Tweede Kamer der Staten Generaal


26800xv.065 vao algemene nabestaandenwet

Gemaakt: 16-2-2000 tijd: 15:55


26800 XV Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2000

Nr. 65 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 februari 2000

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<1> heeft op
26 januari 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over onverzekerbare risico's in het kader van de Algemene nabestaandenwet (26800-XV, nr. 16).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen vanuit de commissie

Mevrouw Schimmel (D66) was van oordeel dat, hoewel de brief van de staatssecretaris van 16 november 1999 (2688-XV) meer duidelijkheid verschaft omtrent onverzekerbare risico's in het kader van de Algemene nabestaandenwet (ANW), er nog wel degelijk kanttekeningen bij te plaatsen zijn. Zo vond zij de daarin verstrekte feitelijke gegevens over de omvang van de problematiek en het aantal betrokkenen niet overtuigend genoeg. Uit brieven van de stichting Weduwe in de kou, FNV Vrouwenbond en individuele burgers blijkt dat er nog steeds een grote onbekendheid is met de ANW en dat nog steeds te weinig mensen zich op individuele basis verzekeren om het inkomensverlies bij overlijden van de partner op te vangen. Het feit dat mensen door de inwerkingtreding van de ANW buiten de boot vallen vanwege onverzekerbaarheid is en blijft zorgelijk. In dat verband drong mevrouw Schimmel evenals in het algemeen overleg van 17 juni 1999 er bij de staatssecretaris op aan om met de verzekeraars en de Sociale verzekeringsbank (SVB) in overleg te treden over mogelijkheden zoals zelfregulering, acceptatieplicht, toepassing van de premiebandbreedte en instelling van een waarborgfonds en verzocht hem de Kamer op korte termijn daarover te berichten.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA) deelde de kritische analyse van mevrouw Schimmel over de onderhavige brief. Het gegeven dat de markt onderscheid maakt tussen groepen mensen, komt bij tal van onderwerpen ter sprake. De overheid kan dit accepteren of kan een wettelijke regeling treffen als zij vindt dat de gevolgen onaanvaardbaar zijn. In dat licht refereerde mevrouw Kalsbeek aan haar in het algemeen overleg van 17 juni 1999 gedane verzoek aan de staatssecretaris om systematisch na te gaan waar zich dergelijke problemen voordoen, waar de overheid redelijkerwijze kan ingrijpen en waar een oplossing aan de markt moet worden overgelaten. De staatssecretaris heeft bij die gelegenheid toegezegd de Kamer te zullen laten weten of hij aan dit verzoek kan voldoen en zo ja, op welke termijn. Tot haar spijt moest mevrouw Kalsbeek constateren dat in de brief van 16 november 1999 hierop niet verder wordt ingegaan, hetgeen zij beschouwde als een gemiste kans, juist daar het hierbij een zeer principieel probleem betreft. Zij drong er dan ook alsnog bij hem met klem op aan de desbetreffende brede adviesaanvraag richting de SER te doen uitgaan.

Eveneens betreurde zij het dat in genoemde brief geen weergave is te vinden van de in datzelfde algemeen overleg gedane toezegging van de staatssecretaris om in overleg te treden met de verzekeraars over de verantwoordelijkheid die zij zelf kunnen nemen ten aanzien van het onderhavige vraagstuk van de onverzekerbaarheid. Is hierover inmiddels wel meer te melden?

Uit klachten van de stichting Weduwe in de kou en de Vrouwenbond FNV blijkt dat de voorlichting nog tekortschiet, in de zin dat mensen niet goed op de hoogte zijn van de gevolgen van de nieuwe ANW. Ook van de eerdere toezegging van de staatssecretaris om hieraan meer aandacht te besteden, is helaas niets terug te vinden in de voorliggende brief.

De heer De Wit (SP) vond de conclusie in de brief van 16 november 1999 dat uit het geringe aantal mensen dat een beroep heeft gedaan op de huidige onverzekerbarenregeling blijkt dat er geen behoefte bestaat aan een structurele regeling dan wel dat mensen die regeling niet willen, veel te ver gaan. Zoals ook door de stichting Weduwe in de kou en de Vrouwenbond FNV wordt opgeworpen, blijkt er veel onbekendheid te zijn met de ANW en de genoemde regeling in het kader van het overgangsrecht.

De vele brieven van betrokken organisaties en individuele burgers tonen aan dat het probleem van de onverzekerbaarheid in relatie tot de ANW nog steeds niet afdoende is opgelost. In dit verband refereerde de heer De Wit onder meer aan mensen die op dit moment verzekerd zijn via een pensioenfonds. Doordat pensioenfondsen naar andere modellen van verzekering toewerken, zoals de risicoverzekering, kunnen er bij de overgang naar een nieuwe werkgever problemen ontstaan waar het gaat om de medische keuring. Dan komt aan de orde het "oude" probleem van leeftijdsverschil en de gezondheid. De hamvraag is dan ook of de huidige wetgeving terzake niet een te grote beperking oplegt, waar blijkt dat nog steeds mensen worden afgewezen op grond van gezondheidsproblemen en leeftijdsverschil. Gedacht zou dan ook kunnen worden aan verruiming van de SVB-regeling tot degenen die nu nog uitgesloten worden. Juist omdat het in omvang om een marginale groep gaat, zoals de staatssecretaris in zijn brief zelf aangeeft, zou dat gemakkelijk te regelen moeten zijn.

De heer De Wit sloot zich aan bij de vraag van mevrouw Schimmel over de acceptatieplicht en het verzoek van mevrouw Kalsbeek inzake een brede adviesaanvraag aan de SER.

Bijzondere aandacht vroeg hij voor de positie van degenen die doordat ze niet onder de werkingssfeer van de ANW vallen, tot bijstandsniveau geraken en hun huis moeten "opeten". Zou in die specifieke gevallen niet een uitzondering kunnen worden gemaakt in het kader van de vermogenstoets?

De heer Van Dijke (RPF) die aangaf mede het woord te voeren namens de GPV-fractie, moest tot zijn spijt constateren dat ondanks herhaalde verzoeken vanuit de Kamer, de staatssecretaris zich tot dusverre niet bereid heeft getoond de omvang van het probleem van de onverzekerbaarheid expliciet in kaart te brengen.

Hij plaatste vraagtekens bij de in de brief van 16 november 1999 verwoorde veronderstelling dat nabestaanden die niet meer in aanmerking komen voor de ANW, zelf in hun inkomen kunnen voorzien door arbeid. De inhoud van de brieven van onder meer de stichting Weduwe in de kou en de Vrouwenbond FNV bevestigt veeleer de perceptie dat vrouwen van bijvoorbeeld 46 tot 49 jaar, zo ze er in slagen om een baan te krijgen, dit veelal laagbetaalde parttime arbeid betreft, waardoor ze niet in staat zijn zich een sociaal minimum te verwerven. Weliswaar hebben de betrokkenen in principe wel de gelegenheid gehad om zich bij de SVB te melden, maar zij hebben dat nagelaten te doen simpelweg omdat ze niet op de hoogte waren van de desbetreffende overgangsregeling.

In de brief van 16 november 1999 staat dat van de 1185 aanvragen die bij de SVB zijn binnengekomen er nog 85 in behandeling zijn. De heer Van Dijke vroeg een bevestiging van zijn veronderstelling dat inmiddels alle aanvragen zijn verwerkt.

De conclusie van de staatssecretaris dat de marginale omvang van het verschijnsel van de onverzekerbaarheid in het kader van de ANW geen verdere actie rechtvaardigt, kwam de heer Van Dijke als merkwaardig over, juist waar elke individuele schrijnende situatie er een te veel is. Wat is de paarse logica hierachter? Kan aangegeven worden hoe groot de groep dan wel moet zijn, wil alsnog tot aanvullende maatregelen worden overgegaan?

Daar in de brief op lang niet alle suggesties die door de SER zijn gedaan, is gereageerd, verzocht de heer Van Dijke de staatssecretaris deze alsnog van zijn commentaar te voorzien.

Ten slotte vroeg hij bijzondere aandacht voor collectief verzekerden die een ernstige ziekte hebben en die van baan willen veranderen, maar zich bij hun nieuwe werkgever niet opnieuw collectief kunnen verzekeren. Het is dan niet uitgesloten dat ze vanwege hun ziekte niet in aanmerking komen voor een individuele verzekering.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD) moest tot haar spijt constateren dat met de voorliggende brief van 16 november 1999 niet volledig is tegemoetgekomen aan de door haar fractie reeds in het algemeen overleg van 17 juni 1999 geuite wens om de problematiek van de onverzekerbare risico's in het kader van de ANW zowel kwantitatief als kwalitatief beter in kaart te brengen. De informatie in de brief is aan de magere kant en biedt geen helder inzicht in de aard en omvang van de probleemgevallen. Is de staatssecretaris bereid de Kamer hierover alsnog beter te informeren, mede in het licht van de algehele evaluatie van de ANW? Is overigens de constatering juist dat hij aan de hand van de afname van het aantal klachten en het beperkte aantal brieven over de ANW tot de conclusie komt dat het met genoemde problematiek wel meevalt?

In de brief staat dat het vangnet een tijdelijke maatregel is die niet structureel van aard kan zijn, aangezien dit anders haaks zou staan op het uitgangspunt van de ANW. Relatief jonge en gezonde personen die geen kinderen onder de achttien jaar hebben te verzorgen, kunnen in principe na het overlijden van de partner zelf in hun onderhoud voorzien, hetgeen echter onverlet laat dat zich grensgevallen kunnen voordoen. De in de brief genoemde cijfers zouden tot de conclusie kunnen leiden dat onverzekerbaarheid voor het ANW-hiaatrisico hooguit een marginaal verschijnsel is, mede door de vele mogelijkheden die er in de persoonlijke en arbeidsvoorwaardelijke sfeer zijn om zich voor te bereiden op een onverhoopte situatie bij het overlijden van de partner. Is de staatssecretaris er zeker van dat eenieder goed op de hoogte is van de diverse regelingen? Signalen uit de samenleving geven namelijk aanleiding om hieraan te twijfelen.

Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) vond dat, hoewel in de inleiding van het voorliggende stuk staat dat de notitie noodgedwongen een beperkt karakter heeft, het karakter ervan toch wel wat te beperkt is. Op basis van de vele reacties van belangenorganisaties en individuele burgers kan men zich afvragen of de gegevens en cijfers die in die notitie zijn genoemd niet nogal geflatteerd zijn. Zo blijkt dat veel mensen geen weet hebben van de exacte gevolgen van de nieuwe ANW, op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat de voorlichting vooralsnog onvoldoende is en derhalve verbetering behoeft. Voorkomen moet worden dat onverzekerbaarheid optreedt door onbekendheid met de regelgeving.

Mevrouw Bijleveld was van mening dat mensen zich onder alle omstandigheden zouden moeten kunnen verzekeren tegen het onderhavige risico van inkomstenderving door overlijden van hun partner. De constatering van de staatssecretaris dat het wat de onverzekerbaarheid betreft slechts gaat om een beperkte groep, doet daar niets aan af, nog los van de vraag of die groep inderdaad zo beperkt is. Het is in ieder geval de taak van de overheid om op te komen voor mensen die zelf niet in de gelegenheid zijn of worden gesteld om zich voor genoemd risico te verzekeren.

Mevrouw Bijleveld sloot zich aan bij de eerder gestelde vragen over de acceptatieplicht en het waarborgfonds. Zij legde de staatssecretaris tevens de suggestie voor om de sluitingsdatum voor de SVB-regeling te doen laten vervallen, zodat mensen langer een beroep daarop kunnen doen. Ten slotte verzocht zij hem op zo kort mogelijke termijn aan de Kamer te rapporteren over de gesprekken die hij zal voeren met de verzekeraars.

De heer Van der Staaij (SGP) ontkwam er niet aan, hoewel de voorliggende notitie duidelijk aangeeft wat de structuur van de ANW is en welke veranderingen in de loop van de tijd hebben plaatsgevonden, er de nodige kanttekeningen bij te plaatsen. De conclusie van de staatssecretaris dat er in dezen sprake is van een in omvang relatief kleine groep wekt op z'n minst de indruk dat hij daarmee de problematiek relativeert, hetgeen toch onterecht zou zijn. Ook al is het een relatief kleine groep, ontkend mag niet worden dat de implicaties in een individueel geval heel vergaand kunnen zijn. Daarbij komt dat juist omdat het om een beperkt aantal gaat, het beslag op de publieke middelen ook beperkt zal zijn teneinde een oplossing te bieden voor de betrokkenen.

In de notitie staat dat van de regeling ex artikel 66a, derde lid, weinig gebruik is gemaakt en dat daaruit geconcludeerd kan worden dat er kennelijk weinig behoefte bestaat aan de regeling dan wel dat degenen die er geen beroep op hebben gedaan, kennelijk verzekerbaar zijn. De Vrouwenbond FNV en de stichting Weduwe in de kou hebben daarentegen te kennen gegeven dat dit geringe beroep is te verklaren door de onbekendheid bij de doelgroep met de regeling, omdat de regering zich te weinig inspanning heeft getroost om de regeling onder de aandacht van die doelgroep te brengen. Wat is de visie van de staatssecretaris hierop?

De heer Van der Staaij vond het onaanvaardbaar dat de onzekerheid over de mate waarin en de wijze waarop de overheid de problematiek van de onverzekerbare risico's wil oplossen, nog langer blijft voortduren. Hij achtte het in ieder geval niet verantwoord pas definitief knopen door te hakken bij de evaluatie van de ANW in 2001.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) toonde zich zeer ontevreden over de inhoud van de notitie. De trage gang van zaken tot nu toe roept langzamerhand de vraag op of de staatssecretaris überhaupt bereid is om wat aan de problematiek van de onverzekerbaarheid te doen. Als hij die vraag ontkennend beantwoordt, zal de Kamer zelf het initiatief in handen moeten nemen. De crux van de problematiek is dat niet iedereen in gelijke mate in staat is zich te verzekeren tegen het risico van inkomensderving vanwege het overlijden van de partner. De aanpak van het kabinet tot nu toe komt neer op doormodderen en doorsudderen zonder dat resultaten worden geboekt.

Mevrouw Van Gent vroeg de staatssecretaris om serieus aandacht aan de voorlichting te besteden en om die, waar deze tekort blijkt te schieten, te verbeteren.

Daarnaast was zij van oordeel dat in overleg met het Verbond van verzekeraars heel concreet en op korte termijn, dus eerder dan de evaluatie in 2001, gezocht moet worden naar een constructie die het mogelijk maakt de huidige groep onverzekerbaren alsnog in de gelegenheid te stellen zich voor genoemd risico te verzekeren.

Antwoord van de regering

De staatssecretaris gaf aan, aangezien bij het kabinet niet het voornemen bestaat om verandering aan te brengen in de huidige verhouding tussen wat collectief en wat privaat wordt geregeld in het kader van de sociale verzekeringen, niets te voelen voor een gerichte adviesaanvraag aan de SER op dit punt. Daarnaast refereerde hij aan zijn tijdens het algemeen overleg op 17 juni 1999 gedane toezegging in reactie op het toen gedane verzoek van mevrouw Kalsbeek om een systematisch onderzoek met betrekking tot het gegeven dat de markt in zijn algemeenheid onderscheid maakt tussen groepen en de verantwoordelijkheid van de overheid daarbij, dat hij de Kamer zou laten weten of aan dit verzoek zou kunnen worden voldaan. Die toezegging is wel degelijk gestand gedaan. In de brief van 21 oktober
1999 aan de Tweede Kamer in het kader van de aanbieding van het rapport "Na privatisering bepalen aanbod én vraag de markt", staat dat, gegeven het SER-advies dat uitgaat van een "case by casescenario" aangezien de socialezekerheidsregelingen veel van elkaar verschillen en een eigen karakter hebben, een nader algemeen onderzoek weinig zou kunnen toevoegen aan hetgeen reeds bekend is. De staatssecretaris was dan ook van oordeel dat een nieuwe notitie terzake geen nieuw licht op deze problematiek zou kunnen laten schijnen, additioneel op wat reeds is gewisseld met de SER.

Na het algemeen overleg van 17 juni 1999 is overleg gevoerd met het Verbond van verzekeraars dat vervolgens zeer loyaal heeft meegewerkt aan het verzoek tot het verstrekken van specifieke informatie. De vraag om medewerking van het verbond aan een eventueel waarborgfonds hing natuurlijk weer af van de vraag of de problematiek van de onverzekerbaarheid in het kader van de ANW daartoe zou noodzaken. Uit de voorliggende notitie komt helder naar voren dat die noodzaak niet aanwezig wordt geacht. Kern is dat mensen wier partner is overleden en die een redelijke en objectieve kans hebben om op de arbeidsmarkt hun eigen inkomen te verwerven, niet in aanmerking komen voor een ANW-uitkering. Het feit dat de partner onverzekerbaar is, wordt gemitigeerd door het feit dat wanneer de nabestaande kinderen heeft, een zekere leeftijd heeft of arbeidsongeschikt is, deze wel in aanmerking komt voor genoemde uitkering. Hierdoor wordt ten principale de problematiek afgegrensd.

De groep die in principe in aanmerking zou komen voor de onverzekerbarenregeling van artikel 66a, lid 3, betrof potentieel ruim
1 miljoen mensen. Uit het gegeven dat vervolgens 1185 aanvragen zijn ingediend voor deelname aan de regeling, waarvan ongeveer de helft in aanmerking blijkt te komen, kan geconcludeerd worden dat de onverzekerbaarheid klaarblijkelijk niet als een heel urgent probleem is ervaren. Vanuit de Kamer is de vraag opgeworpen of mensen überhaupt wel op de hoogte waren van de regeling en of er wel voldoende aan voorlichting is gedaan. In dit verband refereerde de staatssecretaris aan de conclusie van de Nationale Ombudsman die naar aanleiding van een bij hem gedeponeerde klacht over die voorlichting, heeft geconcludeerd dat er door de overheid voldoende inspanningen zijn geleverd op het gebied van de voorlichting.

Ruim 2,5 miljoen werknemers zijn aangesloten bij een pensioenfonds dat een ANW-hiaatdekkingsregeling kent die verplicht is voor alle deelnemers. Voorts is ruim 1 miljoen werknemers aangeboden om deel te nemen aan een vrijwillige ANW-hiaatdekkingsregeling bij pensioenfondsen, waarop ruim 300.000 mensen zijn ingegaan. Ongeveer
400.000 à 500.000 personen hebben een ANW-hiaatverzekering bij een verzekeraar. In circa 23.000 gevallen betreft dit individuele ANW-hiaatverzekeringen. Vooral dat laatste is een opmerkelijk cijfer dat op twee oorzaken zou kunnen wijzen. Ofwel dat er betrekkelijk weinig belangstelling is voor een dergelijke verzekering ofwel dat de problematiek onvoldoende doorgedrongen is tot de mensen. De staatssecretaris sloot niet uit dat het een mengeling is van beide. Gehoord overigens de brede wens van de Kamer om meer aan voorlichting te doen, sprak hij de bereidheid uit om op dit punt nog eens een uitgebreide slag te slaan. Een goede aanleiding hiervoor is de intensieve voorlichtingscampagne die zal worden gehouden in het kader van het wetsvoorstel met betrekking tot artikel 2b Pensioen- en spaarfondsenwet dat binnenkort in de Kamer aan de orde komt en die ook ziet op het nabestaandenpensioen. In die campagne kunnen dan ook de ANW en de nabestaandenvoorzieningen nog eens in den brede onder de aandacht van de bevolking worden gebracht.

De vraag van de heer De Wit inzake de vermogenstoets in relatie tot de gevallen die zich niet kunnen verzekeren en terugvallen op bijstandsniveau waardoor ze hun huis moeten opeten, raakt de kern van de wet zelve. De staatssecretaris zag op dit punt dan ook geen ruimte om tot andere voorstellen te komen.

Wanneer een waarborgfonds wordt opgezet en er niet uitgegaan wordt van een tijdelijke opzet, komt het grote gevaar van risicoselectie om de hoek kijken, in de zin dat mensen er te zeer op zullen vertrouwen dat hun niets zal overkomen en ze zich derhalve niet bijverzekeren met als eventueel vangnet dat waarborgfonds. Dat is ook precies de reden geweest waarom in de WAO de waarborgregeling een tijdelijke is geweest voor bestaande gevallen.

Gelet op de aard van de ANW, de graad van deelneming aan de overgangsregeling, het feitelijk bijverzekergedrag van de bevolking en het gegeven dat slechts 3% van de mensen die zich aanmelden bij verzekeraars niet op standaardvoorwaarden verzekerd kunnen worden, meende de staatssecretaris resumerend tot de conclusie te moeten komen dat in dezen niet sprake is van een groot en zwaar probleem van onverzekerbaarheid.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Schimmel (D66) verzocht met klem de staatssecretaris, hoewel deze op basis van de inventarisatie van de omvang van de problematiek er zelf schijnbaar al voor heeft gekozen om er niet meer met het Verbond van verzekeraars verder over te praten, die dialoog wel degelijk voort te zetten, juist om te identificeren waar de problemen daadwerkelijk het grootst zijn.

Mevrouw Kalsbeek (PvdA) benadrukte dat de kern van het probleem is dat er ongelijke kansen tussen mensen zijn, terwijl de oorzaken die daarbij een rol spelen, buiten de schuld van de desbetreffende personen liggen die er slachtoffer van worden, hetgeen eigenlijk onverteerbaar is. In dat licht vroeg zij de staatssecretaris nog een uiterste poging te doen om de mogelijkheden en moeilijkheden die er met name zijn in de sfeer van de aanvullende particuliere verzekeringen nog eens overzichtelijk in kaart te brengen in een notitie voor de Kamer.

De heer De Wit (SP) meende dat gelet op het feit nog steeds ruim 1 miljoen werknemers nog niet verzekerd zijn voor het ANW-hiaat en het aantal uitsluitingen om gezondheidsredenen 3% van het aantal individuele ANW-hiaatverzekeringen omvat, zijnde naar schatting 15.000 huishoudens, geconstateerd kan worden dat de werking van de ANW op dit punt aantoonbaar beperkt is. Daarbij komt dat mensen die nu nog onder de ANW vallen, op termijn om een aantal redenen daarvoor niet meer in aanmerking kunnen komen, zoals degenen die bij een ander pensioenfonds terechtkomen en vanwege hun leeftijd of gezondheid niet meer verzekerd kunnen worden. Er is hierbij dus wel degelijk sprake van een gat in de wet dat hoognodig gedicht moet worden, waarbij in eerste instantie gedacht zou kunnen worden aan een waarborgfonds of een andere voorziening waarop betrokkenen in die specifieke gevallen aanspraak zouden kunnen maken.

De heer Van Dijke (RPF) was nog benieuwd te vernemen of de marginale omvang van de onverzekerbaarheid, waarvan de staatssecretaris in zijn brief van 16 november 1999 sprak, zodanig van aard is dat de gevallen individueel te traceren zijn. Bestaan er gevallen op basis waarvan de staatssecretaris zou kunnen concluderen dat wanneer die omvangrijker in aantal zouden zijn, verdere actie noodzakelijk is? Wanneer is er voor hem sprake van een probleem, ook al is het marginaal, dat wel het predikaat schrijnend mag dragen en dat via een eventuele hardheidsregeling of anderszins opgelost moet worden?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD) sloot zich aan bij het verzoek van mevrouw Kalsbeek om een nadere notitie.

Juist waar mevrouw Snijder groot belang hechtte aan goede voorlichting in dezen, was zij dankbaar voor de toezegging van de staatssecretaris om hieraan nog eens expliciet aandacht te geven in het kader van de voorlichtingscampagne met betrekking tot de PSW.

Mevrouw Bijleveld-Schouten (CDA) verzocht de staatssecretaris alsnog de mogelijkheden na te gaan van instelling van een waarborgfonds, waarbij zij met name aandacht vroeg voor de eerdergenoemde 3% die er niet in slaagt zich onder standaardvoorwaarden te verzekeren. De mensen die bewust het risico lopen door zich niet te verzekeren maar daartoe wel in de gelegenheid zijn, zouden dan uiteraard van een dergelijk fonds moeten worden uitgesloten.

De heer Van der Staaij (SGP) deelde weliswaar de opvatting van de staatssecretaris over een goede afgrenzing van de onderhavige problematiek, maar meende dat hierbij wel onderscheid moet worden gemaakt tussen het kwantitatieve en het kwalitatieve aspect. Beseft moet worden dat er wel degelijk schrijnende gevallen zijn van mensen die buiten hun schuld met onverzekerbare risico's zijn geconfronteerd. Heeft de staatssecretaris de politieke wil om daaraan iets te doen als blijkt dat voor hen een adequate voorziening te treffen valt en waarbij aan de praktische bezwaren die hij noemt tegemoetgekomen kan worden?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) bleef bij haar pleidooi voor een regeling voor mensen die noodgedwongen niet verzekerd zijn voor het ANW-hiaat, omdat ze simpelweg niet worden toegelaten tot die verzekering. Zij ondersteunde dan ook voluit de verzoeken om de nadere mogelijkheden voor zo'n dergelijke regeling op korte termijn te onderzoeken en om concrete oplossingsrichtingen aan te geven, zodat binnen niet al te lange tijd duidelijkheid kan worden gecreëerd voor de doelgroep.

Ten slotte deed zij de suggestie om de maatschappelijke organisaties die zich met de onderhavige problematiek van de onverzekerbaarheid bezighouden en die veelal directe lijnen hebben met de doelgroep, in te schakelen bij de verdere voorlichting.

De staatssecretaris zegde dit laatste toe.

Gelet op de behoefte vanuit de commissie aan een nader kwalitatief inzicht in de groep van 3% die geen toegang heeft tot particuliere verzekeringen, zegde hij graag toe daarover op zo kort mogelijk termijn, binnen enkele weken, in overleg te treden met het Verbond van verzekeraars. Daarbij zal niet alleen aandacht worden besteed aan de samenstelling van genoemde groep en de aard van de problemen die daarbij aan de orde zijn, maar zal, zonder overigens op voorhand verwachtingen te willen wekken, het verbond in neutrale en algemene termen worden gevraagd naar zijn visie op een waarborgfonds, waarbij dan tevens betrokken kunnen worden de ervaringen die zijn opgedaan met het waarborgfonds voor de WAO. Wellicht zal op die manier meer inzicht in de problematiek worden verkregen.

De voorzitter van de commissie,

Terpstra

De voorzitter van de commissie,

Van Dijk


1 Samenstelling:

Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Bijleveld-Schouten (CDA), Kalsbeek (PvdA), Van Zijl (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), Verburg (CDA), Smits (PvdA), Spoelman (PvdA), Van der Staaij (SGP), Örgü (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Balkenende (CDA), Santi (PvdA), De Wit (SP), Wilders (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD)

Plv. leden: Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Dankers (CDA), Hamer (PvdA), Van der Hoek (PvdA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Eisses-Timmerman (CDA), Schoenmakers (PvdA), Middel (PvdA), Van Walsem (D66), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Wagenaar (PvdA), Mosterd (CDA), Oudkerk (PvdA), Marijnissen (SP), De Vries (VVD), Klein Molekamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Kamer onverzekerbare risico's algemene nabestaandenwet '




Lees ook