Ministerie van Financien

Titel: Vragen en antwoorden Agaathregeling

INKOMSTENBELASTING. VENNOOTSCHAPSBELASTING. VERMOGENSBELASTING. AGAATHREGELING. VRAGEN EN ANTWOORDEN.

Besluit van 12 januari 2000, nr. DB1999/4344 M

De plaatsvervangende Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Inleiding

In het Besluit van 24 februari 1997, DB97/808M, V-N 1997, blz. 1074, punt 5, is een aantal vragen en antwoorden met betrekking tot de Agaathregeling opgenomen. Nadien zijn nieuwe vragen over deze regeling gesteld. De op deze vragen gegeven antwoorden zijn hierna opgenomen.

Inhoud van de vragen

1 Gebroken boekjaar

2 Duur van de beschikking

3 Fiscale eenheid

4 Wanneer een artikel-82-beschikking?

5 Afwijzende artikel-82-beschikking

6 Betekenis van de artikel-82-beschikking

7 Beschikking per Agaathlening

8 Vervanging bij overname onderneming

9 Vervanging van een na 1 januari 1996 afgesloten geldlening

10 Verplichte registratie

11 Kortlopende Agaathlening

12 Economische eigendom

13 Overdracht aan een besloten vennootschap

14 Vermogensbelastingvrijstelling voor indirecte Agaathlening

Begrippen

- Onder Wet wordt verstaan de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

- Onder Uitvoeringsregeling wordt verstaan de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990.

- Onder een directe Agaathlening wordt verstaan de geldlening die rechtstreeks door een natuurlijk persoon is verstrekt aan de beginnende ondernemer (natuurlijk persoon).


- Onder een indirecte Agaathlening wordt verstaan de geldlening die door tussenkomst van een Agaathfonds is verstrekt aan de beginnende ondernemer (natuurlijk persoon of rechtspersoon).


- Onder een artikel-82-beschikking wordt mede begrepen de beschikking op grond van artikel 8b, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling; inhoudelijk bestaat geen verschil tussen deze beschikkingen.

Beschikking beginnende ondernemer/natuurlijk persoon

(artikel 45, tiende lid, van de Wet, juncto artikel 8e, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling)

Vraag 1 Gebroken boekjaar

Tot welk moment kan een ondernemer met een gebroken boekjaar als beginnende ondernemer in de zin van de Agaathregeling worden aangemerkt?

Antwoord 1

Een ondernemer met een zogenoemd gebroken boekjaar geeft de winst aan in het kalenderjaar waarin zijn boekjaar eindigt (artikel 20, tweede lid, van de Wet). De tabel die van toepassing is in het kalenderjaar waarin de winst wordt aangegeven, is bepalend voor de hoogte van de zelfstandigenaftrek. De opzet van de zelfstandigenaftrek brengt echter mee dat voor de beoordeling van de in beslag genomen tijd bij een ondernemer met een gebroken boekjaar, wordt gelet op de in beslag genomen tijd in het boekjaar waarvan de winst wordt toegerekend aan het kalenderjaar (Memorie van Toelichting, Wet van 9 februari 1984, Stb. 27, Kamerstukken 17 943, nr. 3, blz. 10).

Omdat de omstandigheden in het gebroken boekjaar bepalend zijn voor toekenning van zelfstandigenaftrek en startersaftrek, wordt bij de vraag tot welk moment een ondernemer met een gebroken boekjaar als beginnende ondernemer wordt aangemerkt, gelet op het aantal gebroken boekjaren waarover zelfstandigenaftrek is toegepast.

Voorbeeld 1: Een ondernemer is op 1 juli 1991 een onderneming begonnen. Het boekjaar loopt van 1 mei tot en met 30 april. Over de boekjaren 1991/1992 tot en met 1998/1999 heeft hij zelfstandigenaftrek genoten. Door de 7-jaars-termijn is hij vanaf 1 mei 1999 geen beginnende ondernemer meer in de zin van de Agaathregeling. Geldleningen die op of na 1 mei 1999 zijn aangegaan kwalificeren niet voor de Agaathfaciliteiten.

Voorbeeld 2: Een ondernemer is op 1 augustus 1990 met zijn vader een maatschap aangegaan. Het boekjaar loopt van 1 oktober tot en met 30 september. Over het boekjaar 1989/1990 heeft hij - door het urencriterium - geen zelfstandigenaftrek genoten. Over de boekjaren 1990/1991 tot en met 1998/1999 heeft hij wel zelfstandigenaftrek genoten. Op 1 januari 2000 neemt hij de onderneming van zijn vader over. Dat is na de 7-jaars-termijn, maar binnen de 14-jaars-termijn. Een geldlening die vóór 1 oktober 2000 is aangegaan, kwalificeert als een Agaathlening, indien ook overigens aan de voorwaarden wordt voldaan. Geldleningen op of na 1 oktober 2000 kwalificeren niet.

Voorbeeld 3: Een ondernemer is op 1 april 1988 met zijn vader een maatschap aangegaan. Het boekjaar loopt van 1 april tot en met 31 maart. Over de boekjaren 1988/1989 tot en met 1997/1998 heeft hij zelfstandigenaftrek genoten. Op 1 januari 1999 neemt hij de onderneming van zijn vader over. Dat is na de 7-jaars-termijn, maar binnen de 14-jaars-termijn. In overeenstemming met het besluit van 16-06-98, DB98/1982, V-N 1998/33.9, blz. 2776, kwalificeert een geldlening die vóór 1 juli 1999 is aangegaan als een Agaathlening, indien ook overigens aan de voorwaarden wordt voldaan. Geldleningen op of na 1 juli 1999 kwalificeren niet.

Vraag 2 Duur van de beschikking

De inspecteur heeft een beschikking beginnende ondernemer afgegeven voor het kalenderjaar 1998. Door omstandigheden sluit de ondernemer pas in 1999 een lening. De overige omstandigheden zijn ongewijzigd gebleven. Blijft de verkregen beschikking zijn geldigheid behouden voor de later afgesloten lening?

Antwoord 2

Nee. Een beschikking beginnende ondernemer wordt afgegeven voor een in die beschikking vermeld kalenderjaar c.q. (gebroken) boekjaar. Deze heeft geen betekenis voor een ander jaar. Wel kan een nieuwe beschikking worden aangevraagd voor het jaar waarin de Agaathlening uiteindelijk is verstrekt.

Beschikking beginnende ondernemer/rechtspersoon

(artikel 42b, vierde lid, onderdeel b, van de Wet, juncto artikel 8c van de Uitvoeringsregeling)

Vraag 3 Fiscale eenheid

Een houdstermaatschappij vormt samen met een werkmaatschappij een fiscale eenheid. De houdstermaatschappij heeft verder geen activiteiten. Deze koopt een pand om aan de werkmaatschappij te verhuren. De houdstermaatschappij wil de aankoop financieren met een indirecte Agaathlening. Zij verzoekt om een beschikking beginnende ondernemer/rechtspersoon. Kan daarbij rekening worden gehouden met de activiteiten van de werkmaatschappij?

Antwoord 3

Nee. De voorwaarden gelden voor de rechtspersoon aan wie de lening wordt verstrekt. Deze rechtspersoon moet aan alle voorwaarden voldoen. Bij een houdstermaatschap die overigens geen activiteiten heeft, zijn vooral onderdeel b (bestaan en omvang van de ondernemingsactiviteiten) en onderdeel f (geen beleggingsactiviteiten) van artikel 8c van de Uitvoeringsregeling van belang. Het bestaan van een fiscale eenheid speelt hierbij geen rol.

Beschikking vervanging van bestaande lening bij de directe Agaathregeling (artikel 82, onderdeel b, van de Wet) en bij de indirecte Agaathregeling (artikel 42b, vierde lid, onderdelen a en b, van de Wet, juncto artikel 8b, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling)

Vraag 4 Wanneer een artikel-82-beschikking?

Moet in alle gevallen een artikel-82-beschikking worden aangevraagd?

Antwoord 4

Nee. Niet in het geval de beginnende ondernemer pas na 1 januari 1996 voor zijn rekening een onderneming is gaan drijven. In alle andere gevallen is een artikel-82-beschikking een voorwaarde om in aanmerking te komen voor de Agaathfaciliteiten.

Vraag 5 Afwijzende artikel-82-beschikking

Op grond van artikel 82, onderdeel b, van de Wet kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking verklaren dat de beginnende ondernemer heeft doen blijken dat de geldlening niet kan worden beschouwd als vervanging van een voor 1 januari 1996 verstrekte geldlening. Kan de inspecteur in voorkomende gevallen een afwijzende artikel-82-beschikking afgeven?

Antwoord 5

Ja. Uit artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht blijkt dat onder beschikking tevens de afwijzing van een aanvraag van een beschikking wordt verstaan. Tegen deze afwijzing bestaat het recht van bezwaar en vervolgens beroep.

Vraag 6 Betekenis van de artikel-82-beschikking

Wordt met het afgeven van een artikel-82-beschikking impliciet aangegeven dat sprake is van een beginnende ondernemer?

Antwoord 6

Nee. Hoewel artikel 82 van de Wet uitgaat van een beginnende ondernemer, heeft deze beschikking uitsluitend betekenis voor de vraag of sprake is van vervanging van een bestaande lening. De status van beginnende ondernemer wordt bepaald door een beschikking op grond van artikel 45, tiende lid, van de Wet, juncto artikel 8e, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling voor natuurlijke personen, of op grond van artikel 42b, vierde lid, onderdeel b, van de Wet, juncto artikel 8c van de Uitvoeringsregeling voor rechtspersonen.

Vraag 7 Beschikking per Agaathlening

Een Agaathfonds kan niet meer dan 500.000 per beginnende onderneming verstrekken. Deze maximale vermogensverstrekking geldt voor ieder Agaathfonds afzonderlijk. Een beginnende ondernemer kan bij verschillende Agaathfondsen 500.000 lenen. Moet voor iedere Agaathlening afzonderlijk een beschikking in de zin van artikel 8b, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling worden gevraagd?

Antwoord 7

Ja. Hoewel de verschillende Agaathleningen met elkaar kunnen samenhangen, moeten zij ieder voor zich voldoen aan de Agaathvoorwaarden.

Vraag 8 Vervanging bij overname onderneming

Na de overname van een onderneming (bijvoorbeeld met toepassing van artikel 15 of artikel 17 van de Wet) wil de beginnende ondernemer een tot het overgenomen ondernemingsvermogen behorende lening vervangen door een Agaathlening. Is sprake van vervanging in de zin van artikel 82 van de Wet?

Antwoord 8

Ja, in beginsel wel, omdat bij overname van een onderneming zowel de activa als de passiva overgaan. Het moet dan wel gaan om een geldlening die al voor 1 januari 1996 bestond. In het geval niet een gehele onderneming wordt overgenomen, maar slechts een enkel bedrijfsmiddel speelt de financieringsschuld van de overdragende ondernemer geen rol.

Vraag 9 Vervanging van een na 1 januari 1996 afgesloten geldlening

Een na 1 januari 1996 afgesloten geldlening die niet aan alle voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld niet tijdig geregistreerd, wordt vervangen door een nieuwe geldlening die wel voldoet. Kan deze vervangende geldlening in aanmerking komen voor de Agaathfaciliteiten?

Antwoord 9

Ja, in beginsel wel. Daarbij is wel van belang in het jaar van vervanging te toetsen of voldaan wordt aan de overige voorwaarden, zoals het beginnende ondernemerschap en de financiering van verplicht ondernemingsvermogen. De oorspronkelijke investering moet nog wel voldoende waarde bezitten op het moment van vervanging. Een aanwijzing daarvoor is de boekwaarde op de fiscale balans.

Registratie van de leningsovereenkomst

(artikel 45, negende lid, van de Wet, juncto artikel 8e, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling)

Vraag 10 Verplichte registratie

Is registratie voor de overeenkomst in alle gevallen verplicht om in aanmerking te kunnen komen voor de Agaathfaciliteiten?

Antwoord 10

Nee. Niet voor de indirecte Agaathlening. Wel voor de directe Agaathlening.

Achterstelling van de Agaathlening

(artikel 45, negende lid, van de Wet, juncto artikel 8e, tweede lid, onderdeel b, ten eerste, van de Uitvoeringsregeling)

Vraag 11 Kortlopende Agaathlening

In de overeenkomst is afgesproken dat de lening na 5 jaar zal worden afgelost, dus binnen acht jaren. Hierdoor wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat de lening ten minste gedurende 8 jaar is achtergesteld.

Antwoord 11

Gelet op de bedoeling van de Agaathregeling hoeft de lening niet langer dan voor de onderneming nodig is, te worden aangehouden. Alsdan kan de lening eerder worden afgelost.

Verplicht ondernemingsvermogen

(artikel 45, eerste lid, onderdeel i, van de Wet, juncto artikel 8e, tweede lid, onderdeel b, ten tweede, van de Uitvoeringsregeling)

Vraag 12 Economische eigendom

Een geldlening kwalificeert pas als Agaathlening indien deze wordt aangewend ter financiering van verplicht ondernemingsvermogen. Behoort een Agaathfinanciering tot de mogelijkheden indien slechts de economische eigendom tot het (verplicht) ondernemingsvermogen behoort?

Antwoord 12

Ja.

Vraag 13 Overdracht aan een besloten vennootschap

Een directe Agaathlening wordt aan een beginnende ondernemer/natuurlijk persoon verstrekt. Nadien wordt de onderneming ingebracht in een besloten vennootschap. Welke betekenis heeft dit voor de Agaathrentevrijstelling, de Agaathverliesverrekening en de Agaathvrijstelling in de vermogensbelasting?

Antwoord 13

Een directe Agaathlening dient te worden aangewend ter financiering van bestanddelen die behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen van de beginnende ondernemer/natuurlijk persoon. Dit betreft een doorlopende toets. Vanaf het moment dat de onderneming voor rekening en risico van de besloten vennootschap wordt gedreven, wordt niet meer voldaan aan deze voorwaarde en is de rentevrijstelling en de Agaathvrijstelling in de vermogensbelasting niet langer van toepassing. Voor de Agaathverliesverrekening geldt deze doorlopende toets niet. De mogelijkheid van verliesneming blijft in stand in het geval de geldverstrekker aan de overname geen medewerking heeft verleend en de oorspronkelijke schuldenaar in privé aansprakelijk blijft voor de vordering.

De wetgever heeft de directe Agaathlening bewust beperkt tot leningen die uitsluitend aan beginnende ondernemers/natuurlijke personen zijn verstrekt. De besloten vennootschap heeft wel de mogelijkheid zelf bij een Agaathfonds een indirecte Agaathlening af te sluiten, indien ook overigens wordt voldaan aan alle voorwaarden.

Agaathvrijstelling voor de vermogensbelasting

(artikel 7, tweede lid, onderdeel d, van de Wet op de vermogensbelasting 1964)

Vraag 14 Vermogensbelastingvrijstelling voor indirecte Agaathlening

Geldt de ondernemingsvrijstelling in de vermogensbelasting voor alle Agaathleningen?

Antwoord 14

Nee, zoals uit de wettekst volgt, geldt de ondernemingsvrijstelling in de vermogensbelasting uitsluitend voor de directe Agaathlening; niet voor de indirecte Agaathlening.

Deel: ' Ministerie Financien vragen en antwoorden Agaathregeling '




Lees ook