Tweede Kamer der Staten Generaal

vragen inzake voedselveiligheid

Gemaakt: 28-3-2000 tijd: 13:38

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2000

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bleek er bij onderstaande fracties behoefte te bestaan een aantal vragen ter .............. voor te leggen over de brief van de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Justitie en van de staatssecretarissen van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken van 4 februari 2000 inzake het rapport «Voedselveiligheid: waar borgen en waar zorgen; onderzoek naar het waarborgen van voedselveiligheid»(26
991)

Deze vragen zijn met de door de genoemde bewindspersonen bij brief van

toegezonden ............... hieronder afgedrukt. Vragen PvdA-fractie


1.

Kan een overzicht worden gegeven van de reeds ingevoerde maatregelen die betrekking hebben op de omgang met crises?


2.

Is het HACCP-principe inmiddels reeds geïntroduceerd? Zo nee, op welke termijn wordt e.e.a. verwezenlijkt?


3.

Bent U bereid het rapport Berenschot aan de Kamer te doen toekomen?


4.

Op welke termijn verwacht u dat de EU-richtlijn tot stand gebracht zal zijn?


5.

Is de aangekondigde interdepartementale werkgroep inmiddels ingesteld? Wanneer is het resultaat van diens werkzaamheden te verwachten? Ligt het in het voornemen de aanvullende normstelling reeds tot stand te brengen (repareren) in afwachting van het tot stand komen van de Richtlijn?


6.

Wat betreft het meldsysteem wordt er aangekondigd dat bij de afweging van signalen van voedselonveiligheid naast technische aspecten ook politieke, emotionele en economische overwegingen zullen worden meegewogen. De PvdA-fractie wil dit streven om te komen tot een bredere afweging van signalen nadrukkelijk onderstrepen. Graag zou zij een heldere uiteenzetting willen zien over de precieze invulling hiervan. Hoe wordt bepaald wanneer om emotionele redenen er aanleiding is om in te grijpen? Welke criteria gelden daarbij?


7.

Op welke wijze denkt de regering de gewenste attitudewijziging van de organisatie te verwezenlijken?


8.

Hoe wordt ten aanzien van de meldingsorganisatie, bestaande uit twee meldpunten, één bij VWS en één bij LNV, bewerkstelligd dat binnenkomende signalen op gelijke wijze worden herkend, erkend en doorgeleid naar de centrale plek binnen de meldingsorganisatie? Hoeveel formatieplaatsen zullen worden ingezet, op welke wijze worden medewerkers (extra) opgeleid om signalen te herkennen en waarom zijn de inspecties aangewezen als meldpunten en niet een meer neutrale afdeling binnen de ministeries? Waarom is gekozen voor één meldingsorganisatie, maar niet voor één meldpunt? Waarom wordt voor burgers niet een centraal meldpunt bekend gemaakt, met een duidelijk herkenbaar telefoonnummer. Hoe werkt trouwens in de praktijk de genoemde 24-uurs bereikbaarheid van de meldpunten? Is er in geval van nood altijd directe actie mogelijk? Worden burgers nog (extra) geïnformeerd over de mogelijkheden van melding van potentieel gevaarlijke voedselsituaties?


9.

Op welke manier denkt de regering invulling te geven aan het verbeteren van de communicatie met de consument? Elektronische media worden genoemd als één van de methodes. Komt er een werkgroep die zich specifiek op communicatie en voorlichting zal gaan richten in dit verband? Hebben de betrokken ministeries, gelet op het feit dat er op het gebied van communicatie nog veel verbeterd kan worden, een communicatieplan of voornemens deze te creëren, waarbij ook criteria worden ontwikkeld m.b.t. de vraag welke meningen van het publiek en maatschappelijke organisaties als relevant worden beschouwd t.b.v. het dienen als «voeding» voor beleid?


10.

Berenschot constateert dat de eerste prioriteit van de overheid bij het bewaken van de voedselketen, maar juist ook bij de communicatie (eenduidig informeren) niet bij de consument ligt; dit lijkt een terechte bevinding. Hoe denkt de overheid dit (concreet) te verwezenlijken?


11.

Berenschot constateert dat LNV en VWS de dioxine-affaire adequaat hebben aangepakt. De PvdA-fractie begrijpt deze opmerking niet, gezien in het licht van de gebreken in de interne communicatie bij beide departementen, die overigens ook door Berenschot worden erkend, de erkeningen van beide betrokken bewindspersonen in het parlement dat de aanpak beter had gekund en de nu voorgestelde verbeteringen in de brief. Wil de regering hierop ingaan?


12.

Het rapport wijst uit dat de communicatie tussen Brussel en Den Haag niet altijd even soepel verloopt; dit was onder meer het geval tijdens de dioxinecrisis. Dit kan de beoordeling van de EC over het ingrijpen tijdens een crisis negatief beïnvloeden. Hoe denken de bewindspersonen dit contact te gaan verbeteren?

Vragen VVD-fractie


13.

Het rapport-Scheltema constateerde dat de Nederlandse levensmiddelenwetgeving te complex is en vereenvoudiging behoeft (één levensmiddelenwet). Het rapport-Berenschot concludeert eveneens dat het huidige systeem complex is. De Nederlandse regering deelt die analyse maar geeft wederom aan eerst de eventuele totstandkoming van één Europese richtlijn voor levensmiddelen te willen afwachten alvorens zelf een besluit te nemen over een eventuele herziening van de Nederlandse wetgeving. Wat is de verwachting van de regering ten aanzien van de ontwikkeling van één Europese richtlijn? Hebben de lidstaten hier al overeenstemming over? Zo nee, wat houdt de lidstaten nog verdeeld? Op welke termijn verwacht de regering dat op zijn vroegst overeenstemming over de inhoud van de richtlijn zal bestaan en op welke termijn verwacht de regering dat de richtlijn in werking zou kunnen treden?

Acht de regering het sowieso niet wenselijk - gezien de trage besluitvorming in europees verband - dat tot een opschoning en vereenvoudiging van de huidige nationale regelgeving wordt overgegaan met het oog op doelmatigheid, effectiviteit en overzichtelijkheid?


14.

Op welke termijn zal de interdepartementale werkgroep, die de regelgeving, het toezicht en de controle m.n. rond potentiële risicogebieden in kaart zal brengen, worden ingesteld en op welke termijn zullen de resultaten hiervan aan de Tweede Kamer worden aangeboden?


15.

Op welke wijze wordt het veld (consumenten, industrie, handel en productschappen) op de hoogte gebracht van de bevindingen van het onderzoek van de interdepartementale werkgroep en de eventueel daaruit voortvloeiende aanvullende normstelling?

Wat is het standpunt van de regering op de aanbeveling van Berenschot om de productaansprakelijkheidsregeling in het burgerlijk wetboek uit te breiden tot voortbrengers van primaire producten?


16.

In Kamerstuk 24 036, nr. 140 (blz. 28) staat te lezen: «Inmiddels is de doorlichting van de bestaande regelgeving voltooid en zijn flink wat besluiten ingetrokken. Daarnaast zijn besluiten gestroomlijnd.» Kan de regering dat nader toelichten?

Kan de regering de thans vigerende vigerende wet- en regelgeving inzake voedsel(veiligheid) schematisch in kaart brengen?

In hoeverre is deze doorlichting volledig geweest? Is hierbij gekeken naar lacunes en de eventuele noodzakelijkheid van aanvullende regelgeving?


17.

In welke verhouding staan (de ontwikkelde criteria voor) de doorlichting en de resultaten van de nog op te richten interdepartementale werkgroep tot elkaar?


18.

Kan de VVD-fractie de creatie van één meldingsorgaan (bestaande uit 2 meldpunten) zien als de door haar voorgestane één-loketgedachte? Hoe wordt aan het bestaan ervan brede bekendheid gegeven?


19.

De overheid wordt als eerstverantwoordelijke voor de communicatie aangemerkt, waarbij de taakverdeling - volgens het convenant De Leeuw/Sangster - door het interdepartementaal comité voedselveiligheid per geval aangeeft welk ministerie de woordvoerder is namens de overheid. Kan de regering ook aangeven hoe in een acute crisissituatie voorzien is in een snelle communicatie en afstemming, zonder dat eerst allerlei kanalen geraadpleegd dienen te worden?


20.

Kan de regering een analyse geven van de knelpunten in de harmonisatie, coördinatie en de handhavingspraktijk van de voedselveiligheid in Europees verband?


21.

Kan de regering een nadere toelichting en uitwerking geven van de drie taken die centraal staan in de discussie over een apart agentschap voor voedselveiligheid?


22.

Wanneer kan de Kamer het standpunt van de regering over de (diverse modaliteiten in de discussie over de) Europese Voedselautoriteit verwachten?
Vragen CDA-fractie


23.

De regelgeving op het gebied van voedselveiligheid is thans in belangrijke mate communautair geharmoniseerd. Kan worden aangegeven op welke gebieden nog geen harmonisatie aanwezig is?


24.

Het rapport geeft een verkenning van het thema voedselveiligheid en de verantwoordelijkheden van overheid, producent en consument Waarom is de verantwoordelijkheidstoedeling van het medisch circuit (artsen, ziekenhuizen, laboratoria etc.) v.w.b. de meldingsfunctie hier niet bij betrokken? Behoeft de communicatie tussen het medisch circuit en de overheid en vice versa geen extra aandacht? (zie bijv. legionella infecties)


25.

De verantwoordelijkheid voor «de voedselveiligheid» is nergens expliciet belegd. De verdeling van verantwoordelijkheden tussen LNV en VWS is neergelegd in het Protocol de Leeuw/Sangster uit 1995 en blijkt bruikbaar te zijn. Toch constateert Berenschot dat deze verdeling van verantwoordelijkheden zo omvangrijk is dat de consequenties voor de dagelijkse praktijk ook voor betrokkenen niet kort zijn samen te vatten. Waarom wordt dit protocol niet vereenvoudigd en wordt de verantwoordelijkheid niet bij één coördinerend ministerie neergelegd?


26.

De regering kiest ervoor te wachten op de eventuele totstandkoming van één Europese richtlijn voor levensmiddelen in plaats van herziening van de Nederlandse wetgeving om te komen tot één levensmiddelenwet conform het advies van prof. mr. M. Scheltema. Waarom is hier sprake van «eventuele»? Betekent dit dat e.e.a. nog niet zeker is? Binnen welke termijn kan deze Europese richtlijn worden tegemoet gezien?


27.

Een interdepartementale werkgroep zal de regelgeving, het toezicht en de controle met name rond potentiële risicogebieden in relatie tot voedselveiligheid in kaart brengen en met concrete voorstellen komen. Zal deze werkgroep ook adviezen geven over bijv. de controlefrequentie in bepaalde sectoren? Wanneer kunnen voorstellen van deze werkgroep worden tegemoet gezien?


28.

Het rapport Berenschot adviseert in aanbeveling 4 de productaansprakelijkheid uit te breiden. Kan de regering haar mening over deze aanbeveling geven?


29.

In aanbeveling 5 van Berenschot wordt geadviseerd meer voorzieningen te treffen voor kennismanagement. Welke maatregelen wil de regering nemen?


30.

Er komt één meldingsorganisatie bestaande uit twee meldpunten, één bij VWS en één bij LNV. Met VROM zal afstemming plaatsvinden. Waarom is niet gekozen voor drie meldpunten waarbij ook bij VROM zo'n meldpunt aanwezig is?


31.

In aanbeveling 6 wordt een verbetering van de coördinatie tussen de inspecties van VWS, LNV en VROM geadviseerd. Zal het interdepartementaal comité voedselveiligheid hierin kunnen voorzien? Zal daarnaast ook nog afstemming plaatsvinden van meerjarenprogramma's.


32.

Onder het hoofdstuk communicatie worden maatregelen beschreven welke de communicatie tussen burgers en organisaties enerzijds en overheid anderzijds moeten bevorderen. (o.a. via elektronische media) Wat ontbreekt is een expliciete beschrijving inclusief aanbevelingen om tot een verbetering van de communicatie tussen het medisch circuit, de GGD' en en de overheid te komen. Kan het opzetten c.q. verbeteren van elektronische communicatie hier ook niet een bijdrage leveren? Zo ja, kan de regering met een voorstel komen? Zo neen, kan dit dan gemotiveerd worden toegelicht?


33.

Wat is de relatie tussen de inhoud van het Europese witboek en de brief inzake voedselveiligheid d.d. 4 februari jongstleden van de Nederlandse bewindspersonen?


34.

Hoe staan de bewindspersonen tegenover de constatering van Berenschot dat de vermenging van publieke en private belangen binnen verscheidene organisaties

zoals productschappen en onderzoeksinstituten tot wellicht ongewenste beïnvloeding kunnen leiden?


35.

Kunnen de bewindspersonen aangeven hoe zij denken zich actief in te zetten op het Europese dossier voor voedselveiligheid?


36.

Zijn de bewindspersonen bereid om alle aanbevelingen die door Berenschot zijn genoemd, actief mee te nemen en in te brengen bij het overleg over totstandbrenging van Europees beleid en anders deze aanbevelingen op nationaal niveau door te voeren mits de maatregelen inpasbaar zijn binnen de Europese regelgeving?


37.

Op welke termijn is een standpunt inzake een Europese Voedselautoriteit te verwachten?


38.

Moet de betreffende Europese Voedselautoriteit ook over wetgevende bevoegdheid beschikken?
Vragen D66-fractie


39.

Waarom kiest de regering voor een versterking van de rol van het Voedingscentrum in zake voorlichting over voedselveiligheid? Bij de consument scoort dit centrum laag als informatiebron en de Keuringsdienst van Waren scoort hoog. Hoe gaat u de herkenbaarheid van het Voedingscentrum versterken? Moeten we wellicht terug naar de oude naam Voorlichtingsbureau voor de voeding?


40.

Is het systeem van zowel publieke als private controle- en opsporingsdiensten niet nodeloos ingewikkeld. Wil de regering een integratie van een aantal van deze diensten bevorderen?


41.

Onderschrijft de regering dat de verantwoordelijkheden van productschappen kunnen leiden tot strijdige belangen? Zo ja, wat gaat zij daaraan doen?


42.

Wordt de constatering van Berenschot onderschreven dat er binnen LNV beperkte telecom- en andere faciliteiten beschikbaar zijn? Zo ja, worden er maatregelen op dit specifieke terrein overwogen?


43.

Wat wordt er ondernomen om bij de consument het gevoel te versterken dat zijn belangen wel zijn vertegenwoordigd?


44.

Wordt de aanbeveling om de wet- en regelgeving inzake voedselveiligheid in kaart te brengen wel of niet opgevolgd?


45.

Wordt de productaansprakelijkheid uitgebreid? Is de regelgeving inzake productaansprakelijkheid wel voldoende «klantvriendelijk»? Oftewel is er in de praktijk wel sprake van een heldere en werkbare situaties? Kan worden aangegeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar een aansprakelijkheidsprocedure is gestart en hoe vaak dit tot succesvolle claims?
Vragen GroenLinksfractie


46.

De regering stelt dat in casu de dioxinecrisis de informatievoorziening uit België onvolkomen of niet tijdig genoeg was. Moet dit ook niet gesteld worden ten aanzien van informatievoorziening tussen de Nederlandse ministeries?


47.

Op basis waarvan is Berenschot gekozen als het onderzoeksbureau dat het onderzoek mocht uitvoeren? Heeft Berenschot speciale expertise op het terrein van voedselveiligheid? Welke onderzoekers, met welke achtergrond, hebben het onderzoek uitgevoerd? Waarom kent het rapport geen notenapparaat, opdat het voor lezers mogelijk is om gegevens te verifiëren en te beoordelen in welke mate gesteund is op welke bron?


48.

Waarom is er voor gekozen de dioxinecrisis slechts als referentiepunt te kiezen en niet als doel van onderzoek (waarna eventueel alsnog algemene conclusies getrokken hadden kunnen worden)? Hoe kan Berenschot tot de conclusie komen dat de dioxinecrisis adequaat is aangepakt, terwijl er geen expliciet onderzoek is gedaan naar de crisis? Hoe staat de conclusie van Berenschot in verhouding tot de zeer stevige kritiek die geuit is in het Parlement naar aanleiding van de crisis?


49.

Kan de regering meer specifiek en in detail aangeven welke verbeteringen zijn doorgevoerd zowel binnen de organisatie van VWS en LNV als tussen de ministeries?


50.

Wanneer verwacht de regering dat het proces van harmonisatie van de regelgeving binnen de EU voltooid zal zijn? Wat is de streefdatum die Nederland hanteert?


51.

Welke lacunes ziet de regering momenteel in de wet- en regelgeving ten aanzien van voedselveiligheid? Hoe wil zij deze verhelpen? Op welke wijze zal zij onderzoeken of er nog meer lacunes zijn dan die naar boven zijn gekomen door de dioxinecrisis?


52.

Vergeet de regering niet de vierde aanbeveling van Berenschot op het gebeid van coördinatie, te weten vastleggen wie met wie communiceert als het gaat om contacten met Brussel? Hoe wil zij bevorderen dat de informatieverwerking en aansturing vanuit Brussel eenduidiger wordt? Wil de regering bijvoorbeeld bevorderen dat één directoraat hoofdverantwoordelijk wordt? Is het aanbevelingswaardig om te laten onderzoeken in hoeverre er sprake is van leemtes in Europese regelgeving en afhandeling van crises, of acht de regering dit overbodig? Zo ja, waarom?


53.

Aangezien er ook veel meldingen binnen komen bij VROM, is het dan niet verstandig om een zelfde systeem als bij LNV en VWS in te stellen, door bijvoorbeeld het inrichten van een meldpunt? Hoe zal de afstemming met VROM worden vorm gegeven?


54.

Hoe wilde regering waarborgen dat in bepaalde gevallen de ambtelijke en politieke leiding geïnformeerd wordt? Wil de regering hiertoe de aanbeveling van Berenschot overnemen, te weten dat er criteria vastgesteld worden voor wanneer de leiding op de hoogte gesteld moet worden? Zo ja, aan wat voor criteria denkt zij? Zo nee, hoe wil de regering de doorgeleiding van informatie dan waarborgen?


55.

Welke externe deskundigen zullen plaatsnemen in het op te richten interdepartementaal comité voedselveiligheid, of wie is de regering van plan te vragen? Op basis waarvan zullen de deskundigen geselecteerd worden?


56.

Had de regering niet kunnen voorzien dat de naamswijziging van de vroegere Keuringsdienst van Waren zou leiden tot sterke vermindering van de herkenbaarheid? Waarom is indertijd tot de naamswijziging besloten? Gelden deze redenen nu niet meer? Hoeveel geld is gemoeid met het twee keer ondergaan van een naamswijziging?


57.

Ziet de regering de elektronische media als belangrijke aanvulling op bestaande vormen van communicatie, of wil zij zich hier met name op richten ten koste van de oude vormen?
Vragen SP-fractie


58.

Het accent wordt verlegd van de eindnorm naar het bewaken van de veiligheid in de keten. Voor de levensmiddelenproducent heeft dit tot gevolg dat binnen het productieproces het HACCP-principe wordt geïntroduceerd. Geldt ditzelfde ook met betrekking het productieproces van veevoeder?


59.

De regering ziet geen aanleiding te komen tot een ingrijpende verandering van politieke en ambtelijke verantwoordelijkheden. Wat is haar reactie op de vaststelling in het rapport dat «de» verantwoordelijkheid voor «de» voedselveiligheid nergens expliciet is vastgelegd terwijl zij vanwege diverse ontwikkelingen een groeiende behoefte aan een meer overkoepelende verantwoordelijkheid voor voedselveiligheid in het algemeen signaleert, hetgeen des te meer geldt als de internationale dimensie van de voedselketen om eenduidige contacten, samenwerking en communicatie vraagt?


60.

Zowel bij productschappen als bij onderzoeksinstituten zijn publieke en private verantwoordelijkheden zijn soms in een organisatie gecombineerd. In het rapport wordt gewaarschuwd voor het gevaar dat private belangen het publieke domein kunnen beïnvloeden. Wat gaat de regering hier aan doen?


61.

Kan de regering nog eens precies aangeven welke haar overwegingen voor en tegen de totstandkoming van een geneesmiddelenwet?


62.

Hoe denkt de regering over aanbeveling 4, het uitbreiden van de productaansprakelijkheid en aanbeveling 5, het treffen van meer voorzieningen voor kennismanagement en spoorzoeken?


63.

Per wanneer zullen de centrale meldpunten zowel bij VWS en LNV werkzaam zijn? Wordt dit ook opengesteld voor het grote publiek en op welke manier wordt dit aan het grote publiek bekend gemaakt? Is of wordt eenduidig vastgelegd wie met wie communiceert als het gaat om informatie-uitwisseling tussen Den Haag en Brussel?


64.

Meldingen worden geregistreerd. Waar relevant worden de ambtelijke en politieke leiding en andere betrokken departementen geïnformeerd Wie bepaalt wat relevant is zowel uit oogpunt van veiligheid als ook bijvoorbeeld emotionele aspecten? Hoe kan gegarandeerd worden dat de bewindslieden altijd tijdig worden ingelicht?


65.

In het rapport wordt een versterking van de externe oriëntatie binnen het ambtelijke apparaat van beide ministeries hoge prioriteit gegeven, bijvoorbeeld met de inzet van een interne communicatiecampagne en met behulp van checklist, oefeningen en workshops. Wordt deze aanbeveling op beide ministeries uitgevoerd?


66.

Aanbeveling 12 vraagt om een duidelijk aanspreekpunt zodat de betrokken burgers in staat zijn op elk moment bij een betrouwbaar en herkenbaar aanspreekpunt feitelijke informatie over voedsel en veiligheid te krijgen. Is het de bedoeling van de regering dat het Voedingscentrum dit aanspreekpunten wordt? Zo ja, is dit centrum bij het grote publiek voldoende bekend? Zo niet, wat gaat de regering ondernemen om deze bekendheid te vergroten?


67.

De regering erkent dat bij incidenten met de veiligheid op de eerste plaats de overheid verantwoordelijk is voor de communicatie. Worden bij mogelijk ernstige signalen de betrokken bewindspersonen direct ingelicht, en zal de voorlichting aan de burgers onder de bestuurlijke leiding van de verantwoordelijke bewindspersoon staan?


68.

Is het de bedoeling dat een eventueel in te stellen Europees Food Agency zich ook buigt over ethische vraagstukken als de risico's van biotechnologie, dierenwelzijn, etc.? Wordt het onlangs opgerichte Nederlandse Platform voor Landbouw- en Voedselethiek ondersteund door de ministeries van LHV en VWS? Zo nee, waarom niet?

De voorzitter van de commissie,

Essers

De griffier van de commissie,

Teunissen

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Kamervragen aan VWS inzake voedselveiligheid '




Lees ook