister Korthals over het integraal onderzoek in het zogeheten post-Fort traject.

Waardering
Het kabinet heeft met waardering kennis genomen van het rapport van de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden. Het rapport heeft duidelijk gemaakt dat het gezag van het Openbaar Ministerie is hersteld en dat de crisis in de opsporing is beëindigd. De commissie, onder leiding van Tweede Kamerlid Kalsbeek, heeft in korte tijd veel werk verricht. Het rapport geeft een goede beschrijving van de huidige situatie met betrekking tot de opsporing in Nederland. De beschrijving van de commissie komt overeen met het beeld dat bij het kabinet bestaat, zoals het dat heeft geschetst in de derde voortgangsrapportage over de uitvoering van uitkomsten van de parlementaire enquêtecommissie Opsporingsmethoden.

Het kabinet is evenals de commissie van oordeel dat de afgelopen drie jaar veel werk is verzet door OM en politie en dat dit in de praktijk ook zichtbaar is. De betrokkenheid van het OM bij het politiewerk is sterk toegenomen, waardoor sprake is van een daadwerkelijke gezagsuitoefening. De manier van rechercheren door de politie is gewijzigd en de samenwerking tussen politieregio's is verbeterd.

Aanbevelingen
Het rapport van de commissie-Kalsbeek geeft aan dat zeer veel op het terrein van de opsporing en vervolging van de georganiseerde criminaliteit de goede kant opgaat. Toch moet er nog veel gebeuren. De aanbevelingen van de commissie op het gebied van de normering worden meegenomen in het implementatietraject van de wet Bijzondere opsporingsmethoden en krijgen vorm in richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Het gaat daarbij om onderwerpen als observatie, pseudo-koop en -dienstverlening, en het verbod op doorlaten. Er zijn naar het oordeel van het kabinet geen aanbevelingen die zouden moeten leiden tot een inhoudelijke wijziging van de wet Bijzondere Opsporingsmethoden.

Voorbereiding
Het kabinet hecht grote waarde aan een zorgvuldige en gedegen voorbereiding van de opsporingspraktijk op de invoering van de wet Bijzondere Opsporingsmethoden. Inmiddels is een opleidingstraject begonnen voor degenen die na 1 februari 2000 beroepshalve met deze wet aan de slag moeten. Ook wordt bekeken of ter ondersteuning van de opsporingspraktijk elektronisch informatie kan worden verspreid om zo opsporingsambtenaren te voorzien van de meest recente gegevens (jurisprudentie).

Daarnaast komt er een expertisecentrum waar praktische inzichten en oplossingen voor problemen in de opsporing bij elkaar worden gebracht en toegankelijk worden gemaakt. Zo ontstaat meer eenheid in adviezen, afstemming en beleidsontwikkeling ten aanzien van de opsporing. Nog dit jaar komt er een voorstel voor de oprichting van een expertisecentrum. Met deze maatregelen voert het kabinet enkele aanbevelingen uit die verband houden met scholing en instructie van politie- en OM-functionarissen rond de invoering van de wet Bijzondere Opsporingsmethoden. Er zijn voorts nieuwe opleidingen ontwikkeld of in ontwikkeling voor de kernteams en op de terreinen van financieel rechercheren, computercriminaliteit en CID.

Organisatie van de opsporing
Bij de aanbevelingen van de commissie die te maken hebben met de organisatie van de opsporing staat de bestrijding van de georganiseerde misdaad centraal, zowel nationaal als internationaal. Het kabinet zet zich in om de informatiehuishouding van de politie te verbeteren. Dit geldt ook voor de organisatie van de CID en de inrichting van de opsporing op bovenregionaal en nationaal niveau, zoals de verhouding tussen kernteams en regionale recherche-eenheden. Inmiddels is een project bovenregionale voorzieningen begonnen, met als doel meer slagvaardigheid, structuur en uniformiteit tot stand te brengen in de bovenregionale organisatie van de Nederlandse politie. In het kader van dit project zal een stuurgroep de ministers van Justitie en van BZK voorstellen doen om een en ander te verbeteren. Daarnaast zullen OM en politie in het belang van internationale samenwerking gestructureerd voorlichting geven over de wet Bijzondere Opsporingsmethoden aan landen waar Nederland regelmatig mee samenwerkt.

Gezagsuitoefening
De commissie-Kalsbeek heeft belangrijke verbeteringen geconstateerd met betrekking tot de gezagsuitoefening van het Openbaar Ministerie over de opsporing. Zij gaat in op de verschillen tussen de parketten en de daar werkzame functionarissen en beveelt op onderdelen meer uniformiteit aan. Daarom zullen in de komende periode de inspanningen er vooral op gericht zijn deze uniformiteit in de gezagsuitoefening te realiseren.

INTEGRAAL ONDERZOEK
Minister Korthals kondigt in zijn brief aan de Tweede Kamer een integraal onderzoek aan dat bestaat uit drie onderdelen. Het eerste is een lopend strafrechtelijk onderzoek dat sterk is gewijzigd. Het tweede onderdeel betreft een inventarisatie van bijzondere risico's die de positie van Nederland als distributieland met zich meebrengt voor invoer van criminele goederen. Het derde is een evaluatie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van het Justitie naar het post-Fort onderzoek. Met de onderzoeken in het tweede en derde onderdeel wordt nu al een begin gemaakt.
De minister geeft aan goed zicht te willen houden op de voortgang van het integraal onderzoek.

Strafrechtelijk onderzoek
Het lopende strafrechtelijk onderzoek in het post-Fort traject krijgt door ingrijpende wijzigingen een nieuwe impuls. Er is een nieuwe coördinerend officier van Justitie aangesteld om leiding te geven aan het onderzoek. Ook is een nieuwe coördinerend CID-officier toegevoegd. Beiden werken rechtstreeks onder het gezag van het College van procureurs-generaal.
Het lopende strafrechtelijk onderzoek wordt geïntensiveerd en bevat mede een diepgaand onderzoek naar de mogelijkheid dat parallelimporten, dan wel daar op gelijkende of geïnspireerde constructies ook hebben plaatsgehad in de periode na 1994. De mogelijkheid van daarmee samenhangende corruptie; het XTC-traject, en de moord op Van der Heijden worden eveneens onderzocht. Al het CID-materiaal wordt aan de twee officieren van Justitie overgedragen. Dit gebeurt ook met de oude IRT-documentatie. Zij moeten het gehele dossier kunnen overzien en zullen beoordelen of onderdelen van het materiaal al dan niet aan het bewijs kunnen bijdragen dan wel ten grondslag kunnen worden gelegd aan verder onderzoek, aldus de minister in zijn brief.

De bewindsman stuurt uiterlijk in november zijn eerste voortgangsrapportage naar de Tweede Kamer over de eerste bevindingen van beide officieren en de gevolgen daarvan voor het onderzoek. Het hoofddoel van het onderzoek blijft het voor de rechter brengen en laten veroordelen van verdachten. Uiterlijk voor het einde van het volgend jaar moet er een reëel perspectief zijn op het bereiken van het hoofddoel.

Inventarisatie
Als distributieland bij uitstek bevindt Nederland zich in het middelpunt van omvangrijke goederenstromen. Dit betekent dat onder de dekmantel van legaal goederenvervoer ook criminele goederen worden in-, uit- en doorgevoerd. Dit brengt bijzondere risico's met zich mee. Met name de zogenoemde parallelinvoeren en de mogelijkheid van corruptie van overheidsfunctionarissen zijn in het debat over het rapport van de commissie-Kalsbeek aan de orde geweest. Samen met het ministerie van Financiën wordt een inventarisatie van die risico's gemaakt.

WODC-evaluatie
De WODC-evaluatie richt zich op de verschillende fases van het gehele post-Fort onderzoek. Daarbij gaat het vooral om het plan van aanpak, het tactisch en financieel onderzoek, de afronding en de resultaten. Bij elke fase wordt onder meer gekeken naar management, verrichte activiteiten en de afweging van de te nemen risico's. Ook zullen in de WODC-evaluatie factoren worden betrokken die een optimaal resultaat mogelijk in de weg hebben gestaan, zoals onvoldoende samenwerking tussen politie en justitie. In de eerste voortgangsrapportage zal de Tweede Kamer nader worden geïnformeerd over de opzet van de WODC-evaluatie en de inventarisatie van de bijzondere risico's.

Voor vragen of commentaar met betrekking tot de inhoud van deze pagina's kunt u terecht bij de Directie Voorlichting van Justitie, telefoon: (070) - 3706850,
email: voorlichting@best-dep.minjust.nl,
fax: (070) - 3707594

Deel: ' Kabinet neemt aanbevelingen over commissie Kalsbeek '




Lees ook