Ministerie van Binnenlandse Zaken


Minister Peper wil overleg over politie-cao voortzetten

4 januari 1999
Minister Peper (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) wil graag met de politievakbonden verder overleggen over een nieuwe politie-cao. Dit schrijft hij vandaag in een brief aan de bonden. De minister benadrukt dat hij wil komen tot een totaalpakket aan maatregelen op drie onderdelen: beloning, ouderenbeleid en flexibiliteit.
Hieronder volgt de letterlijke tekst van de brief van minister Peper aan de politievakbonden.
_____________________________________________________________

Aan de leden van de CGOP
4 januari 1999
Onderwerp: voortzetting CAO-overleg
Geachte leden,
Op 23 december jongstleden spraken wij opnieuw met elkaar over de CAO-politie. Wij voeren dit overleg formeel sinds 10 december 1998. Het overleg heeft steeds plaatsgevonden in een constructieve en open sfeer. Wel is wederzijds de complexiteit en de gevoeligheid van een aantal onderwerpen onderkend. Tijdens de genoemde vergadering van 23 december is door u een brief van dezelfde datum overhandigd, waarna de vergadering is gesloten. Ik memoreer dat laatste volledigheidshalve, omdat berichten in de pers, als zou het overleg zijn afgebroken, naar mijn mening een onjuiste weergave van de gang van zaken zijn. In uw brief stelt u een ultimatum dat heden om 12.00 uur afloopt: vóór die tijd zou ik u moeten melden of de inhoud van uw brief naar mijn mening perspectief biedt voor vruchtbaar overleg. Aard en inhoud van het overleg verdragen zich moeilijk met de sfeer die het woord ultimatum met zich draagt. Daarover ben ik verbaasd en teleurgesteld, tegen de achtergrond van de sfeer waarin het overleg tot nu toe heeft plaatsgevonden.

Immers, uit uw bovengenoemde brief en mijn brieven van 21 en 23 december jongstleden blijkt dat op enkele punten een afstand bestaat tussen hetgeen u en mij als mogelijke afspraken voor ogen staat. Zowel in mijn brieven als in de vergaderingen is steeds gesteld dat het totaalpakket aan afspraken voor mij maatgevend is. Tegen die achtergrond biedt uw brief zeker perspectief op een constructieve voortzetting van het overleg.

Het pakket afspraken dat wij willen realiseren bestaat zoals bekend, uit drie onderdelen: beloning, ouderenbeleid en flexibiliteit. Beloning en ouderenbeleid zijn door u ingebracht, flexibiliteit is door mij ingebracht. Door mij is steeds benadrukt dat afspraken over één van de onderdelen ook van betekenis zijn voor de afspraken die kunnen worden gemaakt over de andere twee onderdelen.

Herhaaldelijk is gesteld dat het door mij genoemde percentage loonsverbetering (2%) moet worden gezien als inzet voor het overleg. Dit percentage is - na wat er over en weer is gewisseld - voor u niet nieuw. Mede naar de mate waarin andere voorstellen meer of minder kosten of opbrengen is dit percentage voor aanpassing vatbaar, inclusief mogelijkheden voor incidentele loonsverbetering.

Het onderwerp ouderenbeleid heeft in de laatste vergaderingen terecht tamelijk veel aandacht gevraagd. Dat de verplichting tot FLO-ontslag kan worden omgezet in een recht op FLO, dus de mogelijkheid voor werknemers om desgewenst door te werken tot na de huidige FLO-leeftijd van zestig jaar past in een toekomstig ouderenbeleid. U stelt daarbij als eis een regeling die het voor politiepersoneel (uitgebreider) mogelijk maakt om vóór het zestigste levensjaar (partieel) uit te treden dan wel (partieel) met verlof te gaan. Ik heb van mijn kant gesteld dat substantiële mogelijkheden daarvoor alleen bestaan in combinatie met definitieve afspraken over afschaffing van de huidige FLO-regeling op langere termijn en een daarbij passend overgangsrecht.

In mijn voorstel van 21 december 1998 - en de nadere toelichting daarop in mijn brief van 23 december 1998 - heb ik het volgende gesteld: de geldende regeling voor functioneel leeftijdsontslag voorziet erin dat alle executieve politiemensen op de leeftijd van 60 jaar verplicht uit de dienst treden met een
uitkeringspercentage van 80% van het laatstgenoten salaris.

Ik stelde voor die regeling - die niet meer spoort met de moderne inzichten met betrekking tot de participatie van ouderen in het arbeidsproces - op termijn te vervangen door een regeling die uitgaat van een leeftijd bij uittreding van 62 jaar en een uitkering van eveneens 80% van het laatstgenoten salaris. Het verschil met de huidige situatie is dat men niet wordt verplicht om de dienst te verlaten: men kan jonger dan 62 jaar uittreden met een lager uitkeringspercentage, en ouder dan 62 jaar met een hoger uitkeringspercentage. De leeftijd van 62 jaar, ook wel de 'spilleeftijd' genoemd, sluit aan bij de rijksbreed geïntroduceerde leeftijd voor de FPU (regeling flexibel pensioen en uittreding), zoals die overigens ook geldt voor het administratief en technisch politiepersoneel. Echter het politiepersoneel zal met 80% uitkeringspercentage blijvend 10% gunstiger uitkomen dan de 70% die de FPU-regeling kent.

In mijn voorstel valt personeel dat op de ingangsdatum van de te ontwerpen nieuwe regeling de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt nog onder de oude regeling. Voorts heb ik aangeboden éénmalig een regeling te treffen, waarbij executieve politiemensen van 58 en 59 jaar in de gelegenheid zouden worden gesteld op zeer korte termijn vrijwillig uit te treden met tot het 65-ste jaar een uitkering van 70% van het laatstgenoten salaris. Zoals ik heb aangegeven is over een aantal onderdelen van dit voorstel te onderhandelen. U hebt er de voorkeur aan gegeven dat nog niet te doen, maar eerst uw uitgangspunten in uw brief mee te geven. Ik respecteer dat.

Vervolgens zullen wij het gesprek hierover dienen te hervatten - zoals ik eerder stelde - met de andere onderdelen flexibiliteit en beloning.

We hebben over de voorgestelde wijzigingen in de sfeer van de flexibiliteit tot dusverre nog niet inhoudelijk gesproken. Ook die discussie kan moeilijk meer worden uitgesteld gelet op de maatschappelijke urgentie -waarvan ook u overtuigd bent - die een flexibeler inzet van de politie(medewerkers) heeft. Daarbij is het geenszins de bedoeling dat aan verworven financiële rechten wordt getornd.

Bij lezing van de opsomming van uitgangspunten in uw brief dringt zich de gedachte aan een CAO met een langere looptijd dan een jaar op. Zoals u weet is dat voor mij ook bespreekbaar. De ingrijpendheid van zowel uw als mijn voorstellen vraagt - gelet op de complexiteit en de gewenste zorgvuldigheid- wellicht meer tijd dan nu beschikbaar is. In dat verband meld ik u - wellicht ten overvloede - dat een aantal van uw voorstellen door mij nog niet grondig kon worden bezien: door de feestdagen en vakantie was er tot op vandaag nog geen mogelijkheid met de werkgeversdelegatie en de achterban diepgaand van gedachten te wisselen. Ook een aantal rekenexercities - nodig om tot een juiste inschatting van met name financiële gevolgen te komen - kon nog niet worden uitgevoerd.

Graag eindig ik deze brief met de wens dat het overleg constructief zal worden voortgezet: ik wil mij blijven inspannen om in voortgezet open en reëel overleg tot overeenstemming te komen. Omdat nog geen datum is afgesproken voor de volgende vergadering stel ik u voor die plaats te doen vinden op 14 januari om 10.00 uur. Ik neem aan dat die datum u schikt, omdat dit tijdstip stond gereserveerd voor een reguliere overlegvergadering. Uiteraard zijn in goed overleg ook andere data denkbaar.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

A. Peper

Deel: ' Minister Peper wil overleg politie-cao voortzetten '




Lees ook