Tweede Kamer der Staten Generaal

aanh9900.625 privatisering van busbedrijven

Gemaakt: 16-2-2000 tijd: 15:47


2

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


15 februari 2000

Hierbij doe ik u toekomen de antwoorden op de vragen gesteld door het lid Leers, met betrekking tot de privatisering van busbedrijven in Noord-Nederland.


1. Wat is uw oordeel over de conclusies die bestuurders in de drie noordelijke provincies trekken over de totale mislukking van de beoogde marktwerking in het openbaar vervoer en de privatisering van de busbedrijven.

In uw vraagstelling gaat u ervan uit dat er reeds sprake is van marktwerking. Dit is echter niet het geval. Met de huidige wet- en regelgeving is het nog niet mogelijk om het openbaar vervoer via een procedure van openbare aanbesteding te laten plaatsvinden. Daarvoor is de inwerkingtreding van de in de Kamer voorliggende Wet personenvervoer 2000 nodig.

In feite gaat het nu derhalve om afspraken die gemaakt worden tussen de noordelijke provincies en de onderneming ARRIVA, waarbij gebruik wordt gemaakt van

prestatie-contracten. De mogelijkheid om ARRIVA door middel van marktwerking onder druk te zetten ontbreekt hierbij vooralsnog.

Over de mate van tevredenheid van de bestuurders met betrekking tot de samenwerking met ARRIVA schijnen de meningen te verschillen. Voorzover de kwaliteit van de dienstverlening achteruit is gegaan, lijkt dit met name te maken te hebben met de tijdelijke gevolgen van de doorgevoerde reorganisatie. Het is echter niet aan mij om specifieke uitspraken te doen over de beoordeling van een vervoerder door bestuurders van decentrale overheden. Hiervoor verwijs ik u gaarne door naar de direct

betrokkenen.


2. Hoe kijkt u tegen de bewering dat «het Britse busbedrijf praktisch een monopolie

in handen heeft en dat de commerciële inzet niet resulteert in een meer klant-vriendelijke benadering maar er eerder sprake is van een winstmaximalisatie en pure financiële dealen»? Welke conclusies verbindt u hieraan voor zowel de verdere gang van zaken in de noordelijke provincies als de beoogde introducties van de marktwerking in andere provincies?

Op dit moment is op de markt voor busvervoer in Noord-Nederland nog sprake van een regionaal monopolie, maar dit geldt voor de gehele Nederlandse markt voor stads- en streekvervoer. Voor het creëren van een beter toegankelijke markt is de invoering van de systematiek van openbare aanbesteding en dus de inwerkingtreding van de Wet personenvervoer 2000 nodig. De totstandkoming van een klantvriendelijke benadering is daarna met name afhankelijk van de afspraken tussen de verantwoordelijke decentrale overheden en de vervoerder, of dit nu gaat om ARRIVA of bijvoorbeeld Connexxion. Na de introductie van marktwerking zullen vooral die vervoerders kans maken die daadwerkelijk kwaliteit bieden. De voornaamste conclusies die ik verbind aan de huidige situatie in Noord-Nederland is dan ook dat het van

essentieel belang is dat de invoering van openbare aanbesteding in het openbaar vervoer zo spoedig mogelijk plaatsvindt, teneinde een open markt te creëren.


3. Welke mogelijkheden ziet u om de ontstane monopoliepositie te doorbreken en alsnog een kwalitatief beter, meer klantgericht vervoer te bewerkstelligen?

Ik verwijs u hiervoor naar de antwoorden op de vragen 1 en 2. Allereerst gaat het daarbij om een snelle behandeling van het wetsvoorstel Personenvervoer 2000 door de Staten-Generaal.

DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

T. Netelenbos

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Kamerantwoorden over privatisering van busbedrijven '




Lees ook