Provincie Limburg

Provincie Limburg wil aangescherpt beleid voor de open ruimte in Heuvelland

Persbericht


71/99
Maastricht, 11 mei 1999

PROVINCIE LIMBURG WIL AANGESCHERPT BELEID
VOOR DE OPEN RUIMTE IN HEUVELLAND

Gedeputeerde Staten hebben, op basis van rijksbeleid voor de ruimtelijke ordening, een streekplanherziening voor het open-ruimtebeleid en voor de bufferzones in Zuid-Limburg in ontwerp vastgesteld.
Deze streekplanherziening houdt een aanscherping in van het al bestaande zgn. restrictieve beleid voor woningbouw en bedrijventerreinontwikkeling in het landelijk gebied van het Zuid-Limburg. Dit beleid is er op gericht verstedelijking van het Zuid-Limburgse landelijke gebied zoveel mogelijk te voorkomen. De reden daarvoor zijn de hoge waarden van natuur en landschap. Tot nog toe kwam het restritieve beleid alleen tot uitdrukking in het hanteren van woningbouwrichtcijfers voor maximale aantallen te bouwen woningen in de kernen.
De nu door GS vastgestelde streekplanherziening gaat echter verder. Naast de woningbouwcijfers en de maximaal toegestane uitbreidingen van bestaande lokale bedrijfsterreinen, gaan nu ook zogenaamde bebouwingscontouren gelden. Deze contouren zijn bepaald vanuit de waarden van het omliggende landelijke gebied. Deze waarden zijn zo uniek in dit deel van de provincie, dat er een halt moet worden toegeroepen aan verdere uitbreiding van de in dit gebied gelegen kernen en bedrijfsterreinen. De streekplanherziening heeft betrekking op de kernen van de gemeenten Beek (met uitzondering van de kernen Beek en Neerbeek), Eijsden, Gulpen/Wittem, Margraten, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Vaals, Valkenburg en Voerendaal.

Het rijksbeleid (VINEX 1995/1996) vormt mede de aanleiding tot deze streekplanherziening. Ook het rijk wil geen verdere uitbreiding van het ruimtebeslag voor verstedelijking in het Heuvelland en in de bufferzones.
Als gevolg van het strengere provinciaal beleid zullen de uitbreidingsmogelijkheden van de meeste landelijke kernen uiterst beperkt zijn. Slechts in enkele kernen zijn er nog wat mogelijkheden gecreëerd om althans de groei van de eigen bevolking in de regio enigzins te kunnen opvangen.

Bij de uitvoering van het nieuwe streekplanbeleid komt het er voor de gemeenten op aan dat zij regionale ruimtelijke beleidsvisies ontwikkelen. Daarin kunnen intergemeentelijke afspraken worden vastgelegd over de spreiding van taakstellingen voor woningbouw, de bedrijvigheid en voorzieningen.

Ook zullen gemeenten meer dat tot dusverre een strategisch nieuwbouwbeleid moeten voeren. Dit wil zeggen een beleid gericht op het opheffen van tekorten op de lokale woningmarkt en op het voorzien in de behoefte van mensen met een binding aan de kern. Dat kan door bijvoorbeeld in plaats van eengezinswoningen op ruime kavels aan de randen van kernen te bouwen, meer nadruk te leggen op seniorenwoningen nabij dorpskernen met behoorlijke voorzieningen. Ook moet er aandacht zijn voor betaalbare woonruimte voor jongeren, voor inbreidingen en voor woningbouw door corporaties, wat meer garanties geeft voor de doelgroep.

Voor nieuwe bestemmingsplannen geldt dat zij meer dienstbaar worden gemaakt aan leefbaarheidsdoelen. Een goede faseringsregeling moet voorkomen dat er teveel woningen in één keer op de markt komen, met als gevolg extra instroom van buiten. De verkaveling dient aan te sluiten op de lokale behoefte.
Ook zullen gemeenten een actiever grondbeleid moeten gaan voeren. Een dergelijk grondbeleid kan worden ondersteund door een exploitatieverordening, waar mogelijk ook door vestiging van een voorkeursrecht, en waar nodig door onteigening. Nu in deze streekplanherziening bebouwingscontouren worden opgenomen opent wellicht de nieuwe Huisvestingswet, die nog in procedure is, de mogelijkheid om in een huisvestingsverordening criteria vast te stellen voor de verlening van huisvestingsvergunningen (dus het stellen van regionale bindingseisen).

Een vergelijkbaar restrictief beleid als voor het Heuvelland, geldt ook de voor in de VINEX aangegeven bufferzones. Het gaat daarbij om de gebieden tussen enerzijds Maastricht en Sittard/Geleen en anderzijds van Sittard/Geleen en Oostelijk Zuid-Limburg. In deze streekplanherziening zijn de bufferzones bepaald. Voor de zone tussen Maastricht en Luik is het contourenbeleid eveneens van toepassing.

In het voorgestelde streekplanbeleid is het verschil tussen de lokale kernen losgelaten. Er is nu nog slechts sprake van lokale kernen waarvoor autonome groei geldt zonder compensatie van het spontane vertrek. Daarnaast behouden Gulpen, Vaals en Valkenburg a/d Geul hun status als regionale kern.

Omdat de nu voorgestelde beleidsaanscherping afwijkt van het geldend streekplanbeleid, biedt alleen een streekplanherziening voldoende waarborgen voor een degelijk afwegings- en besluitvormingsproces.
Het ontwerp voor de streekplanherziening ligt tot en met 6 juli
1999 terinzage in het Gouvernement en in de Zuid-Limburgse gemeenhuizen. Gedurende die periode kan iedereen bedenkingen tegen het ontwerp indienen. Uiteindelijk zullen Provinciale Staten het plan vaststellen.

Deel: ' Limburg Aangescherpt beleid open ruimte in Heuvelland '




Lees ook