Partij van de Arbeid


Bijdrage fractievoorzitter Ad Melkert aan de Internationale Konferenz zur Deutschen EU-Prasidentschaft 14 januari 1999 PvdA-voorlichting

Clingendael, 14 januari 1999, 11.3 0 uur

Referat zur Theme: "Was kann Europa von der deutschen Präsidentschaft erwarten?"

Met een wat bedremmeld gevoel heb ik de uitnodiging aanvaard om mijn verwachtingen uit te spreken over het Duitse voorzitterschap van de Unie. Het is immers gemakkelijker spreken als men zelf niet is geroepen tot de uitvoering. Maar er bestaat ook een universele opdracht aan politici om elkaar aan te spreken en te beïnvloeden. En juist in het nieuwe, opwindende stadium waarin de Europese Unie met de start van de euro is aangekomen is het van groot belang dat grensoverschrijdend over verwachtingen, opties en voorkeuren wordt gesproken. Want aan de resultaten zijn wij allen meer dan ooit gebonden. De voorzitter van de Europese Raad is per slot niet minder en overigens ook niet meer dan onze voorzitter, en dan ook nog voor een korte periode.

Dit laatste brengt mij tot een belangrijker reden om enigszins terughoudend te zijn in het uitspreken van verwachtingen. Dit is de per defmitie beperkte reikwijdte van het voorzitterschap, zelfs indien dit het grootste land van de Unie toevalt. Het voorzitterschap is als in een estafette, maar dan zonder slotloper. De Commissie en het Raadssecretariaat bepalen in hoge mate de omstandigheden waaronder tempo en resultaat kunnen worden bereikt. De voorzitter brengt met zijn eigen gewicht en vaardigheid de nodige verbindingen aan tussen de lidstaten. En daarbij moet worden gelaveerd binnen het onve ' "delijke spanningsveld MUJ tussen de verdragsrechtelijke ordening en de natuurrechtelijke hiërarchie. Of het een voordeel is dat Duitsland in beide ordes nu aan het voortouw mag trekken zal moeten blijken; voor de uitkomst is niet zijn voorzitterschap doorslaggevend.

Daarmee mag overigens het belang van het voorzitterschap niet worden onderschat. Zoals aan iedere voorzitter biedt het de mogelijkheid juist ook naar de eigen bevolking de nationale identiteit in verbondheid met Europa uit te dragen. Dat versterkt het draagvlak van de Unie. Hierin ligt ook een belangrijke reden voor de grote aandacht die ieder half jaar weer uitgaat naar de voornemens van de nieuwe voorzitter. Ook voor Duitsland is er deze betekenis.
Welke verwachtingen bestaan er nu naar aanleiding van de inmiddels bekende voornemens?
Zoals iedere voorzitter betaamt is op vele vakgebieden gepoogd een agenda aan te geven of tenminste een richting te duiden van de nagestreefde voortgang op het terrem van de vakraad. Veel daarvan is belangrijke, maar weerbarstige routine. De schaduwzijde hiervan is het gegeven dat zich in de Unie vrijwel geen momenten aandienen waarop beslissende koerswendingen in een transparant besluitvoriningsproces tot stand komen. Dit maakt een beoordeling van de politieke oriëntatie op veel terreinen moeilijk. Zeker ook de Europese Verkiezingen maken een nieuwe impuls nodig. De discussie tussen Commissie en Parlement over competenties, fraude en begroting (vandaag uitmondend in een stemming waar ik me gevoegelijk buitenhoud) dient wat mij betreft het startpunt te zijn van een hernieuwd debat over democratie, effectiviteit en zichtbaarheid van de EU voor de belangen van de gewone burgers. De euro dwingt daartoe. In de eerste helft van 1999 zullen deze kwesties niet al tot een soort van oplossing kunnen worden gebracht. Maar het is van belang dat de bondskanselier aangegeven heeft hier verdere initiatieven te willen nemen en deze aan de Top in Keulen voor te leggen.
Aan de nieuwe voorzitter is dit uiteraard niet alleen geadresseerd. De beoordeling van zijn bijdrage zal vooral worden gevoed door de stuunnanskunst op de vier kwesties waar het in dit halfjaar om gaat: de economie en de werkgelegenheid; de Agenda 2000 en de uitbreiding; de Europese immigratieruimte; en de toekomst van de gemeenschappelijke buitenlandse politiek van de Unie.

Economie en werkgelegenheid

De eerste fase van de uitvoering van de afspraken van de werkgelegenheidstop van Luxemburg (november '97) dreigt een succes te worden. Het beleid van de lidstaten beweegt zich onder de stimulans van de door de Europese Raad vastgelegde richtsnoeren in een convergerende richting. Met het Verdrag van Amsterdam in de hand zal het in de loop van dit jaar mogelijk worden dat lidstaten aanbevelingen tot elkaar zullen richten om het arbeidsmarktbeleid in deze of gene richting bij te stellen. Daarbij komt de noodzaak de macro-economische richting van het beleid af te stemmen op de vereisten voor monetaire stabiliteit en werkgelegenheidsgroei. Hiervan zal een positieve werking uitgaan op de beleidsverantwoording door de lidstaten. Deze in het afgelopen jaar ingezette ontwikkeling moet met kracht worden voortgezet. Het voorzitterschap zou hieraan een aantal impulsen kunnen verlenen. Ik noem een viertal mogelijkheden.

In de eerste plaats gaat het om de uitwerking van het in Wenen door de bondskanselier en de Franse president voorgestelde Beschäftigungsp@. Mijns inziens zou deze vooral gezocht moeten worden in een poging met de organisaties van werkgevers en werknemers op Europees nivo te komen tot de formulering van een raamakkoord over de defmiering en de aanwending van de ruimte uit de productiviteitssti ging. Uiteraard zal de in eigen land te maken i voortgang op weg naar een Bündnis für Arbeit mee bepalen, zo niet maatgevend zijn voor wat er in de Unie uiteindelijk tot stand kan worden gebracht. De inrichting van een nieuwe sociale marktordening in Europa zal niet zonder een sterke Duitse inzet kunnen.

Nauw hiermee in verband staat, in de tweede plaats, de noodzaak de monetair-economische verplichtingen uit het Verdrag van Maastricht te fuseren met de opdrachten die op het terrein van sociaal- en werkgelegenheidsbeleid voortvloeien uit het Verdrag van Amsterdam. Er is veel onzekerheid over wat we op dit punt van het voorzitterschap mogen verwachten. Die onzekerheid is niet weggenomen in het convergentierapport dat minister Lafontaine afgelopen week naar Brussel heeft gezonden. De voornemens met betrekking tot de daling van tekort en schuld, en ook van het aandeel van de collectieve uitgaven, trekken de lijn van de afgelopen 'aren door, De inschatting dat de reële loonontwikkeling onder die van de productiviteitsstijging zal blijven geeft een bruikbare hint voor het zoeken naar eventuele afstemming met sociale partners in Europa. Maar de betekenis van deze beleidsinzet voor de uitkomsten van de werkgelegenheid blijft verborgen. Deze eenzijdigheid was tot nu toe steeds het onvermijdelijke gevolg van de onevenwichtige start van de Economische en Monetaire Unie. Daardoor is de rol van de Ecofm-raad naar verhouding te zwaar geworden. Voor het bereiken van nieuw evenwicht zal de Europese Raad moeten evolueren in de richting van de Europese economische regering zoals wel van Franse zijde is bepleit. Het is de vraag of onder de, laten we zeggen, buitengewone kenmerken van de samenwerking tussen Lafontaine en Schröder, hier daadwerkel' ke voortgang in het verschiet ligt. Ze zouden kunnen buurten bij het idee van de altijd aanwezige Jacques Delors om een tweewekelijkse bijeenkomst van speciaal aangewezen vice-prenuers te organiseren, zodat een evenwichtiger en meer politiek gestuurde beleidsintegratie kan worden bevorderd. Voor de politieke herkenbaarheid en verantwoording is een ontwikkeling in deze richting de moeite waard.

In de derde plaats moet worden voorkomen dat het élan verschrompelt waarmee m de voorbije maanden werd gepleit voor meer belastinghannonisatie, onder meer gericht op mmiinunmorinen voor de heffmgen op bedrijfswinst. De voornemens lijken teruggeschroefd tot de bestrijding van schadelijke belastingconcurrentie, 'm een gedragscode zoals voorgesteld door Commiss@s Monti, en een minimumnon-n voor de belast'mg van rente. De voorgenomen inspanning om de belastingvrijstelling van kerosine af te schaffen is daarentegen een lichtpunt. Maar dat hiermee de ambities zijn vervuld om ook langs de weg van de belast'mgcoörd'matie de werkgelegenheid en het milieu te ondersteunen kan toch moeilijk worden volgehouden. In het bijzonder richt deze vraag zich op het verder stimuleren van de ecotax-ontwikkeling.

In de vierde plaats mag in de loop van dit jaar worden verwacht dat de Europese Unie zich met het nieuwe gewicht van de euro profileert in de coördinatie van het internationale monetaire en fmanciële beleid. De samenloop van het voorzitterschap van de Unie'met dat van de G-8 geeft Duitsland hiertoe de gelegenheid. In het afgelopen najaar bleek bij veel voorheen orthodoxe bankiers en bestuurders plotseling bereidheid te bestaan om na te denken over meer regulering van het kapitaalverkeer. Het is van belang deze vast te houden en te vertalen naar structurele mechanismen van sturing en toezicht. Van Lafontaine, maar ook van Gordon Brown en Strauss-Kahn mag worden verwacht dat zij zich niet te veel gelegen laten liggen aan de klassieke reflex dat enige regulering van koersverhoudingen tussen dollar, euro en yen ver buiten de orde is. Wiens orde dan eigenlijk? @-directeur-generaal Camdessus heeft zich voorzichtig positief betoond. Ook Japan toont zich aangesproken, uiteraard ook vanwege de grote eigen problemen. Maar dat maakt de urgentie niet minder dringend de afhankelijkheid van de onzichtbare om zich heen meppende hand aan de jojo van het kapitaalverkeer te verminderen. Van de Duitse reger'mg mag worden verwacht hieraan richting te geven.

Agenda 2000 en uitbreiding

Het is op zichzelf genomen niet bijzonder dat zich grote tegenstellingen manifesteren rondom de toekomstige fmanciering van de Unie. Dat komt in alle nationale families voor. Wel verontrustend is het feit dat noch de Commissie noch de lidstaten in staat blijken de fmanciële kaders voor de toekomst te verbinden met een gedegen evaluatie van de effecten van de fmanciële verdeling in het verleden.
Was er een ratio voor het begrenzen van de Britse bijdrage? Waarom staat het meten van de werkgelegenheidseffecten van de uitgaven in het Europees Sociaal Fonds nog in de kinderschoenen? Hoeveel heeft het noorden geprofiteerd van de versnelde cohesie met Ierland en de zuidelijke lidstaten? Maar ook: wanneer is de economische gezondheid in die landen zo ver dat het subsidie-infuus kan worden verwijderd? En is het niet zo dat per slot van rekening het Duitse en Nederlandse profijt van de Unie ver uitstijgt boven het belang van een miljard minder of meer aan contributie en de noodzaak dat toetredende lidstaten in Nfidden-Europa een werkelijke kans op snelle aansluiting wordt geboden?

Daarover lijkt het allemaal niet te gaan, straks in maart. Het was dan ook een meer Duitse dan Europese start d'e de bondskanselier op de SPD-Europawahl bijeenkomst in Saarbrücken op 8 december maakte, toen hij pleitte voor "reale Ausgabenkonstanz". Hij deed dat overigens met de verontschuldiging dat "als Präsident man zu schrecklicher Neutralität verptlichtet ist". Misschien dat daaruit reeds de ruimte volgt die als hint nog werd toegevoegd: "Jedenfalls kann es keine gröszeren Wachtstumsraten geben als in den nationalen Haushalten,' das jedenfalls ist die oberste Grenze".

Ik begrijp natuurlijk wel dat het uiteindelijke compromis in alle hoofdsteden in harde cash zal moeten worden toegelicht. Maar er is leiderschap gevraagd om het het doel van de bijdragen een zwaarder gewicht toe te kennen dan het middel van de organisatie van de collecte. Geen lidstaat is hiervoor meer gekwalificeerd dan Duitsland.

Maar de geluiden tot nu toe verontrusten, zeker ook in relatie tot het belangrijkste project van de komende jaren: de uitbreiding naar Midden-Europa. Als in dit verband gesproken wordt van "Beschleunigung und Vollendung des Versöhnungsprozesses", wordt menige verwachting gewekt. Maar dan is toch teleurstellend wat hierop volgt, zoals in de uitspraak van bondskanslier Schröder in Der Spiegel: "Wenn wir es nicht schaffen, unter der deutschen Prasidentschaft die Finanzbeziehungen so zu ordnen, dass Erweiterung objektiv möglich bleibt dann verschiebt sich der Te@ der Ei-weitenmg."
Men kan begrip hebben voor het verwijt aan Kohl dat deze destijds met een wel erg breed gebaar aan de Polen toetreding in het jaar 2000 in het vooruitzicht stelde. Hiertegenover dreigt nu een zwart gat te ontstaan. Van Duitsland als voorzitter zou ik teruninste verwachten deze groeiende onzekerheid langs twee wegen weer in de goede richting om te buigen. Ten eerste door ondubbelz'mnig te formuleren dat er geen nieuwe bijkomende eisen aan de toetreders worden gesteld en dat onverkort wordt onderhandeld op basis van het Commissie-rapport. Ten tweede door de fmanciering van de uitbreiding niet als sluitpost op het meerjarenakkoord van de Agenda 2000 te laten flmgeren.

De Europese immigratieruimte

Het is pijnlijk, maar daarom nog niet minder waarschijnlijk dat het eerste halve jaar weinig in petto heeft voor de Europese burgers die zich afvragen welk signaal er destijds is uitgegaan van het opheffen van de binnengrenzen en wat er vandaag de dag gebeurt aan de buitengrenzen.
De Duitse voornemens leggen het accent op de uitbouw en implementatie van toestroombeperkende maatregelen. Voor burden sharing en harmonisatie van toelatingsregels moet worden gewacht op de inzet van het volgende, Finse, voorzitterschap. Toch is de afstemming van het migratiebeleid voor de nabije toekomst een zware toetssteen voor de geloofwaardigheid van Europese samenwerking. In ieder geval is positief dat, mede op Nederlands aandringen, nu een diepgaandere verkenning in voorbereiding is dan jarenlang mogelijk was. Maar juist voor ons land zou het vertrouwenwekkend zijn geweest hierin Duitsland meer aan het voortouw te zien. Ik spreek de hoop uit dat als het dan niet via de voorzittersagenda loopt, dan toch door middel van de inbreng van Duitse expertise zal zijn dat later in dit jaar meer Europeanen zullen gaan ervaren dat solidariteit uit meer bestaat dan het verdelen van geld. Zonder een stevige Duits-Nederlandse inbreng zal er weinig veranderen in de opvang van de stroom van vluchtelingen en migranten die in Europa hun toekomst zien.

Naar een gemeenschappelijke buitenlandse politiek

Balancerend op de vage scheidslijn tussen Realpolitik en Wunschdenken wil ik nog een laatste verwachting uitspreken. In dit stadium is het eigenlijk meer hoop, maar dan wel hoop uit noodzaak geboren. De noodzaak is dat de Unie na de ruimte die is geschapen voor gemeenschappelijk gedragen economisch en sociaal beleid zich nu opmaakt voor een opnieuw een sprong voorwaarts. De sprong over de eigen schaduw van de gefraginenteerde of ontbrekende buitenlandse politiek van de Unie.
Wordt het hier geen tijd om met de vuist op tafel te slaan? Het optreden van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in de operatie Desert Fox was een stap terug in de tijd, net nadat in Pörtschach door Blair nog een aanlokkeli k toekomstbeeld was gesuggereerd. Aan de vooravond van de aanwijzing van mevrouw of meneer PESC is het dringend nodig dat de nieuw verworven economische eenheid ook haar vertaling v'mdt in een eensluidende buitenlandse politiek, door de integratie van nationale belangenbehartiging in een gemeenschappelijke buitenlandse en defensiepolitiek. De Oostenrijkers hebben de aünosfeer geschapen om hierover openlijker dan ooit met elkaar te verkeren. Maar wat kunnen wij van het Duitse voorzitterschap verwachten? Mijn hoop is: meer dan wat is aangekondigd. Met begrip overigens voor de door Christoph Bertrain gesignaleerde spanning die het birmenlandse debat over het nemen van internationale verantwoordelijkheid met zich meebrengt voor de innerlijke cohesie van de Bondsrepubliek.
Ik houd het er echter op dat meer balans tussen de lidstaten, met name Frankrijk en Engeland, ermee gediend is dat ook op dit terrein Duitsland meer van zijn gewicht zal laten blijken. De Gemeenschappelijke Verklaring van Frankrijk en Engeland in St.Malo verdient steun van zowel Duitsland als Nederland. Van de versnelling van de integratie van de WEU tot en met de bijdrage aan het dempen van de dreigende meicrisis in het Midden-Oosten zal dit het nodige aan Duits initiatief vergen. Dat is ook een Nederlands belang.

Met dit laatste Stichwort is de cirkel rond. De mogelijkheid om te spreken over mijn verwachtingen van het Duits voorzitterschap heb ik graag benut voor een nauwelijks versluierd pleidooi voor een sterk Europa. Uit idealisme, omdat in de tweede helft van deze eeuw zo echt een breuk met een verleden vol van verscheurend nationalisme tot stand is gebracht. En uit realisme, omdat daadwerkelijke zelfbeschuldiging van burgers een solide basis vereist van politiek en economisch vermogen. Ik wens Duitsland en de Unie vemünftige Monate.

Deel: ' Melkert (PvdA) over Duits voorzitterschap EU '




Lees ook