Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Directie Voorlichting, Bibliotheek en Documentatie

17 november 1999
Nr. 99/210

Toespraak door minister mr. K.G. de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de Limburgse Arbeidsmarktdag op 18 november 1999 in Maastricht.

Het is mij een genoegen u vandaag toe te kunnen spreken op deze Limburgse arbeidsmarktdag. Arbeidsmarktbeleid is belangrijk. Het is bovendien niet gemakkelijk goed arbeidsmarktbeleid te voeren, want de arbeidsmarkt is voortdurend in beweging. De afgelopen jaren hebben we gelukkig een beweging gezien van krachtig groeiende werkgelegenheid. Met als resultaat dat de we nu 290.000 werkzoekenden hebben. Sinds 1981 zijn dat er niet meer zo weinig geweest. Gelijktijdig hebben we te maken met een groeiend aantal vacatures. Steeds vaker bovendien moeilijk te vervullen vacatures, ook voor de lagerbetaalde functies.

De arbeidsmarkt vertoont de laatste jaren een dubbel gezicht. Naast die moeilijk te vervullen vacatures, zien we nog altijd te grote groepen mensen voor wie betaalde arbeid nog niet is weggelegd. Ik doel op de zogenaamde ‘stille reserves’. Ouderen, die vaak al rond hun 55e ophouden met werken. Vrouwen, die problemen ondervinden bij het herintreden. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten die er niet in slagen werk te vinden. Allochtonen, onder wie de werkloosheid met zestien procent nog zorgwekkend hoog is. Al lopen zij gelukkig hun achterstand wel wat in.

We staan nu voor de opgave ook al die mensen aan werk te helpen of aan het werk te houden. Want de tijd dat we vonden dat een uitkering best een goed alternatief is voor betaald werk, die tijd hebben we achter ons gelaten. We willen mensen bij de samenleving betrekken. Hun de kans bieden zelfstandig, zelfredzaam en financieel onafhankelijk van de overheid deel te nemen aan de samenleving. Liefst door hen aan werk te helpen, maar als dat nog niet kan door sociale activering. Hoe dan ook willen we mensen die nu nog aan de kant staan nieuwe perspectieven bieden.

Dat vraagt om een omslag in ons denken en doen. Een omslag ook op plaatselijk en regionaal niveau, in de provincie, bij de gemeenten en in de bedrijven. Want anders blijven mensen aan de kant staan, ondanks het stijgende aantal vacatures. Daar kunnen we niet in berusten.

Het jaar 1994 markeerde in dat opzicht een omslag. Toen hebben we de banen voor langdurig werklozen geïntroduceerd. Daarmee hebben we in wezen erkend dat de markt het niet altijd alleen kan, dat het nodig kan zijn dat de overheid stevig helpt. Dat heeft ertoe geleid dat er nu zo’n veertig- tot vijftigduizend voormalig langdurig werklozen aan het werk zijn in I/D-banen die anders nooit meer aan de slag zouden zijn gekomen.

Het gaat bij de werklozen van vandaag dikwijls om mensen met een wat grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Mensen die eerst scholing nodig hebben, mensen die extra begeleid moeten worden. Voor die investeringen in mensen heeft het kabinet zowel voldoende financiële middelen als de geschikte instrumenten beschikbaar gesteld.

In totaal hebben we tien miljard gulden uitgetrokken om mensen aan het werk te helpen of hen voor te bereiden op een baan. Van dat bedrag is 70% bestemd voor het bestrijden van langdurige werkloosheid. Voor scholing, opleidingen, werkervaringsplaatsen. Bij die reïntegratie vervullen de gemeenten een belangrijke rol.

Gemeenten beschikken over de Wet Inschakeling Werkzoekenden, over nieuwe en uitgebreidere mogelijkheden bij de sociale werkvoorziening, over in- en doorstroombanen als vervolg op de succesvol gebleken veertigduizend banen die mijn voorganger in het leven heeft geroepen bij de gemeenten en in de zorgsector. De instrumenten en de financiële middelen zijn er. Het gaat er nu om die op de juiste manier in te zetten voor de mensen die minder gemakkelijk aan het werk komen.

Het gaat dan om de vrouwen die graag willen werken, maar die daar vroeger nooit de kans voor hebben gekregen. Nog altijd ligt de arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland onder het Europees gemiddelde. Daarom moeten we bevorderen dat veel meer vrouwen de kans krijgen hun capaciteiten op de arbeidsmarkt te ontplooien.

Het gaat ook om allochtonen, die vaak met wat extra aandacht heel goed een werkplek zouden kunnen vinden en daar ook goed voor gekwalificeerd zijn. Ook van hun vaardigheden maken we te weinig gebruik. Ik vind het schrijnend dat de werkloosheid onder deze groep nieuwe landgenoten vier keer zo hoog is als onder autochtonen. Het kabinet heeft zich daarom ten doel gesteld in deze regeerperiode de afstand in werkloosheid tussen allochtonen en autochtonen te halveren.

En we hebben het over de arbeidsongeschikten. Het voorkomen van arbeidsongeschiktheid is van het grootste belang. Daarnaast moeten we veel meer gebruik kunnen maken van de kennis en vaardigheden van de mensen met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. U kent het probleem. Want Limburg heeft het hoogste percentage mensen in de WAO van heel Nederland: 10.3%. Dat is heel hoog. En dus een stimulans om juist met deze groep aan het werk te gaan.

Niet in de laatste plaats denk ik ook aan ouderen. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik erger me er vreselijk aan als ik op verjaardagsfeestjes mensen van nog geen vijftig aan elkaar hoor vragen: Hoe lang moet jij nog? Nog maar één op de vier mensen boven de 55 werkt. Dat is natuurlijk tamelijk absurd. Want juist de wat oudere werknemers zijn met al hun ervaring van grote waarde voor de arbeidsorganisaties.

Onze opdracht is dus ervoor te zorgen dat ouderen langer aan het werk blijven. Eerst en vooral omdat ze dat zelf graag willen. Dus moeten we hen daartoe motiveren en stimuleren. Het moet aantrekkelijk zijn als oudere te blijven werken. Dat vraagt investering in scholing, ook voor mensen boven de 45. Ze mogen in hun kennis niet achterop raken, maar moeten net als hun jongere collega’s constant bijgespijkerd worden. Ze moeten plezier houden in hun werk, want anders worden ze als vanzelf gedreven in de richting van zo snel mogelijk stoppen.

Als we erin zouden slagen het merendeel van de oudere werknemers door te laten werken tot de pensioengerechtigde leeftijd, zouden de arbeidsmarkttekorten in één klap grotendeels verdwenen zijn.

Aan u de taak die verschillende groepen weer aan het werk te helpen. Blijvend en op de juiste plek. Ik heb al gewezen op de instrumenten die daarvoor bestaan. Maar we moeten natuurlijk in de eerste plaats voorkomen dat mensen langdurig aan de kant komen te staan. Daarvoor hebben we een ambitieus programma met de naam ‘sluitende aanpak’ opgezet. De sluitende aanpak moet op den duur aan alle werklozen de garantie bieden op een aanbod van werk of scholing voordat ze twaalf maanden zonder werk zijn.

De overheid kan veel doen aan het bevorderen van werkgelegenheid. Maar ook bedrijven en instellingen zullen moeten investeren in mensen. Door scholing, ook voor de oudere werknemers. Maar ook door te zorgen voor goede arbeidsverhoudingen en arbeidsomstandigheden. Om betere arbeidsomstandigheden te bevorderen heeft het kabinet een kwart miljard uitgetrokken, waarvan 160 miljoen voor arbo-convenanten. In die convenanten leggen overheid en sociale partners concrete en meetbare afspraken vast over het bestrijden van ernstige risico’s in de bedrijfstak.

Mensen moeten doordrongen zijn van het belang van een goede opleiding. De startkwalificaties van werknemers zijn essentieel. Uit de publicatie "De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep 1999-2004" van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit van Maastricht, die twee dagen geleden is uitgekomen, blijkt overduidelijk wat het perspectief van de schoolverlaters is: Hoe hoger de opleiding hoe beter de vooruitzichten.

Maar scholing gaat niet langer uitsluitend vooraf aan werk. In toenemende mate zullen scholing en werk naast elkaar voorkomen of elkaar gedurende de loopbaan afwisselen. Werk vereist meer en vaker veranderende kundigheden en vaardigheden.

Uit dit alles blijkt dat er ook veel extra inspanningen nodig zullen zijn om door cursussen, aanvullende opleidingen en scholing mensen die graag willen werken naar een baan te brengen. Scholing is de sleutel voor een soepel draaiende economie.

Opnieuw ligt hier voor u een uitdaging. U ziet dat er op regionaal en plaatselijk niveau, tot in de bedrijven toe, veel gedaan kan worden om de arbeidsparticipatie te vergroten. Om de juiste mensen aan het werk te krijgen en de goede te behouden. Met al het gereedschap dat inmiddels ter beschikking is gesteld, kunt u op tal van fronten aan de slag. U hebt hier in Limburg al prijzenswaardige initiatieven genomen. U hebt de ambitie hier tot een eigen sluitende aanpak te komen, met als eerste resultaat het POWA, het Provinciaal Overleg Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt. Een nieuw platform voor bestuurlijke samenwerking dat erg belangrijk is om maatwerk te kunnen leveren op de regionale arbeidsmarkt.

Samenwerking van alle actoren is ook de essentie van de structuurverandering in de uitvoering van de sociale zekerheid en het arbeidsmarktbeleid waar het kabinet met het SUWI-project mee bezig is. We zijn al ver met ons denken. De kernpunten zijn heel duidelijk: werkloze mensen vooral individueel goed opvangen en werkelijk alles uit de kast halen om hun weer kansen te bieden om mee te doen. Werk vinden is belangrijker dan een uitkering krijgen.

Om dat doel te bereiken is regionale afstemming essentieel. In het concept voor die nieuwe samenwerking van de uitvoeringsorganisaties arbeidsmarkt is dan ook een belangrijke plaats ingeruimd voor regionaal overleg. De provincie, gemeenten, sociale partners, maar ook vertegenwoordigers van bedrijven, moeten informatie uitwisselen, over mogelijkheden spreken, samenwerking afstemmen, zodat de problemen scherp in beeld komen. Ze moeten samen doen waartoe ze afzonderlijk niet in staat zijn. Voor de gemeenten ligt hier een nieuwe uitdaging om mensen zonder werk op te gaan zoeken en met hen bezig te gaan.

Het Maasmodel dat u aan het ontwikkelen bent, kan een efficiënte manier zijn om meerwaarde uit zowel de overlegpartijen als de hen toegekende middelen te halen. Er is vaak veel meer mogelijk dan men denkt. Met de flexibele WIW-gelden hebben de regio’s Parkstad en Maastricht-Mergelland al twaalf miljoen gulden te besteden. Voeg daarbij het geld voor de arbeidsvoorziening waarover u afspraken kunt maken en u kunt binnen het Maasmodel een substantieel bedrag heel gericht aanwenden.

Door de decentralisatie van middelen en de beleidsvrijheid die eraan gekoppeld is, hebben gemeenten veel mogelijkheden voor werkgelegenheidsbeleid gekregen. Wil er een goede verknoping van al die mogelijkheden en middelen tot stand komen, dan moet er wel nauw worden samengewerkt. Iedereen moet daarbij bereid zijn over zijn schuttinkjes heen te kijken. Alleen dan kan er het broodnodige maatwerk worden geleverd om vraag en aanbod bij elkaar te brengen, inclusief aanvullende middelen als scholing.

Gezamenlijk zullen we moeten werken aan oplossingen. Met een actief ziekteverzuimbeleid, met een gericht personeelsbeleid, met het aanboren van groepen die tot de stille reserves behoren. Er is arbeidspotentieel genoeg. Maar het is aan u om dat te mobiliseren. Daarom is mijn boodschap aan u: Probeer samen de beste aanpak te vinden voor de specifieke problemen op uw deel van de arbeidsmarkt. Met samenwerking en creativiteit valt een wereld te winnen.

Deel: ' Minister Klaas de Vries op Limburgse Arbeidsmarktdag '




Lees ook