Partij van de Arbeid


Energie voor de wind 10 november 1999 PvdA

Knelpunten en oplossingen voor de plaatsing van windmolens

Samenvatting
Terwijl andere landen hun doelstellingen ten aanzien van windenergie wel halen en veel sneller groeien, blijft grootschalige windenergie in Nederland steken. Duurzame energie moet volgens het kabinet in 2020 10% van de energiebehoefte van Nederland dekken, in 2010 moet dit al 5% zijn. Windenergie moet daar een zesde deel van gaan uitmaken. Dit streven is in absolute getallen uitgedrukt: 750 MW zou er al in 2000 geplaatst moeten zijn volgens onder andere het Actieplan Duurzame Energie, terwijl er voor 1000 MW ruimte beschikbaar zou moeten zijn. Dit wordt niet gehaald. Tot nu toe (eind 1999) is 390 MW gerealiseerd. Dat is een probleem, zowel voor het bereiken van de doelstelling van duurzame energie als van de beoogde CO2 vermindering. De vraag is of de ruimte die in 2010 voor 1500 MW windenergie beschikbaar moet zijn, met het huidig beleid wel gevuld zal kunnen worden.

Dit zou minder problematisch zijn als er op korte termijn genoeg andere duurzame energiebronnen beschikbaar waren, die het streefpercentage van 10% in 2020 beter zouden kunnen opvullen. Die bronnen zijn er technisch gezien mogelijk wel, maar economisch gezien nog niet. Hoewel zonne-energie, met name foto-voltaïsche, op langere termijn zeker toekomst heeft als de kostprijs gaat dalen, is het nu nog verre van concurrerend met conventionele energieopwekking en ook niet met windenergie. Bovendien sluit het een het ander alles behalve uit. Integendeel: alle duurzame energiebronnen zullen nodig zijn. Op dit moment is windenergie een economisch goede optie. De kostprijs van de turbines daalt door grootschalige productie (met name in het buitenland), hun rendement en bedrijfstijd neemt door technische verbeteringen toe. Dit leidt nu al tot een kilowattuurprijs die in de buurt van die van fossiel opgewekte energie komt. Zeker als daar de vrijstelling voor de verhoogde Regulerende Energiebelasting (REB) bij verdisconteerd wordt, is windenergie volledig economisch concurrerend.

Waarom dan toch zoveel problemen met de plaatsing van windturbines? Het antwoord ligt vooral in de bezwaren die vanuit de samenleving komen tegen de plaatsing in het toch al volle Nederlandse landschap. Windturbines maken geluid, zijn goed zichtbaar en veroorzaken daarmee hinder. Hoewel grote delen van de samenleving bereid zijn over deze bezwaren heen te stappen, hebben anderen gerechtvaardigde bezwaren die de plaatsing van turbines vertragen of zelfs voorkomen. Deze bezwaren moeten uiteraard serieus worden genomen. De plaatsing op land kan dan ook op lange termijn niet echt zorgen voor de grootschalige invoering van windenergie in Nederland. De bezwaren zijn daarvoor gewoon te groot. Dit neemt niet weg dat op korte termijn (de eerstkomende 20 jaar) windenergie wel al nodig is. Er zijn nog substantiële hoeveelheden windenergie op het land te plaatsen. Bovendien: wil de lange termijn niet uit het oog worden verloren, dan moet de korte termijn de volle aandacht houden. Om de bezwaren zo klein mogelijk te maken, moet gezocht worden naar locaties waar turbines geconcentreerd kunnen worden geplaatst in parken of in lijnopstelling langs al bestaande "aantastingen" van het landschap. Het plan van minister Jorritsma om iedere gemeente tenminste een turbine te laten plaatsen is weliswaar sympathiek, maar levert turbines op plaatsen op die misschien wel eens minder windrijk zouden kunnen zijn en bovendien vanuit het oogpunt van aantasting van het landschap ook minder geschikt. De PvdA wil windenergie bevorderen met zo gering mogelijke aantasting van het landschap. Hiertoe zou het middel van verhandelbare plaatsingsrechten voor gemeenten moeten gaan dienen. Voor uitwerking van dit plan, zie bladzijde 18.

Toch is de plaatsing op land voor een groot deel een tussenoplossing. Daar waar turbines bezwaren blijven opwerpen, kunnen de turbines aan het einde van hun technische of economische levensduur zonder blijvende aantasting van het landschap worden opgeruimd. Daar waar ze niet tot bezwaren leiden en economisch nog rendabel zijn, kunnen ze blijven staan of worden vervangen. De technische levensduur van een windturbine bedraagt ongeveer 15 tot 20 jaar. De economische levensduur en de aflossingstermijn van de financiering circa 10 jaar. Afhankelijk van de gebruikmaking van stimuleringsregelingen zou de terugverdientijd 6,2 tot 9,5 belopen.(1)

Op de lange termijn ligt voor windenergie de toekomst echter op zee.(2)

Daar zijn de windrijkste locaties en zijn de bezwaren van aantasting van het landschap waarschijnlijk minder groot. Greenpeace heeft als milieuorganisatie zelf al een plan voor windmolenparken op zee gemaakt. De noodzaak van een groter aandeel voor duurzame energie vanaf 2020 kan daar worden vervuld. Voorlopig is vanwege de nog te ontwikkelen turbines, fundamenten voor molens op zee en andere technische voorzieningen en vanwege de daaraan verbonden kosten, de grootschalige plaatsing op zee nog niet mogelijk. De industrie en onderzoekinstituten werken aan voorbereidende projecten zoals een proefproject 8 kilometer van de Nederlandse kust. Daarnaast wordt een zeer grote turbine voor de langere termijn met de capaciteit van 5 tot 6 MW ontwikkeld. Uiteraard zijn hier veel investeringen voor nodig. Zolang de plaatsing van windenergie ver uit de kust ook economisch nog geen haalbare kaart is, moet de overheid gezien haar streven naar duurzame energie, deze marktimperfectie mee helpen weg te nemen. Dit gebeurt al doordat er bijvoorbeeld f 60 miljoen uit het CO2 reductiefonds naar het nearshore-proefproject gaat of bijna f 10 miljoen naar de ontwikkeling van de "reuzeturbine" van 5-6 MW. De overheid neemt de plaatsing van windenergie blijkbaar dus serieus.

Uitgangspunten
Wind wordt in het algemeen als een van de meest veelbelovende alternatieven voor fossiele brandstoffen gezien, zeker nu op korte termijn andere vormen van duurzame energie economisch gezien nauwelijks haalbaar zijn. Een deel van de politieke achtergrond waartegen windenergie zich verder moet ontwikkelen ligt al vast: het Regeerakkoord en internationale afspraken met betrekking tot het terugbrengen van CO2 (Kyoto-afspraken). Beleidsvoornemens van de regering weerspiegelen zich bijvoorbeeld in het "Actieprogramma Duurzame Energie" en de onlangs verschenen voortgangsrapportage daarop "Duurzame Energie in uitvoering" (EZ, juli 1999).

In 1995 stelde het kabinet de doelstelling om in 2020 tenminste 10% van het Nederlands energieverbruik met duurzame energie (voortaan DE) te dekken. In 2000 zou dit al 3% moeten zijn. Als tussendoel wordt nu in de voortgangsrapportage 5% DE in 2010 genoemd. Aangezien het aandeel DE in 1998 slechts 1,1% bedroeg(3)

, zijn extra inspanningen van de overheid hard nodig. Van de 10% in 2020 moet 17% door windenergie worden gedekt. Ter vergelijking: energie uit afval en biomassa 45%, zonne-fotovoltaïsche energie 3,7% (zie onderstaande grafiek). Het "Actieprogramma Duurzame Energie" gaat uit van een rol voor de overheid als het gaat om verbetering van de prijs-prestatieverhouding (technologie bevorderen), stimulering van marktpenetratie en het aanpakken van bestuurlijke knelpunten zoals met de Bestuursovereenkomst Plaatsingproblematiek Windenergie tussen Rijk en provincies uit 1991 (BPW). De

Rijksoverheid sloot toen een bestuursovereenkomst met zeven "windrijke provincies" met als streven het creëren van ruimte voor de plaatsing van een opgesteld vermogen aan windenergie van 1000 MW in het jaar 2000. De BPW wordt in 1999 nog herzien. De nieuwe overeenkomst zal nieuwe taakstellingen voor alle, dus niet alleen de zogenaamde windrijke, provincies meebrengen. De bedoeling is om ook gemeenten en natuur- en milieubewegingen bij de afspraken te betrekken. In totaal wordt in de nieuwe BPW voorzien in ruimte voor 1500 MW windenergie in 2010.(4)

Het standpunt van de PvdA sluit aan bij de doelstellingen van de regering. De partij is echter niet tevreden met de investeringen in DE en andere maatregelen om energiebesparing te bevorderen en milieuvervuiling te voorkomen. Met de huidige beleidsvoornemens zullen de doelstellingen niet gehaald worden. Het bevorderen van de omschakeling naar duurzame energiebronnen moet minder vrijblijvend gebeuren. Dit zou moeten gebeuren door het voor energiebedrijven verplichtstellen van een in de tijd oplopend percentage duurzame energie door middel van een systeem van verhandelbare groene stroom certificaten.(5)

Zeker bij dalende prijzen van conventionele (fossiele) stroom door marktwerking mag de ontwikkeling van DE geen beslissende achterstand oplopen. Dit hoeft ook niet, want de prijsdaling van gewone stroom geeft juist economische ruimte om meer te investeren in DE zonder een prijsstijging van de eindverbruikersprijs. Voorts is van het belang om de grootschalige toepassing van zonnecellen bij nieuwbouw en scherpe voorschriften zoals de Energie Prestatie Norm en een Energiekeurmerk voor elke woning te stimuleren.(6)

De doelstellingen voor DE en windenergie worden hiermee echter nog niet gehaald.

Knelpunten bij de realisering van windenergie De plaatsing van windenergievermogen staat op een te laag pitje. De door de overheid gewenste gemiddelde stijging van 100 MW per jaar (TWIN-programma Novem) werd alleen in 1995 gehaald, een jaar later was dat nog maar 50 MW en in 1997 zelfs maar 30 MW. In 1998 werd ongeveer 40 MW bijgeplaatst. In 1999 is tot oktober niet meer dan ruim 32 MW bijgeplaatst.(7)

Te weinig om de 750 MW in 2000 uit het Actieprogramma Duurzame Energie of de 1000 MW volgens het plaatsingsprogramma van de Bestuursovereenkomst Plaatsingsproblematiek Windenergie (BPW) te halen.(8)
De verplichting ten aanzien van DE in het algemeen en windenergie in het bijzonder, zal moeilijk haalbaar zal zijn: de grafiek geeft weer dat de aansluiting tussen gerealiseerde en de nog te realiseren doelstellingen vanaf 2000 een aanzienlijke inspanning zal vergen. In begin oktober 1999 was er 392 MW windenergie in Nederland opgesteld(9) en samen met nog niet gerealiseerde plannen zal naar verwachting zonder verdere maatregelen aan het einde van het jaar 2000 hooguit 460 MW zijn opgesteld.(10) Ter vergelijking: Denemarken stelde zich 1500 MW in 2000 ten doel en heeft dat nu al behaald. In Denemarken wordt 9% van de landelijke stroombehoefte uit windenergie behaald, in Nederland nog maar 0,75%. Het tempo waarin windenergie in Nederland groeide was in 1998 ruim 12%, terwijl dat groeicijfer in Duitsland 38% bedroeg, in Denemarken 30%, Spanje 63%, Verenigde Staten 21% (allen landen die ook in MW al meer opgesteld windvermogen hadden dan Nederland), Italië 80%, Zweden 28% en China 96%.(11)

Hoewel Nederland qua opgesteld vermogen nog tot de (sub)top van windenergie-landen behoort, dreigt het in de lagere middenmoot terecht te komen.
Er zijn verschillende redenen aan te geven waarom de ambities ten aanzien van windenergie niet gerealiseerd zijn. In feite gaat het om twee hoofdknelpunten:
I.De economische haalbaarheid
II.De ruimtelijke inpassing van windenergie

Ad I. De economische haalbaarheid.
ECN onderzocht drie CPB toekomstscenario's van de Nederlandse economie op hun bijdrage aan DE. Het meest optimistische scenario liet 4,6% DE in 2020 zien(12) , bij lange na dus niet de nagestreefde 10%. ECN zoekt de oorzaken voor de achterblijvende penetratie van DE onder andere in financieel-economische overwegingen: de vraag of investeerders geld in DE willen steken. Dit is afhankelijk gesteld van de prijs van fossiele energie versus die van DE. Aangezien de prijs van DE doorgaans hoger uitvalt stuurt de overheid met beleidsinstrumenten het gebruik in de gewenste richting. Zonder hier in te gaan op de effectiviteit van de verschillende beleidsinstrumenten is duidelijk dat zij allen tekort schieten om de 10% norm in 2020 te halen. Windenergie op land is op dit moment nog het meest economisch haalbaar, maar daar stuit men op grotere bezwaren wat betreft de ruimtelijke inpassing. Gezien de huidige verhouding tussen de prijzen van duurzame energie en fossiele energie, heeft DE in het algemeen bij een vrije marktwerking nauwelijks een kans. De bedrijfseconomische kostprijs schiet hier nog tekort en wind moet door middel van stimuleringsmaatregelen van de overheid concurrerend worden gemaakt met fossiele energie. Bij commerciële exploitatie (afschrijving van de turbine in 10 jaar) varieert de kostprijs voor windenergie van 10 cent per KWh op windrijke locaties, tot 20 cent per KWh landinwaarts.(13)

De prijs per groene KWh is de laatste jaren sterk aan het dalen. De kostprijs van elektriciteit uit fossiele brandstoffen ligt in de orde van grootte van 8 cent per KWh, maar kan door de overcapaciteit in productievermogen ook dalen. Op de stroombeurs APX wordt al tegen veel lagere prijzen elektriciteit verkocht.(14) Aan de andere kant kunnen stijgende olieprijzen ook hun invloed op de elektriciteitskostprijs gaan hebben.

De specifieke investeringssubsidie voor windenergie is in 1996 afgeschaft. Het huidige overheidsbeleid ten aanzien van DE kent vooral generieke instrumenten. De markt moet beslissen aan welke vormen van DE de voorkeur wordt gegeven. Om de marktpenetratie te bevorderen hanteert de overheid verschillende instrumenten. Er bestaat een Energie-investeringsaftrek (EIA, korting op investering in DE), regulerende energiebelasting (REB, heffing op niet-duurzaam energieverbruik). De Energie Prestatie Norm (EPN) voor nieuwbouw en de Energie Prestatie op Locatie (EPL) stimuleren het gebruik van DE verder. Daarnaast bestaat er onder andere nog de regeling Vrije afschrijving milieu investeringen (VAMIL), Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (EINP), Groen Beleggen, het CO2-reductieplan en andere regelingen via Novem, Senter (EZ-programma economie, ecologie en technologie, EET), Europese regelingen en regelingen via het energiebedrijf.

Bij de negatieve beeldvorming over de kostprijs van windenergie en ook foto-voltaïsche zonne-energie speelt het niet te veronachtzamen probleem van de benodigde reservecapaciteit mee. Van het opgesteld vermogen, kan slechts circa een derde effectief worden gebruikt(15)

over een langere periode omdat het simpelweg te zacht of juist te hard waait voor de opwekking van windenergie. Zolang energiebronnen die naar behoefte in- of uitgeschakeld worden veruit de overhand hebben, is een grote reservecapaciteit van windenergie niet nodig om schommelingen in de vraag op te vangen. Als echter de mate van niet in- en uitschakelbare windenergie groter wordt, dan dient er een grotere overcapaciteit aanwezig te zijn. Dit heeft een verhogend effect op de kostprijs. Om de prijs-prestatieverhouding voor DE te verbeteren dient het technische rendement van DE te worden verbeterd. Hiervoor is onderzoek nodig dat ook door de overheid wordt betaald.(16)

Het rendement van de turbines is al gestegen en zal verder verbeterd worden, hetzelfde geldt voor het aantal uren dat een turbine inzetbaar is. De schaalvergroting en serieproductie dragen bij aan de daling van de kostprijs van een turbine. De technische verbeteringen maken het ook mogelijk om hogere turbines te bouwen, waardoor ook de plaatsing in minder windrijke gebieden aantrekkelijker wordt. Op lange termijn blijft het probleem dat duurzame energiebronnen de fossiele energiebronnen niet volledig kunnen verdringen omdat nu eenmaal niet altijd de zon schijnt of de wind waait en de opslag van elektriciteit vooralsnog niet op een bevredigende manier mogelijk is.

Als het om de relatieve kostprijs als bottleneck gaat zijn veel prognoses op een nogal wankele basis gebaseerd. Immers de prijs van fossiele brandstoffen is verre van stabiel. Ook is nog onduidelijk hoe de prijzen van energie zich op de (bijna) geliberaliseerde markt gaan bewegen en hoe DE zich daarin staande weet te houden. Hoewel de grootschalige invoering na windenergie zal zorgen voor schaalvoordelen, wordt op korte termijn verwacht dat DE in een vrije markt eerder het onderspit zal delven. De grote overcapaciteit aan elektriciteitsproductievermogen in Europa kan voor een prijzenslag zorgen. De overheid dient zich blijvend in te zetten om DE te bevorderen, haar rol is daarom verre van uitgespeeld. De Algemene Energieraad (AER) heeft zich onlangs ook in deze zin uitgelaten. Zij is van mening dat de minister van EZ een verplicht percentage DE moet invoeren dat op lange termijn moet oplopen, de REB moet verdubbelen en de opbrengsten daarvan voor DE moet gebruiken. Ook denkt de AER aan het gebruiken van een deel van de aardgasbaten voor de bevordering van DE.(17)

In het advies aan de minister van EZ over het "Overheidsbeleid voor de lange termijn energievoorziening" ziet de AER, ondanks de bestuurlijke en maatschappelijke weerstand tegen de locale toepassing, een rol voor windenergie weggelegd. Juist vanwege die weerstand acht de AER "een forse beleidsinspanning" nodig en dat ontbreekt in het beleid van de minister op dit moment nog. Volgens de AER moeten voor windenergie "alle ter beschikking staande -ook wettelijke- middelen" worden toegepast. Als lange termijn optie geldt vooral de plaatsing op zee, waar dergelijke weerstand niet zo sterk zal zijn.(18)

Ad II. De ruimtelijke inpassing van windenergie. Hoewel er economische haken en ogen aan het invoeren van windenergie zitten, levert dit nu meer onduidelijkheid dan echte barrières op. Economische bezwaren kunnen wel op langere termijn de invoering van DE dwarsbomen, maar op korte termijn schuilt in de ruimtelijke inpassing het grootste probleem. De plaatsing van windturbines stuit vaak op maatschappelijke bezwaren. Een rotor maakt een zoevend geluid, de generator en tandwielkast kunnen hinderlijk hoorbaar zijn. Geluidshinder kan worden voorkomen door voldoende afstand van woningen te houden en doordat de turbines steeds beter geïsoleerd worden en de aërodynamiek van de rotor verbeterd. De rotor zorgt ook voor een bewegende schaduw. Ook hier zorgt het bouwen op afstand van woningen voor voldoende garantie dat de hinder uitgesloten of in ieder geval beperkt blijft. Nieuwe bezwaren kunnen bijvoorbeeld ontstaan door de Vogelrichtlijn, die gebieden aanwijst waar vogels bijzondere bescherming genieten. Hoewel onderzoek lijkt uit te wijzen dat de vogelsterfte door de aanwezigheid van windturbines relatief gering is(19) , grijpen tegenstanders de richtlijn toch aan als extra argument tegen windenergie. De risico's voor de vogelstand zijn nog omstreden.(20)

Het meest problematisch lijkt het te zijn dat een windmolen nu eenmaal een markant punt in het landschap vormt. Windmolens drukken ontegenzeggelijk een duidelijk stempel op de omgeving. Wat dat betreft heeft Nederland een traditie. In de vorige eeuw was voor de grootschalige invoering van andere energiebronnen, windenergie de belangrijkste energiebron en evenaarde het "opgestelde vermogen" zelfs het huidige peil. Of het mooi is, blijft een kwestie van smaak. De een vindt een rij molens langs een vaart mooi, de ander niet. De weerstand tegen solitaire molens is het grootst en roept felle tegenreactie op. Voorstanders wijzen op het feit dat Nederland vol staat met hoogspanningsmasten die ook niet op verzet stuiten. Dergelijke overwegingen splitsen zelfs de milieubeweging in voor- en tegenstanders van windenergie. Uit een enquête onder de inwoners van Friesland bleek meer dan 90% voor DE te zijn. Wel had 29% bezwaar tegen het plaatsen van een windturbine in de buurt van zijn woning. Daarbij speelde vooral het visuele aspect een rol.(21)

Een voordeel van windenergie is wel dat het niet een permanente aantasting van de omgeving hoeft te betekenen aangezien een turbine relatief eenvoudig weer weg te halen is. De technische levensduur van een windturbine bedraagt ongeveer 15 tot 20 jaar. De economische levensduur en de aflossingstermijn van de financiering circa 10 jaar. Afhankelijk van de gebruikmaking van stimuleringsregelingen zou de terugverdientijd 6,2 tot 9,5 belopen.(22)

Toch stuiten bestuurlijke besluiten over de plaatsing van windturbines zoals bestemmingsplannen, bouw- en milieuvergunningen vaak op veel bezwaarschriften van omwonenden en natuur- en milieuorganisaties. De inspanningsverplichtingen van de windrijke provincies om ieder een bepaald vermogen aan windenergie te laten opstellen, zijn dan ook niet door alle provincies gehaald. Provincies hadden vanwege het BPW in eerste instantie een voortrekkersrol. Maar het overgrote deel van de vergunningprocedures moet door de gemeenten worden afgehandeld. Provincies kunnen behalve streekplannen maken en faciliterend werken, niet veel meer doen.(23)

Hier zit een knelpunt. Het is gebleken dat, hoewel provincies erin geslaagd zijn ruimte te vinden voor windenergie, dat de vertaling van provinciale beleidsplannen naar gemeentelijke bestemmingsplannen onvoldoende was.(24)

Hier werkt ook het ontbreken van een eenduidig ruimtelijk ordeningsbeleid ten aanzien van windenergie fnuikend. Tijdens een in april 1999 gehouden Rondetafeldiscussie over DE werd aangedrongen op vereenvoudiging en versnelling van regelgeving en procedures. Bijvoorbeeld de landschappelijke inpassing van windturbines zou, voor zover het de plaatsing op industrieterreinen betreft, geen punt van discussie meer moeten zijn.(25)

Gemeenten blijken niet altijd van zins of in staat mee te werken aan de plaatsing van windturbines binnen hun grenzen. De BPW wordt door gemeenten niet zelden slechts gezien als iets tussen het rijk en provincies. De kennis over windturbines is vaak afwezig. Novem doet zijn best om hier verandering in te brengen en windprojecten te ondersteunen. Novem startte in 1997 met de campagne Ruimte voor windenergie om gemeentelijke bestuurders te helpen bij de technische, economische en planologische voorbereiding. Om het draagvlak voor windenergie verder te vergroten ondersteunt Novem het Regionaal Windenergie Overleg tussen provincies, gemeenten, particuliere exploitanten, milieuorganisaties en dergelijke. Gemeenten blijven echter binnen wettelijke grenzen bevoegd een eigen beleid te voeren. Zij zijn het uiteindelijk die bouwvergunningen moeten verlenen, toetsen aan het bestemmingsplan en bestemmingsplannen eventueel moeten veranderen. De gemeente speelt ook een belangrijke rol bij de uitvoering van de Wet Milieubeheer waar de meeste windenergieprojecten onder vallen. Gemeenten moeten ook zoeken naar locaties voor windmolens. Dit betekent ook dat gemeenten onderling verschillend beleid voeren ten aanzien van het afgeven van vergunningen. De beoordeling van incidentele vergunningaanvragen bergt het gevaar in zich dat gemeenten geen beleid voor windenergie gaan voeren, maar zorgen voor een ad hoc inrichting van het buitengebied met veel vrijstaande windmolens van verschillende afmetingen in plaats van windmolenparken(26)

. Ook provincies kunnen de plaatsing van windenergie hinderen. Provincies geven nu in (concept)streekplannen de voorkeur aan grootschalige windparken op vooraf aangewezen locaties of kleinschalige clusterprojecten.(27)

De provincie Groningen is bijvoorbeeld tegen de plaatsing van solitaire molens of molens in lijnopstelling omdat die het open landschap zouden aantasten. Nieuwe molens worden alleen nog toegestaan in de bestaande windparken in de Eemshaven en Delfzijl, wat betekent dat agrariërs die graag windturbines als neveninkomsten bij hun bedrijf willen plaatsen daar geen kans voor krijgen. Zij zullen wel in de gelegenheid worden gesteld in de twee windparken te participeren. Ook Friesland is tegenstander van solitaire molens.(28)

Veel projectontwikkelaars trachtten projecten van een alleenstaande windmolen in een gemeente vanwege de vaak langdurige procedures te omzeilen, door plannen voor windmolenparken op afgelegen plaatsen te ontwikkelen. Bijvoorbeeld de provincies Noord-Holland en Friesland werken samen om langs de Afsluitdijk Nederlands grootste windmolenpark te laten verrijzen (Interprovinciaal Project Windturbines Afsluitdijk, IPWA).(29)

Bij de behandeling van het Tweede Structuurschema Elektriciteitsvoorziening in 1994 bleek al dat er met solitaire molens en kleine parken te weinig vooruitgang qua productie werd gemaakt. De Tweede Kamer nam toen de motie Boers-Wijnberg aan om de via overleg met provincies de plaatsing van grotere windmolenparken ter hand te nemen.(30)

Voor kleinere projecten wordt de AMvB "Voorzieningen en installaties" op grond van de Wet Milieubeheer voorzien waarin uniforme criteria worden vastgelegd ter beoordeling van hinder bij het plaatsen van bijvoorbeeld een windturbine. Voor dergelijke projecten zal geen milieuvergunning meer nodig zijn, maar voldoet melding. Bij goed verloop van de procedure kan de AMvB in de loop van 2000 in werking treden en zal het traject van bezwaren tenminste worden ingekort.

Om aan de problemen met betrekking tot de plaatsing van turbines in Nederland te ontkomen, zoeken sommige energiebedrijven (Nuon-Enw en Edon) voor de plaatsing van windmolens hun heil in het buitenland. Daarmee wordt de vermindering van broeikasgassen in Nederland niet geholpen.
De oplossing van het probleem om geschikte plaatsen voor windenergie te vinden is het plaatsen van turbines in zee. De maatschappelijke acceptatiegraad voor windenergie op land zou tot 1500 MW of volgens andere bronnen tot 1900 MW reiken, daarboven zou voor plaatsing op zee moeten worden gekozen.(31)

Het probleem van landschappelijke inpasbaarheid, horizonvervuiling ontbreekt vrijwel, als ook het probleem van het vinden van windrijke gebieden wordt hier mee omzeild. Een groot nadeel is dat de investeringen op zee veel hoger zijn dan aan land. Dit nadeel wordt geringer naarmate de kostprijs van funderingen van turbines op zee drastisch daalt, wat in Denemarken al het geval is.(32)

Greenpeace denkt aan 10.000 MW offshore windenergievermogen. Volgens Schürmann, directeur NedWind en voorzitter Nederlandse Vereniging Windenergie, kan er op het Continentaal Plat 15.000 tot 20.000 MW aan windenergievermogen worden geplaatst. Gezien de verwachte investeringen van tientallen miljarden ligt het niet voor de hand dat dit zonder technologiesubsidiëring totstand kan worden gebracht, omdat anders een windenergiepark onrendabel zou blijven.(33)

"Noordzeewind", een consortium van Stork, Nuon-Enw, ING en het ingenieursbureau Weom, wil f 450 miljoen investeren in een park voor de kust tussen Noordwijk en Zandvoort met een opgesteld vermogen van 100 MWh.(34)

Drie andere consortia zijn ook in de markt voor dit proefproject. De locatie voor dit nearshore-windpark zal in het Tweede Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV) worden opgenomen. Het SEV zal daarvoor via een pkb-procedure moeten worden gewijzigd. Hiervoor dient ook een mer-procedure doorlopen worden. Het formele startschot voor al deze procedures is in juli 1998 gegeven. De regering zal naar aanleiding van deze procedures in 2000 een locatie voor het nearshore-windpark aanwijzen. De realisering laat volgens de planning tot medio 2002 op zich wachten.(35)

Voor dit proefproject is uit het CO2 reductiefonds f 60 miljoen gereserveerd, in afwachting van de behandeling van de ontwerp-pkb. Aangezien de windturbine en aanverwante offshore-technologie nog moeten worden ontwikkeld en het stadium van proefproject nog niet eens is gerealiseerd, is echt grootschalige near- of offshore toepassing iets voor de verdere toekomst. Novem heeft over toekomstige offshore windenergie in 1999 het Plaatsingsplan Buitengaats aangeboden aan EZ.

Het gevaar bestaat dat (middel)grote projecten, dit geldt ook voor het project langs de Afsluitdijk, wel de aandacht van kleinschaliger projecten kan afleiden. Daarom mogen gemeentebesturen er ook niet vanuit gaan dat windenergie op land niet meer nodig is. Het ministerie van EZ heeft door middel van een brief de gemeenten dan ook duidelijk gemaakt dat de plaatsing van windturbines aan land, nog niet van de baan is.(36)

Waarom windenergie? Legitimatie
Prijs. Hoewel windenergie de goedkoopste vorm van DE is, is het nu nog relatief duur ten opzichte van de opwekking van elektriciteit met fossiele brandstoffen. De prijs per KWh is de laatste jaren echter al drastisch gedaald vanwege met name de grootschalige productie van turbines en de technische verbeteringen. In Nederland kost de conventionele opwekking van elektriciteit ongeveer 8 cent/KWh. Aangezien ook de milieukosten tot uitdrukking moeten worden gebracht is er de REB van circa 4 cent per KWh. Hierdoor en door de verwachte daling van de kostprijs van windenergie ( 20-30% tot 2005 naar verwachting), wordt windenergie binnenkort de goedkoopste vorm van elektriciteit voor de afnemers. De aangekondigde verhoging van de REB voor niet-duurzame energie zal leiden tot een verbetering in de concurrentiepositie van DE voor zover die bij energiegebruikers "achter de meter" wordt geleverd. De REB wordt deels doorgesluisd naar de producenten van DE en vormt zo voor hen een stimulans. Bij de komende besluitvorming over de REB zal bekeken worden of voor het doorsluizen van REB-gelden naar producenten van DE er sprake kan zijn van differentiatie wat betreft het doorsluizen naar DE. Deze differentiatie dient ertoe om te voorkomen dat er REB-gelden vloeien naar vormen van DE die al meer rendabel zijn.(37)
Hetgeen voor windenergie niet veel goeds belooft.

Milieu: de opwekking van windenergie levert geen uitstoot van onder andere CO2 op, noch levert het andere afvalstoffen op zoals kerncentrales. Gaat men uit van een vergelijking met relatief schone aardgasgestookte elektriciteitscentrales dan wordt per KWh windelektriciteit 0,33m3 aardgas gespaard. Dit komt overeen met 680 gram CO2 en 1,37 gram stikstofdioxide (NOx).(38) Overige milieuaspecten zoals geluidsoverlast en aantasting van het landschap staan hiertegenover, maar kunnen door technische verbeteringen en goede locaties tot een aanvaardbaar minimum worden gereduceerd. De mechanische geluiden van de tandwielkasten zijn bij moderne turbines vrijwel verdwenen. De geluidsproductie weliswaar sterk terug gebracht, maar kan - afhankelijk van de omgeving - nog wel voor overlast zorgen. De energie die in de productie van een windmolen moet worden gestoken is doorgaans na twee of drie maanden door de energieproductie van de molen zelf al weer gecompenseerd.

Werkgelegenheid. Naar schatting werkten er in 1995 in Denemarken 30.000 mensen in de "windindustrie" (inclusief personeel voor productie van componenten en installatie). Windturbines zijn voor Denemarken inmiddels uitgegroeid tot een van de belangrijkste exportproducten. In Nederland is genoeg knowhow beschikbaar, maar het ontbreekt aan productiecapaciteit. Hierdoor is een kans wat betreft werkgelegenheid gemist. Daarbij komt nog dat de wel aanwezige Nederlandse offshore-bedrijvigheid een opstap vormt naar de ontwikkeling van windturbines op zee en dat de malaise die in de offshore-industrie dreigt, omgekeerd kan worden.

Kennisvermeerdering. ECN, Novem en de TU Delft werken al samen in de Nederlandse R&D strategie windenergie (NRW). De toekomst voor windenergie in Nederland lijkt voor zover het de verdere toekomst betreft op zee te liggen. Genoemd is het nearshore windmolenpark. Verdere R&D inspanning op dit terrein is gewenst omdat er nog geen prototype voor een offshore-windturbine bestaat.(39)

De Nederlandse industrie (onder andere NedWind) ontwikkelt in samenwerking met ECN, TU-Delft en gesubsidieerd uit het EET-programma een "Dutch Offshore Wind Energy Converter" (Dowec), een zeer grote (5-6MW) windturbine speciaal voor toepassing op zee (totale kosten f 25 miljoen, waarvan f 9,7 miljoen gesubsidieerd). Deze turbine moet over acht à negen jaar inzetbaar zijn en dient dus nog niet voor het nearshore- proefproject. Voor dat laatste project wordt voortgeborduurd op beschikbare kennis. De R&D-inspanning kan positieve externe effecten hebben in de zin dat het kennis levert waar anderen gebruik van kunnen maken. Hierbij kan met name worden gedacht aan de offshore-industrie en fabrikanten van windturbines.

Visie
Belangrijk is om een korte en lange termijn visie te scheiden. Op korte termijn zal plaatsing van windenergie op land nodig zijn om de doelstellingen te behalen en omdat dat de meest rendabele vorm van duurzame energie is. Er zijn nog substantiële hoeveelheden windenergie op het land te plaatsen. Bovendien: wil de lange termijn niet uit het oog worden verloren, dan moet de korte termijn de volle aandacht houden. Nu stoppen met de plaatsing van windenergie zou funest zijn voor de aanwezige technische kennis en zou de optie windenergie ook definitief uit de hoofden van ontwikkelaars, planners, bouwers, besturen en burgers bannen. Tot de tijd dat grootschalige plaatsing elders mogelijk is, moet plaatsing op land. Om de bezwaren zo klein mogelijk te maken, moet gezocht worden naar locaties waar turbines geconcentreerd kunnen worden geplaatst in parken of in lijnopstelling langs al bestaande "aantastingen" van het landschap. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld de plaatsing langs de dijken, kanalen, snelwegen of geschikte industrieterreinen. Tot de tijd dat grootschalige plaatsing op zee mogelijk is, moet relatief kleinschalige plaatsing op land. Na een (technische) levensduur van een windturbine aan land van 20 jaar moet de lange termijn optie van offshore windenergie de fakkel hebben overgenomen. De landturbines kunnen zonder aantasting van het landschap verdwijnen daar waar ze nog steeds op onoverkomelijke bezwaren stuiten. Hoewel de bezwaren tegen plaatsing van windmolens op land zeer serieus moeten worden genomen, moet duidelijk zijn dat een turbine daarom veel minder blijvende hinder oplevert dan bijvoorbeeld de aanleg van grote infrastructurele werken of hoogspanningsmasten. Dit wil niet zeggen dat de overheid geen pogingen in het werk moet stellen om die bezwaren te verminderen of weg te nemen. Desondanks is windenergie op land zelfs volgens Greenpeace niet iets wat op lange termijn perspectief biedt: een vermogen van 1900 MW in 2010 is wat hen betreft het maximaal haalbare. De regering richt zich zoals gemeld op 1500 MW. Hoewel we daar nu nog ver vanaf zitten, liggen de mogelijkheden van windenergie op lange termijn op zee.

Zowel vragers als aanbieders moeten windenergie als normale energiebron gaan accepteren. Voor de lange termijn moet op de eerste plaats de politiek voor een grote draagvlak voor windenergie zorgen en zich hard maken voor de optie "wind op zee" en initiatieven in die richting ondersteunen daar waar nodig.

Het is nodig dat de nationale doelstellingen met betrekking tot windenergie in verband met problemen op het gebied van ruimtelijke ordening beter naar het provinciale en gemeentelijke niveau worden vertaald. Het nationaal beleid sijpelt onvoldoende door naar het provinciale of lokale niveau waar de uitvoering in het algemeen moet plaatsvinden. Er is zelfs onvoldoende afstemming over een goed locatiebeleid tussen de ministeries van EZ, LNV en VROM.(40)

Sommigen vragen om een nationale nota, bijvoorbeeld "Ruimtelijke ordening en windenergie", waarin een aantal grotere locaties voor windenergie wordt aangewezen.(41) Er wordt overwogen om in de dit jaar te verschijnen herziene nota "Structuurschema Groene Ruimte" specifiek passages over windenergie op te nemen. Hoewel het instrument van een aanwijzing op grond van de Wet RO een middel is dat alleen in uiterste noodzaak mag worden gehanteerd,(42) stelde minister Jorritsma onlangs bij de behandeling van haar begroting voor het jaar 2000 dat zij het beleid van de gemeenten medeverantwoordelijk acht voor het achterblijven van de plaatsing van windturbines en dat zij binnenkort waarschijnlijk ruimte zal gaan aanwijzen. In het tegen het einde van dit jaar te verschijnen Energierapport zal de regering waarschijnlijk voorstellen doen om een aantal grote locaties voor windenergie aan te wijzen.(43)

Zolang het Rijk geen windlocaties vastgesteld heeft in een Planologische Kernbeslissing zal zij op grond van de Wet RO aan gemeenten geen aanwijzingen kunnen geven. Het tot stand komen van een dergelijke PKB zal minimaal twee jaar vergen.

Plan>

De tijd dringt. Er zal thans een beleid ontwikkeld moeten worden dat zowel een snelle realisering van 1000 MW garandeert als ook op de onontbeerlijke steun van de provincies en gemeenten kan rekenen.

De wens van de minister van EZ elke gemeente een windmolen te laten plaatsen is een goed uitgangspunt voor ons voorstel. Niet elke gemeente kan echter aan deze wens voldoen. Landschappelijke en windtechnische eisen kunnen objectieve belemmeringen zijn om tot plaatsing over te gaan. Ook de algemeen gedeelde wens om een eind te maken aan solitaire plaatsingen kan een hindernis zijn.

Conform de systematiek van de verhandelbare emissierechten komen wij tot het volgende voorstel:

I.
De Nederlandse gemeenten worden ingedeeld in drie bevolkingsklassen. Daaraan wordt afhankelijk van de klasse waarin een gemeente zit, een verplichting tot plaatsing van een bepaalde hoeveelheid windenergie gekoppeld. Te denken valt aan de volgende indeling:
gemeenten tot 5.000 inwoners---------------------geen verplichting gemeenten van 5000 - 20.000 inwoners----------1,5 MW per gemeente gemeenten van 20.000 - 100.000 inwoners------2,25 MW per gemeente gemeenten met meer dan 100.000 inwoners------4,5 MW per gemeente Deze indeling zal leiden tot een plaatsing van ruim 1000 MW windenergievermogen(44)
. Dit moet realiseerbaar zijn voor het jaar 2010, maar waarschijnlijk kan dit doel al vóór 2005 worden bereikt. Omdat niet elke gemeente beschikt over goede plaatsingsmogelijkheden, wordt de mogelijkheid geopend de verplichting over te laten nemen door een andere gemeente met meer mogelijkheden voor windenergie.

II.
De plaatsende gemeente zal een financiële tegemoetkoming krijgen van de niet plaatsende gemeente. Dit bedrag zal tenminste de kosten die een plaatsende gemeente moet maken voor het eventueel realiseren van een bestemmingsplan en overige hiermee gepaarde kosten (inspraakprocedures en dergelijke) moeten compenseren. Samen met VNG en IPO dient hiervoor een vast sleutelbedrag te worden vastgesteld.

III.
Hoewel de extra bestuurslasten in dit systeem niet hoog zullen zijn, zal de rijksoverheid én als compensatie voor deze kosten én als extra financiële prikkel middelen voor dit plaatsingsbeleid moeten vrijmaken. Begrotingstechnisch kan dit uit de middelen die het ministerie van EZ al heeft gereserveerd voor windenergie.

IV.
Het zal heel wel mogelijk zijn dat de overdracht van plaatsingen over de provinciegrenzen heen plaats vindt. Het IPO zal derhalve een belangrijke rol spelen in het coördineren en bewaken van te plaatsen en geplaatste hoeveelheden windenergie.

V.
Het is aanbevelenswaardig dat de afzonderlijke provincies en regionaal samenwerkende gemeenten gezamenlijk tot een inventarisatie van plaatsingsmogelijkheden komen alsmede tot een landschappelijk plan voor de inpassing van windmolenparken.

VI.
Het bovenstaande kan geregeld worden in een Wet op de plaatsing van windenergie. Onze voorkeur gaat uit naar een convenant met IPO en VNG. Dit convenant kan in de plaats komen van de binnenkort aflopende Bestuursovereenkomst Plaatsingsproblematiek Windenergie (BPW). Een convenant bouwt op de welwillendheid die bij de provincies en gemeenten aanwezig is, maar die tot nu toe door de eerder geschetste problemen onvoldoende tot hun recht kon komen.

Ook kan aangesloten worden bij de suggestie van de VVD-fractie om brede duurzaamheidsconvenanten met gemeenten te sluiten. De plaatsingsconvenanten kunnen daarvan een onderdeel zijn. De daadwerkelijke plaatsing en exploitatie van windmolens is na de liberalisatie van de energiemarkt niet meer een primaire taak van de overheid. In de vorm van publiekprivate samenwerking kan samengewerkt worden met bedrijven uit de energiesector die zich nu al bereid hebben verklaard voor 2010 1000 MW windenergie te willen realiseren. De energiebedrijven willen graag investeren in windenergie, ook omdat de vraag naar groene stroom groeit. Zij hebben zich verplicht (Milieu Actie Plan 2000) om 3,2% van de elektriciteitsafzet en 0,1 van de gasafzet uit duurzame bronnen te betrekken. Het bovenstaande plan van de PvdA maakt het mogelijk dat zij hun verplichtingen in Nederland waarmaken. En dat komt ten goede aan onder andere de nationale verplichtingen die Nederland in het kader van het Klimaatverdrag op zich genomen heeft.

Wij verzoeken de regering het plan "Energie voor de wind" nader uit te werken en in het voorjaar van het jaar 2000 de Tweede Kamer conform dit plan een beleidsvoorstel te doen.

1.
1 Betreft een solitaire windmolen van 750 MW. Nieuwsbrief Energie 2050, extra editie, juli 1999.

2.
2 Zie ook de Kamerbreed ondersteunde motie Van Dijke (26 800 XIII, nr. 10), waarin de regering opgeroepen wordt om zo spoedig mogelijk met een duidelijke planning ten aanzien van wetgeving voor de realisatie van offshore windenergie te komen.

3.
3 Ministerie van Economische Zaken. Duurzame energie in uitvoering. Voortgangsrapportage, juli 1999, p. 15.

4.
4 Het Financieele Dagblad 30-6-1999; Windenergie in alle provincies. Informatiecentrum Duurzame Energie, 1999; NRC 27-7-1999, "Windmolens boeren in de ban".

5.
5 Motie Crone c.s. voorgesteld in het Nota-overleg rond de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (26 603, nr. 5), 1-11-1999.

6.
6 Standpunt PvdA over Energie- en klimaatbeleid (WWW.PVDA.nl/diversen/standpunten/standpunten99)

7.
7 Wind Service Holland,
(http://home.wxs.nl/~windsh/nwturtab99.html)

8.
8 A. van Wijk, Windenergie moet zowel van zee als van land komen. In: Staatscourant 22 april 1999.

9.
9 Wind Service Holland, (http://home.wxs.nl/~windsh/basics.html)

10.
10 Nuon Windplan, 1999.

11.
11 Windicator, _http://www.wpm.co.nz/windicat.htm (Windpower Monthly News Magazine)

12.
12 Nationale Energie Verkenningen 1995-2000. ECN-Beleidsstudies (1998), p. 106.

13.
13 Deze cijfers zijn ontleend aan de internetpagina van het Projectbureau Duurzame Energie.(http://www.pde.nl) Elders worden ook andere KWh-tarieven variërend van 12, 14 tot 17 cent genoemd.

14.
14 http://www.apex.nl;_ Eneco Prospect, 23 juni 1999, p. 25

15.

15 Wind Service Holland, http://home.wxs.nl/~ windsh/basics.html

16.
16 Novem voert in opdracht van de overheid het meerjarenprogramma Toepassing Windenergie in Nederland uit (TWIN) dat zich richt op enerzijds het oplossen van locale planologische knelpunten en anderzijds op de verbetering van de techniek (gestreefd wordt naar een verbetering van de prijs-prestatieverhouding van 30% in 2020).

17.
17 Algemene Energieraad, Advies Duurzame Energie, 31-3-1999.

18.
18 Algemene Energieraad, Advies Overheidsbeleid voor de lange termijn energievoorziening, 20-7-1999, paragraaf 3.4 en 4.3.1 (http://www.xs4all.nl/~aer/adv992.html#Inhoudsopgave)

19.
19 Ten opzichte van de jacht, het verkeer of hoogspanningskabels vormen windturbines een geringe bedreiging. (Windenergie & Vogels. Uitgave Informatiecentrum Duurzame Energie 1999).

20.
20 Algemeen Dagblad 17 april 1999, "Windmolens of gehaktmolens?".

21.
21 NRC 25 maart 1998, "Friezen staan op tegen windmolens".

22.
22 Betreft een solitaire windmolen van 750 MW. Nieuwsbrief Energie 2050, extra editie, juli 1999.

23.
23 F. Janse, "Novem wil olieman zijn". In: Duurzame Energie Themanummer Windenergie februari 1999, p. 8.

24.
24 Ministerie van Economische Zaken. Duurzame Energie in uitvoering, Actieprogramma 1997-2000, p. 34; Duurzame energie in uitvoering. Voortgangsrapportage juli 1999, p. 46.

25.
25 Conclusies Rondetafeldiscussie Duurzame Energie, 23- 4-1999 (initiatief van Projectbureau Duurzame Energie).

26.
26 "Windenergie in alle provincies", Uitgave van Informatiecentrum Duurzame Energie, 1999.

27.
27 "Tegenwind verwacht voor windenergie in de agrarische sector", Persbericht 1607 LEI-DLO, 30-6-1999; "Weerstand tegen windmolen-bij-de-boer groeit", Volkskrant 15-7-1999.

28.
28 NRC 27-7-1999, "Windmolens boeren in de ban".

29.

29 Algemeen Dagblad 17 april 1999, "Windmolens of gehaktmolens".

30.
30 Eindrapport Grootschalige Windenergie. Beleidsmatige en ruimtelijke mogelijkheden. Haskoning. Ingenieurs- en architectenbureau, 1996; Ministerie van Economische Zaken. Duurzame energie in uitvoering. Voortgangsrapportage juli 1999, p. 44.

31.
31 M. Kühn, W. Bierbooms, Offshore Wind Energy - A Future Market Under Rapid Development, Delft, 1998.

32.
32 Danish Wind Turbine Manufacturers Association, Economics of Offshore Wind Energy
(http://www.windpower.dk/tour/econ/offshore.htm)

33.
33 NRC, 12-5-1999. Windturbinefabrikant wijkt uit naar zee en buitenland.

34.
34 Financieele Dagblad, 11-8-1999.

35.
35 Zeestroom, nr. 4, 2-6-1999.

36.
36 A. van Wijk, Windenergie moet zowel van zee als van land komen. In: Staatscourant 22 april 1999.

37.
37 Ministerie van Economische Zaken. Duurzame energie in uitvoering. Voortgangsrapportage juli 1999, p. 23-24.

38.
38 Wind Service Holland (http://home.wxs.nl/~windsh/basics.html).

39.
39 Nationale Energie Verkenningen 1995-2000. ECN-Beleidsstudies (1998), p. 113.

40.
40 Intermediair, 5-8-1999, "Niemand wil een windmolen", p. 29.

41.
41 A. van Wijk, Windenergie moet zowel van zee als van land komen. In: Staatscourant 22 april 1999.

42.
42 Ministerie van Economische Zaken. Duurzame energie in uitvoering. Voortgangsrapportage juli 1999, p. 43-44.

43.
43 Antwoord op feitelijke vragen EZ-ontwerpbegroting 2000, vraag nr. 41.

44.
44 Als door gemeentelijke herindeling er verschuivingen binnen de klassen optreden, zal deze indeling wellicht aangepast moeten worden.

Deel: ' Knelpunten en oplossingen voor de plaatsing van windmolens '




Lees ook