Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Algemene Commissie voor

Europese Zaken van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

Den Haag

Directie Veiligheidsbeleid

Afdeling Veiligheids- en Defensiebeleid

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 7 december 1999
Kenmerk DVB-66/99
Blad 1/5
Bijlage(n) Concept Voortgangsrapport

Finse Voorzitterschap
Betreft Europees Veiligheids- en Defensiebeleid

Zeer geachte Voorzitter,

Zoals verzocht door de Voorzitter tijdens het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer over de Algemene Raad van 6 december, stuur ik u hierbij de laatste versie van het Finse voorzitterschapspapier, zoals dat op de Europese Raad van Helsinki zal worden besproken, plus een analyse van de hoofdpunten van dit papier. De Nederlandse positie terzake is aangegeven, waarbij tevens wordt verwezen naar de notitie aan de Kamer over het Europees veiligheids- en defensiebeleid van 29 oktober 1999 (Hierna te noemen: 'de Notitie'. Kamerstuk 24 128, nr. 4).

Het stuk, dat op hoog ambtelijk niveau is voorbereid, is tijdens de Algemene Raad van 6 december besproken. Het zal tijdens de Europese Raad van Helsinki op 10-11 december a.s. nog verder besproken worden, zodat eventuele wijzigingen mogelijk zijn.

Algemeen

Het stuk van het Voorzitterschap bevat twee rapporten; het eerste rapport behandelt de versterking van het gemeenschappelijke Europese veiligheids- en defensiebeleid, het tweede gaat over niet-militaire crisisbeheersing. De twee rapporten worden voorafgegaan door een inleiding, waarin o.m. de samenhang tussen de diverse instrumenten voor crisisbeheersing door de EU wordt benadrukt. Tevens is in para 3 vastgelegd dat de EU alleen dan zal optreden als de NAVO als geheel niet reeds optreedt. Al deze uitgangspunten stemmen geheel overeen met die van de Regering, zoals vastgelegd in de Notitie aan de Kamer.

Van belang is verder dat reeds in para 2 van de inleiding wordt vermeld dat het komende Portugese Voorzitterschap zich zal gaan buigen over de vraag of amendering van het Verdrag noodzakelijk zal zijn. Nederland heeft zich sterk gemaakt om dit hoog op de agenda van het Portugese Voorzitterschap geplaatst te krijgen. De discussie terzake tussen de lidstaten is immers nog nauwelijks op gang gekomen. In para
27 wordt het Portugese Voorzitterschap ermee belast over deze problematiek aan de Europese Raad te Feira nader rapport uit te brengen.

Hetzelfde geldt voor de relatie EU-NAVO. In para 7 van de inleiding wordt aangekondigd dat verdere stappen zullen worden genomen om volledig wederzijds overleg, samenwerking en transparantie veilig te stellen, en in para 27 wordt het Portugese Voorzitterschap opgedragen terzake voorstellen en aanbevelingen te doen.

Voorzitterschapsrapport aan de Europese Raad van Helsinki inzake het versterken van het Gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid.

Direct aan het begin al, in para 4, wordt vastgelegd dat het versterken van het militaire vermogen ter uitvoering van de Petersbergtaken tegelijkertijd het vermogen van de NAVO zal versterken, alsmede de effectiviteit van het Partnerschap voor de Vrede.


1. V.w.b. de in Helsinki te nemen besluiten staat, zoals door de regering steeds bepleit, en anders dan in Keulen, de versterking van de militaire vermogens van de EU-landen voor Petersbergtaken voorop ( para's 6-11). Het meest opvallende is dat een concreet ambitieniveau wordt vastgelegd: in 2003 moeten de landen van de Unie in staat zijn binnen 60 dagen een maximum aantal van 50.000-60.000 troepen (tot 15 brigades) ten behoeve van de uitvoering van een Petersbergtaak in het veld te brengen, en een dergelijke operatie tenminste een jaar vol te houden. Dit zal een tweede "pool" van beschikbare eenheden vereisen.

Dit ambitieniveau is zo concreet mogelijk omschreven teneinde in staat te zijn te identificeren waartoe Europa tegen dit ambitieniveau afgezet op dit moment in staat is, en vooral: waar de tekortkomingen binnen de Europese landen liggen. (Deze zogenaamde "headline goals" beperken zich op dit moment nog tot grondtroepen; "headline goals" inzake luchtmacht en marine zijn nog niet besproken).

Hierbij dient benadrukt te worden dat het hier niet gaat om een staand Europees leger, of een permanent Europees interventiecorps, exclusief voor EU-geleide operaties, maar om nationale bijdragen ("bouwblokken") die op vrijwillige basis worden bijeengebracht als de noodzaak zich aandient, zoals op het ogenblik het geval is in Bosnië en Kosovo. Daarbij is ter vermijding van misverstanden ook vastgelegd dat deze strijdkrachten v.w.b. de NAVO-landen ook ingezet kunnen worden voor NAVO-operaties, zoals ook in para 4 is vastgelegd dat de versterking van de militaire vermogens van de EU-landen, waar toepasselijk, de vermogens van de NAVO en de effectiviteit van het Partnerschap voor de Vrede zal versterken. Het betreft hier dus een verdere uitwerking van de"double hatted"-opzet waartoe in 1996 in Berlijn werd besloten.


Overigens zal, zoals de Regering reeds eerder heeft betoogd, gebruikmaking van NAVO-middelen bij een EU-geleide operatie steeds waarschijnlijker worden naarmate deze operatie grootschaliger is. In de tekst wordt herhaald dat geen sprake zal moge zijn van onnodige duplicatie, en dat EU-geleide operaties zowel met als zonder gebruik van NAVO-middelen zullen kunnen worden uitgevoerd.

In para 8 wordt aangekondigd dat de EU-landen gezamenlijke "capability goals" zullen gaan uitwerken t.a.v. de drie reeds in Keulen genoemde terreinen: "command and control, intelligence and strategic transport". Tevens worden de verschillende initiatieven verwelkomd die op dit gebied al door EU-landen worden genomen. Daarbij worden o.m. twee belangrijke maatregelen uit de Defensienota genoemd: de vergroting van het aantal snel inzetbare troepen en de vergroting van de maritieme transportcapaciteit.

Para 9 legt vast dat de Algemene Raad, met deelname van de Defensieministers, deze "headline goals" verder zal uitwerken en dat e.e.a. regelmatig aan een beschouwing zal worden onderworpen. Daarbij is een voorzichtige formulering gekozen v.w.b. de mate waarin landen zich aan de doelstellingen zullen moeten binden; de nationale bijdragen zullen door de lidstaten zelf worden vastgesteld en niet tussen de EU-landen overeengekomen moeten worden. Van belang hierbij is dat gebruik zal worden gemaakt van bestaande defensieplanningsprocedures, inclusief die van de NAVO en het Planning and Review Process van het Partnerschap voor de Vrede. Zoals door Nederland ook bepleit, is tevens vastgelegd dat de doeleinden binnen de EU en die het Defence Capabilities Initiative elkaar versterken. Ten aanzien van met name de niet-EU Europese NAVO landen is van belang dat zij in para 10 worden uitgenodigd aan dit proces deel te nemen.

De paragraaf over defensie-industrieën bevat niet veel nieuws. Verdergaande voorstellen, gesteund door o.a. Nederland, om hier ook een versoepeling van de regels voor wapenexporten binnen de EU op te nemen, stuitten op tegenstand van een aantal EU-landen.


2. De para's 12-18 handelen over besluitvorming en de nieuw op te zetten comités en de interimoplossingen. In para 12 wordt nog eens het belang van het ene, samenhangende EU-beleid onderstreept met volledige cohesie tussen de verschillende pijlers. Dit betekent ook dat er voor defensie geen aparte vierde pijler gecreëerd zal gaan worden. O.a. door Nederland is het belang hiervan steeds onderstreept. In para 13 is daarbij opgenomen dat het ten allen tijde een soevereine beslissing van de lidstaten zal zijn om deel te nemen aan Petersbergoperaties.

Para 14 handelt over de betrokkenheid van de ministers van Defensie, waarbij de ministers van Defensie zullen worden uitgenodigd deel te nemen aan de Algemene Raad in het geval hier zaken betreffende het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid aan de orde zijn. Zoals ook in de Notitie aangegeven, vindt Nederland dat de mogelijkheid open dient te blijven dat de ministers van Defensie apart bijeen moeten kunnen komen.


Het in para 15 gestelde ten aanzien van de permanente comités vormt een uitwerking van hetgeen hierover in Keulen is vastgelegd. De algemene contouren van de nieuwe comités worden geschetst, zonder dat thans al definitieve blauwdrukken worden gegeven. Het uiteindelijk op te zetten Comité voor Politieke en Veiligheids-aangelegenheden zal zich in Brussel met alle aspecten van het GBVB gaan bezighouden, en zal in het geval van een militaire crisisbeheersingsoperatie, onder de leiding van de Raad verantwoordelijk zijn voor de politieke controle en strategische richting van een operatie. Zulks vanuit de idee dat in het geval van een militaire operatie voortdurende aansturing nodig zal zijn. De procedures voor een efficiënte en snelle besluitvorming zullen nog ontwikkeld moeten worden.

Ook de contouren van het Militaire Comité en de militaire staf, waartoe in principe al in Keulen was besloten, zijn hier vastgelegd.

In de tussentijd wordt een aantal interim-structuren opgezet, die per maart 2000 zullen functioneren, met volledige inachtneming van de huidige verdragsbepalingen. Zo zal een interim-Comité voor politieke en veiligheidsaangelegenheden worden ingesteld op senior/ambassadeurs niveau (aan ieder land staat vrij daar zelf invulling aan te geven). Dit interim-comité zal zich, onder de leiding van het Politiek Comité, bezighouden met de werkzaamheden op het gebied van het Europees veiligheids- en defensiebeleid die voortvloeien uit de Europese Raad van Helsinki, alsmede met de dagelijkse gang van zaken inzake het GBVB. Dergelijke interimstructuren zullen ook ten aanzien van het Militair Comité en de militaire staf worden ingesteld.

Dit alles stemt eveneens geheel overeen met de door de regering in de EVDB-notitie aangegeven lijn.


3. De para's 19-26 handelen over de relatie van de EU met niet EU-landen op het gebied van het Europees veiligheids- en defensiebeleid en over de relatie EU-NAVO.

Ten aanzien van de zes Europese niet-EU NAVO-landen (Hongarije, Noorwegen, Polen, Tsjechië, Turkije en IJsland) en voor andere landen die toetredingskandidaat zijn voor de Europese Unie, is thans vastgelegd dat passende structuren worden gecreëerd voor dialoog en informatie-uitwisseling over zowel aangelegenheden van veiligheids en defensiepolitiek, als crisisbeheersing.

De bijzondere rol van de non-EU Europese NAVO-landen is omschreven in para 21, waarin is vastgelegd dat zij automatisch zullen worden uitgenodigd deel te nemen aan een Petersbergoperatie, ingeval er gebruik zal worden gemaakt van NAVO-middelen. Als geen gebruik wordt gemaakt van NAVO-middelen zal de Raad kunnen besluiten hen uit te nodigen. Dat kan ook het geval zijn voor andere landen.

Van bijzonder belang is daarbij para 23, waarin wordt gesteld dat alle landen die hebben aangekondigd deel te willen nemen aan een EU-geleide operatie en daarvoor militaire troepen van enige omvang ter beschikking stellen, dezelfde rechten en verplichtingen zullen hebben als de zijdens de EU deelnemende staten v.w.b. de dagelijkse aansturing van een dergelijke operatie. Daartoe zal een ad-hoc comité worden opgezet. EU-landen die niet daadwerkelijk aan een operatie deelnemen, zullen in dat ad-hoc comité wel aanwezig mogen zijn, maar niet mogen deelnemen aan de dagelijkse aansturing van de operatie.


De relatie tussen de EU en de NAVO wordt, nadat deze al in para 7 van de inleiding is vermeld, daarnaast behandeld in para 26. Deze stelt dat de modaliteiten voor een volledige consultatie, samenwerking en transparantie ontwikkeld zullen worden. Voor de interimfase zullen de relaties op een informele basis ontwikkeld worden door middel van contacten tussen de Hoge Vertegenwoordiger van de EU en de SG NAVO (para 26).

Rapport van het Voorzitterschap inzake de niet-militaire crisisbeheersing van de EU

Het tweede rapport behandelt de niet-militaire aspecten. Ook met betrekking tot de niet-militaire aspecten van het Europese veiligheids- en defensie beleid heeft Nederland zich van begin af aan actief opgesteld. Nadat Italië een eerste aanzet had gegeven voor de discussie over dat onderwerp, heeft

Nederland, samen met het Verenigd Koninkrijk, een basisstuk geschreven, dat vervolgens werd afgestemd met Frankrijk en Zweden. Vervolgens is de inhoud van dit stuk door het Finse Voorzitterschap als basis voor het rapport gebruikt. Daarnaast werd door Nederland samen met Denemarken een voorstel voor het inzetten van civiele politie-eenheden in een crisissituatie verder uitgewerkt en aangeboden aan de lidstaten.

Kern van het rapport is dat de lidstaten van de EU reeds een groot vermogen hebben op het gebied van non-militaire crisisbeheersing, maar dat de efficiëntie en snelheid vergroot zullen moeten worden. Hiertoe wordt voorgesteld een vermogen tot snelle reactie te ontwikkelen, een inventaris van nationale en collectieve middelen te maken, een database op te zetten en een studie te laten verrichten over de vraag in hoeverre concrete doelen geïdentificeerd kunnen worden voor wat betreft de bijdrage van de EU-lidstaten aan internationale, niet-militaire crisis - de pendant van de 'headline goals' op militair gebied. Hiertoe zal onder andere een coòrdinerend mechanisme moeten worden opgezet in het Raadssecretariaat.

Een en ander onderstreept naar de mening van de Regering ook de noodzaak van een geïntegreerd crisisbeheersingsbeleid van de EU dat vorm krijgt in één enkel institutioneel raamwerk, dat garant staat voor de coherentie van het externe optreden van de EU.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Deel: ' Kamervragen over Europees Veiligheids- en Defensiebeleid '




Lees ook