Ministerie van Financien

Titel: Wederzijdse bijstand met Denemarken



MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING TUSSEN DE BEVOEGDE AUTORITEITEN VAN DENEMARKEN EN NEDERLAND INZAKE DE STROOMLIJNING EN INTENSIVERING VAN WEDERZIJDSE BIJSTAND OP HET GEBIED VAN DIRECTE EN INDIRECTE BELASTINGEN

Memorandum van overeenstemming van 22 februari 1999

De bevoegde autoriteiten van Denemarken en Nederland verklaren,

in aansluiting op de bepalingen van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977, zoals gewijzigd door Richtlijn 79/1070/EEG van de Raad van 6 december 1979 en Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992, betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe en de indirecte belastingen (hierna te noemen de Richtlijn);

en het Verdrag tussen het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 1 juli 1996 (hierna te noemen het Verdrag);

met inachtneming van:

* het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van 25 januari 1988 (hierna te noemen: het WABB-verdrag);


* Richtlijn 76/308/EEG van de Raad van 15 maart 1976 betreffende wederzijdse bijstand tot het innen van vorderingen voortvloeiend uit operaties die deel uitmaken van het financieringssysteem van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw en van agrarische heffingen en douanerechten, alsmede met betrekking tot belasting over de toegevoegde waarde en bepaalde accijnzen;


* Verordening (EEG) Nr. 218/92 van de Raad van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen (BTW);

en

* de wens van beide Staten om de wederzijdse bijstand tussen Denemarken en Nederland te verbeteren en te intensiveren,

als volgt te zijn overeengekomen:

HOOFDSTUK I. VERZOEKEN OM BIJSTAND

Artikel I.1

Verzoeken om bijstand op het gebied van directe en indirecte belasting worden waar mogelijk binnen drie maanden beantwoord door de aangezochte Staat. Aan verzoeken om bijstand inzake de invordering wordt voldaan door de aangezochte Staat, waar mogelijk binnen zes maanden. Aan verzoeken om conservatoire maatregelen worden binnen een maand voldaan. Indien een verzoek niet kan worden beantwoord of indien niet aan een verzoek kan worden voldaan binnen de genoemde termijn, dient de verzoekende Staat daarvan vóór afloop van de termijn in kennis te worden gesteld.

Artikel I.2

Verzoeken om bijstand dienen te worden opgesteld in de Engelse taal of in de taal van de aangezochte Staat, gevolgd door een versie in de Engelse taal. In spoedeisende gevallen mag een verzoek geheel of gedeeltelijk worden opgesteld in de taal van de verzoekende Staat, na overleg tussen de bevoegde autoriteiten.

Artikel I.3

De bevoegde autoriteiten komen een minimumbedrag voor vorderingen overeen waarvoor wederzijdse bijstand bij de invordering zal worden verleend. Zij kunnen overeenkomen dit minimumbedrag te wijzigen.

HOOFDSTUK II. DE AANWEZIGHEID VAN BELASTINGAMBTENAREN VAN DE ENE STAAT OP HET GRONDGEBIED VAN DE ANDERE STAAT

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel II.1

Dit hoofdstuk is gebaseerd op artikel 6 van de Richtlijn, artikel 27 van het Verdrag en artikel 9 van het WABB-verdrag.

Artikel II.2

Een verzoek om de aanwezigheid van belastingambtenaren van de ene Staat bij een onderzoek op het grondgebied van de andere Staat toe te staan, wordt in bijzondere gevallen gedaan. Het gaat hierbij met name om:


a. gevallen waarin indicaties bestaan van grensoverschrijdende onregelmatigheden of fraude;


b. complexe gevallen die de aanwezigheid van de belastingambtenaren wenselijk maken;


c. gevallen waarin termijnoverschrijding dreigt en waarin de aanwezigheid van de belastingambtenaren het onderzoek kan bespoedigen;


d. onderzoeken in het kader van een overeengekomen bilateraal of multilateraal onderzoek, met inbegrip van gelijktijdige belastingonderzoeken.

Artikel II.3

De bevoegde autoriteiten kunnen besluiten de aanwezigheid van belastingambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat toe te staan in gevallen waarin de stukken van een belastingplichtige zich in de andere Staat bevinden en waarin de belastingplichtige om de aanwezigheid van de belastingambtenaren verzoekt, en de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat instemt met het verzoek van de belastingplichtige.

De bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat voegt een kopie van de aanvraag van de belastingplichtige bij het verzoek. De artikelen II.6 en II.13 zijn van toepassing. De aangezochte Staat kan nadere voorwaarden stellen met betrekking tot de aanwezigheid van de belastingambtenaren.

Artikel II.4

De bevoegde autoriteiten kunnen besluiten de aanwezigheid van belastingambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat toe te staan in andere gevallen dan bedoeld in de artikelen II.2 en II.3.

Artikel II.5

Indien een verzoek wordt ingewilligd, is dit met dien verstande dat de verzoekende Staat in soortgelijke omstandigheden belastingambtenaren van de aangezochte Staat zou toelaten.

VOORWAARDEN VOOR HET INDIENEN VAN EEN VERZOEK

Artikel II.6

Een verzoek tot aanwezigheid van belastingambtenaren wordt schriftelijk ingediend door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat en maakt deel uit van een verzoek tot het instellen van een onderzoek. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat neemt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek, een beslissing over het verzoek.

De aangezochte Staat kan het verzoek slechts afwijzen na overleg met de verzoekende Staat en onder opgave van de redenen van deze beslissing.

Artikel II.7

Het verzoek dient een motivering voor de noodzaak van de aanwezigheid van de belastingambtenaren te bevatten en dient te vermelden welke stappen de verzoekende Staat heeft genomen om de benodigde informatie te verkrijgen.

HET ONDERZOEK EN HET VERSTREKKEN VAN INFORMATIE

Artikel II.8

Indien het verzoek wordt ingewilligd, stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk in kennis van het tijdstip en de plaats van het onderzoek en de autoriteit of de ambtenaar die is aangewezen om het onderzoek uit te voeren.

Artikel II.9

Het onderzoek wordt uitsluitend verricht door belastingambtenaren van de aangezochte Staat. De bezoekende ambtenaren zijn bevoegd aanwezig te zijn bij een onderzoek ingesteld overeenkomstig het verzoek om inlichtingen. De bezoekende ambtenaren dienen daarbij de wetgeving van de aangezochte Staat te eerbiedigen.

Artikel II.10

De bezoekende belastingambtenaren mogen slechts aanwezig zijn bij die onderdelen van het onderzoek in de aangezochte Staat die voor het onderzoek in de verzoekende Staat van belang zijn.

Artikel II.11

De bezoekende belastingambtenaren mogen geen beslissingen nemen over vragen aangaande het onderzoek in de aangezochte Staat, maar zij kunnen met betrekking tot dergelijke vragen voorstellen doen aan de autoriteit of ambtenaar die is aangewezen voor de uitvoering van het onderzoek. Een beslissing over deze voorstellen moet worden genomen door de betrokken autoriteit of ambtenaar.

Artikel II.12

Aan de bezoekende belastingambtenaren wordt op verzoek inzage verleend in documenten die voor het onderzoek in de verzoekende Staat van belang zijn. De bezoekende ambtenaren kunnen op verzoek kopieën van deze documenten ontvangen.

De verzoekende Staat mag de door zijn belastingambtenaren tijdens het onderzoek verkregen informatie niet gebruiken voordat deze door de bevoegde autoriteiten van aangezochte Staat is verstrekt, in overeenstemming met de nationale wetgeving van de Staat die de gegevens verstrekt.

LEGITIMATIE

Artikel II.13

Belastingambtenaren die op het grondgebied van de andere Staat aanwezig zullen zijn, worden hiertoe expliciet aangewezen en dragen een officiële machtiging bij zich waaruit blijkt dat zij optreden namens de verzoekende Staat.

HOOFDSTUK III. DE AUTOMATISCHE UITWISSELING VAN GEGEVENS EN INTENSIVERING VAN DE SPONTANE UITWISSELING VAN GEGEVENS

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel III.1

De bevoegde autoriteiten van Denemarken en Nederland verstrekken elkaar automatisch de beschikbare gegevens genoemd in artikel III.2 op grond van artikel 3 en artikel 9 van de Richtlijn, artikel 27 van het Verdrag en artikel 6 van het WABB-verdrag en in overeenstemming met het volgende.

De bevoegde autoriteiten intensiveren de spontane uitwisseling van gegevens genoemd in artikel III.3 op grond van artikel 4 en artikel 9 van de Richtlijn, artikel 27 van het Verdrag en artikel 7 van het WABB-verdrag.

B. AUTOMATISCHE UITWISSELING VAN GEGEVENS

Artikel III.2

De bevoegde autoriteiten verstrekken elkaar automatisch gegevens met betrekking tot de hierna volgende inkomsten en/of gegevens:


b. inkomsten bestaande uit lonen, salarissen en soortgelijke beloningen als bedoeld in de artikelen 15, 19 en 24 van het Verdrag;


c. pensioenen, soortgelijke uitkeringen en lijfrenten als bedoeld in de artikelen 18 en 19 van het Verdrag;


d. inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars als bedoeld in artikel 17 van het Verdrag;


e. directeursbeloningen of andere beloningen als bedoeld in artikel 16 van het Verdrag;


f. vergoedingen als bedoeld in artikel 12 van het Verdrag voor het gebruik van, of het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap, waaronder begrepen bioscoopfilms en beeld- of geluidsbanden voor radio- of televisie-uitzendingen;


g. inkomsten uit en het bezit van onroerende zaken als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag;


h. teruggaven van belasting over de toegevoegde waarde, verkregen op grond van de toepassing van Richtlijn 79/1072/EEG van de Raad van 6 december 1979;


i. een wijziging in de identificatiegegevens, bijvoorbeeld het adres, met inbegrip van de zetel of het hoofdkantoor van lichamen, indien een persoon van een van de Staten verhuist naar een andere Staat.

B: INTENSIVERING VAN DE SPONTANE UITWISSELING VAN GEGEVENS

Artikel III.3

In het kader van dit hoofdstuk wordt tevens overeengekomen dat de spontane uitwisseling van inlichtingen inzake directe en indirecte belastingen wordt geïntensiveerd. Dit geldt met name voor de volgende categorieën van inkomsten: commissies, honoraria, courtages en andere beloningen betaald aan natuurlijke personen of lichamen.

VOORWAARDEN VOOR DE UITWISSELING VAN INLICHTINGEN

Artikel III.4

Indien mocht blijken dat de verstrekte inlichtingen onjuist of onvolledig zijn, dient de bevoegde autoriteit dit zo spoedig mogelijk kenbaar te maken. Hetzelfde geldt voor technische fouten of problemen bij het converteren van de verstrekte gegevens.

Artikel III.5

De in artikel III.2 bedoelde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk periodiek, maar in elk geval na de beëindiging van ieder kalenderjaar verstrekt.

Artikel III.6

Hoofdstuk III van dit Memorandum van overeenstemming is van toepassing op inlichtingen betreffende inkomsten, vermogensbestanddelen en teruggaven van belasting over de toegevoegde waarde vanaf het kalenderjaar 1998.

HOOFDSTUK IV. MODALITEITEN

Artikel IV.1

De bepalingen van de Richtlijn, het Verdrag en het WABB-verdrag zijn van toepassing met betrekking tot de geheimhouding en de begrenzingen van de uitwisseling van inlichtingen.

Artikel IV.2

De inlichtingen als bedoeld in artikel III.2 van dit Memorandum van overeenstemming worden waar mogelijk elektronisch, in het standaard OESO opmaakformaat (meest recente versie), of op papier verstrekt.

De uit te wisselen inlichtingen bevatten, indien beschikbaar, tevens de fiscale nummers, BTW-nummers en/of geboortedata. Dit heeft betrekking op nummers die afkomstig zijn uit beide Staten.

Artikel IV.3

De verzoeken om bijstand en de uit te wisselen inlichtingen dienen te worden gezonden aan:

In Denemarken:

Ministry of Taxation

Central Customs and Tax Administration

PO Box 2760

Østbanegade 123

DK-2100 Copenhagen Ø

In Nederland:

Belastingdienst/FIOD/Centrale Vestiging Informatie

Team Internationaal

Postbus 1603

2003 BR Haarlem

HOOFDSTUK V. INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL

Artikel V.1

Dit Memorandum van overeenstemming treedt in werking op de laatste datum van ondertekening door de bevoegde autoriteit in Denemarken en in Nederland.

De Staten zorgen voor de vereiste bekendmaking van dit Memorandum.

Artikel V.2

De bevoegde autoriteiten komen overeen bijeen te komen om dit Memorandum van overeenstemming te herzien na het verstrijken van een periode van drie jaar gerekend vanaf de datum van zijn inwerkingtreding, tenzij zij elkaar schriftelijk mededelen dat herziening niet noodzakelijk is. Vragen betreffende herziening kunnen echter te allen tijde op verzoek van een van de bevoegde autoriteiten in behandeling worden genomen.

Artikel V.3

Dit Memorandum van overeenstemming wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Het kan worden beëindigd door een schriftelijke kennisgeving door één van de bevoegde autoriteiten en houdt zes maanden na ontvangst van deze kennisgeving op van kracht te zijn.

Artikel V.4

Dit Memorandum van overeenstemming kan worden aangehaald als het Memorandum van overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van Denemarken en Nederland inzake de stroomlijning en intensivering van wederzijdse bijstand ten behoeve van directe en indirecte belastingen .

Aldus in tweevoud opgemaakt in de Engelse, Nederlandse en Deense taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

De bevoegde autoriteit De bevoegde autoriteit

voor Nederland voor Denemarken

_____________________________ __________________________________

Handtekening Datum Handtekening Datum

De directeur-generaal der Belastingen Director General for the Central Customs

and Tax Administration

J.N. van Lunteren Frantz Howitz

_______________________________

Handtekening Datum

De directeur-generaal voor Fiscale Zaken

D.E. Witteveen

Deel: ' Kamer overeenstemming internationale bijstand belasting '




Lees ook