Katholieke Universiteit Brabant

zie ook
promoties

Oratie prof.dr. W. Knulst

Werk, rust en sociaal leven op zondagen sinds de jaren zeventig

Op vrijdag 10 december 1999 aanvaardt prof.dr. W. Knulst, het ambt van hoogleraar Vrijetijdwetenschappen aan de KUB, met het uitspreken van zijn oratie getiteld: Werk, rust en sociaal leven op zondagen sinds de jaren zeventig'.

Aula KUB, 16.15 uur

De huidige samenleving wordt wel afgeschilderd als een netwerkmaatschappij. Om in dit tijdperk werkelijk iets te bereiken zijn relaties van een sociaal netwerk nodig, zo heet het. Des te meer valt het op dat Nederlanders wekelijks minder sociale contacten onderhouden dan in de jaren zeventig. Dit geldt niet alleen voor Nederlanders, zo blijkt uit periodiek herhaalde tijdbudgetstudies, maar ook voor de bevolking van de VS en Canada. De Nederlandse gegevens die de twintig jaar tussen 1975-1995 bestrijken, wijzen bovendien uit dat huiselijke contacten met familie, vrienden en kennissen nog het meest op zondagen zijn teruggelopen.

In zijn rede zoekt prof. dr. Wim Knulst een verklaring voor de forse teruggang van dit sociaal verkeer op zondagen. Volgens kerken, vakbonden en middenstandsorganisaties wordt de zondag als rustpunt van de week bedreigd door flexibele werktijden en koopzondagen van een
24-uurseconomie. Vooral gezamenlijke activiteiten en bijeenkomsten zouden daaronder te lijden hebben. Wim Knulst onderzocht op basis van de Nederlandse tijdbudgetgegevens of die visie hout snijdt.

Niet alle spraakmakende veranderingen van de laatste tijd konden overigens in het onderzoek onder de loep worden genomen. De sterke uitbreiding van internet of de doorbraak van de gsm zijn van na 1995. Maar bij de laatste peiling uit oktober 1995 bestond er al wel een proefregeling voor koopzondagen, een royale keus uit televisiekanalen met 24-uurs uitzendingen en ook al een beginnend internet. De gevolgen hiervan zijn al wel meegenomen in de onderzoeken, die steeds onder zo'n 3000 Nederlanders vanaf 12 jaar zijn gehouden.

Betaald werk en onbetaald werk op zondagen
Sinds 1975 wordt er inderdaad meer op zondagen gewerkt, maar die ontwikkeling was al ruim aan de gang vóór dat de leus van de
24-uurseconomie werd gelanceerd. De slogan over de 24-uurseconomie verwijst bovendien naar betaalde diensten, maar volgens het onderzoek is werken op zondag niet overwegend in de betaalde economie opgerukt, maar in de onbetaalde huishoudelijke sector. Liefst 60% van de bevolking was s zondags in 1995 minstens één uur met huishouding of gezin in de weer, acht keer zoveel als de groep (7,5%) die s zondags één uur en langer betaald werkte. Uitgedrukt per hoofd van de bevolking namen arbeid en zorg samen in 1995 een half uur meer tijd in beslag dan in 1975. Bijna tweederde van die stijging kwam voor rekening van werk in de huishouding.

Sinds 1975 is het bevolkingsdeel dat wekelijks een omvangrijke zorgtaak voor kinderen combineert met een baan, sterk gegroeid. Onder de ouders uit die groep, met kinderen onder de zes jaar, is het zondagse onbetaalde werk nu het meest toegenomen. Het gaat hier om zaken als kinderverzorging, de was draaien en de douche soppen. Het weekend hoort bij uitstek tot het weekdeel waarin mannen zich in de huishouding roeren, maar deze uitingen van emancipatie zijn dus wel ten koste gegaan van de (hun) zondagsrust.

Ondanks de bescheiden toename van betaalde arbeid, is ook onderzocht welke groepen er sinds de jaren zeventig zondags meer zijn gaan werken. Verwacht werd dat het vooral om laag betaalde arbeid in de onderste regionen van de arbeidsmarkt zou gaan. Dit kwam grotendeels niet uit. Op zondagen in 1995 was er in vergelijking tot 1975 vooral meer gewerkt door zelfstandigen en door beroepsgroepen in de hogere rangen, waar men zelf veel invloed op werktijden heeft. Laag betaalde arbeid was wel toegenomen, maar die voornamelijk onder bijverdienende scholieren en studenten, voor wie zondagsarbeid een tijdelijke aangelegenheid is. Tenzij alles de laatste jaren nog is veranderd, wijst het beeld in oktober 1995 niet op zondagsarbeid die velen tegen hun invloed is opgedrongen.

Rust en vrije tijd
Natuurlijk werkte lang niet iedereen of deed dit de hele zondag. Als er werk werd verzet begon men er later mee, want Nederlanders bleven s zondagsochtends in 1995 langer in bed dan in 1975. Omdat men s avonds later op bleef, nam de voor nachtrust uitgetrokken tijd sinds 1975 niet toe. Integendeel, gemiddeld over de gehele bevolking, ging er 10 minuten van af, en dit gebeurde ook op werkdagen. Op zondagen gunt men zich overigens zo'n 9,5 uur bedtijd, nog steeds zo'n 80 minuten meer dan op een gemiddelde werkdag. Dat men 's zondagsavonds langer op zit dan in de jaren zeventig, valt overwegend aan het televisie kijken toe te schrijven. Rond middernacht boekte die 24-uurs zelfbediening een forse opmars, maar ook s zondagsochtends en s middags. Het zondagse middagdutje komt steeds minder voor. Met ruim 9 vrije uren gemiddeld over de gehele bevolking - opnieuw wat minder dan in 1975 - bleef de zondag overigens de dag met het grootste aantal vrije uren per week.

Sociaal leven op zondagen
Op bezoek gaan of het ontvangen van bezoek nemen op zondagen weliswaar nog steeds een belangrijke plaats in, maar het aantal betrokkenen daalde van 68% in 1975 tot 57% in 1995. De bezoekers en de bezochten trokken er per visite ook minder tijd voor uit. Deze ontwikkeling staat niet op zichzelf. Andere vormen van sociaal leven, die vanouds ook tot zo'n typische zondag hoorden, liepen evenzeer terug. Het bijwonen van kerkdiensten van 22% in 1975 naar 13% in 1995. Gezelligheid of gezelschapsspel met gezinsleden of huisgenoten: van 55 naar 37%. Daar staat tegenover dat gezamenlijke activiteiten met een consumptieve inslag s zondags opgang maakten: bezoek café, disco of restaurant (van 17% in 1975 naar 21% in 1995), feest vieren (van 10 naar 12%), winkelen (van 3 naar 11%).

Oorzaken voor teruggang van de huiselijke contacten Het kan niet zo zijn dat men voor de traditionele vormen van sociaal leven minder gelegenheid heeft en voor de nieuwere opeens wel. Uit de nadere statistische analyse is duidelijk op te maken dat dezelfde groepen Nederlanders die minder aan de zondagse koffie- en theevisites meededen, hun gezelligheid meer zijn gaan zoeken in café's, eethuizen en winkelcentra. Bovendien zijn er velen die niet meer wekelijks bij de familie aangaan, maar op de uren van de vroegere koffie- en theevisites nu bijv. een praatshow op de tv volgen of een half uur telefoneren.

Is de klacht van kerken, vakbonden en middenstandsorganisaties dat werk en geopende winkels het sociale leven bedreigen dan uit de lucht gegrepen? Wim Knulst toont aan dat er zeker ook grond is voor die bezwaren: hoe meer er wordt gewerkt, hoe minder huiselijke contacten. Maar hier geldt eveneens dat de zondagse klussen die mensen zelf in hun huishouding op stapel zetten, het sociale leven meer blijken te schaden, dan het zondagse betaalde werk.

De nieuwe hoogleraar verwacht dat de waargenomen trend zich zal doorzetten. De toename van de zondagse dienstenconsumptie, met inbegrip van televisie, telefoon en internet, blijkt niet louter een kwestie van een oprukkende commercie te zijn. De groei van minihuishoudens van tweeverdieners en solistische wonende alleenverdieners, met minder verzorgende capaciteit dan in de traditionele huishoudens, creëert een sterker wordende behoefte aan verzorging en gezelligheid van buitenaf. De nieuwe generaties zullen hiervoor sterker dan de huidige op diensten uit de markt- c.q. mediasector aangewezen zijn.

Curriculum vitae:

Willem Pieter Knulst (1945) studeerde sociologie te Leiden (1970). In
1989 promoveerde hij aan de Universiteit van Utrecht op het proefschrift Van veaudeville tot video, een onderzoek naar veranderingen in het uitgaan en het lezen sinds de opkomst van de televisie'. Dr. W. Knulst is vanaf het begin in 1974 verbonden geweest aan het Sociaal en Cultureel Planbureau en heeft in elk van de verschenen Sociale en Culturele Rapporten de kroniek' over cultuur, media en vrije tijd verzorgd. Ook was hij verantwoordelijk voor het tijdbudgetonderzoek van het SCP. Eind 1995 werd Knulst benoemd tot bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht (leerstoel kunsteducatie en cultuurparticipatie). In september 1997 volgde zijn benoeming aan de KUB tot hoogleraar Vrijetijdwetenschappen, in het bijzonder de sociaal-culturele en de sociaal-economische aspecten van de vrije tijd (0.8 fte).
Prof. Knulst is woonachtig in Waddinxveen.


7-12-1999 KUB

Deel: ' KUB-nieuws Promotie over werk en rust op zondagen '




Lees ook