Staatscommissie Dualisme en lokale democratie

DRIE HOOFDPROBLEMEN IN HET LOKAAL-POLITIEKE BESTUURSSTELSEL

D.J. ELZINGA

inleiding VGS-congres, 8 oktober te Utrecht.

Dames en heren. Met genoegen vertel ik iets over het werk van de Staatscommissie. Hoe onze aanbevelingen er precies zullen uitzien, kan ik u uiteraard nog niet melden. Wel kan ik iets zeggen over de probleemanalyse, het referentiekader en de richtingen waarin de commissie denkt.

Dames en heren. Nederlanders hebben als eigenschap om bij het analyseren van problemen nogal eens een sombere toon aan te slaan. Kennelijk hangt dat samen met ons wat vochtige klimaat, met onze landsaard en met onze neiging het negatieve wat beter te zien dan het positieve. Nu we zo het einde van de eeuw bereiken lijkt die somberheid nog wat te worden aangedikt, en krijgt zij zelfs in sommige kringen een eschatologisch karakter. De ondergang van de soort lijkt nakende, de samenleving verbrokkelt op postmoderne wijze en volgens sommige analytici staan politiek en bestuur bijna aan de rand van de afgrond. Nederlanders zien derhalve snel problemen en apen en beren. Maar als het dan vervolgens op oplossingen aankomt, ligt de zaak echter meteen een stuk lastiger.
Waar het gaat om het vraagstuk van de politiek-bestuurlijke vernieuwing is dit het overheersende beeld. Reeds lange tijd worden ons brede waaiers van problemen voorgehouden. Het vermogen echter om hier tot aanmerkelijke hervormingen te komen, is nauwelijks aanwezig. Probleem en oplossing staan vaak niet een goed verband tot elkaar. De problemen worden in veel gevallen overdreven en aangezet. De geboden remedies hebben vaak een gering of in het geheel geen probleemoplossend vermogen. De discussie over politiek-bestuurlijke vernieuwing houdt weliswaar veel mensen van de straat, maar biedt over het geheel genomen toch een uiterst treurige aanblik.

Dames en heren. Het is derhalve van buitengewoon groot belang om een goede probleemanalyse ten grondslag te leggen aan voorstellen tot verandering. Vanuit dat perspectief wordt ook in de Staatscommissie gewerkt. Ik zal u proberen aan te geven welke accenten we leggen en hoe we tegen de problemen aankijken.

In dat verband is eerst de opdracht van de Staatscommissie van betekenis.
Het regeerakkoord stelt vast dat het kabinet de invoering wil van een dualistische bestel. Aan de staatscommissie is gevraagd te adviseren over de diverse varianten.
De formulering van deze passage in het regeerakkoord is betrekkelijk cruciaal. Het is volgens het kabinet niet de vraag of er dualisme moet komen, dat moet volgens het kabinet, de vraag is alleen nog welke modaliteit.
Wij houden ons als commissie natuurlijk keurig aan onze opdracht. We zouden niet anders durven. Maar toch hebben we de intellectuele vrijheid genomen om ook nog even te reflecteren op het probleem. Welk probleem moet worden opgelost? Welke voordelen heeft dualisme boven het bestaande stelsel? Welk stelsel past het beste bij de Nederlandse politieke en bestuurlijke tradities etc.?

Dames en heren. Laat ik beginnen om inzake dat dualisme een nogal hardnekkig misverstand uit de weg te ruimen. Dualisme heeft in de gemeentelijke context in beginsel een wat negatieve connotatie, een wat negatieve klank en wel vooral omdat het nogal eens gelijk wordt gesteld met het afpakken van bevoegdheden van de gemeenteraden en eenzijdige versterking van de posities van de colleges. In die strekking is dualisme een fenomeen dat uitdrukkelijk moet worden afgewezen. Wie erop uit is om de toch al niet al te sterke positie van de raden te verzwakken, loopt een doodlopende weg af. Hoe moet in deze optiek het dualisme dan wel worden bekeken? Dualisme/dualisering is alleen interessant als het leidt tot een verbeterde positie van de bestuursorganen, in de eerste plaats de gemeenteraad. Vanuit dat perspectief wordt ook in onze commissie gewerkt. We zijn op zoek naar verhoudingen en posities die de gemeentelijke demokratie interessanter maken, die de positie van de gemeenteraad versterken en die leiden tot een grotere slagvaardigheid en transparantie van de gemeentelijke organisatie als geheel. Dualisering moet er toe leiden dat iedereen er beter van wordt, of om het in stijf jargon te zeggen: er moet sprake zijn van een win-win situatie. Is dat niet het geval dan is het fenomeen te weinig de moeite waard. Straks zal ik deze oogmerken en effecten wat nader voor u proberen uit te werken.

Eerst nu het probleem. Welk probleem probeert het kabinet op te lossen? Is er eigenlijk überhaupt wel een probleem? Dat is een interessant punt, waarover nog wel wat verschil van inzicht en onduidelijkheid bestaat.

Dames en heren. Vastgesteld moet worden dat het decentrale bestuur in Nederland bepaald niet op de rand van de afgrond staat. Eerder is het tegendeel het geval.
Vergeleken met het buitenland hebben provincies en gemeenten veel bevoegdheden.
De kracht van de decentrale autonomie is in Nederland groter dan in tal van andere Europese landen, hoezeer ook aan die decentrale autonomie nog wel het een en ander moet worden verbeterd. De situatie is op dat punt in ieder geval niet alarmerend.
Ook aan de produktkant is het lokale bestuur heel behoorlijk aan de maat. Er is de laatste jaren veel verbeterd in de ambtelijke organisatie en in de bedrijfsmatige werkwijze van de nederlandse gemeenten. Wethouders, ambtelijke staven, ook gemeentesecretarissen werken op een geheel andere wijze dan tien/twintig jaar geleden. Uit allerlei onderzoek blijkt dat burgers en maatschappelijke organisaties de dienstverlening door de gemeente kwalitatief hoog aanslaan en in de regel positief waarderen. Kortom ook op dat punt is er dynamiek en vooruitgang en nauwelijks reden tot zorg.
Die dynamiek geldt ook voor de lokale democratie in algemene zin. De activiteit van burgers en maatschappelijke organisaties is nog steeds groeiende. Burgers zijn geëmancipeerd. Ze eisen hun democratische rechten op en willen betrokken zijn bij allerlei veranderingen in hun woon- en werkomgeving. Het proces van democratische invloed is dan ook de afgelopen decennia nogal veranderd. Het democratische burgerschap heeft - vooral op lokaal niveau - een positieve ontwikkeling doorgemaakt.

Dames en heren. Vanuit dat perspectief is het ook wel enigszins verklaarbaar dat in de enquête die Marcel van Dam heeft gehouden onder de gemeentesecretarissen de urgentievragen inzake ingrepen in de ambtelijke organisatie, in de positie van de gemeentesecretaris wat bedremmeld en terughoudend zijn beantwoord. De meeste gemeentesecretarissen zien niet direct het probleem waardoor hun positie zou moeten veranderen. En daarin hebben de gemeentesecretarissen dan ook naar mijn oordeel volkomen gelijk. Er zijn niet zo veel redenen om te gaan sleutelen aan de produktkant van het lokaal bestuur. Allerlei oplossingen die hiervoor worden aangedragen, hangen een beetje in de lucht en wel vanwege de afwezigheid van een helder aangeduid probleem.

Betekent dit nu dat er helemaal geen probleem is? Dat de staatscommissie voor niets is ingesteld? En dat ook de positie van de gemeentesecretaris over de hele linie dezelfde zal blijven? Dat is uiteraard niet het geval. Maar het is wel van belang om het probleem helder te definiëren en vandaar uit tot adequate en reële oplossingen te komen.

Waar zitten dan wel de problemen van het lokale en provinciale bestel. Die problemen zijn drieledig van aard. Ze kunnen als volgt worden benoemd:


1. Ten eerste zijn er crisisachtige verschijnselen in het partij-politieke bestel.


2. Ten tweede is er in de interne organisatie van het politieke stelsel sprake van nogal hevige vormen van rolverwarring.


3. Ten derde staat het beginsel van collegialiteit onder een zekere druk en is met name de verhouding van de burgemeester tot deze collegialiteit in zekere zin problematisch.

Kort zal ik deze problemen wat nader analyseren en ook het onderlinge verband aangeven.

1. Het partij-politieke bestel.
Dames en heren. Op gemeentelijk niveau bloeit de lokale democratie en verkeert de partij-politiek in een zekere crisis. Burgers en organsaties zijn op allerlei fronten actief. Er is bepaald geen sprake van een afnemende politieke belangstelling. Maar deze belangstelling en betrokkenheid lopen veel minder dan vroeger langs de lijnen van de politieke partijen. Opkomsten bij verkiezingen dalen drastisch. Als er niets gebeurt zullen deze bij volgende gelegenheden gemiddeld uitkomen in de buurt van de 30 %. Partijafdelingen leiden een armetierig bestaan. De belangstelling van burgers voor strikte partij-politiek neemt scherp af. Wordt door het gemeentebestuur een avond georganiseerd over de inrichting van de binnenstad of een komplan dan is er een volle zaal. Op partij-politieke avonden waar hetzelfde onderwerp wordt besproken zijn alleen de eeeste twee rijen gevuld. De herkenbaarheid van de partij-politiek is sterk tanende. Waar twintig jaar geleden politieke partijen - ook op gemeentelijke niveau - een centrale positie innamen, is daarvan thans geen sprake meer. De ernst van dit partij-politieke probleem hangt af van het belang dat men hecht aan het functioneren van politieke partijen. Ik kan u op voorhand zeggen dat de Staatscommissie de aanwezigheid en activiteit van politieke partijen van grote waarde acht, niet alleen vanwege de kwaliteit van de lokale democratie, maar ook vanwege de fundamenten van het nationale politieke stelsel. Verdwijnen namelijk de politieke partijen op lokaal niveau, dan hebben de landelijke partijen geen voedingsbodem meer en zal het ook het nationale stelsel daar schade van ondervinden. Ook om die reden is enige zorg over de partij-politieke ontwikkeling op gemeentelijke vlak gerechtvaardigd.

Dan het tweede probleem. Dat is de aanwezigheid van een nogal hevige vormen van rolverwarring in de interne organisatie van het gemeentelijke politieke stelsel.
Dames en heren. Op het eerste oog lijkt dat een probleem met een geheel andere dimensie. Dat is deels het geval, maar bij wat scherpere analyse is er een duidelijk verband met de tanenden partij-politieke belangstelling. Ik zal eerst deze rolverwarring nader aan u uitleggen en vervolgens de implicaties daarvan schetsen.

Waaruit bestaat nu die rolverwarring? Deze ligt in de eerste plaats aan de kant van de gemeenteraad. De raad is het hoofd/ de baas van de gemeente. Op papier berusten alle bevoegdheden in beginsel bij de raad; het college van B en W heeft in beginsel weinig eigen bevoegdheden. De gehele opbouw van het gemeentelijke bestel is van dit hoofdschap doordrenkt. Een groot deel van de werkwijze, van de verhouding tussen raad en college wordt door dit hoofdschap beinvloed. De politieke cultuur in gemeenteland richt zich op inclusief bestuur. Dat betekent dat de raad in beginsel geen enkele beperking in acht hoeft te nemen. De raad kan zich onder alle omstandigheden met alles bemoeien: van klein tot groot, van hoofdlijn tot detail. Op het eerste oog lijkt dat een belangrijk democratisch principe, maar door allerlei omstandigheden kunnen gemeenteraden die positie niet waarmaken, waardoor een structureel element van frustratie zit ingebakken. Men zou op dit punt dan ook de stelling kunnen betrekken dat juist omdat de raden in beginsel over alles gaan, ze in de praktijk gaan over weinig. In de praktijk speelt het college van B en W een nogal dominante rol, waardoor raden in overbelaste toestand hijgend achter de feiten aan lopen. Hoe groter de taakstelling van de raden is, hoe zwakker hun positie wordt.
Een ander aspect van rolverwarring betreft de positie van de wethouder. Ook hier is sprake van inclusief en verklonterd bestuur. In de praktijk neemt de wethouder jegens de gemeenteraad een nogal zelfstandige positie in. Wethouders zijn in Nederland belangrijke en invloedrijke bestuurders. Op papier echter is de wethouder slechts lid van een commissie uit de raad. De wethouder neemt in collegeverband in de praktijk belangrijke beslissingen en initiatieven, maar als hij die moet verdedigen in de raad of in de raad verantwoording af moet leggen, dan mag de wethouder meestemmen over zijn eigen plannen. Bovendien heeft de wethouder het fractieverband beschikbaar om achter gesloten deuren de fractie aan zijn plannen te binden. Stel u voor dames en heren dat alle ministers en staatssecretarissen van het tweede paarse kabinet lid zouden zijn van de Tweede Kamer, stemrecht zouden hebben en ook lid zouden zijn van de Tweede Kamerfracties. Voor het openbare politieke debat in de Tweede Kamer zou dit dodelijk zijn en het proces van publieke verantwoording zou daar zwaar onder lijden. Ook zonder die situatie is op het nationale vlak reeds sprake van een zekere verklontering en rolverwarring, deze zouden nog aanmerkelijk groter worden bij een stemhebbend lidmaatschap van de ministers. Kortom: de positie van de wethouder is nogal dubbel en levert een bijdrage aan het beeld van onduidelijke en weinige heldere verantwoordelijkheden en posities.
Waarom zijn deze vormen van rolverwarring nu eigenlijk problematisch? De Nederlandse gemeenten worden toch heel aardig bestuurd? En veel raadsleden en wethouders voelen zich op hun gemak bij het huidige stelsel? Twee redenen maken deze toestand problematisch. De eerste reden is er een van doelmatigheid. Door een zekere ontvlechting van posities en bevoegdheden kan de gemeentelijke organisatie doelmatiger worden bestuurd. Een zekere scheiding van de politieke machten, door politieke arbeidsdeling/dualisering kunnen de verschillende functies beter worden uitgeoefend, hetgeen met name voor de overbelasting en de weinig duidelijke plaats van de gemeenteraad van belangrijke betekenis kan zijn. Zoals het amateuristische kluitjesvoetbal op een mooie zomeravond nogal afsteekt tegen de professionele en doelmatige spelverdeling van het profvoetbal, zo kan ook een meer adequate rol- en taakverdeling de doelmatigheid van het politieke bestuursstelsel vergroten.
Dames en heren. Dat beeld van het kluitjesvoetbal brengt echter nog een andere dimensie in beeld en die is misschien nog wel veel belangrijker dan het doelmatigheidsaspect. Waarom kijken burgers veel liever naar profvoetbal dan naar kluitjesvoetbal? Niet alleen omdat het eerste doelmatiger is, maar vooral vanwege de herkenbaarheid van de rollen en de spelers. Spelverdeling schept de mogelijkheid van persoonlijke identificatie, herkenbaarheid en keuze. Zo gaat het ook met burgers, kiezers jegens de gemeentepolitiek. De moderne kiezer wil herkenbaar bestuur, hij of zij wil kiezen op inhoud, de kiezer wil zich kunnen identificeren met personen en partijen die een heldere boodschap uitdragen. In het huidige politieke stelsel op lokaal niveau lijkt alles er aan te worden gedaan om het de moderne kiezer zo lastig mogelijk te maken. De politieke debatten in de gemeenteraden brengen nog maar weinig politieke herkenbaarheid. Veel echt belangrijke politieke beslissingen worden genomen achter de gesloten deuren van de fractiekamers en colleges. Wie in het gemeentelijke politieke bestel precies waarvoor verantwoordelijk is, lijkt zorgvuldig geheim te worden gehouden, omdat bestuurders en politici onder de gemeentelijke politieke kaasstolp in allerlei rollen door elkaar heenlopen. Als men er van buiten tegenaan kijkt heeft het gemeentelijke bestuur in algemene zin een sterk inclusief en verklonterd karakter. Bijna alle spelers hebben dubbelrollen: het raadslid controleert , maar is vooral medebestuurder. De wethouder is raadslid en bestuurder. De burgemeester is voorzitter van zowel raad als college. De algemene indruk is er een van nogal verknoopt bestuur, met daarin een openbaar en nietopenbaar gedeelte. Dames en heren. Uit het onderzoek dat wij hebben verricht blijkt dat juist vanwege die door elkaar heen lopende rollen van wethouders en raadsleden de werkelijke besluitvorming zich in hoofdzaak voltrekt in nietopenbare gremia, zoals fracties en colleges. Het gevolg hiervan is dat de politieke herkenbaarheid naar buiten tot een minimum is gedaald.
Is het dan niet eigenlijk heel vanzelfsprekend en voor de hand liggend dat de moderne kiezer in die situatie een onverschillige houding aanneemt en de partij-politiek de rug toekeert? Is het dan niet vanzelfsprekend dat de kiezer zich vooral gaat oriënteren op vormen van directe invloed en zich aan de politieke partijen nog maar weinig gelegen laat liggen? De politieke werkelijkheid zit waarschijnlijk nog wel wat ingewikkelder in elkaar dan deze noties suggereren. Tot de kern doorgeredeneerd kan evenwel worden vastgesteld dat het inclusief bestuur, zoals dat thans in de gemeenten wordt bedreven, de kiezer in partij-politieke zin nauwelijks nog aanspreekt. Men kan zich daar natuurlijk bij neerleggen en accepteren dat de erosie van de lokale partij-politiek verder voortschrijdt. Men kan ook - en dat is tevens de filosofie van de Staatscommissie -pogingen ondernemen om het politieke stelsel meer en beter af te stemmen op de wensen van de moderne kiezer. Dat betekent dan in concreto dat een ontvlechting van posities en bevoegdheden de politieke herkenbaarheid van het lokale stelsel kan en ook moet vergroten.
Daarbij gaat het dan natuurlijk niet alleen om institutionele veranderingen. Een andere manier van politiek bedrijven, het openbreken van de lokaal-politieke kaasstolp, het veranderen van de politieke cultuur in de Nederlandse gemeenten is daarvoor misschien nog wel belangrijker dan institutionele hervormingen. Het beste is het wellicht om structuur en cultuur in een gecombineerde beweging aan te pakken; die combinatie lijkt de beste garantie te zijn voor een aansprekend resultaat.

Dames en heren. Het derde en laatste probleem is dat van de collegialiteit en in dat verband tevens de positie van de burgemeester.
Als het om staatkundige vernieuwingen gaat, kan de burgemeester zich reeds decennia lang in een grote belangstelling verheugen. Die belangstelling is echter nogal eenzijdig van aard, want spitst zich toe op de benoemingswijze en veel minder op de taakstelling van de burgemeester. Voor de Staatscommissie is de benoemingswijze van de burgemeester een afgeleid en secundair punt. Wij concentreren ons in hoofdzaak op de taakstelling van de burgemeester. Hoe kan in een nieuw gemeentelijk bestel maximaal worden geprofiteerd van de burgemeestersfunctie? Wat willen we met de burgemeesterspositie: willen we die terugdringen of juist versterken en uitbouwen? Moet de burgemeester meer politieke ruimte krijgen of moet juist de meer algemene, eigenstandige functie van de burgemeester worden benadrukt? In dat verband wil ik u in de eerste plaats confronteren met enkele onderzoekgegevens. We hebben uitvoerig onderzoek gedaan naar het feitelijke functioneren van de gemeentelijke bestuursorganen, inclusief de burgemeester. Het verslag daarvan kunt u aantreffen in het Eindrapport. We hebben echter ook een NIPO-enquete laten houden onder de Nederlandse bevolking. En in de resultaten daarvan zit een aantal interessante gegevens. Eentje daarvan wil ik u niet onthouden. We hebben laten vragen welk orgaan de burgers zien als het hoofd van de gemeente. Ruim 60 % van de Nederlandse burgers antwoordt dat de burgemeester het hoofd van de gemeente is en de belangrijkste beslissingen neemt. Ook in overige zin heeft de burgemeestersfunctie naar buiten toe een ijzersterk profiel. Wordt nu echter gekeken naar de interne mogelijkheden van de burgemeester dan zijn deze aanmerkelijk geringer. Er is derhalve aantoonbaar sprake van een zekere statusincongruentie. Nu wordt daar in de praktijk heel redelijk mee omgegaan. De meeste burgemeesters in Nederland plooien zich heel aardig, ondanks hun geringe formele mogelijkheden. Ondanks dat is er aanleiding de taakstelling van de burgemeester opnieuw onder ogen te zien, mede in relatie tot het collegiale bestuur. Dames en heren. Er is een aantal factoren waardoor het collegiale bestuur onder druk staat.

1.Dat betreft in de eerste plaats de verzelfstandigde wethoudersfunctie.

2.Ook bepaalde organisatievormen van het gemeentelijke apparaat leveren hieraan een bijdrage. Ik verwijs op dit punt graag naar het recent verschenen proefschrift van Jaring Hiemstra.
3.De collegialiteit kan vervolgens ook onder druk komen te staan door de niet helemaal heldere rol van de collegevoorzitter, de burgemeester. Deze burgemeester is veelal niet betrokken bij de collegeonderhandeling-en. De burgemeester moet derhalve als voorzitter enerzijds actief meewerken aan de uitvoering van het collegebeleid, in veel gevallen ook als portefeuillehouder; anderzijds heeft diezelfde voorzitter geen directe invloed op de basiskeuzes uit het collegeprogram. Hier kan het een en ander wringen. Met Hollandse nuchterheid weten we in de praktijk dat probleem wel te reduceren, maar het zou de collegialiteit ten goede kunnen komen om de rollen van wethouders en burgemeesters te verduidelijken. Dat dient ook hier in de plaats een doelmatigheidsdoel. De kwaliteit van het gemeentelijk bestuur wordt er beter van. In de tweede plaats is ook ten aanzien van dit punt de herkenbaarheid naar de kiezers van belang. Kiezers hechten kennelijk aan een wat meer geprofileerde positie van de burgemeester en van het college van B en W als geheel. En als de kiezers dat vinden dan is er alle aanleiding dat uiterst serieus te nemen. Want het gemeentebestuur heeft tenslotte maar een echte baas en dat zijn de burgers van stad en ommelanden.

Dames en heren. Tot zover de aanduiding van de drie kernproblemen. De problemen bevatten als gemeenschappelijk kenmerk een doelmatigheids- en een herkenbaarheidse-lement. Het gaat vooral ook om verhoudingsproblemen: tussen raad en college, tussen raadsleden en wethouders, tussen wethouders en burgemeester, tussen openbaar en niet-openbaarheid, tussen bestuur en ambtelijke organisatie. Het is ook vanuit die verhoudingen dat moet worden gezocht naar oplossingen.

De Staatscommissie zal daarvoor scenario's aanreiken. We zullen in het Eindrapport een zestal bestuursconcepten uitwerken die de gesignaleerde problemen zouden kunnen oplossen. De commissie laat het echter niet bij die zes bestuursconcepten. Beargumenteerd en beredeneerd zullen we één van die zes bestuursconcepten als het meest wenselijke presenteren. Dat is dan niet een over de gehele linie gesloten bestuursconcept. Er kan op onderdelen worden gevarieerd, zowel intern als extern, en - wat vooral belangrijk is - er moet een combinatie worden gezocht met veranderingen in bestuurscultuur en werkwijze.
Zoals gezegd, kan ik u de precieze elementen van dat aanbevolen bestuursconcept nog niet presenteren. Maar ik kan wel zeggen welke hoofdelementen daarin voorkomen.


1. In de eerste plaats betreft dat een gecombineerde ontvlechting van posities en bevoegdheden. Posities en bevoegdheden mogen niet van elkaar worden losgemaakt, ze moeten integraal worden bekeken. Die ontvlechting van posities en bevoegdheden levert een scheiding op van de politieke machten, met als doel om de politieke herkenbaarheid van het lokale bestel te vergroten. Lokale politiek moet weer interessant en spannend worden. Raadsleden moeten zich minder bezig houden met het bureaucratische politieke proces. Partij-politiek die zich enkel richt op programrealisatie in besloten gremia, zoals college en fractie, is oude politiek en heeft nog maar weinig toekomst. Nieuwe politiek oriënteert zich meer op openbaarheid, op nieuwe vormen van democratie. Nieuwe politiek laat raadsleden zien die ook de eigen wethouders kritisch volgen. De volksvertegenwoordigende functie van raadsleden wordt belangrijker, terwijl tegelijkertijd de controlerende invloed op het college wordt vergroot.


2. In de tweede plaats kunnen er positieve gevolgen zijn voor de recrutering van raadsleden, wethouders en burgemeesters. Het huidige lokale bestuur draagt - zoals gezegd - een hoog hutspotgehalte met weinig politieke arbeidsdeling. Dit heeft tevens tot gevolg dat er bijna geen differentiatie is inzake de selectie van politici en bestuurders. Worden nu de diverse rollen en verantwoordelijkheden ontvlecht, worden de politieke machten wat meer van elkaar gescheiden, dan kan er ook beter politiek personeelsbeleid worden gevoerd. De toekomst is aan politieke arbeidsdeling. Willen politieke partijen overleven dan zal er een veel intensiever politiek personeelsbeleid moeten worden gevoerd. In het kader van de hervorming van het lokale bestuur noet worden bezien op welke wijze dit personeelsbeleid kan worden gefaciliteerd met als doel om de kwaliteit van politici en bestuurders te verbeteren.


3. In de derde plaats moet worden gerealiseerd dat de positieve ontwikkelingen die plaatsvinden in de lokale demokratie hun uitstraling krijgen op de plaats van de gemeenteraad, het functioneren van politieke partijen, het plaatsvinden van verkiezingen etc. Integratie van het partij-politieke proces met moderne vormen van lokale demokratie is dan ook noodzakelijk. Nagedacht moet worden over middelen om aan deze integratie vorm en inhoud te geven. Dat kan maar gedeeltelijk worden gerealiseerd door institutionele veranderingen. Vooral op dit punt gaat het om verandering in bestuurstijlen. Deze veranderingsprocessen zullen moeten worden gefaciliteerd en ondersteund. Inzake de randvoorwaarden zullen hier door de Staatscommissie voorstellen worden gedaan die deze Vernieuwingsimpuls in de vaart der volkeren kan brengen.


4. En ten vierde is er dan het vraagstuk van de collegialiteit. Voorstellen zullen worden gedaan om de collegialiteit doelmatiger te maken en de herkenbaarheid van het college als geheel, inclusief de burgemeester te vergroten. Alleen reeds de afsluiting van de veel te lang durende discussie over de benoeming van de burgemeester zal het functioneren van de colleges ten goede kunnen komen. Zowel qua taak als benoeming moet de burgemeester nu op korte termijn en meer definitief worden ingepast in het lokale politieke bestel. De commissie zal daar voorstellen doen en het is dan vervolgens aan parlement en regering om dit lang slepende dossier inzake de burgemeester snel en doelmatig af te sluiten.

Dames en heren. Geheel tenslotte maak ik nog een enkele opmerking over de positie van de gemeentesecretaris. Juist is de conclusie dat scherp dualistische bestuursvormen nogal wat gevolgen kunnen hebben voor de gemeentesecretaris. Deze gevolgen zijn echter afgeleid en komen niet voort uit een wettelijk problematische positie van de secretaris als zodanig. Ik heb u aangegeven dat er geen zelfstandige redenen zijn hier hevig te gaan knutselen omdat de gemeentesecretaris zich in een gecompliceerde en onmogelijke positie zou bevinden, althans wanneer men kijkt naar het politieke deel van het bestuursstelsel. In wat meer gematigde vormen van dualisering zijn er ook wel implicaties voor de gemeentesecretaris, maar deze zijn echter nauwelijks spectaculair te noemen. Het gaat daarbij om de vraag of de raad de gemeentesecretaris nog moet benoemen of dat het college hier meer invloed zou moeten krijgen. En het betreft de vraag of de gemeentesecretaris nog een rol moet spelen bij de ondersteuning van de gemeenteraad of dat hier betere figuren zullen worden toegepast. Op dit andere onderdelen zal de rapportage van de Staatscommissie voorstellen en overwegingen bevatten. Ik kan u echter nu al wel vertellen dat u van deze voorstellen niet van uw stoel zult vallen. Dat klinkt aan het einde van deze conferentie wellicht een beetje als een anticlimax. We moeten echter in het lokale bestuur ook wel een beetje praktisch blijven en alleen oplossingen aandragen voor daadwerkelijke problemen.

Ik dank u voor uw aandacht.

Deel: ' Lezing Hoofdproblemen lokaal-politieke bestuursstelsel '




Lees ook