24 april 1997

ANTWOORDEN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN MEDE NAMENS DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN, VAN DER VONDERVOORT, OP VRAGEN VAN HET LID VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL POPPE OVER HET TAXEREN VAN WOONBOTEN IN HET KADER VAN DE WOZ/pb 24-04-97


Originele documenten:

* WordPerfect 5.1 formaat: 97-074.WP

* Microsoft Word 6.0 formaat: 97-074.doc

Persbericht nr. 97/074 Den Haag, 24 april 1997

ANTWOORDEN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN MEDE NAMENS DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN, VAN DER VONDERVOORT, OP VRAGEN VAN HET LID VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL POPPE OVER HET TAXEREN VAN WOONBOTEN IN HET KADER VAN DE WOZ

VRAGEN:

1.

Telt de gemeente Weesp bij het taxeren van woonboten in het kader van de WOZ de ligplaats mee bij het vaststellen van de economische waarde?

2.

Acht u het juist de ligplaats van een woonboot aan te merken als onroerend goed in het kader van de WOZ?

3.

Is het mogelijk, dat gemeenten verschillend omgaan met het taxeren van woonboten en/of ligplaatsen?

4.

Zijn hiervoor regels, richtlijnen of afspraken?

5.

Zo neen, bent u bereid regels en/of richtlijnen op te stellen.

ANTWOORDEN

1.

Sinds 1 januari 1995 mogen gemeenten op de voet van artikel 221 - dus niet in het kader van de Wet WOZ - van de Gemeentewet belastingen heffen ter zake van roerende woon- en bedrijfsruimten welke duurzaam aan een plaats gebonden zijn en die dienen voor permanente bewoning of permanent gebruik. Deze zogenoemde roerende woon- en bedrijfsruimtenbelastingen sluiten met betrekking tot heffingsmaatstaf en tarief aan bij de regels voor de gemeentelijke onroerendezaakbelastingen.

Met ingang van 1 januari 1997 is een aantal van de WOZ-regels (waaronder de waardepeildatum en de waarderingsvoorschriften) van overeenkomstige toepassing verklaard op de roerende woon- en bedrijfsruimtenbelastingen. In het overgangsrecht is overigens geregeld dat tot en met 2000 nog een afwijkende waardepeildatum mogelijk is. Op basis van de geldende voorschriften in het kader van de Gemeentewet en de Wet WOZ moet de waarde van de woonboot worden bepaald op de prijs die daarvoor zou kunnen worden verkregen indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

De waarde van de (onroerende) ligplaats wordt niet betrokken in de waardebepaling voor de roerende woon en bedrijfsruimtenbelastingen. In het kader van die belastingen wordt immers uitsluitend de woonboot als roerende zaak belast. In de praktijk zal de ligplaats echter wel van invloed zijn op de prijs die men bereid is te betalen voor een woonboot op die plaats. Dit is ook onlangs uitgesproken door de belastingkamer van het Amsterdamse Hof met betrekking tot een woonboot gelegen in Weesp (Hof Amsterdam, 3 januari 1997, nr P95/3961 M IV, Belastingblad 1997, blz. 160).

2.

Tot en met 5. Ja; ik zie voorshands geen aanleiding af te wijken van de genoemde uitspraak van het Hof Amsterdam. Deze uitspraak zal voor gemeenten een richtlijn zijn. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de Wet WOZ wordt in vergaande mate bereikt dat de waardebepaling van de woonboten op uniforme wijze plaatsvindt. Ik zie dan ook geen aanleiding voor het stellen van nadere regels en of richtlijnen terzake.

Woordvoerder: mw.drs. H. Nijkamp


Deel: ' Kamervragen over WOZ-taxatie woonboten '




Lees ook