Tweede Kamer der Staten Generaal

mem. van intrekking wet nv nederlands inkoopcentrum (NIC)

Gemaakt: 27-3-2000 tijd: 15:58


8


27055 Intrekking van de Wet N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC)
Nr. 3 Memorie van Toelichting

Inleiding

Aanleiding tot indiening van voorliggend wetsvoorstel is de wens om de Staat, thans enig aandeelhouder van N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC) (hierna te noemen N.V. NIC), in staat te stellen zijn aandelen in de onderneming te vervreemden. Daartoe is nodig het intrekken van artikel 2, vierde lid, van de Wet van 28 december 1989. Ingevolge dit artikellid is de Minister van Financiën verplicht namens de Staat alle aandelen van N.V. NIC te houden. Na het vervallen van artikel 2, vierde lid, wordt handhaving van artikel 3 niet passend meer geacht. Deze bepaling, destijds om industriepolitieke redenen opgenomen, biedt de Minister van Financiën de mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden bepaalde goederen door tussenkomst van N.V. NIC te verwerven.

Gegeven het feit dat hetgeen in de overige artikelen van de huidige wet is bepaald ten uitvoer is gebracht, is de wet betekenisloos geworden en is er derhalve geen reden meer om de Wet van 28 december
1989 te handhaven.

Om die reden wordt voorgesteld de wet uit 1989 in zijn geheel in te trekken.

In eerdergenoemde wet die de oprichting van N.V. NIC mogelijk heeft gemaakt, was reeds rekening gehouden met de mogelijkheid van vervreemding van aandelen op het moment dat N.V. NIC in voldoende mate aangetoond zou hebben zich een positie op de markt van inkoopdienstverlening en advisering te hebben verworven.

Naar mijn oordeel is er, rekening houdend met de positie waarin de onderneming thans verkeert alsook met de positieve vooruitzichten, geen aanleiding voor de Staat om nog langer enig aandeelhouder van N.V. NIC te blijven. Sterker nog: de bedrijfsvoering en de marktpositie van de onderneming zullen meer gebaat zijn bij sterk betrokken aandeelhouders/partners met bedrijfsmatige expertise, hetgeen de Staat niet kan bieden. Voorts wordt kritiek op een mogelijke vermenging van de rol als aandeelhouder met die van afnemer van N.V. NIC diensten voorkomen.

Sinds de verzelfstandiging heeft N.V. NIC zich, na een aanloopperiode van herstructurering en heroriëntatie, ontwikkeld tot een marktgerichte, concurrerende onderneming die weliswaar op grond van zijn ontstaansgeschiedenis nog steeds sterk gericht is op dienstverlening aan Rijks- en lagere overheid maar die zich ook gaandeweg en met succes ontwikkeld heeft als leverancier voor de private markt.

Ik acht het wenselijk N.V. NIC de mogelijkheid te bieden andere aandeelhouders te werven alsook middels aandelenruil samenwerkingsverbanden te kunnen aangaan. Dit alles gericht op een verdere cultuuromslag en professionalisering, alsook op schaalvergroting indien die noodzakelijk wordt geacht om de positie van N.V. NIC te consolideren respectievelijk te versterken. Op dit moment bestaan er nog geen concrete plannen om een dergelijke samenwerking met derden aan te gaan. Zo zich evenwel nu een mogelijkheid zou aandienen kan het doorlopen van een daartoe noodzakelijk wettelijk traject zodanig tijdrovend zijn dat de interesse van een derde partij verloren gaat.

Voorgeschiedenis N.V. NIC

In 1990 is de naamloze vennootschap N.V. Nederlands Inkoopbureau (NIC) opgericht als rechtsopvolger van het sinds 1921 opererende Rijksinkoopbureau (RIB). Het oorspronkelijke doel van RIB was een doelmatiger besteding van de overheidsgelden door een centrale inkoop. Gaandeweg is zowel het assortiment van aanvankelijk kantoormiddelen uitgebreid als de afnemerskring, aanvankelijk het Rijk, en nadien de lagere overheid en gesubsidieerde instellingen. Vanaf het begin viel RIB organisatorisch onder de Minister van Financiën en kwamen de beheerskosten van RIB t.l.v. diens begroting.

De opkomende tendens van overheveling van staatstaken naar de marktsector in de tachtiger jaren liet ook RIB niet onberoerd. Dit gevoegd bij het onvoldoende klantgerichte imago van het RIB leidde destijds in het conceptregeerakkoord 1986 van het tweede kabinet Lubbers tot het voornemen het RIB op te heffen. In het definitieve Regeerakkoord 1986 is vervolgens de beslissing tot privatisering vastgelegd. De belangrijkste overwegingen tot privatisering waren hoofdzakelijk van algemene aard zoals versterking van de markt, afslanking van het overheidsapparaat, budgettaire besparingen en deregulering van de interne bedrijfsvoering; een onderzoek vooraf naar de haalbaarheid van verzelfstandiging respectievelijk privatisering heeft nooit plaatsgevonden.

De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat privatisering mogelijk moest maken heeft geruime tijd genomen onder meer vanwege een kabinetswisseling en uitvoerige onderhandelingen met vakbonden over de arbeidsvoorwaarden. Voorts wilde parlement en vakbonden, gegeven de wijze van besluitvorming over de privatisering, meer zekerheid hebben omtrent de toekomst van het toenmalige RIB. De bijzondere relatie tussen een geprivatiseerd RIB, waarvoor de vorm van een structuurvennootschap was gekozen, en het Rijk is aanvankelijk tot uiting gebracht door middel van het opnemen van een aantal specifieke goedkeuringsbevoegdheden voor de Staat als aandeelhouder. Echter het belang van een goed verlopend privatiseringsproces en de behoefte van de Tweede Kamer aan een open overleg met het kabinet over het moment en de mate waarin afstoting van het staatsaandeel plaatsvond was aanleiding voor indiening van een amendement dat de Staat verplichtte alle aandelen van N.V. NIC te houden. De toenmalige staatssecretaris van Financiën heeft zich in dit bijzonder geachte geval niet tegen het amendement kamerstukken 1998/1999, 20 893, nr. 10 willen verzetten mede vanwege het feit dat het toekomstige N.V. NIC zich met name zou blijven richten op de overheid en de collectieve sector. Op 28 december 1989 was de wet N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC) een feit en was de weg vrij voor de feitelijke oprichting van de vennootschap.

De startfase van N.V. NIC is niet gemakkelijk geweest. Belangrijke oorzaken voor tegenvallende resultaten waren het doorzetten van vraaguitval als gevolg van de eerder doorgevoerde opheffing van de verplichte winkelnering, de invoering van kostendoorberekening en de moeizame overgang van een productgerichte naar een klantgerichte benadering. Dit heeft de eerste jaren veel van de organisatie en het personeel gevraagd. De tegenvallende resultaten, resulterend in een cumulatief verlies van f 6 mln in de periode 1990-1994, hebben destijds geleid tot meerdere reorganisaties. Na een grondige reorganisatie in 1994 werden de resultaten daarvan in 1995 zichtbaar; vanaf dat moment was niet alleen sprake van een omzetstijging met positieve resultaten maar werd ook duidelijker zichtbaar welke richting N.V. NIC in strategische zin wilde opgaan. Omwille van een grotere flexibiliteit zijn de hoofdactiviteiten inmiddels in aparte vennootschappen ondergebracht waarover de holding N.V. NIC de supervisie heeft.
Huidige positie en vooruitzichten van de onderneming
De afgelopen periode heeft aangetoond dat één van de oorspronkelijke activiteiten van N.V. NIC die in belangrijke mate bijdroegen aan het omzet, nl. de levering van kantoorbenodigdheden (de magazijnfunctie), op termijn onvoldoende mogelijkheden bood voor een rendabele voortzetting. Gevoegd bij de constatering dat een aantal van de nieuw ontwikkelde activiteiten door onvoldoende schaalgrootte niet aan de verwachtingen voldeden, was aanleiding voor het in 1998 deels nieuw aangetreden management zich te bezinnen over de toekomst van N.V. NIC. Dit heeft eind 1998 geresulteerd in een plan van aanpak dat geheel werd ondersteund door de Raad van Commissarissen en de Ondernemingsraad en dat vervolgens is geïmplementeerd. Het betekende onder meer een bevestiging van de eerdere constatering dat N.V. NIC met name zijn toegevoegde waarde had op het gebied van advisering en inkoopdienstverlening en dat het zich daarop in versterkte mate diende te richten. Voorts werd een aantal activiteiten van geringe omvang afgestoten en werd besloten de activiteiten op het gebied van kantoorbenodigdheden, inmiddels ondergebracht in een 100% dochter Kantic B.V., te laten opgaan in een grotere organisatie. Over dit voornemen is de vaste Kamercommissie van Financiën bij mijn brief van 23 april (FIN99/138u) en van 29 juni 1999 (FIN99/193m) op de hoogte gesteld. Inmiddels is een koopovereenkomst gesloten met de Franse onderneming Guilbert S.A. die 75% van de aandelen Kantic B.V. heeft verkregen met een optie op het resterende pakket. De directie van N.V. NIC is ervan overtuigd dat daarmede een beter toekomstperspectief voor deze activiteiten wordt geboden. Na deze afscheiding zal N.V. NIC zich uitsluitend gaan richten op inkoopdienstverlening in brede zin, inclusief die gerelateerde en ondersteunende activiteiten die een belangrijke bijdrage aan de winst zullen hebben.

N.V. NIC is trouw aan haar verleden in de zin dat de overheid en de semi-overheid nog het leeuwendeel leveren van de omzet. Hierin zijn de ministeries en het onderwijs de belangrijkste klantengroepen. De overheid en de non-profit sector bieden nog goede groeikansen voor N.V. NIC. Daarnaast zal N.V. NIC zijn inkoopdienstverlening specifiek aanbieden aan grote private organisaties.

In 1998 was de omzetverdeling als volgt:

Rijk 35%

Onderwijs 22%

Lagere overheden 10%

Gesubsidieerde instellingen 8%

Overig 14%

Private sector 11%

Eind 1998 bedroeg het aantal werknemers 383 (1990: het jaar van verzelfstandiging: 387) bij een omzet van f 285 mln (1990: f 200 mln), een bruto marge van f 61 mln (1990: f 45 mln) en een winst van ca. f 1 mln (1990: f 0,1 mln). Vanwege de recente (gedeeltelijke) verkoop van Kantic B.V. zal de bruto marge uitkomen op ca f 38 mln. De verwachting is dat bij autonome groei de bruto marge weer zal oplopen tot f 50 mln in 2002 bij een nettowinst van f 3 mln. Deze groei komt voornamelijk uit de private sector. (NB: de bruto marge, zijnde de toegevoegde waarde van de onderneming, wordt thans gehanteerd i.p.v. de omzet omdat de brutomarge een beter beeld geeft van de feitelijke activiteiten van N.V. NIC).

Een aanmerkelijk grotere groei en daarmee een grotere activiteit in de private markt kan slechts worden gerealiseerd indien nieuwe veelbelovende vormen van inkoopdienstverlening succesvol kunnen worden uitgebreid, zoals facility management van kantoren, inkoopbemiddeling via internet (e-commerce) en inkoopconsultancy bij aanbesteding- en organisatievraagstukken. Dan kan een groei van 20% per jaar en een gelijke verdeling tussen collectieve en private markt worden bereikt.

Motivering vervreemding

In de MvT van het wetsvoorstel dat de privatisering van N.V. NIC mogelijk moest maken kamerstukken II, 1988/1989, 20 983, nr. 3 is het voornemen kenbaar gemaakt dat het voorstel een eerste stap naar volledige privatisering zou zijn. Na omzetting van de overheidsdienst RIB in een structuurvennootschap met de Staat als enig aandeelhouder zou te zijner tijd, indien daarvoor voldoende aanleiding bestond, tot afstoting van de aandelen worden besloten. Op dat moment werd er van uitgegaan dat de aandelen N.V. NIC uiterlijk 5 jaar na verzelfstandiging zouden kunnen worden afgestoten. Gegeven de hierboven geschetste ontwikkelingen werd dit evenwel te ambitieus geacht. Wel is gedurende de afgelopen periode een aantal maatregelen getroffen die als een opstap tot vervreemding kunnen worden beschouwd.

Zo zijn de oorspronkelijke statuten tussentijds aangepast met name op aspecten waarbij de Staat als aandeelhouder bijzondere bevoegdheden had die gaandeweg door de Raad van Commissarissen ls te knellend werden ervaren voor een flexibele bedrijfsvoering. Voorts zijn afzonderlijke activiteiten in besloten vennootschappen ondergebracht. De hier genoemde ontwikkelingen zijn destijds door de onderneming ter goedkeuring aan de Staat als aandeelhouder voorgelegd. Ik heb hieraan mijn instemming gegeven na daarover de vaste Kamercommissie voor Financiën te hebben geïnformeerd. Bij die gelegenheden heb ik ook reeds melding gemaakt van het voornemen om de vervreemding van N.V. NIC in gang te zetten.

Sinds de oprichting van N.V. NIC heeft de onderneming zich meer en meer ontwikkeld als een private onderneming die weliswaar nog steeds zijn oorspronkelijke markt van Rijk en lagere overheid tot zijn belangrijkste klanten kan rekenen. Echter de onderneming beweegt zich meer en meer op deelgebieden op de private markt. Onlangs is de strategische beslissing genomen zich als kernactiviteit te richten op de markt van inkoopdienstverlening en advisering. Dit zal leiden tot afstoting van «bedrijfsvreemde» activiteiten; de reeds gemelde (gedeeltelijke) verkoop van Kantic B.V. is daarvan het meest recente voorbeeld.

De continuïteit van N.V. NIC is gebaat bij het aantrekken van nieuw kapitaal voor acquisities, het aansluiten bij een grotere organisatie of het nemen van belangen over en weer met een strategische partner. Kortom, strategische samenwerkingsverbanden zijn essentieel voor de verdere
cultuuromslag en professionalisering en voor een substantiële uitbreiding van deze nieuwe vormen van inkoopdienstverlening.
Genoemde ontwikkelingen, gevoegd bij het feit dat, zoals de afgelopen periode nog eens duidelijk heeft aangetoond, N.V. NIC geen enkele beleidsmatige rol voor de Staat vervult op het gebied van aanschaffingsbeleid, hebben geleid tot de conclusie dat vervreemding de voor de hand liggende en voor de onderneming meest wenselijke optie is.

In dat geval kan aan een beursgang of een onderhandse verkoop (fusie of overname) worden gedacht. Gezien de beperkte omvang van de onderneming ligt een beursgang niet voor de hand; RvC en Directie zijn daarvan ook geen voorstander. Beter lijkt derhalve een onderhandse verkoop.

Alhoewel er op dit moment geen concrete plannen bestaan, is de directie van oordeel dat er aantrekkelijke mogelijkheden van samenwerking zijn. Het is dan ook van groot belang dat de wettelijke belemmeringen voor een eventuele samenwerking op korte termijn worden opgeheven. Alhoewel ik, indien bijgaand wetsvoorstel door het parlement wordt aanvaard, in eerste instantie denk aan een partiële vervreemding, wordt een algehele vervreemding op voorhand niet uitgesloten. Criteria voor gedeeltelijke resp. algehele verkoop door de Staat zouden moeten zijn dat:

de continuïteit van de onderneming daarmede is gediend;

als gevolg van de privatisering geen gedwongen ontslagen zullen worden doorgevoerd en

sprake moet zijn van een zakelijk verantwoorde transactie. Overheidsaanschaffingenbeleid

Ten tijde van de verzelfstandiging in 1990 was N.V. NIC een rol toebedeeld bij het toen bestaande overheidsaanschaffingenbeleid. In de praktijk is dit vanwege onvoldoende draagvlak een dode letter gebleken met als belangrijkste oorzaak dat in 1991 besloten is het tot dan toe gevoerde interdepartementale coördinatiebeleid op het gebied van inkoop te beëindigen. Daarmede is ook de ratio ontvallen tot handhaving van het huidige artikel 3 van de Wet N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC). Dit geeft thans de minister van Financiën de mogelijkheid om, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, onder bepaalde voorwaarden voor bepaalde goederen N.V. NIC in te schakelen. Bedoeld artikel had destijds als oogmerk de industriepolitieke aanpak die een centrale inkoop biedt, vorm te kunnen geven. In het licht van het thans voorliggende wetsvoorstel tot vervreemding wordt dit uitgangspunt niet passend meer geacht.

Ook al leven er thans, om redenen van efficiency, ideeën om de mogelijkheden van interdepartementaal bundelen van inkoop te bezien, dan nog zou dat een privatisering van

N.V. NIC niet in de weg staan. Integendeel, dit betekent een versterking van het argument tot privatisering omdat de Nederlandse overheid, niet gehinderd door een aandeelhouderschap in een onderneming op het gebied van advisering en inkoopdienstverlening, vrij is om de beste en meest concurrerende inkoopdienst te selecteren, geheel in lijn met de marktwerkingsgedachte.

De directie van N.V. NIC meent in dat geval in een goede positie te zijn om hierin te concurreren.

Motivering intrekking wet
Geconstateerd kan worden dat met uitzondering van artikel 2, vierde lid, en artikel 3 het bepaalde in alle overige artikelen van de huidige wet ten uitvoer is gebracht. Gegeven het gemotiveerde voorstel thans tot het doen vervallen van eerdergenoemde artikelen 2, vierde lid, en 3, betekent zulks dat de huidige wet in zijn geheel kan worden ingetrokken. De directie van N.V. NIC onderschrijft dit standpunt. Financiële consequenties

De financiële consequenties van het wetsvoorstel zijn nihil zolang niet tot verkoop wordt overgegaan.

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,

W.A.F.G. Vermeend

Het advies van de Raad van State wordt niet

openbaar gemaakt, omdat het zonder meer

instemmend luidt / uitsluitend opmerkingen

van redactionele aard bevat (artikel 25a,

vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de

Raad van State)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Memorie toelichting intrekking wet Nederlands Inkoopcentrum '




Lees ook