Persbericht van het ministerie van LNV, 2 november 1999 (Dit is een gezamenlijk persbericht van VROM en LNV)

Merendeel 42 stoffen voor gewasbescherming
per 1 januari 2000 verboden;
Zeven stoffen voorlopig onmisbaar

Minister Pronk van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en staatssecretaris Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij hebben vandaag besloten om voor zeven stoffen voor gewasbescherming en de daarbij behorende onmisbare toepassingen onder bepaalde voorwaarden een tijdelijke verlengingsregeling te treffen. De zeven stoffen maken onderdeel uit van 42 milieukritische stoffen die, volgens een bestuurlijke afspraak uit 1993, per 1 januari 2000 alleen nog zouden worden toegestaan als ze de toets aan de wettelijke milieueisen hadden doorstaan (de zogenaamde kanalisatiestoffen). De tijdelijke verlengingsregeling gaat gelden voor de stoffen carbaryl, chloorpyrifos, fenbutatin, mevinfos, penconazol, pirimifos en simazin. Deze stoffen worden voor een nader vast te stellen periode als onmisbaar voor de landbouw aangemerkt.
De bewindslieden benadrukken dat er, ondanks deze tijdelijke verlenging, "met voortvarendheid gezocht dient te blijven worden naar doeltreffende chemische en niet-chemische alternatieven die voldoen aan de wettelijke milieucriteria". De bewindslieden verwachten met het besluit een milieuwinst te realiseren van 90 tot 95%.

Aan de tijdelijke verlenging van de toelating van de zeven stoffen stellen de bewindslieden enkele voorwaarden. Zo hebben de bewindslieden afgesproken als aanvullende voorwaarde te stellen dat in 2003 de zeven bovengenoemde stoffen alleen gebruikt mogen worden op bedrijven die ten aanzien van gewasbescherming gecertificeerd zijn op een niveau dat vergelijkbaar is met dat van het huidige niveau van AgroMilieukeur. Nadere invulling hiervan zal plaatsvinden in het kader van het beleidsvoornemen "Gewasbescherming na 2000". Andere voorwaarden zijn dat de bij de betreffende stoffen behorende onmisbare toepassingen voldoen aan de gebruiksvoorschriften zoals die staan in de kanalisatiebesluiten. Er worden dus niet meer toepassingen toegestaan dan die in de oorspronkelijke toelatingsbesluiten waren opgenomen.
Ten behoeve van gecontroleerde distributie geldt voor deze stoffen de voorwaarde dat fabrikanten, handelaren en telers aan extra administratievoorschriften moeten voldoen.
Tenslotte mag een stof alleen op een bedrijf aanwezig zijn als de toepassing waarvoor de stof is toegelaten op dat bedrijf aan de orde is.
Nu er duidelijkheid bestaat over een oplossing voor de meest acute problematiek, zullen de beide bewindslieden op korte termijn een standpunt bepalen over de wijze waarop op de langere termijn met de problematiek van landbouwkundig onmisbare stoffen zal worden omgegaan.

Uit signalen van het bedrijfsleven en individuele telers bleek dat de gevolgen van een verbod voor een aantal kanalisatiestoffen groot konden zijn voor de continuiteit van bepaalde teelten en bedrijven. De beide ministeries hadden LTO Nederland, Stichting Natuur en Milieu, Agrodis en VEWIN gevraagd hun medewerking te verlenen aan het totstandbrengen van een zeer beknopte lijst van maximaal 5 a 7 onmisbare kanalisatiestoffen. De organisaties hebben laten weten dat ze geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de lijst en de voorwaarden waaronder deze stoffen gebruikt kunnen worden (certificering). De beide bewindslieden betreuren dat en komen nu zelf met een stoffenlijst en de voorwaarde van de AgroMilieukeur in 2003.

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij: http://www.minlnv.nl/

Overzicht persberichten / stopzetting toezending:
http://www.minlnv.nl/infomart/persinfo/

Deel: ' Merendeel 42 stoffen voor gewasbescherming worden verboden '




Lees ook