Tweede Kamer der Staten Generaal


26847000.002 lijst vr-antw over wijz. besluit onderwijsbevoegdheden
Gemaakt: 24-12-1999 tijd: 14:5


6


26 847 Wijziging van het Besluit onderwijsbevoegdheden WVO/OWVO en het Besluit informatievoorziening WVO met name in verband met de invoering van leerwegen in het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede ten aanzien van het praktijkonderwijs; technische aanpassing enkele ander besluiten

nr. 2

Lijst van vragen en antwoorden

vastgesteld 22 december 1999

De vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de regering naar aanleiding van de brief ter aanbieding van het voorgehangen besluit tot wijziging van het Besluit onderwijsbevoegdheden WVO/OWVO en het Besluit informatievoorziening WVO met name in verband met de invoering van leerwegen in het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede ten aanzien van het praktijkonderwijs van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 7 oktober 1999 (26 847 nr. 1). De inwerkingtreding van het besluit wordt door het voorleggen van deze vragen niet gestuit.

De regering heeft deze vragen beantwoord bij brief van 20 december
1999.

De vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van der Hoeven

De griffier van de commissie,

Mattijssen

VRAGEN

De wettelijke- en lagere regelingen voor lesbevoegdheden en bewijzen van bekwaamheid en alle uitzonderingen, verruimingen of beperkingen hierop vormen een complex en weinig transparant geheel. Na de vrijstellingen voor leraren in opleiding wordt in dit besluit een nieuwe verruiming van de onderwijsbevoegdhedenregeling voorgesteld, terwijl bij het in behandeling zijnde wetsvoorstel ter modernisering van de universitaire lerarenopleiding (26692) een vrijstelling van bevoegdheidsvereisten voor een periode van één jaar wordt voorgesteld. Hoe verhoudt dit zich tot het dereguleringsprogramma van de bewindspersonen?

Waarom is een nieuwe vrijstellingsregeling nodig voor de invoering van de leerwegen en waarom kan hier niet in voorzien worden door de reeds bestaande regelingen? Verdient het geen aanbeveling om meer samenhang , transparantie en eenvoud aan te brengen in de bestaande regelingen, ook met het oog op de bestuurslasten van de scholen?

Waarom is een vrijstelling van vier jaar nodig en brengt deze vrijstelling de kwaliteit van het onderwijs niet in gevaar?

Waarom is een vaste aanstelling op de school een vereiste voor de vrijstelling?

In de praktijk zal het moeilijk zijn om aan te tonen dat gebrek aan bevoegde leraren aan een school het rechtstreekse gevolg is van de vernieuwingen in het VMBO in plaats van andere oorzaken (bijv. het algemene lerarentekort). Is in voldoende mate gegarandeerd dat leraren niet ten gevolge van andere zaken dan de vernieuwingen in het VMBO vrijstellingen zullen krijgen?

De hoofdregel bij het aanbieden van lessen door een voor het vak onbevoegde leraar is dat daarvoor de goedkeuring van de inspectie vereist is, en die goedkeuring geldt telkens voor ten hoogste een jaar . Voor de invoering van de leerwegen wordt tijdelijk een ontheffing van de bevoegdheidseis gegeven voor ten hoogste vier jaar. Ook wordt de eis dat goedkeuring van de inspectie nodig is tijdelijk losgelaten. Gelden er naast de op blz.7 genoemde verplichtingen nog andere regels voor het bevoegd gezag dat moet zorgen voor het inpassen van het zittend personeel en de nieuwe leerwegen/vakken. Kan zij bijvoorbeeld ervoor kiezen de gymleraar wiskunde te laten geven? Hoeveel vrijheid heeft het bevoegd gezag?

Wat zijn de mogelijke gevolgen van het abusievelijk opnemen van 160 uren bij het vak wiskunde (in plaats van 120 uren) in de adviesurentabel voor de basisberoepsgerichte leerweg? Kan het bijvoorbeeld zijn dat methoden voor dit vak nu teveel leerstof bevatten of exameneisen verkeerd zijn geformuleerd?

Kan het zijn dat er instellingen gedupeerd worden door het kiezen voor
1 november 1999 om de aanvankelijk bestaande inconsistentie ten aanzien van de indieningsdatum voor aanvragen voor intrasectorale programma's op te heffen (te weten het naast elkaar bestaan van de data 1 november 1999 en 1 december 1999) omdat zij steeds zijn uitgegaan van 1 december?

Waarom wordt de termijn voor indiending van aanvragen voor intrasectorale programma's eenmalig een drietal maanden uitgesteld? Welke positieve dan wel negatieve gevolgen kan dit hebben voor de betrokken instellingen?

ANTWOORDEN


1. en 2.

Onverminderd het streven naar deregulering in het onderwijs blijft regelgeving met betrekking tot de onderwijsbevoegdheid voor leraren met het oog op de kwaliteit van het onderwijs naar mijn mening vooralsnog noodzakelijk. Enerzijds is er regelgeving voor degenen die nog geen bevoegdheid hebben. Hierbij gaat het om trajecten waarbij leren en werken worden gecombineerd (lio en om de nieuwe ulo-trajecten voortvloeiend uit het ulo-convenant). Voor deze trajecten is een vrijstelling van de bevoegdheidseisen voor een beperkte periode nodig.

Anderzijds is er een groep reeds bevoegde leraren die een omscholingstraject volgt, naast een aanstelling. De regeling die de aanleiding tot de vragen geeft, betreft deze groep. De regeling biedt scholen de ruimte om personele problemen als gevolg van de invoering leerwegen mavo-vbo te voorkomen. Eenzelfde regeling gold bij de invoering van de basisvorming en geldt op dit moment bij de invoering van de profielen tweede fase VO. Naar mijn mening is dus sprake van een eenduidige en consistente aanpak bij de
onderwijsvernieuwingsoperaties die scholen de nodige ruimte biedt, wat past in onze dereguleringsideeën, en die de bestuurslast ontziet.


3. Een meerjarige vrijstellingsperiode is nodig om het bevoegd gezag van de school en de betrokken leraar voldoende tijd te geven gemaakte omscholingsafspraken te realiseren. Een periode van ten hoogste vier jaar is hierbij licht arbitrair. Ook de hierboven genoemde eerder getroffen regelingen bevatten die termijn. Daarbij moet ook bedacht worden dat het kan gaan om leraren die een volledige baan hebben. Omdat het bevoegd gezag van de school de betrokken leraar in de vrijstellingsperiode (deels) met onbevoegd te geven lessen kan belasten, heeft de leraar de mogelijkheid om tijdens zijn omscholing met het lesgeven in het desbetreffende vak ervaring op te doen. Ook het gegeven dat beide partijen (bevoegd gezag en betrokken leraar) gezamenlijk besluiten zo'n traject te beginnen, is reden om aan te nemen dat de kwaliteit van het onderwijs voldoende is gewaarborgd.


4. Naar analogie van de eerder getroffen vrijstellingsregelingen is een vaste aanstelling van de leraar aan de school in de onderhavige vrijstellingsregeling een vereiste. Ook hier schrijft de wet dit voor (artikel XV van het invoerings- en overgangsrecht van de Wet leerwegen mavo-vbo, Stb. 1998, 337). De mogelijkheid tot omscholing voor zittende leraren moet ook worden gezien als een werkgelegenheidsmaatregel. Het betreft leraren met in elk geval een zekere mate van ervaring. Waar het bij tijdelijke aanstellingen veelal gaat om situaties waarin men nog niet weet of men «samen» door wil gaan, ligt het niet direct voor de hand al meteen een langdurig omscholingstraject af te spreken.


5. Het gaat er niet om om aan te tonen dat het gebrek aan bevoegde leraren aan een school het rechtstreeks gevolg is van de vernieuwingen in het vmbo, maar om aan te tonen dat daardoor de werkgelegenheid van een zittende leraar wordt bedreigd. Die krijgt de kans om zich met behulp van deze regeling om te scholen naar een te verwachten vacature. Ik heb geen signalen ontvangen dat van de eerdere vergelijkbare regelingen een ruimer gebruik werd gemaakt dan de bedoeling was.


6. Naast de tijdelijke vrijstellingsregeling gelden voor het bevoegd gezag geen andere specifieke regels voor het inpassen van het zittend personeel en de leerwegen/vakken. In het belang van de schoolorganisatie worden het bevoegd gezag geen belemmeringen in de weg gelegd bij de toedeling van lessen in vakken. Het kan dus ook ervoor kiezen de gymleraar wiskunde te laten geven, als het vertrouwen bestaat dat betrokkene daarvoor voldoende bekwaam is.


7. De 160 in plaats van 120 uur in de adviestabel betreft een tikfout die pas in een latere fase in het conceptbesluit is geslopen. Bij de programmaontwikkeling is steeds uitgegaan van 120 uur. Dat was ook het geval in alle overlegsituaties en alle voorlichtingsactiviteiten die rondom de programma's en de leerwegen hebben plaatsgevonden. Bovendien is in de toelichting bij het desbetreffende artikel (Stb. 1999, 230, blz. 29) duidelijk aangegeven dat de tabel voor de basisberoepsgerichte leerweg gebaseerd is op de basisvorming plus 120 uur voor alle algemene vakken. Vanwege het bovenstaande zijn dan ook geen nadelige gevolgen te verwachten.


8. Nee. Voor het schooljaar 1999-2000 is de datum waarvoor de aanvraag ex artikel 27 (Zwolse variant) moet worden ingediend, verschoven van 1 december 1999 naar 1 februari 2000. Voor latere schooljaren is de datum waarvoor die aanvraag moet worden ingediend, verschoven van 1 december naar 1 november (dus met één maand vervroegd). Scholen weten dit dus één jaar van tevoren.


9. Mede op verzoek van besturenorganisaties valt de datum voor het aanvragen van intrasectorale programma's in het schooljaar 1999-2000 één maand na de uiterste datum waarop de school een beschikking heeft ontvangen op haar aanvraag in het schooljaar 1998-1999. Dit om scholen beter de gelegenheid te geven bij hun aanvraag in het schooljaar
1999-2000 in te spelen op de doelmatigheidscriteria die in de in september 1999 gepubliceerde beleidsregel zijn opgenomen.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

K.Y.I.J. Adelmund


1) Samenstelling:

Leden

Schutte (GPV)

Van der Vlies (SGP)

Van de Camp (CDA)

Van der Hoeven (CDA), voorzitter

Rabbae (GL)

Lambrechts (D66)

Dittrich (D66)

Cornielje (VVD)

De Vries (VVD)

Dijksma (PvdA)

Van Zuijlen (PvdA)

Cherribi (VVD)

Rehwinkel (PvdA),ondervoorzitter

Passtoors (VVD)

Belinfante (PvdA)

Kortram (PvdA)

Ross-van Dorp (CDA)

Hamer (PvdA)

Nicolaï (VVD)

Van Bommel (SP)

Barth (PvdA)

Halsema (GL)

Orgü (VVD)

Wijn (CDA)

Eurlings (CDA)

Plv. leden

Stellingwerf (RPF)

Schimmel (D66)

Mosterd (CDA)

Atsma (CDA)

Harrewijn (GL)

Bakker (D66)

Ravestein (D66)

E. Meijer (VVD)

Van Baalen (VVD)

Valk (PvdA)

De Cloe (PvdA)

Udo (VVD)

Van der Hoek (PvdA)

Gortzak (PvdA)

Middel (PvdA)

Schreijer-Pierik (CDA)

Spoelman (PvdA)

Brood (VVD)

Poppe (SP)

Arib (PvdA)

Blok (VVD)

Vendrik (GL)

Rijpstra (VVD)

Verhagen (CDA)

Visser-van Doorn (CDA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Kamervragen en antwoord kabinet over onderwijsbevoegdheden '




Lees ook