Tweede Kamer der Staten Generaal


26675000.005 verslag wet conflictenrecht afstamming
Gemaakt: 17-2-2000 tijd: 11:6


26675 Regeling van het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (Wet conflictenrecht afstamming)
Nr. 5 VERSLAG Vastgesteld 8 december 1999 De vaste commissie voor Justitie 1), belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid. I. ALGEMEEN 1. Inleiding De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Met de regering zijn zij van mening dat er eenduidigheid dient te bestaan over de vraag welk rechtsregime van toepassing is bij het vaststellen van de familierechtelijke betrekking tussen vader en/of moeder en het kind. In de memorie van toelichting wordt regelmatige verwezen naar adviezen van de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht en de Permanente Commissie van advies voor de zaken van burgerlijke stand en voor
nationaliteitsaangelegenheden. Deze adviezen dateren van respectievelijk 30 november 1990 en 18 januari 1989. Deze leden vernemen graag van de regering in hoeverre voornoemde adviezen gezien hun leeftijd nog voldoende actueel zijn. Deze leden vragen in hoeverre de huidige rechtsontwikkeling na tien jaar (nog) strookt met de met de inhoud van deze twee adviezen. De regering noemt het wegnemen van de onzekerheid bij de ambtenaren van de burgerlijke stand en de daarmee gepaard gaande ontlasting van de rechtspraak als aanleiding voor dit wetsvoorstel. Kan de regering aan deze leden aangeven hoeveel zaken betreffende het conflictenrecht bij afstammingsvraagstukken aan de rechter worden voorgelegd? Hoe groot wordt de afname van het aantal rechtszaken door de regering ingeschat? De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van onderliggend wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven de noodzaak van codificatie, indien er sprake is van rechtsonzekerheid voor betrokkenen en de ambtenaar van de burgerlijke stand en een daarmee samenhangende belasting van de rechtsspraak. Graag zouden de leden van de VVD-fractie een indicatie willen hebben van het aantal gevoerde en aanhangige zaken op dit rechtsgebied in de afgelopen 5 jaar. Kan de regering schetsen welke rechtsvragen het vaakst tot processen leiden? De leden van de CDA-fractie hebben met interesse en tevredenheid kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel, de daarbij behorende memorie van toelichting en het advies van de Raad van State. Zij stellen vast dat het hier een regeling met een puur juridisch-technisch karakter betreft, te weten het eenduidig vaststellen welk recht in voorkomende gevallen van familierechtelijke conflicten uit hoofde van afstamming dominant is. Kortom een kwestie die met het oog op het zorgvuldig functioneren van onze rechtspraak en Burgerlijke Stand, dringend regeling behoeft. Toch voelen de leden van de CDA-fractie de behoefte om een aantal vragen te stellen en enige kantteke-nin-gen te plaatsen. De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel conflictenrecht afstamming, dat onderdeel is van de codificatie van het internationaal privaatrecht. Deze leden vragen of het wetsvoorstel niet aangepast dient te worden, nadat het wetsvoorstel adoptie door personen van hetzelfde geslacht (26 673) in werking is getreden. Waarom is er geen rekening gehouden met (ook in het buitenland) geldende rechtsregels omtrent
partnerschapsregistratie? 2. Uitgangspunten van het wetsvoorstel De internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand heeft enkele belangrijke onderdelen van het afstammingsrecht in overeenkomsten neergelegd, waarvan er twee voor Nederland zijn bekrachtigd en in werking zijn getreden. Het betreft de Overeenkomst van Brussel van 12 september 1962 en de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970. Daarnaast is er de Overeenkomst van München (5 september 1980) die nog niet in werking is getreden. De leden van de PvdA-fractie vragen of het onderhavige wetvoorstel strijdigheden kent met de overeenkomsten van Brussel en Rome. In hoeverre wordt de duidelijkheid in de regelgeving in de hand gespeeld, wanneer naast onderhavige wetsvoorstel ook nog de genoemde overeenkomsten van Brussel en Rome van kracht zijn. Ziet de regering aanleiding om deze overeenkomsten na eventuele vaststelling van dit wetsvoorstel op te zeggen? Op verschillende plaatsen in de toelichting wordt verwezen naar het niet langer van kracht zijnde Eenvormige Beneluxwet en de Wet Algemene Bepalingen (Wet A.B.) De ene keer ontleent de regering gezag aan bepaalde artikelen terwijl de andere keer passages als verouderd worden afgedaan. Kan de regering deze leden inzicht geven in de wijze waarop zij deze uiteenlopende benaderingen vorm heeft gegeven? Tijdens de top in Tampere is gesproken over harmonisatie van regelgeving. Zo is een van de voornemens om een programma van maatregelen vast te stellen dat leidt tot wederzijdse erkenning van gerechtelijke uitspraken door de EU-lidstaten. In hoeverre past dit wetsvoorstel in voornoemd voornemen? Betekent aanname van dit wetsvoorstel dat we op een lijn zitten met de andere EU-landen? De leden van de PvdA-fractie wensen op te merken dat de hanteerbaarheid van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zeer gediend zouden zijn met de opname van enige praktijkvoorbeelden. Bij eerste lezing van de memorie van toelichting valt het de leden van de VVD-fractie ogenblikkelijk op, dat in de Europese landen op heel verschillende wijze met de rechtsvragen omtrent het ontstaan en tenietgaan van familierechtelijke betrekkingen wordt omgegaan. Zijn er in Europees verband serieuze pogingen gedaan om op dit gebied tot harmonisatie te komen? Waarop lopen de pogingen om tot eenheid van verwijzingsregels en recht te komen stuk? Vindt er momenteel nog op communautair of multilateraal niveau overleg plaats om tot (verdere) harmonisatie te komen? Hoe liggen de verhoudingen wereldwijd op het gebied van het nationaliteits- of woonplaatsbeginsel, personele recht van ouders en/of kind? In hoeverre spelen in deze kwesties de ontvankelijkheidvragen en geschillen een rol, indien betrokkenen verschillende nationaliteiten bezitten? De leden van de VVD-fractie vragen de regering of met dit wetsvoorstel het internationaal privaatrecht met betrekking tot het afstammingsrecht voor de Nederlandse rechtsorde volledig gedekt is, met andere woorden, zijn de verwijzingsregels compleet. Ook de leden van de VVD-fractie zouden aan de hand van voorbeelden graag uitleg krijgen over de toepassing en uitwerking van de afzonderlijke artikelen van het wetsvoorstel, waarbij aangegeven wordt wat het eventuele verschil zal zijn met de huidige rechtspraktijk. De leden van de CDA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting een pleidooi wordt gehouden voor het primair hanteren van de nationaliteit als aanknopingspunt met betrekking tot familierech-telijke conflicten uit hoofde van afstamming, boven zaken als het gewone gemeenschappelijke land van verblijf van de ouders of die van het kind. Echter in diezelfde memorie van toelichting wordt betoogd dat nationaliteit als uitgangspunt steeds meer aan geldingskracht inboet als gevolg van, onder andere, de veelvuldig voorkomende dubbele nationaliteiten en het verblijf in landen waarvan men de nationaliteit, hetzij niet, hetzij ook bezit. Wordt op deze wijze niet de bijl aan de wortel van de voorgestelde wetgeving gelegd, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zal in de nabije toekomst het probleem van het conflictenrecht met betrekking tot de afstamming niet opnieuw ontstaan, gezien onze multiculturele samenleving en de toenemende mobiliteit van mensen? Is niet, vanuit het oogpunt van praktisch gemak en duidelijkheid, al te lichtvaardig voor de nationaliteit als primair aanknopingspunt gekozen? Uit de memorie van toelichting maken de leden van de CDA-fractie tevens op dat de ons omringende landen, zoals Duitsland, Frankrijk, Italië en Zwitserland met betrekking tot de eerder genoemde aanknopingspunten, andere keuzen maken en andere prioriteiten stellen dan verwoord in het onderhavige wetsvoorstel. Waarom wordt in het wetsvoorstel geen aansluiting gezocht bij de systemen van onze grote buren, zo vragen deze leden. Zijn er, of worden er pogingen ondernomen om tot een uniforme Europese regelgeving te komen? Zo ja, kan de regering dan aangeven hoever het hiermee staat en of het dan nog wel zin heeft om met een aparte Nederlandse regelgeving te komen? Zo nee, kan de regering dan toelichten waarom er niet wordt gepoogd om tot een uniforme Europese regelgeving te komen? II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 Het eerste artikel van het wetsvoorstel bespreekt de familierechtelijke betrekkingen door geboorte uit gehuwde ouders. Als uitgangspunt wordt hierbij een voor partijen gemeenschappelijke aanknoping gezocht. Hierbij is niet uitsluitend gekozen voor aanknoping aan het personele recht van het kind, omdat dit volgens de memorie van toelichting neer zou kunnen komen op toepassing van een recht waarmee de ouders niet of nauwelijks verbonden zijn. Kan de regering een duidelijke definitie geven van het begrip «gemeenschappelijke gewone verblijfplaats»? Acht de regering het wenselijk om ter wille van de duidelijkheid een dergelijke definitie op te nemen in de wet? De leden van de VVD-fractie zouden graag inzicht willen hebben in welke landen in Europa, net als Nederland, primair het gemeenschappelijke nationale recht van de ouders als aanknopingsfactor hanteren. Welke landen geven daarentegen de voorkeur aan het gewone verblijfplaatsbeginsel? Waarom nemen sommige landen wel het personele recht van het kind als uitgangspunt, in tegenstelling tot de Nederlandse keuze voor het personele recht van de ouders? Deze leden verzoeken om enige voorbeelden ter verduidelijking van de verschillen in toepassing en gevolgen. Is er een verschil in uitleg en gevolg tussen gewone verblijfplaats en gewone verblijfstaat? De leden van de CDA-fractie merken op dat in het eerste artikel slechts wordt gesproken over gehuwde, of gehuwd geweest zijnde, ouders. Kan de regering aangeven hoe, met betrekking tot dit artikel, met het geregistreerd partnerschap wordt omgegaan? Heeft in deze het geregistreerd partnerschap dezelfde status als het huwelijk en zo ja, moet dat dan ook niet in het onderhavige wetsvoorstel tot uitdrukking komen? Eerder reeds constateerden de leden van de CDA-fractie dat in het wetsvoorstel de nationaliteit van de ouders het primaire aanknopingspunt is voor het vaststellen van welk recht er met betrekking tot het conflicten-recht inzake afstamming behoort te worden toegepast en dat de gewone gemeenschappelijke verblijfplaats van de ouders en het kind hierbij van subsidiair belang worden geacht. Kan de regering toelichten waarom in het wetsvoorstel niet (zichtbaar) is stilgestaan bij de mogelijkheid om de nationaliteit of gewone verblijfplaats van eventuele verzorgers of voogden van een kind als aanknopingsfactor te hanteren? Vaak zal immers, wanneer een kind niet bij zijn ouders verblijft, de zorg aan grootouders, ooms of tantes worden toever-trouwd. Is het in dergelijke gevallen niet beter om aan te sluiten bij het recht dat op deze «plaatsvervangende ouders» van toepassing is, in plaats van bij het recht van het land van de gewone verblijfplaats van het kind? Welke waarde hecht de regering aan de kritische bijdrage van A.P.J.M. Vonken in WPNR 1993 (6108), waarin hij stelt dat het wetsvoorstel nauwelijks op het huidige recht inzake de afstamming voortborduurt, vragen de leden van de D66-fractie.

Bij de vraag naar het al of niet ontstaan van familierechtelijke betrekkingen door geboorte geldt primair het gemeenschappelijke nationale recht van de ouders. In de memorie van toelichting valt te lezen dat, indien een gemeenschappelijk nationaal recht ontbreekt, het recht van de staat van de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de ouders van toepasselijk is. Beide ouders moeten in dezelfde staat een gewone verblijfplaats hebben. Het is niet nodig dat de gewone verblijfplaats van de ouders dezelfde is. Voldoende is als de gewone verblijfplaats in dezelfde staat ligt. Duidelijker is het naar de mening van de leden van de fractie van D66 indien het begrip «gewone verblijfplaats» als definitiebepaling in de wet zelf wordt opgenomen. Artikel 2 In artikel 2 wordt de ontkenning van het vaderschap besproken. Dit artikel biedt zogenaamde «alternatieve aanknopingspunten». De regering stelt dat zij rekening heeft gehouden met het commentaar van Vonken. Tegen de keuze van alternatieve aanknopingspunten heeft Vonken echter ernstige bedenkingen. Kan de regering de leden van de PvdA-fractie inzicht geven in haar drijfredenen om in dit opzicht af te wijken van de visie van Vonken. De leden van de VVD-fractie merken op dat bij de gerechtelijke ontkenning van het vaderschap een favoriserend element is ingebouwd, ter wille van «het belang van het kind». Zijn er in de praktijk conflicten met betrekking tot het favor-beginsel, bijvoorbeeld als ouders een van elkaar afwijkende mening hebben over wat in het belang van het kind is? Is de ambtenaar van de burgerlijke stand bevoegd om, in geval van buitengerechtelijke ontkenning, als eerste over deze belangenafweging een oordeel te geven en te bemiddelen bij uiteenlopende meningen of zal altijd naar de rechter moeten worden uitgeweken? Deze leden begrijpen de motivatie van de regering niet goed, waarom besloten is het Nederlands recht expliciet te noemen in artikel 2 lid 2. Wanneer zou zich een rechtszaak in Nederland kunnen voordoen waarbij niet al een van aangewezen rechtsstelsels het Nederlands recht is? De toevoeging «of het Nederlands recht» maakt op de leden van de VVD-fractie de indruk van een vreemde eend in de bijt en lijkt niet in lijn met de overige artikelen. Graag zouden zij een nadere toelichting van de regering krijgen. In de memorie van toelichting wordt voorgesteld een rechtskeuze met een favor-karakter te introduceren bij het verbreken van de wettige afstammingsband. De leden van de fractie van D66 vragen naar de inconsequentie van de keuze om een favoriserend element bij gerechtelijke ontkenning van het vaderschap te introduceren, terwijl dit niet geldt voor de vestiging van de wettige afstammingsband. Kan de regering hier nader op ingaan? Voorwaarde voor de afwijking van de hoofdregel van het eerste lid is, dat het belang van het kind door de ontkenning wordt gediend. De rechter zal de aanwezigheid van het belang van het kind ambtshalve moeten onderzoeken. Welke mogelijkheden heeft de rechter in de praktijk om het belang van het kind op een gedegen wijze ambtshalve te onderzoeken? Volgens de regering is er aanleiding om ook in internationale gevallen te voorzien in de mogelijkheid om zonder rechterlijke interventie het vaderschap te ontkennen. Vervolgens valt te lezen dat internationale gevallen per definitie gecompliceerd zijn en dat de ambtenaar van de burgerlijke stand niet geëquipeerd is om de opportuniteit van een ontkenning te beoordelen. Slechts in uitzonderlijke situaties is derhalve een buitengerechtelijke ontkenning mogelijk. In andere gevallen is de gang naar de rechter mogelijk. Is dit niet een te vrijblijvende zinsnede? De leden van de fractie van D66 vragen of in deze gevallen de gang naar de rechter gewenst is, mede gelet op de gecompliceerdheid en de mogelijkheden van de ambtenaren van de burgerlijke stand. Brengt de recente ontwikkeling rond DNA-onderzoek een verandering van standpunt met zich? Artikel 3 Het eerste lid van artikel 3 bepaalt dat een familierechtelijke betrekking tussen een vrouw en het buiten huwelijk uit haar geboren kind in elk geval ontstaat, indien de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Vonken adviseert om een regel op te stellen die de buitenlandse moeder de faciliteit biedt haar kind overeenkomstig haar nationale recht met familierechtelijk gevolg te erkennen. De leden van de PvdA-fractie vernemen graag de visie van de regering op dit standpunt van Vonken. Ter verduidelijking van de twee zinnen in het eerste lid zien deze leden graag enkele voorbeelden van regeringszijde tegemoet waarin situaties worden geschetst waarin de eerste zin wel, en de tweede zin niet tot het ontstaan van een familierechtelijke betrekking leidt. In het geval dat de vrouw meer dan één nationaliteit heeft hanteert de regering het favor-beginsel. Kan de regering aan de hand van een voorbeeld schetsen welke familierechtelijke betrekking voor een vrouw met meerdere nationaliteiten het meest gunstig is? Moeten de leden van de VVD-fractie de tweede volzin van artikel 3 als volgt begrijpen, dat indien een vrouw ten tijde van de geboorte van haar buiten het huwelijk geboren kind haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, er tussen haar en haar buiten het huwelijk geboren kind door geboorte altijd (in elk geval) een familierechtelijke betrekkingen ontstaat naar Nederlands recht? De verhouding tussen de eerste en tweede zin is deze leden niet helemaal duidelijk. Neem bijvoorbeeld de situatie dat een in Nederland wonende, ongehuwde Turkse vrouw in Nederland een kind baart. Is hier ingevolge lid 1 eerste zin het Turks recht van toepassing op het ontstaan en tenietgaan van de familierechtelijke betrekkingen, of is ingevolge de tweede zin het Nederlands recht van toepassing? De leden van de VVD-fractie vragen tevens hoe rechtens de situatie wordt, indien een ongehuwde Turkse, in Nederland woonachtige draagmoeder, haar in Nederland geboren kind direct na de geboorte afstaat aan de Duitse in Duitsland wonende echte of adoptief moeder? Welk recht is dan van toepassing voor het ontstaan of vestigen van familierechtelijke betrekkingen? De regering verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar artikel 5 lid 2 Eenvormige Beneluxwet. De leden van de D66-fractie stellen dat deze regel nooit ter discussie is gesteld en daarom te beschouwen is als een rechtsbron in het geldende recht. Bedoelde wet is echter niet langer van kracht. Kan de regering aangeven waarom deze wet in het wetsvoorstel de ene keer wordt aangehaald als verouderd en een andere keer, zoals in dit geval, als gezaghebbend? Artikel 3, eerste lid, bepaalt onder andere dat tussen een vrouw en het buiten het huwelijk uit haar geboren kind door geboorte, in elk geval familierechtelijke betrekkingen ontstaan, indien de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De regering beschouwt deze regel als een zodanig fundamentele regel van familierecht, dat zij een duidelijk karakter van openbare orde bezit en daarom rechtstreeks toepasselijk moet zijn op alle situaties die zich in Nederland afspelen. De Zwitserse wetgever heeft er echter uitdrukkelijk vanaf gezien om dit beginsel als een regel van positieve openbare orde te duiden. Een alternatief kan zijn een regel op te stellen die de buitenlandse moeder de faciliteit biedt haar kind overeenkomstig haar nationale recht met familierechtelijk gevolg te erkennen. Kan de regering op beide aspecten reageren? Artikel 4 De erkenning zoals geregeld in artikel 4 wordt primair beheerst door het nationale recht van de man. Vervolgens is gekozen voor een begunstigende regel van subsidiaire aanknopingsmogelijkheden aan respectievelijk, de gewone verblijfplaats van het kind, de nationaliteit van het kind en de gewone verblijfplaats van de man. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarom de nationaliteit van het kind als apart aanknopingspunt wordt genoemd terwijl in de toelichting op artikel 1 een dergelijk aanknopingspunt niet voor de hand ligt. Bij artikel 1 wordt in de memorie van toelichting gesteld dat aanknopen aan het personele recht van het kind zou kunnen neerkomen op toepassing van een recht waaraan de ouders niet of nauwelijks gebonden zijn. Geldt deze redenering niet analoog voor artikel 4, vragen de leden van de VVD-fractie.

De Permanente Commissie heeft in haar advies met betrekking tot de erkenning voor wat betreft de bevoegdheid van de man laten weten dat dit primair beheerst wordt door het nationale recht van de man en subsidiair door het recht van het land waar de man en het kind gewone verblijfplaats hebben. In de memorie van toelichting wordt voor een andere systematiek gekozen. Kan de regering nader aangeven waarom van het advies van de Permanente Commissie is afgeweken? Artikel 5 De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of er een specifieke reden is om in artikel 4 te spreken over «de moeder onderscheidenlijk het kind» en in artikel 5 over «de moeder of het kind». Artikel 6

Bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt in artikel
6 primair uitgegaan van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en moeder, subsidiair hun gemeenschappelijke verblijfplaats en meer subsidiair de verblijfplaats van het kind. De leden van de PvdA-fractie zijn met Vonken van mening dat dit een vreemde constructie is. Immers, wanneer via de rechter het vaderschap vastgesteld dient te worden, zal er niet vaak sprake zijn een hecht bloeiend gezinsleven. Vonken pleit voor aanknoping aan de nationale wet van de man, omdat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap strekt tot het binnentreden van het kind binnen het personeel statuut van de vader. De leden van de PvdA-fractie vernemen graag van de regering waarom zij tot de keuze zijn gekomen zoals verwoord in het wetsvoorstel en waarom bij voorbeeld niet is gekozen om als extra aanknopingspunt de nationaliteit van het kind op te nemen zoals dat bij de erkenning het geval is?

Met betrekking tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap vragen de leden van de D66-fractie of de regering nader kan ingaan op de in het wetsvoorstel gemaakte keuze met betrekking tot het verwijzingssysteem?
Artikel 7 De leden van de VVD-fractie zouden graag de reactie vernemen van de regering over de stelling van Vonken, dat `de voorgestelde regeling voor wettiging niet aansluit bij die voor erkenning, dat deze regeling ingewikkeld is en dat het beter zou zijn de wettiging conform de erkenning te regelen en de Overeenkomst van Rome van 10 september
1970 op te zeggen'. In dit artikel van het wetsvoorstel wordt gesproken over "andere bevoegde autoriteiten" dan de rechter. Welke autoriteiten zouden dat kunnen zijn, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De leden van de D66-fractie vragen of de regering het niet bezwaarlijk acht dat de voorgestelde regeling van wettiging niet aansluit bij die voor de erkenning? Kan de wettiging conform de erkenning worden geregeld?
Artikel 8 De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of er een reden bestaat om in hoofdstuk 4 de inhoud van de familierechtelijke betrekking te behandelen, terwijl artikel 8 (als enige artikel in hoofdstuk 4) de gevolgen daarvan bespreekt? Artikel 9 De leden van de CDA-fractie vragen of uit hetgeen beschreven staat in lid 3 van dit artikel moet worden opgemaakt, dat een beslissing van de Nederlandse rechter altijd doorslaggevend is in afstammings-kwesties en dat de Nederlandse rechter dus de facto, vreemd recht altijd kan overrulen. De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie, Van Heemst De griffier voor dit verslag, Fenijn 1) Samenstelling: Leden Van de Camp (CDA) Biesheuvel (CDA) Swildens-Rozendaal (PvdA) Scheltema-de Nie (D66) Kalsbeek-Jasperse (PvdA) Zijlstra (PvdA) Apostolou (PvdA) Middel (PvdA) Van Heemst (PvdA), voorzitter Dittrich (D66), ondervoorzitter Rabbae (GL) Rouvoet (RPF) Van Oven (PvdA) O.P.G. Vos (VVD) Van Wijmen (CDA) Patijn (VVD) De Wit (SP) Ross-van Dorp (CDA) Niederer (VVD) Nicolaï (VVD) Halsema (GL) Weekers (VVD) Van der Staaij (SGP) Wijn (CDA) Brood (VVD) Plv. leden Balkenende (CDA) Verhagen (CDA) Wagenaar (PvdA) Van Vliet (D66) Arib (PvdA) Duijkers (PvdA) Kuijper (PvdA) Albayrak (PvdA) Barth (PvdA) Hoekema (D66) Karimi (GL) Schutte (GPV) Santi (PvdA) Van den Doel (VVD) Rietkerk (CDA) Rijpstra (VVD) Marijnissen (SP) Buijs (CDA) Van Baalen (VVD) Van Blerck-Woerdman (VVD) Oedayraj Singh Varma (GL) De Vries (VVD) Van Walsem (D66) Eurlings (CDA) Kamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Kamerverslag wet conflictenrecht afstamming '




Lees ook