Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer Postbus 90801 2509 LV Den Haag Plein 2 Anna van Hannoverstraat 4 2513 AA Den Haag Telefoon (070) 333 44 44 Telefax (070) 333 40 33

Uw brief Ons kenmerk 203-017 ASEA/LIV/12432

Onderwerp Datum Vragen gesteld tijdens ordedebat 11 februari 14 februari 2003 2003

Tijdens het ordedebat van 11 februari 2003 zijn door het lid Noorman-den Uyl een aantal vragen gesteld over het onlangs verschenen onderzoek van het Nibud naar de inkomsten en uitgaven van gezinnen met 4 of meer kinderen.

Mevrouw Noorman-den Uyl vraagt of ik verontrust ben over de resultaten van het onderzoek van het Nibud. Ik herken de problematiek. Het onderzoek van het Nibud brengt dit goed in beeld. Bijna de helft van de gezinnen met 4 of meer kinderen geeft aan dat ze niet uit komen met het inkomen. Wanneer gevraagd wordt hoe zij hun inkomenspositie beoordelen geeft 7% aan slecht te kunnen rondkomen; 37% geeft aan dat het krap is, dit is in totaal 44%. De overige 56% geeft aan redelijk tot goed te kunnen rondkomen.

Niet alleen gezinnen met een inkomen beneden het gemiddelde hebben moeite met rondkomen. Van de gezinnen met een maandinkomen boven het gemiddelde geeft ook 5% aan slecht te kunnen rondkomen; 26% van deze groep geeft aan dat het krap is; in totaal dus 31%. Blijkbaar is de hoogte van het inkomen niet alleen bepalend voor de vraag of de gezinnen al dan niet kunnen rondkomen. Individuele omstandigheden en wensen spelen ook een grote rol.

Het onderzoek van het Nibud geeft ook een beeld van de feitelijke inkomsten en uitgaven van grote gezinnen. Het gemiddeld netto huishoudensinkomen van deze gezinnen is bijna 3400 euro per maand. Dit is ongeveer 2x modaal. Gemiddeld geldt voor bijna alle situaties die in het onderzoek zijn onderscheiden, dat het inkomen hoger is dan de uitgaven. 68% van de gezinnen spaart met vaste regelmaat.

Voor dit onderzoek hebben gezinnen zich vrijwillig bij het Nibud aangemeld. Dit kan tot gevolg hebben dat de resultaten niet representatief zijn. Gebleken is in ieder geval dat Turkse en Marokkaanse gezinnen ondervertegenwoordigd zijn. Dit is het gevolg van de door het Nibud gekozen onderzoeksmethode. In hoeverre dit het beeld vertekent is niet duidelijk. Bekend is wel dat er in Nederland ruim 100.000 gezinnen zijn bestaande uit meer



2

dan 5 personen. Naar schatting heeft niet meer dan 10% van alle grote gezinnen een inkomen op minimum niveau. Weliswaar zijn er in 2000 324.000 kinderen in gezinnen met een huishouden met een inkomen tot 105% van het sociaal minimum, maar dit zijn veelal kleinere gezinnen, vaak eenoudergezinnen.

In de afgelopen jaren zijn via het generieke inkomensbeleid verschillende maatregelen genomen ter verbetering van het inkomen van gezinnen met kinderen. Door deze maatregelen hebben deze gezinnen in de laatste jaren een hogere koopkrachtontwikkeling gehad dan gezinnen zonder kinderen. De koopkrachtverbetering is gerealiseerd door beleidsmatige verhogingen van de kinderbijslag en de introductie van de kinderkortingen en de combinatiekorting. Voorts zijn er specifieke maatregelen genomen ten aanzien van de tegemoetkoming voor studiekosten. Deze tegemoetkoming is verruimd door hogere normbedragen en de ophoging van de inkomensgrens.

In de bestaande regelingen wordt ook vaak rekening gehouden met het aantal kinderen. De regelingen voor studiekosten en kinderbijslag gaan uit van bedragen per kind. In de ZFW is voor kinderen geen nominale ziektekostenpremie verschuldigd. Verder geldt dat particuliere ziektekostenverzekeraars in veel gevallen voor maximaal 2 kinderen premie in rekening brengen.

Bij de belastingmaatregelen 2002 is ook aandacht besteed aan de inkomenspositie van gezinnen met kinderen. Met het amendement van het lid Dijsselbloem c.s. (Vergaderjaar 2001-2002, 20013. nr. 8) is daarbij invulling gegeven aan de motie van mevrouw Noorman- den Uyl van december 2000 (Vergaderjaar 2000-2001, 27400XV, nr.30). Met dit amendement is ondermeer de aanvullende kinderkorting verhoogd met 143 euro.

Verder is de individuele bijzondere bijstand van grote betekenis, vooral door de mogelijkheid om maatwerk te leveren. Om invulling te geven aan de motie van Mevr Noorman-den Uyl van december 2000 heeft mijn ambtsvoorganger in de brief d.d. 4 december 2001 (BZ/IW/01/77703) aan de gemeenten aangegeven dat een aanzienlijk deel van de gezinnen met kinderen die moeten rondkomen van een inkomen rond het minimum, geen gebruik blijkt te maken van de mogelijkheden van de bijzondere bijstand. Daarom achtte hij het wenselijk dat de gemeenten de informatieverstrekking over de mogelijkheden tot extra financiële ondersteuning zouden verbeteren, en de aanvraag daartoe zouden vereenvoudigen. In de bijlage van de brief d.d. 4 december 2001 zijn een aantal voorbeelden opgenomen die in het kader van het gemeentelijke inkomensondersteuningsbeleid voor gezinnen met kinderen kunnen worden toegepast.

De resultaten die deze brief in 2002 heeft opgeleverd zijn mij nog niet bekend. In december 2002 is de Monitor Gemeentelijk Armoedebeleid (MGA) 1999-2000 uitgebracht; ik verwacht de resultaten van de MGA over 2001 in juli 2003 aan de Kamer te kunnen presenteren. De verwachting is dat de resultaten van de MGA over 2002 in de tweede helft van 2004 beschikbaar komen.

De inkomenspositie van gezinnen met kinderen heeft mijn aandacht. Het is zaak dat daarbij vooruitgang wordt geboekt. In het Strategisch akkoord zijn maatregelen opgenomen die de inkomenspositie van gezinnen met kinderen verbeteren: het verbeteren van de mogelijkheden om werk en zorg te combineren en werk aan te passen aan de levensfase waarin men verkeert (levensloopregeling); een nieuwe inkomensafhankelijke kinderkorting



3

in de belastingen en een langdurigheidstoeslag voor langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief.

Ik deel de mening van mevrouw Noorman-den Uyl dat het tijd wordt om de beschikbare gegevens over de inkomenspositie van gezinnen met kinderen over de periode 1990-1995 te actualiseren. Op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verricht het CBS regelmatig onderzoek naar het deel van het inkomen dat gezinnen besteden aan hun kinderen. Dit onderzoek wordt gebaseerd op een panel van huishoudens waarvan de bestedingen worden geregistreerd. Teneinde voldoende waarnemingen te krijgen is het nodig gegevens over meerdere jaren samen te voegen. Hierdoor is dit onderzoek nooit actueel. Daar staat tegenover dat de bestedingspatronen van huishoudens ook niet zo snel veranderen. Ik zal het CBS vragen het onderzoek opnieuw uit te voeren op basis van de meest recente gegevens (1996-2000).

De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,

(mr. A.J. de Geus)



Deel: ' Kamervragen gesteld tijdens ordedebat '




Lees ook