KLIMAATVERANDERING

KNMI-Nieuwsbrief 5 voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Uitvoeringsnota Klimaatbeleid

Eind december heeft VROM in overleg met de minister van VROM de hoofdlijnen geschetst voor de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid. Na enkele ronden van ambtelijk overleg komt er een nieuwe versie, met een oplegnotitie waarin de geschilpunten zijn weergegeven, die de ministers op 8 februari krijgen. Dan zal de minister van V&W ook een ambtelijke nota van V&W hierover ontvangen. Het ministersoverleg zal waarschijnlijk op 12 februari en marge van de ministerraad zijn. Daarna zal de minister van VROM gesprekken met de sectoren aangaan, waar de betrokken ministers ook bij kunnen zijn. Waarschijnlijk zal het op de RROM agenda voor 9 maart staan. De Uitvoeringsnota komt indien mogelijk 1 april 1999 uit.

Voor de Hoofdlijnennotitie is onder andere gebruik gemaakt van het "Optiedocument voor emissiereductie van broeikasgassen (inventarisatie in het kader van de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid)" van het RIVM en het ECN. Dit document is op 30 oktober 1998 door Minister Pronk aan de tweede kamer aangeboden.

De VROM-raad heeft advies uitgebracht ten behoeve van de Uitvoeringsnota, getiteld "Transitie naar een koolstofarme energiehuishouding". Hierin wordt aangegeven dat voor de lange termijn instrumentele vernieuwing (bijvoorbeeld emissiehandel) nodig is, die gericht is op het zelfsturend vermogen van de samenleving en economie.

Het advies wordt meegenomen voor de Uitvoeringsnota, en de minister van VROM zal namens het kabinet en na het uitkomen van de Uitvoeringsnota nog een aparte reactie sturen.

De aangekondigde bijeenkomsten tussen minister(s) en sectoren komen in de plaats van een discussie met de sector op 26 januari op uitnodiging van de VROM-raad (die niet doorging omdat de sectoren er niet voldoende heil in zagen) en van het sectoroverleg met ambtenaren in 1997 (dat niet doorging omdat de minister van VROM er geen heil in zag).

Internationale klimaatonderhandelingen

Van 2 tot 13 november 1998 is in Buenos Aires de vierde Conferentie van de Partijen (COP) bij het Klimaatverdrag (UNFCCC) gehouden. Als resultaat ligt er nu het Buenos Aires Action Plan, waarin de verschillende prioriteiten van landen een plek hebben gekregen. Het was duidelijk merkbaar dat het Kyoto Protocol van eind 1997 een zwaar bevochten compromis was, want alle verschillen die daartoe onderdrukt waren kwamen in Buenos Aires weer boven.

Volgens het plannen moeten er rond 2000-2001 regels zijn voor de flexibele instrumenten (Emissiehandel, 'Joint Implementation' en het 'Clean Development Mechanism' (zie Klimaatverandering 3) zodat deze gebruiksklaar worden, moet er een handhavingsmechnisme zijn om te zorgen dat het Kyoto Protocol nageleefd wordt, en moet samenwerking op het gebied van beleid en maatregelen vorm hebben gekregen. Eén van de meest heikele punten is een eventuele beperking op het gebruik van flexibele instrumenten (waarmee emissiereducties in het buitenland behaald kunnen worden). De EU Milieuraad wil zo'n beperking, de VS is fel tegen.

De ontwikkelingslanden wilden minder aandacht voor de flexibele instrumenten die vooral de rijke landen helpen, en meer aandacht voor mechanismen die hen kunnen helpen, zoals technologieoverdracht en financiering in verband met de gevolgen van klimaatverandering.

Verder veroorzaakten gastland Argentinië en Kazakstan opschudding door te verklaren dat ze vrijwillig emissieverplichtingen op zich zullen nemen. De rest van de ontwikkelingslanden was hier tegen. De VS daarentegen kwam dit goed uit want die wil pas ratificeren als belangrijke ontwikkelingslanden ook een betekenisvolle bijdrage leveren, hoewel al afgesproken was dat het Kyoto Protocol geen nieuwe verplichtingen voor ontwikkelingslanden in zal houden.

Tenslotte heeft de VS tijdens de conferentie het Kyoto Protocol getekend. Dit hadden de EU en Nederland al eerder gedaan. Pas als zo veel rijke landen na tekenen ook ratificeren dat 55% van hun CO2 emissies gedekt is, treedt het Protocol in werking (voor die landen). Dit kan net zonder de VS, maar niet als nog meer grote landen niet zouden ratificeren.

NVVP

Als tussenstap op weg naar het Nationaal Verkeer- en Vervoersplan (NPPV) is de Perspectievennota uitgebracht (18/12/98). Het is een discussiestuk waarin de belangrijkste vraagstukken voor de toekomst en mogelijke oplossingsrichtingen voor de verkeer- en vervoerproblematiek in de toekomst bijeen zijn gebracht.

De CO2 problematiek wordt één van de meest in het oog springende vraagstukken voor verkeer en vervoer anno 1999 genoemd. Volgens de nota lijkt het SVV2 de 'lat' te hoog te hebben gelegd wat betreft de uitstoot van CO2 door het wegverkeer. Die zou in 2010 10% lager moeten zijn dan in 1986, terwijl de uitstoot van CO2 sinds 1986 bij personenauto's met 20 -25% en bij vrachtauto's met 40-45% gestegen.

Klimaatverandering wordt in algemene zin behandeld onder "Kwaliteit van de leefomgeving". Daarin wordt voor de doelen en middelen tot 2010 verwezen naar de "Uitvoeringsnota Klimaatverandering" (die eerder uitkomt dan het NVVP). Ook in andere hoofdstukken komt CO2 aan de orde. "Technologie" bijvoorbeeld biedt een 'wenkend perspectief' voor onder andere CO2 reducties.

In "Sturing: overheid, markt en prijsmechanisme" wordt de nadruk gelegd op meer marktwerking als een manier om te streven naar duurzame ontwikkeling. Dat is ook relevant voor het klimaatbeleid (al wordt de relatie in de nota niet gelegd) omdat het uitnodigt tot nadenken over de (on)mogelijkheden voor de sector verkeer en vervoer van handel in emissierechten en emissiereducties via projecten elders.

De mogelijke gevolgen van klimaatverandering voor de waterhuishouding en infrastructuur, en de preventieve maatregelen die daarmee samenhangen, worden niet behandeld in de Perspectievennota.

Lange termijn klimaatverkenningen wegverkeer

De eindrapportage van het onderzoeksproject "Lange Termijn Klimaatverkenningen Wegverkeer" is bijna af. Er zijn 6 kansrijke thema's gedestilleerd uit honderden ideeën. Deze thema's moeten nieuwe perspectieven bieden voor emissiereducties van het wegverkeer op de langere termijn (2010-2030).

Lucht- en scheepvaart

De emissies van internationale civiele luchtvaart en van zeescheepvaart (samen ook wel 'internationale' of 'bunker' emissies genoemd) zijn nog niet toegerekend aan landen, omdat de Partijen onder het klimaatverdrag het niet eens konden worden of en hoe dit gedaan moest worden. De emissies van alle andere sectoren worden wel toegerekend aan landen.

In de zomer zal de toerekening voor internationale civiele luchtvaart en zeescheepvaart weer op de agenda staan tijdens de internationale klimaatonderhandelingen. Nederland heeft een groot belang bij deze discussie. De CO2 emissie van brandstof verkocht in Nederland voor zeescheepvaart is gelijk aan 20% van de Nederlandse totale uitstoot (1990) en voor luchtvaart is dit 4%. Een interdepartementale werkgroep zal het Nederlandse standpunt verder ontwikkelen. * Overige Nieuwsbrieven Klimaatverandering

Deze "Nieuwsbrief Klimaatverandering 5 " is een uitgave van het KNMI voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Reacties aan Maresa Oosterman van de afdeling "Coördinate Klimaatbeleid V&W" van het KNMI.

Laatste wijziging: 18 februari 1999

Harry Geurts, PR & Voorlichting KNMI

Copyright © KNMI

Deel: ' KNMI-Klimaatnieuwsbrief 5 '




Lees ook