LISV

Langdurige arbeidsongeschiktheid in 1998

Langdurige arbeidsongeschiktheid in 1998

Langdurige arbeidsongeschiktheid in 1998
Een analyse van arbeidsongeschiktheidsrisico.s en ontwikkelingen in de tijd

De strengere keuringseisen als gevolg van de invoering van de wet TBA in 1993 hebben niet geleid tot een lager percentage WAO-toekenningen na 12 maanden ziekte. Dit kan worden vastgesteld op basis van een vergelijking van langdurig zieken uit 1998 met die uit 1991. Van de groep 12-maandszieken gaat in 1998 een bijna even groot percentage de WAO in als in 1991: 83 in 1998 tegenover 87 in 1991. Dit instroompercentage is ook in de tussenliggende jaren vrij stabiel.
De conclusie dat de TBA-wetgeving zonder effect is gebleven kan echter niet worden getrokken omdat de 12-maandszieken in 1998 duidelijk een slechtere gezondheid hebben dan die in 1991. Dit geldt zowel voor hen die geen WAO-uitkering kregen als voor hen die gedeeltelijke of volledig arbeidsongeschikt werden. Daarnaast wijzen de cijfers uit dat, gerelateerd aan de omvang van de beroepsbevolking, begin 1998 20 minder mensen een WAO-uitkering aanvragen dan in 1991.

Dit blijkt uit het rapport .Langdurige arbeidsongeschiktheid in
1998. dat de resultaten beschrijft van een onderzoek onder langdurig arbeidsongeschikten. Het onderzoek maakt deel uit van het zogenoemde .Epidemiologie-project. van het Lisv naar achtergronden en ervaringen van langdurig arbeidsongeschikten. Het onderzoek is in opdracht van het Lisv verricht door Bureau AS/tri, het Lisv-bestuur betrekt het rapport bij een nadere analyse van de WAO-ontwikkelingen.

De maatregelen tot terugdringing van het (langdurig) ziekteverzuim (TZ/Arbo, Wulbz, TBA) hebben de omvang van de WAO-instroom verlaagd. Dit verklaart wellicht ook het feit dat de
12-maandszieken in 1998 zieker zijn dan die in 1991. Desondanks is, na een half jaar WAO, het aandeel volledig en gedeeltelijk arbeidsongeschikten voor 1991 en 1998 vrijwel gelijk. Dat wijst erop dat de WAO-keuringen strenger worden uitgevoerd. Dat kan ook worden afgeleid uit het feit dat de 12-maandszieken, ondanks hun ongezondere situatie, op het einde van het Ziektewetjaar vaker (gedeeltelijk) werkzaam zijn.
Ook de bevinding dat in 1998 ouderen duidelijk minder vaak volledig arbeidsongeschikt worden verklaard dan in 1991 wijst op een strengere keuring.

Toch neemt het aantal mensen dat arbeidsongeschikt wordt per 1000 werkenden de laatste jaren weer toe. In 1994, vlak na invoering van de wet TBA, waren dit er 12, in 1998 loopt dit op tot 14 à 15. Het onderzoek noemt enkele verklarende ontwikkelingen. De vergrijzing speelt een rol, maar ook de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen. Vrouwen hebben een aanzienlijk hogere kans om in de WAO te komen dan mannen. Daarvoor zijn niet onmiddellijk verklaringen te geven. Een belangrijke oorzaak is dat veel vrouwen in de zorgsector werken, een sector waar het ziekteverzuim, in relatie met de arbeidsomstandigheden, duidelijk hoger is dan gemiddeld. Echter, ook als men de zorgsector buiten beschouwing laat hebben vrouwen meer kans arbeidsongeschikt te worden. De invloed van de vaak genoemde .dubbele belasting. van vrouwen wordt in het onderzoek niet aangetoond.

Naast de veranderingen in de beroepsbevolking leiden ook ongunstige ontwikkelingen in de arbeidsomstandigheden tot een groter beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Op het eerste gezicht lijkt het daardoor dat de effecten van maatregelen teniet worden gedaan. In dit verband wordt met name gewezen op .een hoog werktempo. dat er als bepalende factor duidelijk uitspringt. In de zorgsector is in sterkere mate dan in andere sectoren sprake van factoren die het arbeidsongeschiktheidsrisico verhogen.

Het onderzoek gaat ook in op de veronderstelling dat de toegenomen WAO-instroom mede te verklaren is uit een soepeler toepassen van de keuringscriteria. De regels worden, zo blijkt, strenger toegepast dan in 1991. Anderzijds wordt duidelijk dat keuringsartsen moeite hebben met het toepassen van deze regels bij bijv. psychisch zieken. Daardoor lijkt het alsof het effect van de genomen maatregelen afzwakt. Een ondersteuning voor dit vermoeden is het feit dat de groep met de diagnose .psychisch ziek. in 1998 vaker dan in 1991 een WAO-uitkering krijgt toegekend. Bovendien blijft voor een groter deel van hen de WAO-keuring beperkt tot de beoordeling door alleen de verzekeringsarts.

In 1991 was het aandeel 12-maandszieken dat niet tijdig gekeurd werd, groter dan in 1998: In 1991 werd 33 na de 11e ziektemaand gekeurd terwijl dat in 1998 was afgenomen tot 21. Hierdoor was er in 1991 relatief vaak sprake van .pro forma. schattingen, die veelal tot een volledige WAO-uitkering leiden. Deze uitkeringen worden na de feitelijke keuring alsnog veranderd in een uitkering gebaseerd op het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage. Hoewel de tijdigheid iets verbeterde, wordt toch nog een niet te verwaarlozen deel (ruim éénvijfde) te laat gekeurd.

Ondanks de strengere keuringseisen die in 1998 gelden, is het oordeel van de cliënt over de juistheid van de ao-klasse in 1998 vrijwel gelijk aan dat van 1991. In beide jaren vindt circa 5 dat ze een te hoge klasse hebben gekregen; 15 (in 1998) en 13 (in
1991) is van mening dat ze in een te lage klasse zijn ingedeeld. ..........

Deel: ' Langdurige arbeidsongeschiktheid in 1998 '




Lees ook