Ministerie van Financien

De Voorzitters van de vaste commissies voor Financiën resp. Sociale Zaken en
Werkgelegenheid

van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Datum Uw brief Ons kenmerk (Kenmerk)

4 oktober IFZ 2001-00860 M 2001

Onderwerp

Kabinetsstandpunt inzake de aanbevelingen van de Commissie grensarbeiders

Hierbij bied ik u - mede namens de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport - het kabinetsstandpunt over het rapport van de Commissie grensarbeiders van 21 mei 2001 aan. De Commissie is in februari 2000 ingesteld namens de Staatssecretaris van Financiën. De Commissie heeft aanbevelingen gedaan over mogelijke knelpunten waarmee grensarbeiders in de praktijk kunnen worden geconfronteerd door het wonen aan de ene kant van de grens en het werken aan de andere kant van de grens. Daarnaast heeft de Commissie geadviseerd over de manier waarop de regelingen voor grensarbeiders in het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België zo goed mogelijk in de uitvoeringspraktijk kunnen worden verwezenlijkt.

Het kabinet heeft grote waardering voor het werk van de Commissie. Zoals uit de bijlage bij deze brief blijkt, worden veel van de voorstellen die in het rapport worden gedaan door het kabinet overgenomen. Een aantal aanbevelingen neemt het kabinet echter niet over. De reden daarvoor is uitgebreid gemotiveerd in de bijlage bij deze brief.

Mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, stel ik het op prijs het rapport van de Commissie
grensarbeiders en het kabinetsstandpunt daarover op korte termijn te bespreken met de betrokken vaste Commissies van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Staatssecretaris van Financiën,

Aanbeveling 1

De Commissie grensarbeiders beveelt aan om - voorafgaande aan het nemen van initiatieven tot een Europese regeling voor grensarbeiders - de betrokken maatschappelijke groeperingen te consulteren over de prealabele vraag of daarbij gestreefd zou moeten naar toepassing van het fiscale én sociale stelsel van de lidstaat waarvan de grensarbeider inwoner is, dan wel naar toepassing van het fiscale én sociale stelsel van de lidstaat waar de grensarbeider zijn dienstbetrekking uitoefent.

Standpunt kabinet

Het kabinet is van oordeel dat de
grensarbeidersproblematiek het beste op Europees niveau kan worden opgelost . Het ideaalbeeld daarbij is een oplossing waarbij grensarbeiders slechts te maken krijgen met één fiscaal en sociaal stelsel. In samenhang daarmee zal aan de orde komen of er onderling afspraken moeten worden gemaakt over de verdeling van de belastingopbrengsten van grensoverschrijdende arbeid. Zo'n Europese regeling is niet van vandaag op morgen realiseerbaar, maar zal een langdurig en moeizaam traject zijn. Daarom is vooralsnog bij het onlangs geparafeerde verdrag tussen Nederland en België een bilaterale regeling opgenomen. Dit laat onverlet dat het zinvol en nodig is om op Europees niveau te komen tot een meeromvattende oplossing voor de grensarbeidersproblematiek. Zoals de Commissie aangeeft, zijn daarbij twee alternatieven denkbaar. Er kan worden gekozen voor toepassing van het fiscale en sociale stelsel van de Lid-Staat waarvan de grensarbeider inwoner is of van de lidstaat waar de grensarbeider werknemer is. Een keuze tussen beide alternatieven is niet eenvoudig, omdat aan beide alternatieven plussen en minnen zitten. Bovendien mag niet vergeten worden dat bij de sociale verzekeringen, anders dan bij de fiscaliteit, in het kader van het vrije verkeer van werknemers reeds bijna 50 jaar op Europees niveau een coördinatiestelsel (met dwingende regels) voor migrerende werknemers bestaat, waarbij het uitgangspunt "waar men werkt, is men verzekerd" is gekozen. Thans wordt gewerkt aan een vereenvoudiging van dit coördinatiestelsel. Ook de vereenvoudiging gaat uit van het werklandbeginsel. Tot een wijziging van dit principe moet op EU-niveau met unanimiteit van de Lid-Staten worden besloten. Tot nu toe is tijdens de discussies gebleken dat een grote meerderheid van de Lid-Staten niets voelt voor een wijziging van het principe.

De aanbeveling van de Commissie om eerst de betrokken maatschappelijke groeperingen te raadplegen, alvorens op Europees niveau initiatieven te nemen, wordt gesteund door het kabinet. Dit maakt een betere afweging mogelijk. Aan de diverse belangengroeperingen zal daarom een brief worden toegezonden met de uitnodiging om hun voorkeur te motiveren. Met de daarmee verkregen inzichten kan het kabinet beslissen over de in Europees verband door Nederland te varen koers.

Aanbeveling 2

De Commissie grensarbeiders beveelt aan te onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, (ook) in de niet onder het concept nieuw
belastingverdrag tussen Nederland en België geregelde situaties coördinatie tussen belasting- en premieheffing zou kunnen worden bereikt. Omdat daartoe in de gegeven
omstandigheden wijziging in de bevoegdheid tot heffing van sociale- verzekeringspremies onderzocht dient te worden, beveelt de Commissie grensarbeiders aan dit onderzoek te laten verrichten door de Commissie
Verzekeringsaangelegenheden. Met het oog op het verkrijgen van een goed overzicht van de situaties waarin sprake is van discoördinatie tussen belasting- en premieheffing wordt de Commissie Verzekeringsaangelegenheden
geadviseerd betrokken maatschappelijke groeperingen te horen. Tevens zou de Commissie Verzekeringsaangelegenheden eventuele
vervolgacties dienen voor te bereiden.

Standpunt kabinet

Onder het nieuwe Nederlands-Belgische
belastingverdrag wordt de grensarbeidersregeling van artikel 15, paragraaf 3, ten 1°, van het huidige belastingverdrag van 19 oktober 1970 niet voortgezet. De achtergrond daarvan is om voor grensarbeid cöordinatie tussen belasting- en premieheffing te verkrijgen waardoor de negatieve effecten van de jaarlijkse
verschuiving tussen belasting- en
premiepercentages in Nederland en België worden voorkomen. Het kabinet onderschrijft de analyse van de Commissie grensarbeiders dat met het niet voortzetten van de grensarbeidersregeling niet in alle gevallen van grensarbeid coördinatie tussen belasting- en premieheffing wordt verkregen. In de Commissie
Verzekeringsaangelegenheden is de expertise samengebracht om in dat kader de mogelijkheden en de daarmee samenhangende problemen en effecten te inventariseren. De Commissie Verzekeringsaangelegenheden zal worden verzocht deze inventarisatie te maken

Aanbeveling 3

De Commissie grensarbeiders beveelt aan op korte termijn uitsluitsel te geven over de toepassing van artikel 3.83 van de Wet inkomstenbelasting 2001 op aanspraken ingevolge het Belgische (brug)rustpensioen en overlevingspensioen. Zo de toepassing van dit artikel zou leiden tot het in aanmerking nemen van deze aanspraken bij de bepaling van het belastbaar loon beveelt de Commissie grensarbeiders aan maatregelen te treffen die recht doen aan de regeling die met betrekking tot deze aanspraken is getroffen in het Besluit van 9 januari 2001, nr.
CPP2000/2593M.

Standpunt kabinet

Volgens de Belgische wetgeving zijn het Belgische (brug)rustpensioen en
overlevingspensioen verplichte
werknemersverzekeringen. In het Besluit van 9 januari 2001, nr. CPP2000/2593M, is bepaald dat deze pensioenen voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden aangemerkt als pensioenregelingen in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Daaraan is vervolgens toegevoegd dat de op die pensioenregelingen betrekking hebbende aanspraken en inhoudingen niet tot het loon behoren. Dit geldt ook voor de toepassing van artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Gelet op de strekking van dit besluit wordt aan de toepassing van artikel 3.83 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet toegekomen.

Aanbeveling 4

De Commissie grensarbeiders beveelt aan op korte termijn duidelijkheid te geven over de wijze waarop Belgische aanvullende (collectieve) pensioenregelingen behandeld dienen te worden onder de Wet inkomstenbelasting 2001. Voorzover nodig, beveelt de Commissie grensarbeiders aan daarbij in overweging te nemen nader te bepalen dat een pensioenregeling in de zin van artikel
1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor de toepassing van artikel 3.81 van die wet niet behoeft te worden getoetst aan de normen van artikel 18 e.v. van de Wet op de loonbelasting 1964. Als alternatief hiervoor en (in ieder geval) ter sauvering van de tot op heden gehanteerde praktijk beveelt de Commissie grensarbeiders aan in overweging te nemen om deze pensioenregelingen, zo nodig met terugwerkende kracht, onder de in artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 gegeven bevoegdheid, aan te wijzen als zuivere pensioenregelingen. Resultaat bij de fiscale behandeling van deze pensioenregelingen volgens de Nederlandse regelgeving dient in ieder geval te zijn dat dubbele belasting respectievelijk dubbele vrijstelling over de pensioenuitkeringen wordt voorkomen.

Standpunt kabinet

Belgische aanvullende (collectieve)
pensioenregelingen vallen veelal onder artikel
1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit heeft tot gevolg dat de aanspraken en inhoudingen ingevolge deze pensioenregelingen in beginsel niet tot het loon behoren. Ingevolge artikel 3.83, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt voor de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde pensioenaanspraken een conserverende aanslag opgelegd, indien de pensioenregeling niet is ondergebracht bij een
pensioenverzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f, van de Wet op de loonbelasting 1964. Daarbij geldt echter dat de waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken wordt verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste is gekomen van belastbaar inkomen uit werk en woning (artikel 3.83, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001). Voorts geldt dat onder de voorwaarden van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 uitstel van betaling van de conserverende aanslag kan worden verkregen. Met deze systematiek verwacht het kabinet niet dat zich in de praktijk problemen voor zullen doen met betrekking tot de opbouw van Belgische aanvullende (collectieve) pensioenen door inwoners van Nederland.

Voor de ingevolge deze regelingen tot en met 31 december 2000 opgebouwde pensioenaanspraken zal het kabinet bezien of het ter bekrachtiging van de bestaande praktijk noodzakelijk is nadere maatregelen te treffen.

Aanbeveling 5

De Commissie grensarbeiders beveelt aan voor de schaduwberekening die in het kader van de toepassing van artikel 27, paragraaf 1, van het concept nieuw belastingverdrag moet worden gemaakt uit te gaan van het belastbare loon zoals dat op grond van de omstandigheid dat de grensarbeider zijn dienstbetrekking de facto in België uitoefent in het belastbare inkomen uit werk en woning volgens hoofdstuk 3, afdeling 3.1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt begrepen.

Standpunt kabinet

Het kabinet neemt deze aanbeveling over. Het kabinet onderschrijft de analyse van de Commissie grensarbeiders dat ingeval een herberekening van het Belgische salaris zou moeten plaatsvinden met toepassing van de Nederlandse sociale-, pensioen- en
arbeidsregelgeving, er zodanig veel premissen moeten worden gemaakt dat een praktische uitvoering van de bepalingen van artikel 27 van het verdrag de facto onmogelijk is.

Aanbeveling 6

De Commissie grensarbeiders beveelt aan bij de schaduwberekening die in het kader van artikel 27, paragraaf 1, van het concept nieuw belastingverdrag gemaakt moet worden - bij wijze van voetoverheveling - rekening te houden met een gecombineerde heffingskorting waarop de niet of weinig verdienende partner van de
grensarbeider recht zou hebben indien zijn salaris uitsluitend aan Nederlandse belasting- en premieheffing onderworpen zou zijn.

Standpunt kabinet

Het kabinet neemt deze aanbeveling over. Met de bepalingen van artikel 27, paragraaf 1, van het nieuwe Belgisch-Nederlandse belastingverdrag is beoogd invulling te geven aan het adagium "gelijkheid met de buurman". Dit adagium impliceert dat de inwoner van Nederland die in België inkomsten verkrijgt die ingevolge artikel 15, 16, 17 of 18, paragraaf 6, van het nieuwe belastingverdrag aan België ter belastingheffing zijn toegewezen, uiteindelijk fiscaal niet slechter af mag zijn dan zijn buurman die dergelijke inkomsten in Nederland verkrijgt (zie in dit kader tevens Kamerstukken II 1999/2000, 26 834, nr. 2, blz. 4 en bijlage 2). In die vergelijking past het om de heffingskortingen te betrekken waarop de niet- of weinig verdienende partner van die buurman ingevolge artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 recht heeft.

Aanbeveling 7

De Commissie grensarbeiders beveelt aan zodanige maatregelen te treffen dat aftrekposten die door middel van de compensatieregeling van artikel 27, paragraaf 1, van het concept nieuw belastingverdrag voor de Nederlandse
belastingheffing reeds zijn vergolden niet nogmaals geheel of gedeeltelijk kunnen worden vergolden via de doorschuifregeling van artikel 11 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.

Standpunt kabinet

Het kabinet neemt deze aanbeveling over. De toepassing van artikel 27 van het nieuwe Belgisch-Nederlandse belastingverdrag kan er uiteraard niet toe leiden dat aftrekposten tweemaal worden vergolden. Het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 zal in die zin worden aangepast.

Aanbeveling 8

De Commissie grensarbeiders beveelt aan te bepalen dat voor de toepassing van de
compensatieregeling van artikel 27, paragraaf 1, van het concept nieuw belastingverdrag onder Belgische belasting wordt verstaan de over het salaris van de grensarbeider geheven Belgische belastingen die ingevolge artikel 2, paragraaf 3, onderdeel a, vallen onder de materiële werkingssfeer van dat verdrag.

Standpunt kabinet

Het kabinet neemt deze aanbeveling over, met dien verstande dat naar zijn oordeel kan worden volstaan met een verduidelijking dat de in de compensatieregelingen gehanteerde uitdrukking "Belgische belasting" de Belgische belastingen die onder de materiële werkingssfeer van het verdrag vallen, omvat. Een explicite goedkeuring is daarvoor niet nodig, omdat een en ander naar het oordeel van het kabinet reeds uit het verdrag voortvloeit.

Aanbeveling 9

De Commissie grensarbeiders beveelt aan om in de op de voet van artikel 27, paragraaf 4, van het concept nieuw belastingverdrag te starten onderling overlegprocedure tussen Nederland en België voor te stellen dat voor de toepassing van de compensatieregeling van artikel 27, paragraaf 1 geen sprake is van gekwalificeerde RSZ-premie.

Standpunt kabinet

Het kabinet neemt deze aanbeveling over. Formeel kan aan deze aanbeveling eerst uitvoering worden gegeven op het moment waarop het nieuwe belastingverdrag in werking is getreden. Vooruitlopend hierop is echter reeds met de Belgische bevoegde autoriteiten besproken dat de uitkomst van te gelegener tijd te starten onderling overlegprocedure overeenkomstig deze aanbeveling zal luiden.

Aanbeveling 10

De Commissie grensarbeiders beveelt aan de aanbevelingen 8 en 9 op dezelfde wijze toe te passen voor de berekening die in het kader van de in de paragrafen 2 en 3 van artikel 27 van het concept nieuw belastingverdrag neergelegde compensatieregeling dient plaats te vinden.

Standpunt kabinet

Het kabinet neemt deze aanbeveling over.

Aanbeveling 11

De Commissie grensarbeiders beveelt aan om de compensatieregeling van artikel 27, paragraaf 2, van het concept nieuw belastingverdrag toe te blijven passen ingeval de dienstbetrekking van de grensarbeider, of althans zijn daaraan ten grondslag liggende arbeidsovereenkomst, zich wijzigt als gevolg van een bedrijfsovername, fusie, e.d. Voorts beveelt de Commissie grensarbeiders aan deze compensatieregeling opnieuw toe te passen ingeval de grensarbeider binnen een termijn van ten hoogste zes maanden in de Belgische grensstreek aansluitend een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt na
onvrijwillig en volledig ontslag alsmede ingeval de grensarbeider in België zijn dienstbetrekking hervat na voor een termijn van ten hoogste twaalf maanden vanwege zijn werkgever in een ander land gedetacheerd te zijn geweest. Als aanvullende voorwaarde hierbij geldt dat op de grensarbeider de exclusieve bewijslast ligt dat hij zich in één van deze situaties bevindt. De Commissie grensarbeiders beveelt aan terzake nadere bewijsregels uit te werken.

Standpunt kabinet

Het kabinet deelt het oordeel van de Commissie grensarbeiders dat er aanleiding kan bestaan om in de in de aanbeveling bedoelde situaties waarin de grensarbeider zijn dienstbetrekking niet op vrijwillige basis wijzigt, toepassing van de compensatieregeling van artikel 27, paragraaf 2, van het nieuwe belastingverdrag naar doel en strekking te laten prevelaren boven een grammaticale toepassing daarvan. Het kabinet is dan ook bereid de aanbeveling over te nemen. Met betrekking tot de onvrijwillig
ontslagsituaties geldt hierbij echter wel als voorwaarde dat uitholling en oneigenlijk gebruik van deze compensatieregeling voorkomen moet kunnen worden.

Aanbeveling 12

De Commissie grensarbeiders beveelt aan te onderzoeken of de fiscale behandeling van de doelgroep van artikel 27 van het concept nieuw belastingverdrag kan worden geconcentreerd op één eenheid van de Belastingdienst.

Standpunt kabinet

De aanbevelingen 12 tot en met 15 betreffen administratieve en organisatorische maatregelen die naar het oordeel van de Commissie
grensarbeiders getroffen zouden moeten om een adequate, efficiënte en tijdige toepassing van de compensatieregelingen van artikel 27 van het nieuwe belastingverdrag door de Belastingdienst te garanderen. Het kabinet onderschrijft de belangen die met een adequate, efficiënte en tijdige toepassing van de compensatieregelingen zijn gemoeid en zoals deze belangen besloten liggen in de analyse die de Commissie
grensarbeiders in hoofdstuk 3, paragraaf b, van haar rapport heeft gemaakt. Het kabinet is dan ook bereid de desbetreffende aanbevelingen over te nemen. Wel maakt het kabinet hierbij het voorbehoud dat de uitwerking van de
aanbevelingen er niet noodzakelijkerwijs in hoeft te resulteren dat zij "één op één" worden overgenomen. Het uiteindelijke resultaat is immers afhankelijk van de vraag of en, zo ja op welke wijze de aanbevolen maatregelen ingepast kunnen worden in de organisatiestructuur en de werkprocessen van de Belastingdienst. Voor wat aanbeveling 15 betreft, komt daar nog bij dat de medewerking van de Belgische
belastingadministratie is vereist. Overigens kan in dit kader nog worden opgemerkt dat inmiddels met de Belgische bevoegde autoriteiten wordt overlegd over een gezamenlijke implementatie van het nieuwe belastingverdrag in de praktijk op die punten waar dat mogelijk en efficiënt is. Daarbij worden de compensatieregelingen van artikel 27 betrokken.

Aanbeveling 13

De Commissie grensarbeiders beveelt aan om medio van het jaar 2002 een algemene
voorlichtings-campagne te starten over de toepassing van artikel 27 van het concept nieuw belastingverdrag. Voorts beveelt de Commissie grensarbeiders aan om de grensarbeiders op wie de compensatieregeling van paragraaf 2 van dat artikel 27 van toepassing is zo veel als mogelijk individueel te informeren.

Standpunt kabinet

Zie aanbeveling 12.

Aanbeveling 14

De Commissie grensarbeiders beveelt aan artikel 9.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zodanig te wijzigen dat de verminderingen die op grond van de compensatieregelingen van artikel 27 van het concept nieuw belastingverdrag worden berekend bij voorlopige teruggaaf kunnen worden verleend.

Standpunt kabinet

Zie aanbeveling 12.

Aanbeveling 15

De Commissie grensarbeiders beveelt aan in de toelichtingen bij het verzoek voorlopige teruggaaf en het aangiftebiljet
inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een model op te nemen waarin voor de toepassing van artikel 27 van het concept nieuw
belastingverdrag een schatting wordt gemaakt van de verschuldigde Belgische belasting naar het inkomen en RSZ premie. Voorts beveelt de Commissie grensarbeiders aan op basis van die schatting de verminderingen als voorzien in het onderhavige artikel te verlenen bij voorlopige teruggaaf en het opleggen van de definitieve aanslag aan te houden tot het moment waarop de uiteindelijk verschuldigde Belgische belasting naar het inkomen en RSZ-premie bekend is, dan wel de definitieve aanslag op te leggen conform de vigerende administratieve praktijk en eventuele wijzigingen in de verschuldigde Belgische belasting naar het inkomen en RSZ-premie na afloop van het belastingjaar, mee te nemen in de voorlopige teruggaaf c.q. (voorlopige) aanslag van het jaar waarin van de Belgische belastingadministratie de vermindering is ontvangen c.q aan de Belgische
belastingadministratie de bijbetaling is gedaan. Met het oog op het verkrijgen van inzicht in de uiteindelijk verschuldigde Belgische belasting naar het inkomen beveelt de Commissie
grensarbeiders aan in overleg te treden met de Belgische bevoegde autoriteiten teneinde de mogelijkheid tot automatische
gegevensuitwisseling daaromtrent te onderzoeken.

Standpunt kabinet

Zie aanbeveling 12.

Aanbeveling 16

De Commissie grensarbeiders beveelt aan om de wijze waarop aanspraken op (brug)rustpensioen en overlevingspensioen in de systematiek van de lijfrentevoorzieningen worden ingepast nader te beoordelen en zo mogelijk - al dan niet met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - maatregelen te treffen waarmee "dubbeltellingen" bij de bepaling van de jaarruimte en reserveringsruimte zouden kunnen worden voorkomen.

Standpunt kabinet

Bij de aftrek van lijfrentepremies wordt van de zogenoemde jaarruimte en reserveringsruimte bepaald door de premiegrondslag van artikel 3.127, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Op die premiegrondslag wordt een AOW-franchise van f. 21.808 (cijfer 2001) in mindering gebracht, ook als de desbetreffende persoon niet of gedurende een beperkt aantal jaren verzekerd is ingevolge de AOW. Dit is een bewuste keuze geweest bij de totstandkoming van vorenbedoeld artikel 3.127. Desalniettemin is het kabinet bereid te onderzoeken of een nadere regeling op dit punt wenselijk is.

Aanbeveling 17

De Commissie grensarbeiders beveelt aan nader aan te geven op welke wijze grensarbeiders - en in meer algemene zin personen die hun pensioen bij een buitenlandse pensioenverzekeraar hebben ondergebracht - de voor de berekening van de jaar- en reserveringsruimte benodigde jaarlijkse aangroei van hun pensioenaanspraken dienen te bepalen.

Standpunt kabinet

De ingevolge artikel 3.127, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 juncto artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 op verzekeraars rustende verplichting om aan de belastingplichtige een opgave te verstrekken van de aan een kalenderjaar toe te rekenen pensioenaangroei, geldt niet voor buitenlandse pensioenverzekeraars. Het kabinet zal onderzoeken of voor belastingplichtigen die hun pensioen bij een buitenlandse
pensioenverzekeraar hebben ondergebracht kan worden voorzien in een praktisch uitvoerbare berekeningsmethode van hun jaarlijkse
pensioenaangroei.

Aanbeveling 18

De Commissie grensarbeiders geeft, vanuit het belang van een goede fiscale begeleiding van pensioenregelingen bij detachering van werknemers, in overweging in het concept nieuw belasting-verdrag tussen Nederland en Duitsland te streven naar het opnemen van een dezelfde bepaling als is opgenomen in artikel 26, paragraaf 7, van het concept nieuw
belastingverdrag tussen Nederland en België. Voor een meer omvattende multilaterale regeling geeft de Commissie grensarbeiders in overweging om op Europees niveau te streven naar een regeling die een fiscaal gefacilieërde pensioenopbouw bij detachering mogelijk maakt.

Standpunt kabinet

In artikel 26, paragraaf 7, van het nieuwe Belgisch-Nederlandse belastingverdrag is een regeling opgenomen die onder voorwaarden voorziet in een - fiscaal gefacilieerde - voorgezette pensioenopbouw door gedetacheerde werknemers. Bij de onderhandelingen over een nieuw Nederlands-Duits belastingverdrag zal, zoals de Commissie grensarbeiders aanbeveelt, worden gestreefd naar een vergelijkbare bepaling.

Het kabinet ondersteunt het streven om op Europees niveau een regeling te treffen tot een fiscaal evenwichtige behandeling van pensioenen in geval van detachering. In dit verband kan gewezen worden op de Richtlijn van 29 juni 1998 (98/49/EG) over het waarborgen van de
aanvullende pensioenen van in het bijzonder gedetacheerde werknemers. Verder kan worden gewezen op het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie inzake pensioenfondsen. De fiscale aspecten daarvan worden behandeld in de mededeling van de Europese Commissie "De opheffing van fiscale barrieres voor
grensoverschrijdende
bedrijfspensioenregelingen."

Aanbeveling 19

De Commissie grensarbeiders beveelt aan om bij de (nadere) interne besluitvorming over het door de Europese Commissie op 21 december 1998 bij de Raad van de Europese Unie ingediende voorstel tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 bijzondere aandacht te besteden aan die aspecten van het wijzigingsvoorstel die voor
(postactieve) grensarbeiders ten opzichte van de huidige situatie (kunnen) leiden tot een verslechtering in inkomenspositie en/of tot een toename van (grensoverschrijdende) geschillen in de uitvoeringspraktijk.

Standpunt kabinet

Reeds eerder is aan de Tweede Kamer toegezegd om tijdens het wetgevingsproces in voorkomende gevallen aandacht te besteden aan de specifieke gevolgen van wetgeving voor grensarbeiders (Kamerstukken II 2000-2001, 26 834, nr 5, p. 10). Het kabinet is bereid deze lijn ook te volgen waar het gaat om de Nederlandse standpuntbepaling in het Europeesrechtelijke wetgevingsproces. In dit verband ligt het voor de hand om ook bij de herziening van Verordening (EEG) nr. 1408/71 bijzondere aandacht te geven aan de positie van grensarbeiders. Daarbij moet echter wel in aanmerking worden genomen dat op Europees niveau wetgeving tot stand wordt gebracht via een unanieme beslissing van de Raad. Tevens merkt het kabinet -met de Commissie grensarbeiders- op dat de belangen van grensarbeiders moeten worden afgewogen tegen algemene Nederlandse en Europeesrechtelijke belangen.

Aanbeveling 20

De Commissie grensarbeiders beveelt aan voor de situatie waarin het "AOW-gat" leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, een regeling te treffen (al dan niet met toepassing van de hardheidsclausule) waarmee het "AOW-gat" geheel of gedeeltelijk wordt opgeheven. Ofschoon de Commissie grensarbeiders zich bewust is dat zich op voorhand niet laat duiden of er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, gaan haar gedachten bijvoorbeeld uit naar
echtscheidingssituaties waarbij het totale ouderdomspensioen van de in de periode 1 januari 1957 tot 1 januari 1980 niet werkende en niet verzekerde ex-echtgenote vanwege het "AOW-gat" onder het minimumniveau ligt. Voorts stelt de Commissie grensarbeiders voor om binnen een periode van één maand te verschijnen van het rapport de financiële gevolgen van de
precedentwerking in kaart te brengen, mocht daarbij blijken dat de precedentwerking binnen politiek aanvaardbare financiële kaders blijft, dan beveelt de Commissie grensarbeiders een verdergaande reparatie van het "AOW-gat" aan.

Standpunt kabinet

Het gaat hier om de niet-verzekerde tijdvakken van vrouwen van grensarbeiders in de periode van
1 januari 1957 tot 1 januari 1980 in verband met de werkzaamheden van hun echtgenoot in het buitenland. Het kabinet is met de Commissie van mening dat in situaties waarin deze korting leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, een regeling dient te worden getroffen (al dan niet met toepassing van een
hardheidsclausule) waarmee de korting geheel of gedeeltelijk wordt opgeheven. Hierbij denkt het kabinet aan echtscheidingssituaties waarbij het totale ouderdomspensioen van de in de periode 1 januari 1957 tot 1 januari 1980 niet werkende en niet verzekerde ex-echtgenote vanwege die korting onder het minimumniveau ligt. Een algemene compensatie van de niet-verzekerde tijdvakken acht het kabinet niet aangewezen.Ten eerste omdat in de meeste gevallen een adequaat pensioen voor het gezin als geheel is opgebouwd. Ten tweede omdat er aanzienlijke kosten (40 miljoen gulden in 2002) mee zouden zijn gemoeid, die niet in verhouding staan tot de
problematiek.

Aanbeveling 21

De Commissie grensarbeiders beveelt aan de toezegging om de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 en het Besluit categorieën verzekerden Wtz 1998 te wijzigen, in die zin dat (ook) Belgische en Duitse
(postactieve) grensarbeiders en hun gezinsleden de mogelijkheid verkrijgen om op de Nederlandse particuliere verzekeringsmarkt een overeenkomst tot standaardverzekering te sluiten, zo spoedig mogelijk ter hand te nemen. Voorts beveelt de Commissie grensarbeiders aan om in overweging te nemen voor de gezinsleden van de onderhavige (postactieve) grensarbeiders de mogelijkheid van medeverzekering respectievelijk vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenverzekering te introduceren voor die gevallen waarin zij ingevolge de wettelijke regeling van hun woonland geen beroep kunnen doen op soortgelijke verstrekkingen en voorzieningen als waarin de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voorziet.

Bij wijze van alternatief beveelt de Commissie aan te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is de standaardverzekering onder de materiële werkingssfeer van artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 te brengen.

Standpunt kabinet

De procedure tot wijziging van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 en het Besluit categorieën verzekerden Wtz 1998 is in volle gang. Het streven is erop gericht de wetswijziging op 1 januari 2002 in werking te doen treden.

De Commissie gaat ervan uit dat de
desbetreffende categorie grensarbeiders, conform de huidige praktijk ten aanzien van de particuliere buitenlandpolissen, niet wordt geconfronteerd met bijdragen in het kader van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden (MOOZ) en de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998

(Wtz 1998). Het kabinet merkt hierover het volgende op.

Omdat niet alle schade in de Wtz 1998 uit de premies betaald kan worden, betalen alle in Nederland wonende particulier verzekerden jonger dan 65 jaar, waaronder de Wtz-verzekerden, een omslagbijdrage. Op deze manier blijft de premie voor de Wtz 1998 betaalbaar. Ook dragen de particuliere verzekerden bij aan de
oververtegenwoordiging van ouderen in de Ziekenfondswet.

Particulier verzekerden die in het buitenland wonen, kunnen ingevolge de huidige regelgeving thans geen MOOZ- en WTZ-bijdragen in rekening worden gebracht. Het concept-wetsvoorstel zoals dat inmiddels door de Ministerraad is aanvaard, voorziet er echter in dat ook in het buitenland wonende WTZ-verzekerden, net als de in Nederland wonende WTZ-verzekerden, de MOOZ- en de WTZ-bijdragen verschuldigd zullen zijn. De ratio daarvan is, dat het uit een oogpunt van solidariteit met de in Nederland wonenden aanvaardbaar is, dat ook de Wtz-verzekerden die in het buitenland wonen - de schade van deze verzekerden wordt namelijk eveneens onder de Wtz-omslagregeling gebracht- deze bijdragen verschuldigd zijn.

Voor gezinsleden van in Nederland werkende Duitse en Belgische grensarbeiders is geen toepasselijke wetgeving uit hoofde van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 of een verdrag inzake sociale zekerheid aangewezen. Dat betekent dat zij wat betreft hun sociale verzekeringspositie in beginsel zijn aangewezen op de wetgeving van het woonland.

Ingezetenen van Duitsland zijn in beginsel verzekerd ingevolge de Pflegeversicherung. Ingezetenen van België die uit hoofde van de Verordening geen afgeleide rechten op medische zorg hebben en niet verplicht of vrijwillig AWBZ-verzekerd zijn, kunnen zich via het Belgische ziekenfonds verzekeren, als zogeheten "ingeschrevene in het rijksregister van de natuurlijke personen". Gelet op het
uitgangspunt dat de overheid van een land primair verantwoordelijk is voor het beleid, waaronder het sociale zekerheidsbeleid, ten aanzien van de eigen ingezetenen en gelet op de mogelijkheden die de Duitse en de Belgische wetgeving in beginsel bieden op het gebied van de sociale ziektekostenverzekering, ziet het kabinet thans geen aanleiding om de verplichte of de vrijwillige AWBZ-verzekering open te stellen voor in België of in Duitsland wonende gezinsleden van in Nederland werkende
grensarbeiders.

Wat betreft de suggestie om de WTZ onder de materiële werkingssfeer van de Verordening te brengen merkt het kabinet op dat deze wet geen sociale ziektekostenverzekering in het leven heeft geroepen. De wet regelt de
acceptatieplicht van ziektekostenverzekeraars van bepaalde categorieën van personen die, indien zij daarom verzoeken, moeten worden toegelaten tot een overeenkomst van particuliere ziektekostenverzekering, waarvan de aanspraken en de premie door de overheid zijn geregeld, doch waarvan de verzekeraars zelf de overige polisvoorwaarden mogen vaststellen. Omdat de standaardverzekering geen sociale
ziektekostenverzekering is en evenmin sprake is van een contractuele bepaling in de zin van artikel 1, onder j, i) of ii) van de
Verordening, is geen sprake van een wettelijke regeling in de zin van artikel 1, onder j, van de Verordening. De WTZ of de daarin geregelde standaardverzekering kan gelet op artikel 4, eerste lid, van de Verordening niet onder de materiële werkingssfeer van de Verordening worden gebracht, omdat de Verordening van toepassing is op wettelijke regelingen inzake takken van sociale zekerheid.

Het kabinet merkt ten aanzien van de aanbeveling tenslotte op dat invoering van de
basisverzekering, mits deze zal zijn vormgegeven als een publiekrechtelijke verzekering, ingevolge de Verordening voor deze categorieën van gezinsleden afgeleide rechten op medische zorg ten laste van de Nederlandse
basisverzekering doet ontstaan.

Aanbeveling 22

Bij de invoering van de Wet van Otterloo werd de AOW-uitkering rechtsgrond voor verplichte verzekering ingevolge de Ziekenfondswet. In verband met de netto-netto-koppeling is destijds de bruto AOW-uitkering verhoogd met het toen geldende Zfw-premiepercentage. Zfw-premie voor AOW-gerechtigden is verschuldigd zowel over het AOW-pensioen als over andere inkomsten uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven. Tot die andere inkomsten werden ook buitenlandse pensioenen gerekend. Die andere inkomsten zijn niet verhoogd in verband met de Zfw-verzekering. De Commissie signaleert een inkomensnadeel voor postactieve grensarbeiders ten opzichte van personen die in Nederland een volledige AOW-uitkering hebben opgebouwd.

De Commissie grensarbeiders beveelt aan dat "nader wordt onderzocht of in de gevallen waarin postactieve grensarbeiders louter ten gevolge van de uit de Wet van Otterloo voortvloeiende verhoging van de ziekenfondspremie een inkomensnadeel ondervinden ten opzichte van personen die in Nederland wonen en hebben gewerkt en overigens in gelijke omstandigheden verkeren, maatregelen mogelijk zijn om dit nadeel te compenseren."

Standpunt kabinet

De Ziekenfondswet kent geen mogelijkheden om inkomensnadelen te compenseren. Wat betreft een andere premiestelling voor de desbetreffende categorie van personen is het kabinet van mening dat in de premiesfeer geen onderling afwijkende percentages moeten gelden voor onderscheiden categorieën van AOW-gerechtigden die naast hun AOW-uitkering nog andere inkomsten uit of in verband met het verrichten van arbeid in bedrijfs- of beroepsleven hebben, namelijk AOW-gerechtigden met een geprorateerde AOW-uitkering en een geprorateerd buitenlands pensioen enerzijds en AOW-uitkeringsgerechtigden met een (eventueel om andere redenen gekorte) AOW-uitkering en andere inkomsten uit of in verband met het verrichten van arbeid in bedrijfs- of beroepsleven anderzijds.

Aanbeveling 23

De Commissie grensarbeiders beveelt aan om met de bevoegde autoriteiten van Duitsland overleg te starten teneinde een maatregel te treffen indien collisie van
arbeidsongeschiktheidsregelingen ertoe leidt dat bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid geen recht bestaat op een sociale
zekerheidsuitkering die qua hoogte naar de maatstaven van het (voormalige) werkland is afgestemd op een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid.

Standpunt kabinet

Verordening (EEG) nr. 1408/71 coördineert de socialeverzekeringsstelsels van de verschillende lidstaten en doet geen uitspraak over de inhoud van de respectieve stelsels. Duitsland kent een hogere arbeidsongeschiktheidsdrempel dan Nederland. Daardoor kan het voorkomen dat een Nederlandse grensarbeider die in Duitsland arbeidsongeschikt wordt geen
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, omdat hij niet aan de Duitse nationale
uitkeringsvoorwaarden voldoet. De Duitse toetredingsdrempels komen sterk overeen met de WAO-stelsels in andere Europese landen. Het is juist de Nederlandse WAO die met zijn lage toetredingsdrempels internationaal gezien sterk afwijkt van de rest van Europa.

Aanbeveling 24

De Commissie grensarbeiders beveelt aan met voortvarendheid te bezien of de Nederlandse bevoegde autoriteiten de problematiek van de niet-exporteerbaarheid van Belgische
loopbaanonderbrekingsvergoedingen nader onder de aandacht van de Belgische bevoegde autoriteiten te brengen. Voorts beveelt de Commissie grensarbeiders aan nader te bezien of en onder welke voorwaarden uitkeringen ingevolge de Wajong exporteerbaar kunnen worden gemaakt op een wijze dat misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wajong wordt voorkomen.

Standpunt kabinet

Naar aanleiding van de parlementaire behandeling van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW (Stb. 2001, 212) heeft de regering een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend dat voorziet in de mogelijkheid tot export van een Wajong-uitkering in geval de beëindiging van de uitkering, als gevolg van het buiten Nederland gaan wonen van de jonggehandicapte, leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Hiermee is tevens aan de aanbeveling op dit punt van de Commissie grensarbeiders tegemoet gekomen.

De vraag naar de mate van exporteerbaarheid van de Belgische loopbaanonderbrekingsvergoeding is in eerste instantie ter beoordeling van de Belgische autoriteiten. Wel is het kabinet bekend dat de niet-exporteerbaarheid van de loopbaanonderbrekingsvergoeding naar de mening van de Europese Commissie onverenigbaar is met het Europese recht. Zij heeft hierover inmiddels contact opgenomen met de Belgische regering. De Commissie zal overwegen een infractieprocedure te beginnen als deze contacten niet tot een bevredigend resultaat leiden.

Aanbeveling 25

De Commissie grensarbeiders beveelt aan in overweging te nemen de reïntegratie-uitkering van artikel 23 van de Wet op de (Re)ïntegratie arbeidsgehandicapten exporteerbaar te maken in gevallen waarin een Belgische of Duitse grensarbeider vanwege zijn in Nederland ontstane arbeidshandicap is aangewezen op een Belgische of Duitse werkloosheidsuitkering.

Standpunt kabinet

Krachtens Verordening (EEG) nr. 1408/71 hebben Belgische of Duitse grensarbeiders met een Nederlands arbeidsverleden recht op een Belgische of Duitse werkloosheidsuitkering. Het recht op werkloosheidsuitkering wordt
vastgesteld volgens de normen van het woonland.

Deze personen dienen ter beschikking te staan van de Belgische of Duitse arbeidsmarkt. Terugkeer naar de arbeidsmarkt vindt dan plaats onder regie van de Belgische of Duitse arbeidsbemiddelingsinstantie. Die instanties maken daarbij gebruik van de in het woonland beschikbare reïntegratie-instrumenten. Het is voor alle betrokkenen niet gewenst indien verschillende uitvoeringsinstanties uit verschillende landen toe moeten zien op correct uitkeringsgebruik

Aanbeveling 26

De Commissie grensarbeiders beveelt aan de voorlichting over de mogelijkheid van het verkrijgen van een vrijstelling van verzekering voor de volksverzekeringen op de voet van artikel 22 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 - zo nodig in samenwerking met gemeenten (zie hierna onderdeel 3 (c) van het rapport) - te intensiveren. Voorts beveelt de Commissie grensarbeiders bij wege van aanvullende maatregel op de intensivering van de
voorlichting aan om te overwegen het op de voet van het derde lid van artikel 22 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 ontwikkelde
hardheidsclausulebeleid te versoepelen, zodanig dat onbekendheid met de regeling eerder als een onbillijkheid van overwegende aard wordt aangemerkt.

Standpunt kabinet

Het kabinet onderschrijft de mening van de Commissie grensarbeiders dat de
vrijstellingsregeling van artikel 22 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) versoepeld dient te worden, zij het op een andere wijze dan de Commissie voor ogen staat. Inmiddels is een wijzigingsbesluit in werking getreden, waardoor de vrijstelling wordt toegekend met ingang van het tijdstip waarop voor het eerst aan de voorwaarden voor de verzekering wordt voldaan, onder de
randvoorwaarde dat het verzoek om vrijstelling binnen een jaar na aanvang van die verzekering is ingediend.

Overigens kan de in het rapport vermelde situatie dat, wanneer men vanwege het recht op een buitenlandse uitkering (ook) in het land van waaruit de uitkering wordt ontvangen, verzekerd is, er sprake kan zijn van dubbele verzekering, zich niet voordoen, voorzover de uitkering wordt ontvangen uit een EU-Lidstaat. Op grond van artikel 13, lid 2, sub f van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 blijft deze persoon
onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat die de uitkering verstrekt, zolang hij nog verzekerd is in dat land. Pas vanaf het moment dat hij niet meer verzekerd is, kan de wetgeving van het woonland van toepassing worden.

Gerichte voorlichtingsactiviteiten ten behoeve van deze groep van post-actieven zijn lastig te verwezenlijken. Deze categorie is immers niet binnen het bestand van de gemeentes of belastingdienst op te sporen. Het kabinet zal dit aandachtspunt meenemen in de intensivering van de algemene voorlichtingsinspanningen rond grensarbeid.

Aanbeveling 27

De Commissie grensarbeiders beveelt aan nader te onderzoeken of voor de toepassing van artikel 22 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in de Nederlands-Duitse verhouding een
netto/netto-vergelijking een onevenredig zware uitvoeringslast en /of ongewenste
precedentwerking meebrengt. Zo dit niet het geval mocht zijn, dan beveelt de Commissie grensarbeiders aan te overwegen om deze netto/netto-vergelijking met een zekere terugwerkende kracht toe te passen.

Standpunt kabinet

Het kabinet heeft begrip voor de problemen die Duitse post-actieven ondervinden bij de toepassing van de vrijstellingsregeling van artikel 22 van KB 746. Het kabinet is echter terughoudend om in de relatie met Duitsland te komen tot een specifieke regeling voor de berekening van het inkomen voor de toepassing van artikel 22 van KB 746, waarbij in plaats van het bruto-inkomen het netto-inkomen als basis wordt genomen. Een netto-netto berekening is vatbaarder voor fluctuaties als gevolg van het inhoudingstraject, en daardoor
uitvoeringstechnisch gecompliceerder. Ook vanuit handhavingsoptiek is een netto-netto berekening kwetsbaarder. Het is een ingewikkeld en moeilijk probleem, maar het kabinet laat niettemin nog verder onderzoek doen om te bezien of er toch nog andere oplossingen mogelijk zijn, die niet tot te grote administratieve en derhalve kostbare consequenties leiden, waarbij tevens moet worden bezien hoeveel onderdanen van andere EU-Lid-Staten en staten waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten, onder een dergelijke regeling zouden vallen. Immers, op grond van de internationale overeenkomsten moet gelijke behandeling worden toegepast op alle verdragsonderdanen.

Aanbeveling 28

De Commissie grensarbeiders beveelt aan dat de Sociale Verzekeringsbank - in het verlengde van aanbeveling 2 van dit rapport - in overleg met de bevoegde autoriteiten van België en Duitsland streeft naar een regeling in de zin van artikel 17 van Verordening (EEG) nr.1408/71 die een oplossing biedt voor situaties waarin een switch in de verzekeringspositie ontstaat als gevolg van het ontplooien van niet substantiële arbeid in een andere lidstaat. Als alternatief beveelt de Commissie Grensarbeiders aan te bezien of een dergelijke regeling kan worden opgenomen in het voorstel van 21 december 1998 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71.

Standpunt kabinet

Het kabinet onderkent de problemen die zich kunnen voordoen indien een grensarbeider niet-substantiële arbeid in het woonland aanvaardt. Het kabinet is evenwel van mening dat artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 voldoende mogelijkheden biedt in dergelijke gevallen tot een oplossing te komen. Het treffen van generieke maatregelen - bijvoorbeeld door middel van een aanpassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals de Commissie voorstelt - acht het kabinet een moeilijke weg omdat daarvoor een unanieme beslissing van de Raad noodzakelijk is. Het kabinet zal deze kwestie niettemin op EU-niveau ter tafel brengen. Zo lang er geen generieke oplossing voor het probleem op Europees niveau is gevonden, biedt artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 voor individuele gevallen een oplossing.

Aanbeveling 29

De Commissie grensarbeiders beveelt aan de aanbevelingen van de Werkgroep "Ondernemen in de grensstreek" met betrekking tot de
informatievoorziening en de klachtenbehandeling mede in de Nederlands-Belgische context te plaatsen. Dit betekent concreet dat de Commissie grensarbeiders aanbeveelt om:


i. in de Nederlands-Belgische grensstreek gezamenlijke informatiepunten van de Nederlandse en Belgische belastingadministratie en instellingen werkzaam op het terrein van de sociale zekerheid in de richten, waar
betrokkenen (zowel werknemers als werkgevers als zelfstandige ondernemers zonder personeel) tijdens spreekuren terecht kunnen met vragen over onder meer de fiscaliteit en de sociale zekerheid. Voor wat betreft telefonische en elektronische informatie-voorziening zouden deze informatiepunten een pendant moeten krijgen in een snelle en zeer nauwe samenwerking tussen deze instellingen,

ii. door de belastingadministraties en instellingen die werkzaam zijn op het terrein van de sociale zekerheid van Nederland en België in onderling overleg af te stemmen en in de Nederlandse, Franse en Duitse taal brochures te laten ontwikkelen ten behoeve van degenen die in beide landen grensoverschrijdend werkzaam zijn als ten behoeve van hun eventuele werkgevers,

iii. een periodiek lokaal overleg te organiseren tussen de Nederlandse en Belgische fiscale autoriteiten respectievelijk tussen de instellingen werkzaam op het terrein van de sociale zekerheid om klachten, verzoeken en vragen op die terreinen te behandelen, en

iv. te bezien of gemeenten een meer omvattende rol in de informatievoorziening kunnen vervullen door het verstrekken van informatiepakketten over (onder andere) de fiscale en sociaal-verzekeringstechnische aspecten waarmee men te maken kan krijgen alsmede door het verstrekken van een overzicht van de instanties waartoe men zich dient te wenden.

Standpunt kabinet

Het kabinet onderschrijft het belang dat de Commissie grensarbeiders hecht aan een goede voorlichting. In dat kader is een gezamenlijk informatiepunt van de Nederlandse en Duitse belastingdienst in de Nederlands-Duitse grensstreek ontwikkeld. Dit heeft geleid tot de instelling van het team GWO (grensoverschrijdend werken en ondernemen). Het team GWO is ondergebracht bij de Belastingdienst te Heerlen. Bij het team GWO werken momenteel ambtenaren van de belastingdienst van Nederland en de belastingdienst van Noordrijn-Westfalen. Daardoor kan men bij één instantie informatie verkrijgen over zowel het Nederlandse en Duitse fiscale recht. Thans wordt op ambtelijk niveau gesproken over eventuele Belgische deelname aan dit project. Het kabinet heeft tevens aangegeven groot belang te hechten aan het opzetten van één informatiepunt waarbij men terecht kan voor alle vragen die samenhangen met grensarbeid, ondernemen in de grensstreek en
grensoverschrijdende projecten. Inmiddels zijn initiatieven genomen om een zodanig centraal informatiepunt op te richten. In het algemeen overleg met de vaste commissie voor BZK over grensoverschrijdende projecten op 14 juni 2001 hebben de verantwoordelijke bewindslieden (van BZK en Financiën) verklaard te streven naar een intensievere koppeling tussen beide initiatieven en een snelle operationalisering van het informatiepunt. Dit kan worden gerealiseerd door dat informatiepunt te koppelen aan het team GWO van de belastingdienst, dat bereikbaar is via één gratis (0800-) telefoonnummer . Vanuit dit informatiepunt zal op korte termijn in elk geval informatie kunnen worden verschaft over het fiscale recht van Nederland en Duitsland alsmede over vraagstukken op het gebied van de sociale verzekeringen. Vervolgens zal, als dit informatiepunt eenmaal operationeel is geworden, verdere uitbouw naar andere gebieden, zoals het ondernemingsrecht, zorg enz., in gang worden gezet. Het streven is er op gericht, dat het algemene informatiepunt voor 1 januari 2002 operationeel is.

Aanbeveling 30

De Commissie grensarbeiders beveelt aan om in een besluit een overzicht te geven van de wijze waarop (aanspraken op) Belgische en Duitse sociale zekerheidsuitkeringen voor de Wet inkomstenbelasting 2001 behandeld dienen te worden. Voorts beveelt de Commissie
grensarbeiders de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van de
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake de
exporteerbaarheid van Nederlandse
studiefinanciering.

Standpunt kabinet

Het kabinet neemt deze aanbeveling over. Wat betreft het overzicht van de wijze waarop (aanspraken op) Belgische en Duitse sociale zekerheidsuitkeringen voor de Wet
inkomstenbelasting 2001 worden behandeld, wordt inmiddels een conceptbesluit voorbereid.

Wat betreft de aanbeveling inzake de reikwijdte van de jurisprudentie van het Hof van Justitie ten aanzien van de exporteerbaarheid van Nederlandse studiefinanciering, kan worden opgemerkt dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dit voorjaar de notitie "Studeren zonder grenzen" heeft uitgebracht. Hierin wordt onder andere ingegaan op de verschillende gevolgen van de jurisprudentie voor de positie van grensarbeiders. Meer in het algemeen wordt in de notitie voorgesteld de meeneembaarheid van de studiefinanciering naar het buitenland te vergroten. Het kabinet zal op basis van de voorstellen uit de notitie een wetsvoorstel tot wijziging van de WSF 2000 indienen.

Overig

Tijdens het Algemeen Overleg over de
socialeverzekerings- en fiscale positie van grensarbeiders op 1 februari 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 26 834, nr. 5) zijn door
verschillende kamerleden vragen gesteld over de gevolgen van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (hierna: OOW) voor grensarbeiders, voor wat betreft hun aanspraken op een werkloosheidsuitkering. Van de zijde van het kabinet is in dat verband aan de betreffende kamerleden toegezegd dat het in het kader van de standpuntbepaling op het rapport van de commissie-Linschoten met een adequate reactie zal komen.

Met ingang van 25 oktober 1998 is de
werkingssfeer van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 uitgebreid met bijzondere stelsels voor ambtenaren. Op grond van art. 71 bis, lid 3, van de Verordening komen degenen die verzekerd zijn krachtens een dergelijk bijzonder stelsel bij werkloosheid in aanmerking voor een
werkloosheidsuitkering van het laatste werkland. Op grond van de OOW zijn ambtenaren wat betreft hun werkloosheidsverzekering niet langer verzekerd krachtens een bijzonder stelsel, maar krachtens het algemene, voor werknemers geldende, stelsel. Derhalve moeten de ter zake geldende regels van Verordening (EEG) nr. 1408/71 op hen worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat zij bij volledige werkloosheid niet meer in aanmerking komen voor een uitkering van hun laatste werkland. Op hen is artikel 71 van toepassing, op grond waarvan grensarbeiders bij werkloosheid aanspraak op een uitkering van hun woonland kunnen maken.

In verband met de toegang tot een particuliere ziektekostenverzekering bij herintreding het volgende. Het kabinet heeft thans een
wetsvoorstel in voorbereiding, waarbij degenen die buiten Nederland wonen en werken in Nederland toegang krijgen tot de WTZ 1998. Naar verwachting wordt dit voorstel in het najaar ingediend. Hiermee is hun positie gelijk aan die van alle andere werknemers. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding om voor hen een aparte overgangsregeling te maken.

Het bovenstaande is uitsluitend van toepassing op eventuele aanspraken krachtens de wettelijke werkloosheidsverzekering. Op aanspraken krachtens de "bovenwettelijke" regelingen is een ander regiem van toepassing.

De "bovenwettelijke" uitkering is voor bepaalde sectoren vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en voor andere sectoren in CAO's.

De amvb's vallen onder de materiële
werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Regelingen vallen namelijk onder de materiële werkingssfeer als ze kunnen worden aangemerkt als een wettelijke regeling die verband houdt met een van de takken van sociale zekerheid waar de Verordening op ziet.

"Bovenwettelijke" uitkeringen die zijn neergelegd in een amvb worden aangemerkt als een bijzonder stelsel voor ambtenaren, aangezien het een stelsel van uitkeringen betreft dat verschilt van het algemene stelsel en waaraan uitsluitend bepaalde categorieën van ambtenaren die onder een dergelijk stelsel vallen in aanmerking komen voor een werkloosheidsuitkering van hun laatste werkland. De in de regeling opgenomen voorwaarde dat aanspraak moet bestaan op een WW-uitkering mag niet worden gesteld. De buitenlandse werkloosheidsuitkering dient te worden gelijk gesteld met een aanspraak krachtens de WW.

In andere sectoren zijn de "bovenwettelijke" uitkeringen bij werkloosheid geregeld in CAO's. Deze kunnen niet worden aangemerkt als wettelijke regelingen in de zin van Verordening (EEG) nr. 1408/71, maar wel als sociale voordelen in de zin van artikel 7 van
Verordening (EEG) nr. 1612/68. Dit heeft tot gevolg dat deze sociale voordelen ook moeten worden toegekend aan (voormalige)
grensarbeiders. Ook in deze situatie kan de grensarbeider derhalve aanspraak maken op de "bovenwettelijke" uitkering.


---

Zie ook Kamerstukken II 1999-2000, 26 834, nr. 2, pagina 3.

Het Grensinfopunt wordt géén onderdeel van de Belastingdienst Heerlen. Het is een op zichzelf staande organisatie, met een eigen identiteit, een eigen naam en een eigen telefoonnummer.

Deel: ' Kabinetsstandpunt inzake aanbevelen Commissie grensarbeiders '




Lees ook