Ministerie van Financien

Titel: Evaluatie eerste jaar EMU

DIRECTIE BUITENLANDSE FINANCIËLE BETREKKINGEN

Aan:

De Voorzitter van de Vaste Commissie

voor Financiën van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR s-Gravenhage

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/00-152m

10 februari 2000

Onderwerp

Evaluatie eerste jaar EMU

Zoals toegezegd tijdens mijn overleg van 4 november 1999 met de Vaste Commissie voor Financiën, ontvangt u hierbij namens het Kabinet een evaluatie van het eerste jaar van de EMU.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,
I. INLEIDING EN SAMENVATTING

De datum 1 januari 1999 markeert een belangrijk moment in de geschiedenis van de Europese integratie. Op deze datum ging de derde fase van de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) van start en werden de wisselkoersen van elf deelnemende lidstaten onherroepelijk aan elkaar vastgeklonken. De EMU vormt de kroon op de Europese interne markt, waarmee een essentiële handelsbarrière, het wisselkoersrisico, is weggenomen. De Europese muntunie omvat de unieke combinatie van een centraal monetair beleid met een decentraal, doch Europees gecoördineerd, economisch beleid, waarbij de mate van coördinatie uiteenloopt per beleidsterrein.

Deze nota gaat in op het verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Financiën van 4 november 1999 om een evaluatie te wijden aan het eerste jaar van de muntunie. De nota biedt de gelegenheid de verschillende aspecten van de muntunie in hun onderlinge samenhang te bezien. In paragraaf II worden de voornaamste ervaringen met een jaar EMU weergegeven. Besproken zullen worden de conjuncturele ontwikkeling in het eurogebied, economische convergentie en divergentie, de uitvoering van het Stabiliteits-en Groeipact, verschillende aspecten van de euro en enkele institutionele aspecten van de EMU. Paragraaf III blikt vervolgens vooruit naar enkele (financiële) onderwerpen voor de komende periode. Het betreft belastingconcurrentie, ontwikkelingen in het financiële toezicht en de uitbreiding van de EU en de EMU.

Samenvattend kan worden gesteld dat het eerste jaar van de EMU succesvol is verlopen. Hoewel alle verwachte voordelen van de muntunie1 uiteraard in één jaar nog niet tot volle wasdom hebben kunnen komen, is wel duidelijk dat de twijfel die bij sommigen voor de start van de derde fase bestond over het welslagen van het EMU-project niet terecht is gebleken. De conversie van 11 munten naar een gemeenschappelijke munt, een alleen al uit technisch oogpunt ingewikkelde operatie, heeft op 1 januari 1999 zonder noemenswaardige problemen plaatsgevonden. Het eurogebied heeft ondanks de Azië-crisis economische veerkracht getoond: begin 1999 was er slechts sprake van een tijdelijke en beperkte vertraging in de economische groei. De verdienste van de EMU heeft zich hiermee al bewezen2. Wel is het zaak het goede klimaat te benutten voor het doorvoeren van structurele hervormingen, om ook op de langere termijn gunstige economische prestaties te verzekeren.

Wat betreft de monetaire strategie en het gevoerde beleid van het Eurosysteem (het Europees Stelsel van Centrale Banken) zij hier opgemerkt dat het systeem zijn hoofddoelstelling, de handhaving van prijsstabiliteit, in 1999 heeft gerealiseerd. Daarbij zijn de monetaire operaties en de instelling van een pan-Europees betalingssysteem (TARGET) vrijwel probleemloos verlopen. Aangezien het Verdrag de verantwoordelijkheid voor het monetaire beleid toekent aan het Eurosysteem en gelet op het feit dat de president van de Nederlandsche Bank rechtstreeks door beide Kamers der Staten-Generaal kan worden gehoord over de monetaire strategie en het gevoerde beleid van het Eurosysteem, blijft dit onderwerp in deze nota verder buiten beschouwing.

De verschillen in economische groei en inflatie tussen de lidstaten zijn beperkt gebleven. In vergelijking tot de start van de derde fase deprecieerde de euro in de loop van 1999 met zon 14% ten opzichte van de dollar, maar deze ontwikkeling lijkt met name te kunnen worden toegeschreven aan de onverwacht krachtige groei in de Verenigde Staten. Met betrekking tot de chartale introductie van de euro kan gemeld worden dat de voorbereidende werkzaamheden op schema liggen. Tot slot hebben de lidstaten, ondanks de groeivertraging, verdere voortgang geboekt met de budgettaire consolidatie. Hoewel een aantal lidstaten de komende jaren actieve maatregelen zal moeten nemen om te kunnen (blijven) voldoen aan de belangrijkste eis van het Stabiliteits-en Groeipact, te weten het duurzaam op orde brengen en houden van de overheidsfinanciën, is de destijds geuite vrees dat na toetreding tot de muntunie de prikkel tot verdere budgettaire consolidatie zou afnemen, niet uitgekomen.

Ook anderszins zijn er gunstige ontwikkelingen te constateren. De werkloosheid is voor het eerst sinds begin jaren negentig onder de 10% uitgekomen. Wel is het niveau nog steeds te hoog en het tempo van de daling te laag. In toenemende mate breekt echter het besef door dat hier structurele oorzaken aan ten grondslag liggen en worden er concrete beleidsmaatregelen genomen. In dit kader is het initiatief van het Portugese Voorzitterschap om in maart 2000 een speciale Europese top te beleggen met als thema Werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale samenhang, naar een Europa van innovatie en kennis te verwelkomen.

Het welslagen van de EMU is afhankelijk van het functioneren van het grotendeels voorafgaand aan de start van de derde fase opgezette coördinatie-raamwerk voor economisch en monetair beleid. Inmiddels heeft een eerste evaluatie van het functioneren van het coördinatie-raamwerk plaatsgevonden. De Europese Raad van Helsinki heeft de conclusies van de evaluatie onderschreven. De algemene conclusie luidde dat het raamwerk adequaat is, maar op een aantal punten verbeterd kan worden. Zo dient meer aandacht te worden besteed aan het bereiken van een gemeenschappelijke visie over economische ontwikkelingen en beleidsuitdagingen, de interactie en samenhang tussen de verschillende procedures te worden verbeterd en een adequate monitoring en follow-up plaats te vinden. Tevens moet de samenhang tussen de verschillende samenstellingen van de Raad beter worden gewaarborgd, waarbij de rol van de Ecofin Raad in de coördinatie van het economisch beleid moet worden versterkt. Belangrijkste uitdaging voor de komende tijd is om deze conclusies om te zetten in concreet beleid.

Door de nog steeds toenemende interdependentie van de Europese economieën zal continu, op basis van verkregen inzichten, moeten worden bekeken of, hoe, en op welke terreinen de overheden verdergaand hun beleid moeten coördineren, teneinde de EMU tot volle ontplooiing te brengen. Hierbij dient bedacht te worden dat beleidscoördinatie niet de enige manier vormt om dit te realiseren. De dynamiek van de EMU zorgt ook voor een natuurlijk proces van convergentie. Via de concurrentie op markten en in zekere zin ook tussen overheden kunnen beleid en praktijken die de beste resultaten (best practices) opleveren worden geïdentificeerd en worden overgenomen door anderen. (Beleids)concurrentie en coördinatie vullen elkaar dus aan.

In de (nabije) toekomst zal de jonge muntunie bezig zijn met een aantal concrete beleidsonderwerpen. Zo is het nodig overeenstemming te bereiken over het Europese belastingpakket en de energiebelasting en zal 1 januari 2002 de chartale introductie van de euro plaatsvinden. Een onderwerp dat de komende tijd zeker in de belangstelling zal staan betreft het toezicht op de financiële sector. Tot slot, en dit vormt wellicht de grootste uitdaging op middellange termijn, zullen de lidstaten zich moeten voorbereiden op de mogelijke uitbreiding van de E(M)U.

II. ERVARINGEN MET EEN JAAR EMU


1. Conjuncturele ontwikkeling eurogebied

Gedurende 1999 hebben de economische vooruitzichten voor het eurogebied zich aanzienlijk verbeterd. Begin 1999 werd alom een substantiële groeivertraging verwacht door de internationale financiële crisis in Azië. Besproken werd, onder meer in de Euro-11, tot welke beleidsrespons dit zou moeten leiden. De conjuncturele gevolgen voor Europa bleken echter beperkt en van korte duur te zijn. De groeivertraging die in 1999 optrad ten opzichte van 1998, bleef dan ook relatief gering. Goede Europese onderliggende factoren zoals lage begrotingstekorten, stabiele prijzen en een lage reële rente hebben via hun effect op het vertrouwen bijgedragen aan het op peil blijven van de binnenlandse vraag. Naar verwachting zal in 2000 en 2001 de economische groei versnellen naar zon 3%. Ondanks de ten opzichte van hun programmas opgetreden lagere groei in 1999, hebben de lidstaten toch voortgang geboekt in het budgettaire consolidatieproces. De eerste gegevens duiden erop dat de uitkomsten over 1999 gunstiger zijn dan in de laatste prognoses van de Europese Commissie.

Tabel 1: Economische kerncijfers eurogebied

1998 (realisatie)

1999 (raming_

2000 (prognose)

Groei BBP-volume

%

2,7

2,1

2,9

Werkgelegenheidsgroei

%

1,3

1,2

1,1

Exportgroei

%

6,4

2,8

6,5

Importgroei

%

9,2

5,1

6,7

Inflatie (HICP)

%

1,1

1,2

1,5

Lange rente (10-jaars)

%

4,7

4,7

nb

EMU-tekort

% BBP


-2,0


-1,64


-1,23

EMU-schuld

% BBP

73,5

73,1

71,5

Bron: Autumn Forecasts van oktober 1999 (Europese Commissie)

De werkgelegenheid vertoonde een robuuste groei van ruim één procent, ondanks de conjuncturele groeivertraging die begin 1999 optrad. De werkloosheid in het eurogebied vertoont sinds de piek in 1996 een dalende tendens, en kwam in oktober sinds lange tijd weer uit onder de 10%. Deze gegevens voor het eurogebied als geheel maskeren echter grote verschillen tussen individuele lidstaten. Zo is meer dan 10% van de beroepsbevolking in Frankrijk, Italië, Finland en Spanje werkloos; in Luxemburg, Oostenrijk en Nederland betreft het nog niet eens de helft van dit percentage. De verwachte groei van de werkgelegenheid in 1999 liep uiteen van 0,2% in Duitsland tot meer dan vier procent in Ierland en Luxemburg. De richting waarin deze grootheden zich ontwikkelen is dus zeker positief te noemen, maar dit laat onverlet dat het niveau van de arbeidsparticipatie te wensen overlaat. In het eurogebied was in 1999 slechts 65,5% van de beroepsbevolking werkzaam; in de Verenigde Staten en Japan (beide rond de 78%) is dit aanzienlijk hoger. Bovendien is het tempo van de werkgelegenheidsgroei in het eurogebied voorlopig te laag om de inactiviteit substantieel te verlagen.

Grafiek 1: Ontwikkeling werkloosheid in het eurogebied

1994-2000 (% beroepsbevolking; 2000 is raming)

Bron: Eurostat en Autumn Forecasts 1999 (Europese Commissie)


2. Economische convergentie en divergentie

Het feit dat de elf afzonderlijke lidstaten nu behoren tot een muntunie betekent uiteraard niet dat deze lidstaten plotseling dezelfde economische prestaties gaan vertonen. In 1999 is gesproken over de mogelijke gevolgen van het uiteenlopen van de economische ontwikkeling in het eurogebied. Tabel 1 in de annex laat zien dat er inderdaad verschillen zijn tussen de groeicijfers in de lidstaten van het eurogebied: geconstateerd kan worden dat de groei in met name Duitsland en Italië in 1999 en 2000 achterblijft bij de groei in de andere lidstaten. Ook in termen van inflatie (uitgedrukt in de geharmoniseerde index voor consumentenprijzen, HICP) bestaan er verschillen tussen de lidstaten. In Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk is de inflatie relatief laag, terwijl deze in Spanje, Ierland, Nederland en Portugal ruim boven het gemiddelde ligt. Hoe moeten deze economische verschillen worden beoordeeld?

Uit een analyse4 van de verschillen in groei en inflatie tussen de lidstaten blijkt, dat er goede economische redenen zijn voor deze verschillen en dat deze in sommige opzichten zelfs wenselijk zijn. Ten eerste is van belang dat de deelnemers aan het eurogebied zich in verschillende fasen van de conjunctuurcyclus bevonden toen de muntunie van start ging. Dit werd onder andere veroorzaakt door verschillen in de vraag-en aanbodstructuren van de economieën van de lidstaten. Zo zijn de Duitse en Italiaanse economieën relatief zwaar getroffen door de crises in Azië en Rusland. Verder heeft de deelname aan de muntunie op zichzelf voor een (tijdelijke) positieve impuls gezorgd in de lidstaten die enkele jaren geleden nog een relatief hoge rente kenden (Ierland, Spanje, Portugal; Italië is de enig lidstaat die ondanks deze impuls een lage economische groei kende).

Ten tweede zijn er nog steeds grote verschillen in ontwikkelingsniveau tussen de lidstaten. Het inkomen per hoofd van de bevolking in Portugal ligt bijvoorbeeld zon 30% onder het gemiddelde van de EU, terwijl het inkomen in Luxemburg zon 60% erboven ligt. Het gemiddelde niveau van de prijzen loopt ook sterk uiteen, van 32% onder het EU-gemiddelde in Portugal tot 16% erboven in Duitsland. Dit verschil neemt echter af: de lidstaten met een achterstand maken, mede door de mogelijkheden die de marktintegratie hen biedt, een sterke inhaalbeweging. Hierbij nemen hun productiviteit en levensstandaard sneller toe dan in de andere lidstaten (catching-up), zie box 1. Zo hebben Portugal, Ierland en Spanje al jaren de hoogste groeicijfers van het eurogebied. Als gevolg van deze ontwikkeling kennen de inhalende lidstaten een hogere groei en inflatie dan de andere lidstaten. Volgens berekeningen van de ECB kunnen de huidige verschillen in HICP-inflatie tussen de lidstaten voor bijna 80% verklaard worden op grond van de conjunctuur en inhaaleffecten. Tenslotte bestaan er verschillen in economische groei en inflatie omdat er verschillen zijn in de mate waarin lidstaten structurele hervormingen hebben doorgevoerd. Zolang er van aanzienlijke verschillen in prijsniveaus sprake is, zullen er in de overgangsfase naar meer gelijke niveaus verschillen in inflatie optreden. Op zichzelf bezien zullen zekere verschillen in prijsniveaus tussen lidstaten altijd blijven bestaan vanwege transport-en informatiekosten, lokale omstandigheden, belastingverschillen en verschillen in preferenties en verschillen in de productiviteit.

Box 1: Balassa Samuelson en de EMU

Inflatieverschillen in het eurogebied kunnen voor een deel verklaard worden door de theorie van Balassa en Samuelson5. Een relatief laag bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking is veelal de uitdrukking van een relatief laag productiviteitsniveau. Toenemende integratie zal tot een spill-over van technologische ontwikkeling leiden. Deze kennisoverdracht heeft een productiviteitsstijging tot gevolg. De stijging van de productiviteit is echter niet evenredig verdeeld over verschillende sectoren in de economie. De sterkste stijging vindt plaats in de verhandelbare goederen sector (b.v. de industrie). Deze sector kent een hoge productiviteitsgroei omdat internationale concurrentie een prikkel is voor innovatie en omdat de kennisoverdracht hier eerder plaatsvindt. In de sector niet-verhandelbare goederen, die voornamelijk uit delen van de arbeidsintensieve tertiaire en quartaire sector bestaat, vindt een productiviteitsstijging minder snel plaats.

Wanneer de productiviteit in de sector verhandelbare goederen stijgt kunnen de lonen in deze sector navenant stijgen. In dit geval blijven de loonkosten per eenheid product constant en kunnen de prijzen van de internationaal verhandelbare goederen onveranderd blijven. De loonstijging in de sector verhandelbare goederen kan eveneens tot een loonstijging in de sector niet-verhandelbare goederen leiden (o.a. door arbeidsmobiliteit). Gezien de lagere productiviteitsstijging in deze laatste sector zal de loonstijging leiden tot prijsverhogingen (een niet duurzaam alternatief is dat er op de winst wordt ingeteerd). Als gevolg van de extra prijsstijging in deze sector zal ook de gemiddelde inflatie stijgen ten opzichte van landen met een hoger ontwikkelingsniveau.

Ervaringen met reeds lang bestaande monetaire unies lijken erop te wijzen dat de inflatiecijfers tussen regios voor langere tijd van elkaar kunnen afwijken. Grote afwijkingen zijn over het algemeen echter van korte duur. Zo bleef het verschil tussen de hoogste en laagste inflatie gemeten in 17 Amerikaanse steden gedurende de afgelopen 50 jaar beperkt tot zon 2 à 3%, afgezien van een korte periode in de jaren 80 toen dit verschil opliep tot 7%. In het eurogebied bedroeg het maximale verschil tussen twee lidstaten 1,6% in 1998. Voor 1999 en 2000 verwacht de Europese Commissie een verschil van 1,9% respectievelijk 1,4%.

Al met al zijn de verschillen in economische groei en inflatie zoals deze zich thans manifesteren binnen het eurogebied niet bijzonder groot of uitzonderlijk. Deze zijn te beschouwen als een normale uiting van verschillen in economische dynamiek. Om op langere termijn een convergentie in het niveau van economische ontwikkeling te bereiken, is het onvermijdbaar en zelfs wenselijk dat zich groeiverschillen voordoen. Dit neemt niet weg dat de ontwikkeling in inflatie nauwlettend gevolgd moet worden, waarbij vooral de aard en duur van de inflatieverschillen en de gevolgen voor de concurrentiepositie bezien moeten worden. De onlangs opgestarte macro-economische dialoog tussen sociale partners, de ECB, de Europese Commissie en de Europese Raad van ministers kan hierbij een nuttige rol spelen.


3. Uitvoering Stabiliteits- en Groeipact6

De belangrijkste instrumenten ter bevordering van de budgettaire consolidatie in Europa zijn (met name in de aanloop naar de derde fase van de EMU) de convergentiecriteria uit het Verdrag van Maastricht en (sinds de start van de muntunie) het Stabiliteits- en Groeipact. Daar waar in de periode 1991-1995 het gemiddelde tekort voor het eurogebied nog 4,9% BBP bedroeg, is dit volgens de ramingen van de Europese Commissie van vorig jaar oktober gedaald naar 1,6% BBP in 19997. Doel van het Stabiliteits- en Groeipact is om verder te gaan op dit pad en op middellange termijn een begrotingspositie te bereiken die nabij evenwicht is of een overschot vertoont. Dit is wenselijk om te voorkomen dat het budgettaire beleid de doelstelling van prijsstabiliteit van het monetaire beleid ondermijnt. Bovendien wordt ruimte gecreëerd om via de werking van de automatische stabilisatoren normale conjuncturele schommelingen op te kunnen vangen zonder dat de tekortlimiet van 3% BBP wordt overschreden. Tenslotte is een begrotingspositie van nabij evenwicht of in overschot wenselijk om rekening te kunnen houden met andere factoren van onzekerheid en variabiliteit in de begrotingen, de noodzaak van een snelle afbouw van hoge schuldquotes en de toekomstige (oplopende) kosten van de vergrijzing.

In het kader van de uitvoering van het Stabiliteits- en Groeipact zijn de lidstaten verplicht om stabiliteitsprogrammas (de deelnemers aan de muntunie) en convergentieprogrammas (de overige lidstaten) in te dienen8. Uit de programmas en de uitvoering daarvan blijkt dat ook in de derde fase van de EMU zowel de tekort- als de schuldontwikkeling een gestage daling blijft vertonen en dat de meeste lidstaten de in hun programmas opgenomen doelstellingen voor 1999 hebben weten te realiseren of zelfs beter presteren dan gedacht (zie de tabellen 2 en 3 in de annex). Op dit moment hebben naar het zich laat aanzien vier lidstaten van het eurogebied, te weten Finland, Ierland, Luxemburg en Nederland een begrotingsoverschot. Van de overige lidstaten kennen Denemarken, het VK en Zweden een overschot. Het begrotingstekort voor het eurogebied als geheel komt in 1999 naar verwachting van de Europese Commissie in oktober vorig jaar uit op 1,6% BBP, hetgeen lager is dan de 1,8% BBP die op grond van de doelstellingen van de programmas nog verwacht werd. De meeste lidstaten zullen tevens hun doelstellingen inzake de overheidsschuldquote voor 1999 realiseren, al zal als gevolg van een enigszins tegenvallende groei9 in met name lidstaten met een hoge overheidsschuldquote (Italië en België), de overheidsschuldquote van het eurogebied als geheel iets hoger uitkomen dan op grond van de doelstellingen van de programmas verwacht werd.

De vrees dat na toetreding tot de muntunie de prikkel tot verdere budgettaire consolidatie zou verminderen is dus niet bewaarheid, hoewel blijvende oplettendheid is geboden. Deze vrees bestond met name met betrekking tot Italië. Die vrees werd weer gevoed, toen Italië tijdens de bespreking van de globale richtsnoeren voor het economische beleid in de Ecofin Raad van 25 mei 1999 aangaf dat de groeivertraging in Italië10 ertoe zou kunnen leiden dat het tekort in 1999 boven de oorspronkelijke tekortdoelstelling van 2,0% BBP zou uitkomen (tussen de 2,0% BBP en 2,4% BBP). De Ecofin Raad riep Italië op de afwijking van de 2,0% BBP zo beperkt mogelijk te houden, waarbij het tekort in 1999 in ieder geval onder de 2,4% moest blijven. De Ecofin Raad herhaalde verder dat Italië aan de middellange-termijndoelstelling voor het tekort van 1% BBP in 2001 moest blijven voldoen, en dat dit eventueel extra corrigerende maatregelen zou vereisen. Zoals uit tabel 2 (annex) blijkt, blijft de ontwikkeling van de Italiaanse overheidsfinanciën binnen de door de Ecofin Raad aanbevolen grenzen. Het tekort over 1999 komt op circa 2,2% BBP (Autumn Forecasts 1999, Europese Commissie) en volgens recente informatie zelfs beneden de 2% BBP.

Meer in het algemeen kan gesteld worden dat ondanks de groeivertraging die gedurende 1999 optrad de lidstaten een verdere voortgang hebben geboekt op het gebied van de budgettaire consolidatie. Ten eerste vormt dit een indicatie van de politieke committering aan de uitvoering van het Stabiliteits- en Groeipact. Ten tweede geeft dit aan dat de lidstaten min of meer realistische of zelfs behoedzame uitgangspunten hebben gevolgd bij de opstelling van hun programmas. Wellicht dat Nederland op dit vlak een beetje school heeft gemaakt.

Begin 1999 achtte de Ecofin Raad de doelstellingen voor de middellange-termijn in de programmas over het algemeen voldoende ambitieus. De Raad riep de meeste lidstaten echter op om ambitieuzere doelstellingen te stellen om ook rekening te kunnen houden met onder andere de noodzaak van een snelle afbouw van hoge schuldquotes en de toekomstige (oplopende) kosten van de vergrijzing, zie box 2.

Box 2: Toekomstige kosten van de vergrijzing in de EU11 Brief van de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer over "Pensioenen en EMU" van 20 juli 1999.

11

De komende decennia zal de bevolking van de EU in aanzienlijke mate vergrijzen: het aantal mensen ouder dan 65 jaar als percentage van de totale beroepsbevolking zal tussen nu en 2030 nagenoeg verdubbelen, tot zon 40%. Hoewel alle lidstaten geconfronteerd zullen worden met een sterke toename van het aantal 65-plussers, verschillen de financiële gevolgen per lidstaat. Dit kan worden toegeschreven aan onder andere verschillen in: (i) de schaal en het moment waarop de vergrijzing optreedt (Ierland heeft op het moment een zeer jonge bevolking in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland en Italië), (ii) de wijze waarop de pensioenen worden gefinancierd (Nederland, Denemarken en het VK kennen voor aanvullende pensioenen een kapitaaldekkingsstelsel, terwijl de overige lidstaten een omslagstelsel hebben), (iii) de ruimhartigheid van de pensioenregelingen (hier spant Italië de kroon qua uitkeringsniveau en ingangsleeftijd).

Indicatieve berekeningen van de OESO geven aan dat Duitsland, Italië en Finland in 2030 geconfronteerd worden met de hoogste publieke pensioenlasten, gemeten als percentage van het BBP (zie tabel 4 in annex). Deze drukken op de overheidsbegroting. In Nederland zullen de kosten bijna verdubbelen, al behoren ze in Europees perspectief qua omvang tot één van de laagste. Sterk oplopende pensioenlasten kunnen de lastendruk en Europese rente onder druk zetten, hetgeen de groei en de werkgelegenheid negatief zal beïnvloeden. Om de kosten van de vergrijzing op te kunnen vangen, is het van groot belang dat tijdig maatregelen worden genomen, zoals het verder verhogen van de arbeidsparticipatie, het sparen voor toekomstige pensioenuitgaven (meer kapitaaldekking) en het nader bezien van de doelmatigheid van de diverse nationale pensioenstelsels.

In de Autumn Forecasts 1999 verwacht de Europese Commissie voor 2000 een verdere verbetering van de begrotingsposities van de meeste lidstaten. Wederom zullen de meeste lidstaten hun doelstellingen realiseren. Het tekort van het eurogebied als geheel zal afnemen van 1,6% BBP in 1999 naar 1,2% BBP in 2000. De schuldquoteposities zullen verder verbeteren, al houdt meer dan de helft van de lidstaten van het eurogebied vooralsnog een schuldquote boven de referentiewaarde van 60% BBP. Wel dient hierbij bedacht te worden dat de daling van de tekort- en schuldquoten in 2000 met name het gevolg is van de aantrekkende economische groei en de afnemende rentebetalingen en niet of nauwelijks van actieve maatregelen ten behoeve van de budgettaire consolidatie. De lidstaten zullen ook in de nabije toekomst actieve maatregelen moeten nemen om te kunnen (blijven) voldoen aan de belangrijkste eis van het Stabiliteits-en Groeipact, te weten het duurzaam op orde brengen en houden van de overheidsfinanciën. Dit zal moeten blijken uit de geactualiseerde stabiliteits-en convergentieprogrammas die de lidstaten momenteel bij de Europese Commissie indienen en die in het begin van dit jaar in de Ecofin Raad zullen worden besproken12.


4. De euro

Omschakeling op de euro

De omschakeling op de euro binnen het bankwezen en de financiële sector begin 1999 is zeer succesvol verlopen. Deze complexe operatie heeft in een tijdsbestek van slechts 3½ dag na de vaststelling van de conversiekoersen van de euro (31 december 1998) plaatsgevonden. Er zijn geen incidenten gerapporteerd die een soepele start van het eurosysteem hebben kunnen schaden, hetgeen te beschouwen is als een indicatie van de kwaliteit van het voorbereidende werk dat is gedaan door het ESCB en particuliere financiële marktpartijen.

Waarde van de euro

De interne waarde van de euro, die het meest van belang is voor de koopkracht van burgers en bedrijven in het eurogebied, is (gemeten als geharmoniseerde consumentenprijsindex van het eurogebied, HICP) in 1999 zeer stabiel gebleven, ook in vergelijking met het recente verleden (zie grafiek 2). In 1999 voldeed de inflatie ruimschoots aan de definitie voor prijsstabiliteit die de ECB-Raad heeft geformuleerd, namelijk een toename van de HICP van beneden de 2%. Ook de vooruitzichten voor 2000 zijn in dit opzicht niet ongunstig.

Grafiek 2: (Verwachte) prijsontwikkeling private consumptie

in de eurogebied (HICP, in %)

Bron: ECB maandbericht december 1999;

1999 en 2000 Autumn Forecasts 1999 (Europese Commissie)

In tegenstelling tot de interne waarde van de euro, die doelstelling van het beleid is, is de externe waarde van de euro - de wisselkoers - in eerste instantie de uitkomst van het economische en monetaire beleid in brede zin mede in aanmerking nemende het beleid en de economische ontwikkeling van het valutagebied ten opzichte waarvan men de koers meet. Zoals grafiek 3 laat zien kende de koers van de euro ten opzichte van de dollar in 1999 een grillig verloop. Op 1 januari 1999 bedroeg de koers nog $ 1,175 per euro. Enigszins onverwacht deprecieerde de euro in de eerste helft van 1999 ten opzichte van de dollar. Deze ontwikkeling was vooral een weerspiegeling van de onverwacht aanhoudende krachtige economische groei in de Verenigde Staten. Onder invloed van verbeterde vooruitzichten voor het eurogebied trok de koers van de euro in de loop van het jaar weer aan. De euro kon deze koersstijging echter niet vasthouden, ondanks aanhoudende positieve berichten over de economische ontwikkeling in het eurogebied (zoals een dalende werkloosheid en een aantrekkend economisch herstel). Hiertegenover stond het, in de ogen van de financiële wereld, nog positievere nieuws met betrekking tot de Verenigde Staten. Dergelijke fluctuaties in de wisselkoers zijn vanuit historisch perspectief niet ongewoon, zoals grafiek 3 laat zien. Een ander voorbeeld hiervan is de koers van de dollar ten opzicht van de Duitse mark, die zich tussen 1987 en 1999 steeds binnen een bandbreedte van ±15% van de gemiddelde koers bewoog. In die periode voerden beide landen een op stabiliteit gericht macro-economisch beleid.

Grafiek 3: Verloop euro-koers januari 1997 tot en met december 1999

Bron: Telerate

Het bezit van een wereldvaluta verplicht tot terughoudendheid en eenduidigheid in publieke uitspraken over de koersontwikkeling van de euro. Er is in het eurogebied sprake van een groot aantal spelers (politici uit de lidstaten, leden van het ESCB, Commissie-vertegenwoordigers) van wie de uitspraken potentieel invloed kunnen hebben op het koersverloop. Voorkomen moet worden dat de financiële markten reageren op diverse, en mogelijk zelfs tegenstrijdige berichtgeving. De ministers spraken daarom tijdens de Euro-11 van 12 juli 1999 met de ECB en de Commissie af zo bondig mogelijk te zijn in uitlatingen over de wisselkoers, en deze binnen de Euro-11 goed voor te bereiden. De ECB zegde toe in eigen huis eveneens discipline te betrachten. Voor externe partijen zijn de president van de ECB en de voorzitter van de Ecofin Raad/Euro-11 het aanspreekpunt voor kwesties over de wisselkoers. Deze praktische communicatie-afspraken werden in de praktijk heel behoorlijk uitgevoerd. De Euro-11 bespreekt nu regulier de wisselkoerssituatie en, indien nodig, elementen voor een gemeenschappelijke woordvoering.

De euro op de geld- en kapitaalmarkten

Gedurende het afgelopen jaar is reeds duidelijk geworden dat de euro-geldmarkt zich tot een goed functionerende markt aan het ontwikkelen is. Dankzij de euro kan de Europese geldmarkt een omvang en liquiditeit bereiken die met de afzonderlijke nationale valuta ondenkbaar was geweest. Na een periode van gewenning in de eerste paar weken, waren de partijen op de euro-geldmarkt al snel goed in staat elkaar te vinden. De efficiëntie van de Europese geldmarkt blijkt bijvoorbeeld uit het verschil tussen bied- en laatprijzen (gemiddeld 1-2 basispunten), dat duidelijk kleiner is dan voor de start van de euro13. Ook het verschil tussen de officiële rentetarieven van de ECB en de rente in de interbancaire geldmarkt is afgenomen14. Tenslotte blijkt ook uit de toename van de gemiddelde transactie-omvang dat de Europese geldmarkt goed functioneert: zo verdrievoudigde voor grote banken de gemiddelde transactie-omvang tot 200 miljoen euro.

Wat betreft de positie van de euro op de kapitaalmarkt staan de bestaande gegevens slechts een zeer voorlopige beoordeling toe van het gebruik van de euro als beleggings- en financieringsvaluta. De beschikbare informatie lijkt te bevestigen dat de euro nu reeds een belangrijke rol speelt in internationale financiële markten als beleggings- en financieringsvaluta15 Zie ECB Maandbericht van augustus 1999, blz. 33-54.

15. Zo bedroeg het aandeel van de euro in nieuwe internationale schulduitgifte (o.a. geldmarktinstrumenten en obligaties) zon 36% (460 miljard euro) in de eerste twee kwartalen van 1999, vergeleken met een aandeel van 23% (240 miljard euro, nationale valuta omgerekend) gedurende dezelfde periode in 1998 (zie grafiek 4). De dollar en de Yen hadden in het tweede kwartaal van 1999 respectievelijk een aandeel van 45% en 5% in alle nieuwe internationale uitgiften van schuldbewijzen. In tegenstelling tot de hierboven beschreven stromen, verandert de uitstaande voorraad internationale schuldbewijzen in een rustiger tempo. Het aandeel van de euro in de voorraad uitstaande internationale schuldbewijzen bedroeg eind juni 1999 27%, hetgeen ongeveer twee procentpunten hoger ligt dan het aandeel van de voormalige nationale valuta van het eurogebied eind 1997.

Grafiek 4: Aandeel euro, dollar en yen in nieuwe

internationale schulduitgifte (in % van totaal)

Bron: ECB maandbericht augustus 1999

De renteverschillen tussen de Europese overheidsobligaties zijn gedurende 1999 redelijk stabiel geweest. De renteverschillen tussen obligaties met eenzelfde resterende looptijd (spreads) geven thans primair een indicatie van het verschil in liquiditeit van de obligaties. Voor wisselkoersrisico (in de vorm van opslagpremie in de rente) is binnen het eurogebied geen plaats meer. Door de grotere verhandelbaarheid van de Duitse overheidsobligaties kan de Duitse overheid over de hele linie goedkoper lenen dan de meeste andere overheden. Het renteverschil in het 10-jaarssegment tussen Nederland en Duitsland bedroeg gedurende vrijwel geheel 1999 10-15 basispunten. Oostenrijk zag zijn spread met Duitsland vanaf het midden van het jaar uitlopen van 15 tot 23 basispunten. De spread van de andere lidstaten was groter en varieerde van 25 basispunten voor België tot 35 basispunten voor Portugal.

De introductie van de euro heeft de concentratie- en fusieactiviteiten in het Europese (financiële) bedrijfsleven aanzienlijk versterkt. De waarde van de (aangekondigde) fusies en overnames in Europa verdubbelden bijna ten opzichte van 1998. Een aantal factoren kunnen aangegeven worden ter verklaring van deze trend. Zo betekent de creatie van een euro-kapitaalmarkt een aanzienlijke vereenvoudiging van de financiering van fusies en overnames. Niet alleen is het wisselkoersrisico verdwenen, maar ook is er sprake van een verdieping van de markt. De toename van uitgegeven bedrijfsobligaties in euros in 1999 is hier een weerslag van. Voorts heeft de introductie van de euro geleid tot herschikkingen in de portefeuilles van beleggers, waardoor het aandeelhouderschap van Europese bedrijven sterker is verspreid. De toekomst zal uitwijzen in hoeverre deze trend zal doorzetten en welke effecten dit zal hebben op het functioneren van de (reële) economieën.

Chartale introductie van de euro

Met de gemeenschappelijke Ecofin-verklaring over de introductie van euromunten en biljetten van 9 november 1999 is een nieuwe stap gezet in de convergentie van nationale omschakelingsscenarios. In deze gemeenschappelijke verklaring geven lidstaten aan dat de periode waarin de oude en nieuwe biljetten en munten tegelijkertijd circuleren vier weken à twee maanden zal duren. Voorts zal alles op alles gezet worden om de feitelijke (massale) omschakeling binnen twee weken te realiseren. Op aandringen van Nederland is in de verklaring eveneens ruimte geboden om in de twee laatste weken van 2001 aan het publiek (en met name aan de kwetsbare groepen) een beperkte hoeveelheid euromunten ter beschikking te stellen. Over de nationale voorbereidingen op de chartale omwisseling is de Kamer onlangs uitgebreid geïnformeerd16 Zie de voortgangsrapportage voorbereiding en uitvoering chartale omwisseling, dd. 15 december 1999.

16.


5. Institutionele aspecten EMU

Met het oog op het goede functioneren van de muntunie moet voortdurend worden nagedacht over zaken als de coördinatie van economisch beleid en de wijze waarop dit beleid in internationale fora wordt uitgedragen. Steeds opnieuw moet daarbij de vraag gesteld worden in welke gevallen het wenselijk is om beleid waartoe de formele bevoegdheid op het nationale niveau ligt, Europees af te stemmen en welke randvoorwaarden aan dit proces moeten worden gesteld17. Deze sectie gaat in op het instrumentarium dat ons ter beschikking staat om de EMU goed te laten functioneren, en geeft aan welke verbeteringen in het afgelopen jaar zijn doorgevoerd.

Economische beleidscoördinatie

De onderlinge verwevenheid van de Europese economieën neemt steeds verder toe. Hierdoor kan de noodzaak ontstaan de economische beleidscoördinatie te verdiepen en te versterken met als doel de monetaire stabiliteit, de budgettaire stabiliteit en de economische dynamiek van de EMU te waarborgen. De EMU kent een coördinatie-raamwerk dat in principe alle facetten van het economisch beleid omvat (begrotingsbeleid, structureel beleid, werkgelegenheidsbeleid, macro-economische dialoog)18 Een beschrijving van dit coördinatie-raamwerk werd reeds gegeven in bijlage 12 van de Miljoenennota 2000 en in de brief over macro-economische beleidscoördinatie in de Europese Unie d.d. 14 april 1999.

18. Het begrip coördinatie is daarbij de vlag die verschillende vormen van afstemming op de diverse beleidsterreinen dekt (lopend van pure uitwisseling van informatie, discussies over best practices, beleidsdialoog, peer review, gezamenlijk vastgestelde actie en formele overeenkomsten). De komende jaren zal continu, op basis van verkregen inzichten, moeten worden bekeken of, hoe, en op welke terreinen de overheden hun beleid moeten coördineren, teneinde de EMU tot volle ontplooiing te brengen.

Een eerste aanzet hiertoe vormt het verslag dat de Ecofin Raad heeft uitgebracht aan de Europese Raad van Helsinki over het functioneren van het coördinatie-raamwerk van de EMU (zie bijlage)19. De Europese Raad heeft het verslag onderschreven. Het verslag gaat in op de beginselen van de economische beleidscoördinatie in de EMU, de tot nu opgedane ervaringen, concrete stappen om de doeltreffendheid van het bestaande raamwerk te verbeteren en methoden om de doorzichtigheid en de legitimiteit van het proces te vergroten. Nederland heeft bij de totstandkoming van het rapport benadrukt dat betere economische prestaties kunnen worden bereikt door een mix van beleidscoördinatie en beleidsconcurrentie. Het coördinatie-raamwerk moet voldoende ruimte bieden om te leren van de best practices in de lidstaten; druk vanuit de markt kan via open en eerlijke concurrentie aan dit proces bijdragen. Verder heeft Nederland erop gewezen dat er geen behoefte is aan nieuwe procedures, maar dat het er vooral om gaat de bestaande regelingen optimaal te gebruiken.

Het verslag is in overeenstemming met de Nederlandse uitgangspunten. Het coördinatie-raamwerk is adequaat, maar kan op een aantal punten verbeterd worden. In het algemeen beveelt het verslag aan om meer aandacht te besteden aan het bereiken van een gemeenschappelijke visie over economische ontwikkelingen en beleidsuitdagingen, de interactie en samenhang tussen de verschillende procedures te verbeteren en een adequate monitoring en follow-up te garanderen. Tevens moet de samenhang tussen de verschillende samenstellingen van de Raad beter worden gewaarborgd, waarbij de rol van de Ecofin Raad in de coördinatie van het economisch beleid moet worden versterkt. Belangrijkste uitdaging voor de komende tijd is om de aanbevelingen uit het verslag aan de Europese Raad van Helsinki naar letter en geest uit te voeren. In de nog jonge muntunie zal dit ongetwijfeld gepaard gaan met vallen en opstaan: het coördinatieproces dient op basis van ervaringen verder te worden verbeterd terwijl het tegelijkertijd beheersbaar moet blijven.

Specifiek betrekking hebbend op de verschillende elementen van het coördinatie-raamwerk kan het volgende worden opgemerkt:

Stabiliteits- en Groeipact

Mede op initiatief van Nederland zijn enkele concrete voorstellen ter verbetering van het proces van multilateraal begrotingstoezicht gedaan. In het verslag aan de Europese Raad van Helsinki worden deze voorstellen onderschreven. Zo zal de gedragscode inzake opzet en inhoud van de programmas20 strikt dienen te worden nageleefd. Dit houdt onder meer in dat de programmas gedetailleerde en vergelijkbare gegevens over macro-economische basisveronderstellingen moeten bevatten. De lidstaten zullen tevens duidelijker moeten aangeven wat er gebeurt met overheidsuitgaven en -ontvangsten, indien de groei onverwacht afwijkt van eerdere voorspellingen (naar analogie van de Nederlandse mee- en tegenvallerformules). Bovendien zal de Ecofin Raad alle geactualiseerde programmas beoordelen en de belangrijkste elementen van de adviezen van de Raad zullen worden opgenomen in de globale richtsnoeren voor het economische beleid. Tevens zal de komende jaren meer nadruk gelegd moeten worden op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op (middel)lange termijn. In het afgelopen jaar heeft het ambtelijke Economic Policy Committee (EPC) enkele werkgroepen in het leven geroepen die zich met deelaspecten van deze problematiek bezighouden.

Proces van Cardiff

Economische beleidscoördinatie op het gebied van structurele economische hervormingen (proces van Cardiff) vindt plaats aan de hand van voortgangsrapportages opgesteld door de lidstaten. Op grond van de eerste ervaringen met het proces van Cardiff heeft de Europese Raad van Helsinki besloten het proces te verbeteren op drie punten. Ten eerste zal meer nadruk worden gelegd op de inventarisatie van good practices bij economisch hervormingen in de lidstaten. De good practices kunnen de lidstaten van nut zijn bij het bepalen van succesvolle hervormingsstrategieën. Ten tweede zal in de toekomst meer aandacht moeten worden besteed aan de implementatie van de aanbevelingen in de globale richtsnoeren voor het economische beleid, opdat deze aanbevelingen niet beperkt blijven tot goede voornemens. Tot slot is besloten om in de rapportages specifieke onderwerpen te belichten. Voor komend jaar is de keuze gevallen op de toekomende kosten van de vergrijzing en, mede met het oog op de komende speciale Europese top in Lissabon in maart 2000, op beleidsmaatregelen ter stimulering van R&D.

Proces van Luxemburg

De lidstaten hebben in 1999 voor de tweede maal in het kader van het proces van Luxemburg de richtsnoeren inzake werkgelegenheid omgezet in nationale actieprogrammas voor de werkgelegenheid. Mede op basis van de nationale actieprogrammas heeft de Europese Commissie een Joint Employment Report (JER) opgesteld. Dit JER is eind november 1999 door de Raad en de Commissie gezamenlijk vastgesteld. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam heeft de Raad in 1999 voor het eerst op basis van het JER aanbevelingen gedaan aan individuele lidstaten ter verbetering van het werkgelegenheidsbeleid. De Europese Raad van Helsinki heeft deze aanbevelingen overgenomen. Tevens heeft de Raad de lidstaten opgeroepen het opstellen en het gebruik van werkgelegenheidsprestatie-indicatoren verder te ontwikkelen om aldus de beoordeling van de uitvoering van de richtsnoeren verder te verfijnen.

Proces van Keulen

Nieuwste element in het coördinatie-raamwerk is de tijdens de Europese Raad van Keulen (juni 1999) afgesproken macro-economische dialoog (proces van Keulen). Bij deze halfjaarlijkse dialoog komen de Raad, de sociale partners, de ECB en de Europese Commissie bij elkaar. Het is de bedoeling dat de betrokken partijen elkaar, zonder aantasting van hun respectievelijke verantwoordelijkheden en onafhankelijkheid, informeren over doelstellingen, inzet van instrumenten en beleidsoriëntaties, zodat elke partij goed geïnformeerd zijn eigen beslissingen kan nemen. De eerste macro-dialoog die op 8 november 1999 heeft plaatsgevonden, is succesvol verlopen. Onder meer werd gesproken over de economische situatie en vooruitzichten in de EU. Nederland is er voorstander van dat de dialoog zich op wat langere termijn niet beperkt tot macro-economische onderwerpen, maar zich verbreedt tot meer micro-economisch getinte onderwerpen. Op deze wijze kan via de dialoog gewezen worden op de noodzaak van structurele hervormingen in het eurogebied. Bij een toekomstige evaluatie van het coördinatie-raamwerk zal dit een aandachtspunt voor Nederland zijn.

Functioneren Euro-11

Op grond van de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg (december 1997) komen de ministers van Financiën van het eurogebied sinds juni 1998 informeel bij elkaar in de Euro-11 om onderwerpen te bespreken die verband houden met hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de euro. Onderwerpen van gemeenschappelijk belang worden daarnaast twee maal per jaar door alle ministers van Financiën van de EU besproken in de uitgebreide Euro-11. Geregeld wordt de President van de ECB uitgenodigd om het monetair beleid toe te lichten. De Euro-11 vindt in de regel plaats voorafgaand aan elke Ecofinvergadering. Nieuw is dat sinds juli 1999 in de Euro-11 behalve over het eurogebied als geheel ook informatie over het budgettaire beleid van individuele lidstaten wordt uitgewisseld. Dit heeft tot een verdere verdieping van de discussie geleid, waarbij de mogelijkheid om peer pressure uit te oefenen is vergroot. Nederland heeft voorgesteld dat deze praktijk wordt voortgezet en wordt verbreed naar structurele hervormingen. Van belang is, en dat is altijd door Nederland gesteld, dat de Euro-11 een informeel overleg blijft dat niet de Ecofin-discussies en besluitvorming mag gaan vervangen.

Al met al heeft de Euro-11 zich het afgelopen jaar ontwikkeld tot een forum waar op constructieve wijze aangelegenheden kunnen worden besproken die voortvloeien uit het delen van een gemeenschappelijke munt. De Euro-11 is geen wig in de EU gebleken, maar waakzaamheid op dit punt blijft wel geboden.

Externe vertegenwoordiging van het eurogebied

Het bezit van een gemeenschappelijke munt betekent dat in internationale fora, zoals het IMF en de G7, over verschillende onderwerpen met één stem moet worden gesproken, hoewel op veel terreinen de lidstaten bevoegd blijven. De EU heeft deze kwestie al vroeg onderkend, zoals blijkt uit de resolutie van de Europese Raad van Luxemburg (december 1997) en het Ecofinrapport aan de Europese Raad van Wenen (december 1998). In 1999 zijn de hierin beschreven voornemens zoveel mogelijk uitgevoerd. Afstemming binnen het eurogebied is veelal in het Nederlandse belang, omdat de stem van Nederland meer gewicht in de schaal legt als het onderdeel uitmaakt van een Europees afgestemd standpunt.

In sommige gevallen bracht de noodzakelijke vertegenwoordiging van de E(M)U in de internationale fora vernieuwingen teweeg. Zo werd de ECB waarnemer in de IMF-board. Gezien de bevredigende ervaringen is het akkoord hierover met de andere IMF-leden eind 1999 voor een jaar verlengd. Daarnaast werd in juni 1999 door de G7 van Keulen een compromis bereikt over de vertegenwoordiging van de Ecofin Raad/Euro-11 bij de G7. De voorzitter van de Euro-11 neemt naast de president van de ECB deel aan de G7 wanneer wordt gesproken over de economische ontwikkelingen, het multilateraal toezicht en de wisselkoersen. De Europese Commissie wordt uitgenodigd indien nodig in het licht van de uitoefening van haar Verdragstaken. Onderling is afgesproken via het Economisch en Financieel Comité (EFC) in de Euro-11 de inbreng van de Ecofin Raad/Euro-11 in de G7 voor te bespreken, terwijl hier ook de terugkoppeling plaatsvindt. Nederland was één van de lidstaten die zich heeft ingespannen om tot deze afspraak te komen.

Voor onderwerpen die niet een directe gemeenschapscompetentie betreffen maar die wel van belang kunnen zijn voor de EMU, werd op de Europese Raad van Wenen gesteld dat pragmatisch zou worden bekeken of er zo nodig gemeenschappelijke oriëntaties aangenomen konden worden. De eerste ervaringen hiermee zijn positief te noemen. Voorbeelden van gemeenschappelijke oriëntaties zijn het Ecofinrapport over het Internationaal Financieel Stelsel (in juni 1999 door de Europese Raad van Keulen verwelkomd) en de verschillende Ecofinbijdragen aan de Gemeenschappelijke Strategieën voor Rusland, Oekraïne en de Middellandse-Zeeregio.

Nederland heeft, direct nadat besloten was dat, naast de president van de ECB, de voorzitter van de Ecofin namens de EU zou plaatsnemen in de G20, gepleit voor een adequate voorbereiding van de inbreng van de lidstaten in deze groep. Zodoende is de inbreng ten behoeve van de eerste G20 bijeenkomst in december 1999 voorbereid door het EFC en informeel besproken tijdens de Ecofin-lunch die plaatsvond en marge van de Europese Raad van Helsinki. Ook is nu afgesproken dat de G10 in het EFC wordt voorbesproken.

III. AANDACHTSPUNTEN VOOR DE KOMENDE TIJD

Naast de direct uit de EMU voortvloeiende beleidsontwikkelingen, waarover in de voorgaande paragraaf is gerapporteerd, is er ook een aantal onderwerpen dat als gevolg van de voortschrijdende integratie een toenemende invloed zal hebben/heeft op het functioneren van de EMU. Te denken valt aan de belastingcoördinatie en het financiële toezicht in de EU en, met het oog op de toekomst, de uitbreiding van de E(M)U.


1. Belastingcoördinatie

Ook op fiscaal terrein is de belangstelling voor beleidscoördinatie de laatste jaren sterk toegenomen. Met het verdwijnen van het wisselkoersrisico in het eurogebied is de aandacht verschoven naar andere belemmeringen voor een verdere marktintegratie, waaronder verschillen in fiscale wet- en regelgeving. Tegelijkertijd is het economisch belang van fiscale verschillen door de grotere mobiliteit van belastinggrondslagen en economische activiteiten toegenomen. De grotere mobiliteit heeft tot gevolg dat de feitelijke fiscale beleidsvrijheid op nationaal niveau soms beperkt is. Een goed voorbeeld daarvan is dat, voor zover de grotere mobiliteit leidt tot erosie van de belastinggrondslagen, een tendens kan bestaan naar een lastenverzwaring op minder mobiele grondslagen zoals arbeid. Dit kan op gespannen voet staan met doelstellingen van nationale overheden. Voor specifieke onderdelen van het fiscale beleid, waar sprake is van negatieve effecten voor andere lidstaten (schadelijke concurrentie), is daarom coördinatie gewenst. In dat licht moeten ook de lopende Europese discussies over het belastingpakket van Europees Commissaris Bolkestein en de energiebelasting worden bezien21.

In de Ecofin Raad en de Europese Raad is het belastingpakket, evenals de energiebelasting, een aantal malen onderwerp van gesprek geweest. Tot op heden is het nog niet gelukt om een compromis te sluiten over het belastingpakket, alhoewel er op verschillende onderdelen progressie te zien is geweest. Vooral de opstelling van het VK bij de discussie over de belasting van rente op spaartegoeden is debet aan het uitblijven van een overeenkomst. Toch is tijdens de Europese Raad in Helsinki overeengekomen om nog een poging te ondernemen om de bestaande impasse te doorbreken. Een speciaal daarvoor in het leven geroepen High-Level Group zal hier het komende half jaar aan gaan werken. Doel is om het belastingpakket af te ronden tijdens de Europese Top in Feira (Portugal) in juni 2000.


2. Ontwikkelingen in het financiële toezicht

In tegenstelling tot het gecentraliseerde monetaire beleid binnen de EMU blijft het financiële toezicht in de EU gebaseerd op het zogenaamde thuisland-principe, zoals afgesproken is in het kader van de interne markt. Het thuisland-principe houdt in dat financiële instellingen onder het toezicht staan van de nationale toezichtsautoriteiten uit het land waarin zij hun thuisbasis hebben. Door middel van dit principe is de verantwoordelijkheid voor het financiële toezicht duidelijk en goed geregeld. Om de financiële stabiliteit ook in muntunie te kunnen waarborgen zijn er al in een vroeg stadium uitgebreide afspraken gemaakt met betrekking tot de informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de ECB en de nationale toezichtsautoriteiten.

Op dit moment hebben alle grote financiële instellingen in Europa nog een duidelijk aanwijsbare thuisbasis. Het is echter mogelijk dat in de toekomst via grens- én sectoroverstijgende fusies internationale financiële conglomeraten worden gevormd waarvan de thuisbasis minder eenduidig is. De komst van de euro geeft immers een nieuwe impuls aan het Europese integratie proces. Daarnaast heeft toepassing van nieuwe technologieën, de voortgaande deregulering en Europese afstemming van regelgeving met betrekking tot de financiële sector de concurrentie tussen financiële instellingen binnen de EU sterk geïntensiveerd. Dit zal op termijn kunnen leiden tot een sterke consolidatie binnen de financiële sector. De aanpassingsprocessen die bij bovenstaande trends plaatsvinden zijn complex en zullen goed gevolgd moeten worden. Dit stelt eisen aan het beleid en uitvoering van het toezicht.

In een omgeving waarin financiële instellingen in aanzienlijke mate grensoverschrijdend opereren, is verregaande samenwerking tussen de diverse nationale toezichthouders nodig. Operationeel zijn er bilaterale samenwerkingsverbanden tussen de thuisland-toezichthouder en die van het gastland, zodat kennis over de lokale markt kan worden uitgewisseld (men denke bijvoorbeeld aan het toezicht op een Nederlands bijkantoor van een Franse instelling). Voorts impliceert het uitgangsprincipe van de interne markt dat het toezicht op consistente wijze binnen de EU wordt toegepast. Zo bestaan er binnen de EU beleidsfora voor alle hoofdsectoren (bank-, verzekerings- en effectenwezen) die deze coördinatie-behoeften kunnen accommoderen22.

De ontwikkelingen binnen de financiële sector en de implicaties hiervan voor de structuur en uitoefening van het toezicht worden in diverse Europese fora onderzocht en besproken. Zo heeft de Ecofin Raad onlangs het mandaat vastgesteld van een werkgroep Financiële Stabiliteit die als belangrijk aandachtspunt de grensoverstijgende aspecten van het toezicht heeft. Een directielid van De Nederlandsche Bank is voorzitter van deze werkgroep. Een ander forum is de Financial Services Policy Group (FSPG). Deze groep geeft strategisch advies aan de Commissie met betrekking tot nieuwe beleidsterreinen en stelt prioriteiten met betrekking tot bestaande beleidsterreinen. In het laatstgenoemde kader heeft de FSPG het Actieplan Financiële Diensten opgesteld23. Doel van het Actieplan is de interne markt voor het grensoverschrijdende financiële dienstenverkeer te voltooien, onder andere door belemmerende regelgeving weg te nemen maar ook door aandacht te besteden aan het toezicht op financiële conglomeraten. De nieuwe vormgeving van het Nederlandse toezicht (oprichting van de Raad van Financiële Toezichtshouders, RFT) sluit goed aan bij de internationale trend om cross-sector te opereren, zoals in het Joint Forum en het Financial Stability Forum24. In deze fora is Nederland rechtstreeks vertegenwoordigd.


3. Uitbreiding EU en EMU

De EMU bereidt zich voor op de toetreding op termijn van nieuwe leden. In de Ecofin Raad van november 1999 werd het excessief tekortoordeel van Griekenland ingetrokken. Naar verwachting zal Griekenland in het voorjaar een verzoek tot toetreding indienen. Van de overige EU-lidstaten die nog niet deelnemen aan de euro, zijn in Zweden en Denemarken gunstige signalen te beluisteren met betrekking tot toetreding tot het Europees wisselkoersmechanisme (ERM) respectievelijk de muntunie. Zoals bekend wordt in het Verenigd Koninkrijk een hevig debat gevoerd tussen voorstanders en tegenstanders van EMU-deelname. De Britse regering probeert vanuit een positieve grondhouding te laveren tussen de scherpe tegenstellingen.

Op de langere termijn zullen de Midden- en Oost-Europese kandidaat-lidstaten hun opwachting maken in de EU. Tijdens de Intergouvernementele Conferentie, die begin februari op ambtelijk niveau van start zal gaan, zal met het oog op de toetreding o.a. het EMU-hoofdstuk in het Verdrag nader worden bezien. In 1999 is onder andere met seminars geprobeerd om vroegtijdig aan de kandidaatlidstaten duidelijkheid te bieden over de strategie tot EU-toetreding en, in een latere fase, tot het eurogebied. Deze contacten worden wederzijds zeer waardevol gevonden en zullen in de toekomst zeker voortgezet worden.

Over een feitelijke toetreding tot het eurogebied door deze lidstaten op de lange termijn moet niet lichtvaardig worden gedacht. Daartoe moeten deze landen eerst laten zien dat zij onder meer beschikken over een functionerende vrije markteconomie die het hoofd kan bieden aan de concurrentiedruk en marktkrachten binnen de EU. Bovendien zullen deze landen, net als de huidige deelnemers aan de muntunie destijds, moeten voldoen aan de convergentiecriteria van het Verdrag.


-o-

ANNEX

Kerncijfers over groei, inflatie en overheidsbegrotingen.

Tabel 1: Groei en inflatie in het eurogebied voor 1999 en 2000

groei

inflatie (HICP)

1999

2000

1999

2000

België

1,8

2,7

1,2

1,2

Duitsland

1,5

2,6

0,6

1,2

Finland

3,9

4,0

1,3

1,9

Frankrijk

2,6

2,9

0,6

1,1

Ierland

7,8

6,9

2,3

2,5

Italië

1,1

2,2

1,7

1,8

Luxemburg

5,0

5,3

0,9

1,2

Nederland

3,0

3,2

2,1

1,8

Oostenrijk

2,1

2,8

0,5

1,1

Portugal

3,1

3,3

2,2

2,5

Spanje

3,6

3,7

2,3

2,2

EU-15

2,1

2,7

1,2

1,5

EU-11

2,1

2,7

1,2

1,5

Bron: Autumn Forecasts 1999 (Europese Commissie)

Tabel 2: Doelstellingen en (verwachte) realisaties voor het EMU-saldo (% BBP)

1998

1999

2000

doelstelling

realisatie

doelstelling

raming

doelstelling

prognose

België


-1,6


-1,0


-1,3


-1,0


-1,0


-0,7

Denemarken

1,1

0,9

2,5

3,0

2,8

2,6

Duitsland


-2,1


-1,7


-2


-1,6


-2


-1,2

Finland

1,1

1,4

2,4

3,5

2,2

4,1

Frankrijk


-2,9


-2,7


-2,3


-2,1


-2,0


-1,7

Griekenland


-2,4


-2,5


-2,1


-1,9


-1,7


-1,6

VK

0,8

0,2


-0,3

0,6


-0,3

1,2

Ierland

1,7

2,0

1,7

2,9

1,4

3,1

Italië


-2,6


-2,7


-2,0


-2,2


-1,5


-1,7

Luxemburg

2,1

2,5

1,1

2,2

1,2

2,1

Nederland


-1,3


-0,8


-1,3


-0,425

n/a


-0,1

Oostenrijk


-2,2


-2,4


-2,0


-2,2


-1,7


-2,6

Portugal


-2,3


-1,5


-2


-1,3


-1,5


-1,2

Spanje


-1,9


-2,3


-1,6


-1,4


-1,0


-0,8

Zweden

1,5

2,3

0,3

1,9

1,6

2,2

EU-15


-1,7


-1,5


-1,4


-1,0


-1,2


-0,6

EU-11


-2,3


-2,0


-1,8


-1,6


-1,6


-1,2

Bron: Doelstellingen: Stabiliteits-en convergentieprogrammas 1999;

(Verwachte) realisaties: Autumn Forecasts 1999 (Europese Commissie).

Tabel 3: Doelstellingen en (verwachte) realisaties voor de EMU-schuld (% BBP)

1998

1999

2000

doelstelling

realisatie

doelstelling

raming

doelstelling

prognose

België

117,5

118,2

114,5

116,3

112,2

112,9

Denemarken

59

58,0

56

54,8

51

51,2

Duitsland

61

61,1

61

61,8

61

61,3

Finland

51,9

49,7

48,5

43,2

46,4

38,3

Frankrijk

58,2

58,8

58,9

59,4

59,0

59,0

Griekenland

107,8

106,3

105,8

104,5

102,5

103,0

VK

47,9

48,7

46,7

46,1

45,4

42,1

Ierland

59

49,5

52

47,0

47

39,3

Italië

118,2

118,7

114,6

117,5

110,9

114,7

Luxemburg

nb

6,9

nb

7,1

nb

7,2

Nederland

68,6

67,5

66,4

65,2

n/a

61,6

Oostenrijk

64,4

63,0

63,5

63,2

62,2

63,2

Portugal

58

57,8

56,8

56,1

55,8

54,6

Spanje

67,4

65,1

66,4

64,0

64,3

62,0

Zweden

74,2

74,2

71,4

69,5

66,7

61,7

EU-15

69,6

69,6

68,4

68,6

67,0

66,3

EU-11

73,5

73,5

72,4

73,1

71,3

71,5

Bron: Doelstellingen: Stabiliteits-en convergentieprogrammas 1999;

(Verwachte) realisaties: Autumn Forecasts 1999 (Europese Commissie)

Tabel 4: Kosten van publieke pensioenen in de Europese Unie (% BBP), bij ongewijzigd beleid

2000

2010

2020

2030

België

9,7

8,7

10,7

13,9

Denemarken

6,4

7,6

9,3

10,9

Duitsland

11,5

11,8

12,3

16,5

Finland

9,5

10,7

15,2

17,8

Frankrijk

9,8

9,7

11,6

13,5

Griekenland

nb

nb

nb

nb

VK

4,5

5,2

5,1

5,5

Ierland

2,9

2,6

2,7

2,8

Italië

12,6

13,2

15,3

20,3

Luxemburg

nb

nb

nb

nb

Nederland

5,7

6,1

8,4

11,2

Oostenrijk

8,6

10,2

12,1

14,4

Portugal

6,9

8,1

9,6

13,0

Spanje

9,8

10,0

11,3

14,1

Zweden

11,1

12,4

13,9

15,0

Bron: OESO

RAAD VAN

DE EUROPESE UNIE

Brussel, 24 november 1999 (26.11)

(OR. en)

13123/99

LIMITE

ECOFIN 243

UEM 85

ONTWERP-

VERSLAG VAN DE RAAD ECOFIN

AAN DE EUROPESE RAAD VAN HELSINKI

OVER DE COÖRDINATIE VAN HET ECONOMISCH BELEID:

HERZIENING VAN HET INSTRUMENTARIUM EN ERVARING

MET FASE 3 VAN DE EMU

_______________


1. Inleiding


1. In de aanloop naar fase 3 van de EMU heeft de Raad ECOFIN het kader vastgesteld voor de coördinatie van het economische beleid in de Economische en Monetaire Unie (EMU); daarbij werd de Raad bijgestaan door de Commissie en het EMI op hun respectieve bevoegdheidsterreinen. Aan de vooravond van de introductie van de euro erkende de Europese Raad van Wenen van december 1998 dat er veel werk was verzet, maar hij herhaalde dat de coördinatie op het gebied van het economisch beleid binnen het overeengekomen kader moet worden verdiept en verstevigd om het welslagen van de EMU en duurzame, werkgelegenheidscheppende groei te garanderen. De Europese Raad verzocht derhalve de Raad ECOFIN aan de Europese Raad van Helsinki verslag uit te brengen over de wijze waarop de coördinatie van het economisch beleid in de derde fase van de EMU heeft gefunctioneerd.


2. Met de introductie van de euro op 1 januari 1999 zijn de procedures, instrumenten en fora voor de coördinatie van het economisch beleid in de EMU volledig in werking getreden. Het is waarschijnlijk dat deze zich naar aanleiding van de opgedane ervaring en tegenover de nieuwe uitdagingen in de loop der tijd verder zullen ontwikkelen. Dit verslag moet daarom worden opgevat als een tussentijdse beoordeling van de werking van de coördinatie van het beleid in de derde fase van de EMU.


3. Bij de uitvoering van zijn mandaat heeft de Raad zich geconcentreerd op vier punten:

i) de beginselen van waaruit het economisch beleid in de EMU moet worden gevoerd;

ii) de tot nu toe opgedane ervaring;

iii) concrete stappen om de doeltreffendheid van het bestaande kader te verbeteren; en

iv) methodes om de doorzichtigheid en de legitimiteit van het proces te vergroten.


2. Overeenstemming over de beginselen


4. Het economisch beleid in fase 3 van de EMU moet worden gevoerd onder volledige eerbiediging van de fundamentele beginselen van het Verdrag. Deze omvatten:

i) het subsidiariteitsbeginsel, dat inhoudt dat de verantwoordelijkheid voor de meeste economische beleidsterreinen nationaal blijft en dat op dat niveau ook de verantwoordelijkheid voor dat beleid moet worden genomen. Evenzo moeten de lidstaten hun begrotingsbeleid in overeenstemming met het Verdrag en het Stabiliteits- en groeipact voeren, al laat deze verbintenis wel ruimte voor keuzes in het binnenlands beleid;

ii) het onafhankelijkheidsbeginsel en de eerbiediging van de verantwoordelijkheden en verplichtingen van de verschillende beleidsmakers. Dit houdt o.a. in dat de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van landen die geen deel uitmaken van de eurozone, ofwel op EU-niveau ofwel op het niveau van de eurozone een dialoog voeren, maar hun monetair beleid niet vooraf coördineren met andere beleidsterreinen. Het houdt ook in dat de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de sociale partners bij het loonvormingsproces worden geëerbiedigd;

iii) het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging;

iv) het beginsel van nauwe coördinatie. Zoals omschreven in het Verdrag houdt dit van de kant van de lidstaten de verplichting in hun economisch beleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang te beschouwen.


5. De voornaamste reden voor het beginsel van nauwe coördinatie is dat de economieën van de lidstaten steeds meer met elkaar verweven raken. De voltooiing van de interne markt en de eenheidsmunt versnellen de economische integratie in de Gemeenschap en werken op steeds meer terreinen door. Hierdoor hebben de lidstaten een steeds groter gemeenschappelijk belang bij elkaars economisch beleid, het vermijden van een solistisch optreden, het scheppen van dezelfde voorwaarden voor iedereen, en een gezamenlijke bijdrage aan de totale prestaties op het gebied van groei en werkgelegenheid in de EU. Omdat verschillen in economisch beleid en de instrumenten voor dat beleid elkaar zowel op nationaal als communautair niveau sterk

beïnvloeden, zal een doeltreffende coördinatie ertoe bijdragen dat het beschikbare beleidsinstrumentarium consequent en efficiënt wordt gebruikt zodat de voorwaarden voor een sterke en duurzame economische groei worden geschapen en de werkgelegenheid wordt bevorderd, terwijl de prijzen stabiel blijven. Een doeltreffende coördinatie maakt het voor de Gemeenschap en voor de nationale beleidsmakers gemakkelijker hun respectieve beleidsdoelstellingen te bereiken.


6. In de geest van bovengenoemde fundamentele beginselen zouden wij ons bij de coördinatie van het economisch beleid onder volledige eerbiediging van de nationale verantwoordelijkheden moeten concentreren op het algemeen beleidskader. Dit houdt in dat schadelijke concurrentie op het gebied van bijvoorbeeld belastingen moet worden vermeden. Er blijft voldoende ruimte over om te leren uit de "beste praktijken" in de lidstaten. Ook de druk vanuit de markt kan via open en eerlijke concurrentie aan dit proces bijdragen. Dergelijke "beste praktijken" fungeren als ijkpunten voor een gemeenschappelijke evaluatie van de nationale aanpak en voor het "uitoefenen van druk op elkaar".


7. Aangezien deelneming aan de eenheidsmunt leidt tot een specifieke onderlinge afhankelijkheid tussen de lidstaten, zijn er zeer gegronde redenen om de beleidscoördinatie binnen de eurozone, met name - maar niet alleen - wat betreft macro-economisch beleid belangrijk te vinden. Dit belang is al in een vroeg stadium onderkend, zoals blijkt uit het Verdrag van Maastricht, dat voorzag in een versterking van de bepalingen die moeten leiden tot een strikte begrotingsdiscipline voor lidstaten van de eurozone. Dit werd nog verder benadrukt in de afspraken van 1997 over het Stabiliteits- en groeipact. Omdat coördinatie een vereiste is voor alle lidstaten, leidde de noodzaak voor een verdieping van de dialoog en voor een coördinatie van de gezamenlijke specifieke verantwoordelijkheden van de deelnemers aan de eenheidsmunt daarenboven tot de oprichting van de Euro-11 Groep in 1998.


8. Het bestaande beleidskader voorziet in verschillende vormen van coördinatie. Deze lopen uiteen van informatie-uitwisseling, besprekingen over beste praktijken, gemeenschappelijke beoordelingen, dialoog, gemeenschappelijk overeengekomen beleidsvoorschriften en
-doelstellingen, wederzijdse beoordeling tot, zo nodig, gezamenlijk vastgestelde acties tussen actoren. In het belang van de doeltreffendheid dient de mate en het soort beleidscoördinatie voor de verschillende beleidsterreinen te verschillen. De ene keer blijft coördinatie dus beperkt tot een dialoog, terwijl de andere keer formeel bindende afspraken voor toekomstige actie op hun plaats zijn.


3. Ervaringen


9. In december 1997 benadrukte de Europese Raad het belang van nauwere coördinatie van het economisch beleid teneinde volledig profijt te kunnen trekken uit de Economische en Monetaire Unie en de interne markt in het belang van alle EU-burgers. Sindsdien, en met name sinds 1 mei 1998 - toen de Raad de eerste deelnemers aan de eurozone aanwees - hebben de Raad en de Ministers het proces van coördinatie van het economisch beleid in een hogere versnelling gezet.

Centrale positie van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid

10. De Raad erkent dat het beleid zoals dat op de verschillende terreinen wordt uitgevoerd, samenhang moet vertonen en dat deze beleidsvormen elkaar moeten versterken om de beste resultaten te bereiken. De Raad heeft daarom de bij het Verdrag (artikel 99) ingestelde globale richtsnoeren voor het economisch beleid een centrale positie in het coördinatieproces gegeven. Deze globale richtsnoeren dienen ter bepaling van de voornaamste doelstellingen en beleidsoriëntaties. Op deze manier sturen zij de verschillende hieronder genoemde processen vanuit een geïntegreerde visie. Tegelijkertijd bekrachtigen en combineren ze eerdere initiatieven in deze processen. Zij staan zodoende aan het begin en aan het eind van een jaarlijks proces van beleidsvorming, -uitvoering en -toezicht. Teneinde de rol van deze richtsnoeren te versterken, heeft de Commissie aanbevolen ze op concrete punten te verbeteren, waarna de Raad deze verbeteringen in de in juli aangenomen richtsnoeren heeft opgenomen. De aanbevelingen werden specifieker, er werd meer nadruk gelegd op structurele kwesties, en de presentatie werd verbeterd. Maar er is nog meer vooruitgang mogelijk (zie punt 4.2). Gezonde overheidsfinanciën

11. Gezonde overheidsfinanciën zijn van cruciaal belang voor het succes van de EMU. Daarom is de Europese Raad akkoord gegaan met het Stabiliteits- en groeipact. De Raad ECOFIN heeft de uitvoering van de bepalingen daarvan, die voor de lidstaten de verplichting inhouden om op middellange termijn een evenwicht of een overschot op de begroting te bereiken, ras ter hand genomen. De Raad ECOFIN was daarnaast van oordeel dat de deelnemende lidstaten meer inspanningen moeten doen om hun schuldenlast snel terug te dringen, naarmate hun schuld/BBP-ratio hoger is. Nog voordat de lidstaten hun eerste stabiliteits- en convergentieprogramma's hadden ingediend, heeft de Raad in oktober 1998 richtsnoeren over inhoud en opmaak daarvan aangenomen. Op dit moment leveren deze programma's goed vergelijkbare gegevens en informatie op, waardoor een diepgaande bestudering en vergelijking mogelijk is. De Raad heeft de eerste ronde van de stabiliteits- en convergentieprogramma's van de lidstaten beoordeeld en over elk programma een advies uitgebracht. De Raad ECOFIN is zich ervan bewust dat er nog steeds ervaringen mee worden opgedaan en dat de inhoud van de programma's, de bepaling van de doelstellingen, de uitvoering van de programma's en de wijze waarop de lidstaten het beste druk op elkaar kunnen uitoefenen nog voor verbetering vatbaar is. Het Economisch en Financieel Comité heeft inmiddels de eerste ronde geëvalueerd en op basis daarvan zijn reeds enkele concrete voorstellen voor verdere verbeteringen gedaan (zie punt 4.2).

Toezicht op de begroting in de eurozone

12. In het kader van de Euro-11 Groep zagen de ministers nauwlettend toe op de uitvoering van de begroting van de lidstaten van de eurozone voor 1998 en namen zij in een vroeg stadium de begrotingsplannen van de lidstaten voor 1999 onder de loep, in overeenstemming met hun verklaring van 1 mei 1998. Op grond van die praktijk besloot de Euro-11 Groep op regelmatige basis in het kader van het proces van begrotingsbewaking de begrotingsplannen informeel te bespreken; derhalve hield zij afgelopen zomer de begrotingsplannen van de lidstaten voor 2000 tegen het licht. Verder maakten de ministers een begin met een nauwlettend toezicht op de nationale begrotingsontwikkelingen door tijdens elke bijeenkomst de ontwikkelingen in een aantal deelnemende lidstaten onder de loep te nemen.

Versterking van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid

13. Met het Verdrag van Amsterdam is een nieuwe titel inzake werkgelegenheid in het EG-Verdrag opgenomen. Volgens de nieuwe verdragsbepalingen dienen de lidstaten hun werkgelegenheidsbeleid uit te voeren op een wijze die verenigbaar is met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. Voorts dient de Raad volgens deze bepalingen richtsnoeren voor de werkgelegenheid op te stellen, waarmee de lidstaten in hun werkgelegenheidsbeleid rekening moeten houden en die verenigbaar moeten zijn met de globale richtsnoeren. De globale richtsnoeren en de werkgelegenheidsrichtsnoeren worden aangevuld door een gezamenlijk jaarverslag van de Commissie en de Raad over de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap en over de uitvoering van de werkgelegenheidsrichtsnoeren. De Raad mag voorts, in voorkomend geval, aanbevelingen doen aan de lidstaten.

14. Vooruitlopend op de toepassing van het nieuwe verdrag werd tijdens de Europese Raad van Luxemburg van 1997 een aanvang gemaakt met de aanneming van werkgelegenheidsrichtsnoeren. In het kader van dit "proces van Luxemburg" werd in 1998 de eerste serie nationale actieplannen voor de werkgelegenheid ingediend en in de Raad besproken. Op basis van deze eerste ervaring dienden de lidstaten hun nationale actieplannen voor 1999 in en in november 1999 presenteerde de Raad de derde serie werkgelegenheidsrichtsnoeren. Het proces van Luxemburg voert de druk op de nationale regeringen voortdurend op. De Raad ECOFIN erkent de rol van de Raad Arbeid en Sociale Zaken in dit proces en is bereid om nauw met die Raad samen te werken en aan diens werkzaamheden bij te dragen om nog meer vruchten te plukken van dit proces.

Beter functioneren van de markt voor goederen, diensten en kapitaal

15. Op 1 mei 1998 verklaarden de Raad en de ministers in het kader van de Raad bijeen, dat zij actie zouden ondernemen ter verbetering van de efficiëntie van de economieën van de lidstaten met het doel om tot een nog gunstiger klimaat voor groei, hoge werkgelegenheid en sociale samenhang te komen. Zij kenden bijzonder belang toe aan een verruiming van de mate waarin groei in nieuwe werkgelegenheid kan worden omgezet, en noemden een aantal gebieden waarop hervormingen een bijdrage aan dat doel zullen leveren, met name door een betere werking van de markten. De ministers kwamen overeen dat zij zullen trachten van elkaar te leren door een dialoog met de lidstaten en de Commissie en door vaststelling van de beste praktijken in eigen land. Nadat de Europese Raad dit proces op zijn zitting van juni 1998 in Cardiff had bekrachtigd, zetten de ministers het "proces van Cardiff"

in werking. Een eerste jaarlijkse bespreking van het nationale economische hervormingsbeleid vond plaats aan het begin van dit jaar; de resultaten werden verwerkt in de globale richtsnoeren voor het economisch beleid voor 1999. De Raad bekeek ook welke vooruitgang was geboekt bij het uit de weg ruimen van de resterende belemmeringen voor de interne markt.

Macro-economische dialoog

16. In juni 1999 nam de Europese Raad van Keulen het Europees Werkgelegenheidspact aan, dat een combinatie is van de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie van het proces van Luxemburg en de structurele hervormingen van het proces van Cardiff, en waarin wordt opgeroepen tot een verdere uitbouw en betere uitvoering daarvan. Daarnaast wordt in het Europees Werkgelegenheidspact een macro-economische dialoog op communautair niveau tussen alle relevante beleidsmakers, met inbegrip van de sociale partners, ingesteld hetgeen het "proces van Keulen" wordt genoemd. Dit is gericht op verbetering van het synergisme van de loonontwikkeling en het monetair, budgettair en financieel beleid, ten einde een sterkere groei en grotere werkgelegenheid te bereiken. Daarbij wordt tegelijkertijd erkend dat prijsstabiliteit en passende loonontwikkelingen van cruciaal belang zijn voor een goede, duurzame economische presentatie op middellange en lange termijn. Het is daarom uiterst belangrijk dat de makers van het macro-economisch beleid op nationaal en communautair niveau en de sociale partners die verantwoordelijk zijn voor het loonvormingsproces in de verschillende lidstaten, een goed inzicht hebben in elkaars standpunten en beperkingen bij het uitoefenen van hun respectieve verantwoordelijkheden. De eerste dialoog op politiek niveau vond plaats in november van dit jaar.

Verbetering van de statistieken

17. Alomvattende statistieken zijn een noodzakelijke basis voor een doeltreffende coördinatie van het beleid. De Raad ECOFIN erkende in de zomer van 1998 dat het op het niveau van de lidstaten en van de eurozone in veel opzichten ontbreekt aan geheel coherente en volledige statistieken die nodig zijn om de ontwikkelingen goed te kunnen evalueren. In januari 1999 stelde de Raad ECOFIN een aantal prioriteiten vast en deed zij aanbevelingen voor acties op dit gebied. Het Economisch en Financieel Comité houdt toezicht op de vooruitgang op dit gebied en kwam afgelopen zomer met het eerste uitvoeringsverslag. Hoewel het een langdurig en moeilijk proces is wordt er goede vooruitgang geboekt en de werkzaamheden ter verbetering van de kwaliteit, de vergelijkbaarheid en de actualiteit van de statistieken voor de eurozone worden voortgezet.


4. Vier stappen om de doeltreffendheid van de coördinatie van het beleid te vergroten

18. De verschillende procedures, instrumenten en fora voor de coördinatie van het economisch beleid zijn met de introductie van de euro volledig operationeel geworden. Uit de ervaring tot nu toe blijkt dat het institutionele kader voldoet, hoewel zich bij de uitvoering van de procedures enkele moeilijkheden hebben voorgedaan. Daarnaast ziet de Raad in dat beleidscoördinatie beperkingen heeft; bijvoorbeeld als gevolg van restricties in de informatievoorziening. Verder maken de talrijke procedures en mogelijke overlappingen daartussen het voor het grote publiek en de markten niet gemakkelijk om een duidelijk inzicht te krijgen in het proces van beleidscoördinatie. Ondanks deze moeilijkheden is de Raad van oordeel dat het bestaande beleidskader grosso modo volstaat om een soepel werkende Economische en Monetaire Unie, een goed functionerende interne markt en duurzame, werkgelegenheidscheppende economische groei te bevorderen. Er is geen behoefte aan nieuwe procedures of regels voordat lering kan worden getrokken uit de uitvoering van hetgeen er al is. De nadruk moet nu liggen op het daadwerkelijk toepassen van de bestaande regelingen en het nauwgezet volgen van de uitvoering van het beleid. Ook doet de behoefte zich gevoelen om de bestaande procedures te stroomlijnen en hun interactie te verbeteren ten einde tot een grotere synergie te komen. De Raad ECOFIN heeft als bevoegde instantie voor de toepassing van de bepalingen van het Verdrag inzake economisch beleid, een cruciale taak bij het verbeteren van het proces van coördinatie van het economisch beleid en de afstemming daarvan op de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. De Raad stelt daarom de volgende concrete maatregelen voor die de procedures moeten stroomlijnen en tegelijk de inhoud van de beleidscoördinatie moeten verbeteren.


4.1. Verbetering van het inzicht in economische ontwikkeling en het bereiken van een gemeenschappelijke visie

19. Een gemeenschappelijke beoordeling van de economische situatie en vooruitzichten en een hoge mate van consensus over de belangrijkste beleidsuitdagingen zijn voorwaarden voor het bereiken van een gemeenschappelijke visie op de passende antwoorden die het beleid moet formuleren. In de verschillende fora zal meer tijd worden besteed aan een intensieve, vrijmoedige en open uitwisseling van informatie en ideeën over de belangrijkste economische kwesties aan de hand van een verbeterde analyse van de huidige en te verwachten economische ontwikkelingen. In dit verband zal bijvoorbeeld aandacht moeten worden geschonken aan het vergroten van het inzicht in de cyclische en structurele elementen van het begrotingsbeleid. Betrouwbare indicatoren voor de positie van elk land en voor de eurozone in haar geheel zijn belangrijk om de begrotingssituatie op nationaal en eurozoneniveau voor de middellange termijn te kunnen beoordelen. Dit betekent dat het opstellen en presenteren van de belangrijkste statistieken en de economische evaluaties en voorspellingen op nationaal en communautair niveau verder moeten worden verbeterd.


4.2. Naar doeltreffender en onderling samenhangender coördinatieprocedures

20. Er is duidelijk nog ruimte voor een betere interactie tussen de verschillende bestaande procedures en voor een verbetering van de samenhang van het gehele systeem. Elke procedure zou beperkt moeten blijven tot de eigen taak. Er moet een duidelijker, vast jaarschema worden ontwikkeld waaraan alle actoren zich houden (zie het schema in het bijgevoegde overzicht). Hoewel coördinatie noodzakelijkerwijs een continu proces is, wordt voorrang gegeven aan macro-economisch beleid en economische hervormingen, die moeten uitmonden in de formulering van globale richtsnoeren in de eerste helft van het jaar en in werkgelegenheidsrichtsnoeren in de tweede helft van het jaar. De procedures aan het begin van het jaar moeten in april resulteren in een aanbeveling van de Europese Commissie voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid.

De centrale positie van de globale richtsnoeren in het coördinatieproces

21. Alle procedures worden zowel qua inhoud als timing zo georganiseerd dat zij daadwerkelijk bijdragen aan de formulering van de globale richtsnoeren in het hart van het coördinatieproces. In de richtsnoeren blijft niet alleen adequate nadruk liggen op de vereisten voor de EU in haar geheel, maar ook op de specifieke situatie van elk land, terwijl beleidsaanbevelingen zo concreet en expliciet mogelijk worden geformuleerd. In de toekomst zal de Raad voorts de globale richtsnoeren nog nauwer laten aansluiten bij de beleidsdoelstellingen voor de lange termijn. De Raad ECOFIN zal nagaan of het mogelijk is de globale richtsnoeren onmiddellijk formeel aan te nemen nadat de Europese Raad van juni conclusies daarover heeft aangenomen, en zal zorgen voor snelle publicatie ervan. Het belangrijkste is dat de Raad nu meer aandacht aan de uitvoering van de richtsnoeren zal besteden (zie punt 4.3).

Versterkte bewaking van de begroting - het Stabiliteits- en groeipact

22. De norm die met de indiening van de eerste stabiliteits- of convergentieprogramma's is gesteld, moet worden gehandhaafd en waar nodig worden aangescherpt. De doeltreffendheid van de procedure voor toezicht op de begroting en de economie wordt vergroot door de volgende twee verbeteringen:

i) striktere naleving van de gedragscode inzake opmaak en inhoud van de programma's. Dit betekent dat de programma's vergezeld moeten gaan van gedetailleerde en vergelijkbare gegevens over macro-economische basisvooronderstellingen, ontvangsten en uitgaven opgesplitst per categorie overheidsdienst en geplande maatregelen, die het aannemelijk maken dat de doelstellingen van de programma's kunnen worden gerealiseerd. De belangrijkste macro-economische vooronderstellingen waarop de programma's berusten, moeten onderling op elkaar aansluiten, met name voor wat betreft de lidstaten van de eurozone. Bovendien zouden de lidstaten duidelijker uiteen moeten zetten hoe hun overheidsfinanciën zouden reageren wanneer de groei onverwachts afwijkt;

ii) een verbintenis om de jaarlijks bijgewerkte programma's in te dienen kort na of tegelijk met de aanneming van de jaarlijkse begrotingsvoorstellen of de documenten voor de begrotingsstrategie voor de middellange termijn waarin de nationale procedures voorzien. Dit zal er mede voor zorgen dat de informatie en de ramingen in de programma's zo actueel mogelijk zijn. Uiterlijk rond het eind van het kalenderjaar worden bijgewerkte programma's ingediend. De voornaamste onderdelen van de adviezen die de Raad na bestudering neemt, zouden in de globale richtsnoeren voor het economisch beleid moeten worden weerspiegeld.

23. De Raad is zich ervan bewust dat de beoordeling van de duurzaamheid van de bijgewerkte programma's voor de middellange termijn moet worden verbeterd en zou het toejuichen indien meer onderdelen van de overheidsfinanciën onder de programma's vallen, en meer nadruk zou komen te liggen op kwesties in verband met de duurzaamheid op middellange of lange termijn.

24. Indien tijdens de behandeling van het bijgewerkte programma blijkt dat het niet van voldoende kwaliteit is, moet de betrokken lidstaat bereid zijn de nodige aanpassingen in het programma aan te brengen en het in de passende fora te bespreken. De Raad zal er in dit verband naar streven de besprekingen met de nodige openhartigheid te blijven voeren en de druk vanuit de partners op te voeren.

25. De begrotingsdoelstellingen die worden vermeld in het gedeelte van de globale richtsnoeren dat specifiek voor bepaalde landen geldt, moeten sporen met het oordeel van de Raad over de jaarlijks bijgewerkte stabiliteits- en convergentieprogramma's. In overeenstemming met de bepalingen van het Stabiliteits- en groeipact en de suggesties in punt 33 moet toezicht worden gehouden op de uitvoering van de programma's.

Bevordering van structurele hervormingen in de economieën van de EU - het proces van Cardiff

26. Op basis van de eerste ervaringen met het proces van Cardiff en het toezicht op structurele hervormingen en innovatie zal de Raad dit proces verbeteren en verder ontwikkelen langs de volgende drie lijnen:

i) er wordt meer nadruk gelegd op de inventarisatie van goede praktijken bij economische hervormingen in de lidstaten. In het kader van het Comité voor economische politiek wordt een beter gestructureerd proces in het leven geroepen om in een vroeg stadium te ontdekken welk soort structurele hervormingen in de lidstaten tot goede resultaten heeft geleid en of dit beleid voor andere lidstaten bruikbaar is. Hierbij is het belangrijk om in het kader van de procedure in verband met de globale richtsnoeren een benchmarkingsysteem voor structureel beleid op de verschillende beleidsterreinen te ontwikkelen;

ii) teneinde een verdergaande analyse mogelijk te maken stelt de Raad elk jaar prioritaire onderwerpen vast waarop tijdens de besprekingen extra nadruk wordt gelegd. De Raad is bijvoorbeeld overeengekomen om zich in 2000 met name te concentreren op de uitdagingen die voor het economisch beleid voortvloeien uit de vergrijzing van de bevolking, en op beleid dat onderzoek en ontwikkeling bevordert;

iii) de Raad zal de uitvoering van de specifiek op bepaalde landen gerichte globale richtsnoeren op het gebied van het structuurbeleid nauwer volgen. Het Comité voor economische politiek zal op basis van de nationale verslagen over de economische hervorming en van de beoordelingen van de Commissie de werkzaamheden van de Raad voorbereiden door middel van strenge wederzijdse beoordeling.

27. Ook zal worden getracht om het aantal verslagen in het kader van de procedure van Cardiff te verminderen. De bedoeling is dat de Commissie voortaan slechts één jaarverslag over hervorming opstelt, waarbij zij zich concentreert op de interne markt. Daarnaast zal de Commissie analyses aandragen voor de in het Comité voor economische politiek uit te voeren wederzijdse beoordeling van de nationale plannen voor economische hervorming. Deze analyses moeten op tijd klaar zijn om de vereiste conclusies te trekken met het oog op de opstelling van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid.

Een gecoördineerde Europese werkgelegenheidsstrategie - het proces van Luxemburg

28. Sinds het proces van Luxemburg moet er meer aandacht worden gegeven aan een grotere synergie en meer samenhang met de andere procedures. De Europese Raad van Wenen riep daarom op tot grotere synergie tussen de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, dit naast het Verdragsvereiste, dat de werkgelegenheidsrichtsnoeren verenigbaar moeten zijn met de globale richtsnoeren. Die synergie zou verder kunnen worden gegarandeerd door de werkgelegenheidsrichtsnoeren nog meer toe te spitsen op de werking van de arbeidsmarkt. De werkgelegenheidsrichtsnoeren zouden baat hebben bij een voortdurende bijstelling van de relevante indicatoren. Verder is het van essentieel belang de richtsnoeren te concretiseren door doelstellingen en termijnen vast te stellen, zoals gevraagd door de Europese Raad van Wenen en van Keulen. De beoordeling van de uitvoering van de werkgelegenheidsrichtsnoeren moet verder worden verfijnd.

Macro-economische dialoog - het proces van Keulen

29. Van alle verschillende processen in de Unie is de macro-economische dialoog tussen alle beleidsmakers het meest recent. De Raad acht het belangrijk dat de dialoog openhartig is, dat de economische situatie en de voorwaarden voor een soepel werkende combinatie van beleidsvormen daarin centraal staan, dat hij de onafhankelijkheid van alle actoren volledig eerbiedigt en het wederzijds begrip doet toenemen. Door de uitwisseling van informatie kunnen de beleidsmakers beter geïnformeerd besluiten nemen over de bijdrage die zij binnen hun eigen bevoegdheid kunnen leveren aan de realisering van de economische doelstellingen van de Gemeenschap. Anderzijds kunnen de besprekingen in het kader van de macro-economische dialoog een nuttige achtergrond vormen voor de voorbereiding van het macro-economische gedeelte van de globale richtsnoeren en voor de opstelling van de
werkgelegenheidsrichtsnoeren.


4.3. Volledige uitvoering van het beleid door adequaat toezicht en een vaste verbintenis van de betrokken autoriteiten

30. Wil de strategie voor een economisch beleid werken, dan is het absoluut noodzakelijk dat de uitvoering ervan via een adequate controle en follow-up wordt gegarandeerd. De Raad zal daarom in het kader van het multilateraal toezicht meer aandacht besteden aan het regelmatig toezicht op de economische ontwikkelingen en op het gevoerde nationale beleid. De Raad zal met name op basis van een verslag van de Commissie de uitvoering van de globale richtsnoeren van nabij bezien alvorens nieuwe richtsnoeren vast te stellen.

31. Voorwaarde voor een doeltreffende coördinatie is de bereidheid om open en eerlijk advies te geven en te aanvaarden, de druk van de partners te accepteren en de noodzakelijke aanpassingen aan te brengen teneinde de gedane toezeggingen na te komen.

32. Volgens het Verdrag is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 99, lid 4, een aanbeveling te doen indien zij van oordeel is dat het economische beleid van een lidstaat niet overeenkomt met de globale richtsnoeren, of de goede werking van de Economische en Monetaire Unie in gevaar dreigt te brengen. De juiste uitoefening van deze bevoegdheid zal ertoe kunnen bijdragen dat het gezag dat uitgaat van het proces van coördinatie van het economisch beleid wordt verstevigd. De Raad is bereid op basis van dergelijke aanbevelingen actie te ondernemen en zo nodig deze aanbevelingen openbaar te maken. De Raad benadrukt dat van deze mogelijkheid tot nu toe geen gebruik is gemaakt en dat niet te vaak naar dit middel moet worden gegrepen wil men de doeltreffendheid ervan zo groot mogelijk houden.

33. Gezien het belang van het begrotingsbeleid wordt, in aanvulling op de jaarlijkse aanpassingen van de stabiliteits- en convergentieprogramma's, de bestaande praktijk om 's zomers en 's winters een algemene bespreking en vooruitblik te houden, voortgezet. Voorts houdt de Euro-11 Groep voortdurend de vinger aan de pols van de begrotingsontwikkelingen in de lidstaten van de eurozone. Indien zich grote veranderingen voordoen in het macro-economisch basisscenario dat ten grondslag ligt aan het stabiliteits- of convergentieprogramma of in andere variabelen van het programma, zal de Raad beoordelen hoe de lidstaat van plan is de gevolgen voor de begroting middels een scenario voor de middellange termijn te ondervangen, en of aanpassing van het beleid vereist is. Daarbij zal de Raad zich baseren op de bepalingen van artikel 6 van de eerste verordening inzake het Stabiliteits- en groeipact, op grond waarvan in een vroeg stadium een waarschuwing kan worden gegeven door in het

kader van artikel 99, lid 4, van het Verdrag aan een individuele lidstaat een aanbeveling te doen. Een dergelijke waarschuwing zal de lidstaten helpen hun begrotingsbeleid gezond te houden en moet voorkomen dat de Raad dient te verklaren dat een lidstaat met een buitensporig tekort kampt, wat zou betekenen dat overeenkomstig artikel 104 van het Verdrag en de bepalingen van het Stabiliteits- en groeipact actie moet worden ondernomen.


4.4. Meer gewicht aan de werkzaamheden van de Raad ECOFIN/Euro-11 Groep en betere samenhang met de activiteiten van andere Raden

34. Volgens het Verdrag neemt de Raad ECOFIN een centrale positie in bij de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten en is deze Raad bevoegd op te treden op de betrokken gebieden (Verklaring nr. 3 bij het Verdrag). De Raad blijft deze verantwoordelijkheid volledig op zich nemen, maar zal voor de opstelling van de richtsnoeren en het toezicht op de uitvoering daarvan in toenemende mate om steun en advies vragen aan andere Raadssamenstellingen, met name de Raad (Interne Markt), de Raad (Industrie) en de Raad (Arbeid en Sociale Zaken) op de gebieden waarop zij deskundig zijn. Bijdragen van deze Raden of de comités die de werkzaamheden van deze Raden voorbereiden, zullen bijzonder belangrijk zijn op het gebied van de structurele hervorming. Deze bijdragen zouden zo vroeg mogelijk in het jaar beschikbaar moeten zijn om te kunnen worden meegenomen in de voorbereiding van de nieuwe globale richtsnoeren.

35. Nauwe samenwerking tussen opeenvolgende voorzitterschappen zou het proces van beleidscoördinatie kunnen versterken, met name doordat specifieke kwesties over een langere tijd en nauwkeuriger kunnen worden bestudeerd.

36. Zonder afbreuk te doen aan de spilpositie van de Raad ECOFIN in het hart van het proces van coördinatie van het economisch beleid en in het besluitvormingsproces, blijven de ministers van de lidstaten van de eurozone elkaar informeel en vertrouwelijk ontmoeten in de Euro-11 Groep. Zij zullen hun besprekingen over kwesties in verband met hun gezamenlijke specifieke verantwoordelijkheden voor de eenheidsmunt overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg verdiepen. Deze ministers ontwikkelen onder andere werkprogramma's

en zorgen voor de operationele follow-up van de bijeenkomsten. Zij bespreken ook kwesties zoals de ontwikkeling van de wisselkoers van de euro, de actuele stand van de rekeningen, de ontwikkelingen op de kapitaalmarkt, en cyclische posities en begrotingssituaties van de deelnemende lidstaten. Wat externe kwesties betreft, heeft de Euro-11 Groep de discussie over het multilateraal toezicht voorbereid die op de G7-top van 25 september 1999 heeft plaatsgevonden. Op basis van de opgedane ervaring zal nog meer vooruitgang worden geboekt bij de vaststelling van gemeenschappelijke standpunten van de eurozone in internationale fora. De ministers zijn o.a. voornemens hun overeenstemming over de toekomstige betrekkingen tussen de euro en de valuta van de kandidaat-lidstaten te vergroten. Zij hechten bijzonder veel belang aan een verdere verdieping van de productieve dialoog met de Europese Centrale Bank, die regelmatig op hun vergaderingen vertegenwoordigd is. De voorzitter van de Raad ECOFIN is op zijn beurt regelmatig aanwezig op de bijeenkomsten van de Raad van bestuur van de ECB. Op grond van de in 1999 opgedane ervaring willen zij proberen een gemeenschappelijk idioon te ontwikkelen, dat is ontworpen door het Economisch en Financieel Comité en door hen zelf zal worden goedgekeurd, zodat zij zich op samenhangende wijze uitlaten over onderwerpen van gemeenschappelijk belang.

37. Overeenkomstig het Verdrag en het Stabiliteits- en groeipact blijft de Raad ECOFIN het aangewezen forum om adviezen of aanbevelingen van de Raad over het begrotingsbeleid van een lidstaat goed te keuren. De Euro-11 Groep blijft toezien op de begrotingsontwikkelingen en het begrotingsbeleid van de lidstaten van de eurozone, en verscherpt dit toezicht in voorkomend geval . Dit continue toezicht zou discussies in de hand moeten werken die erop gericht zijn om het begrotingsbeleid te laten sporen met de globale richtsnoeren of met de criteria van het Verdrag.

38. Zowel de Raad als de Euro-11 Groep verlaat zich op de waardevolle inbreng van de Commissie en, waar passend, de ECB, en laat zich bijstaan door met name het Economisch en Financieel Comité en het Comité voor economische politiek.


5. Grotere transparantie en legitimiteit

39. Door de parlementen erbij te betrekken zal het economische beleid op meer begrip bij het publiek en meer politieke steun kunnen rekenen. Het Europees Parlement is reeds betrokken bij het proces van coördinatie van het economisch beleid. Het neemt deel aan het jaarlijkse beleidsdebat tussen de Commissie en de Raad dat aan de opstelling van de globale richtsnoeren voorafgaat, het geeft advies over de aanbeveling van de Commissie voor de globale richtsnoeren en wordt door de Raad over de tekst daarvan op de hoogte gebracht.

40. De uitvoering van de globale richtsnoeren is van cruciaal belang. De nationale regeringen zouden in dit verband kunnen overwegen de steun voor de globale richtsnoeren op nationaal niveau te vergroten door betere informatie aan en meer dialoog met de nationale parlementen. Voorts zouden zij kunnen nadenken over de vraag hoe zij de steun van hun parlement voor het nationale stabiliteits- en convergentieprogramma kunnen vergroten. Bij de praktische uitwerking hiervan moet rekening worden gehouden met de nationale regels en tradities.

41. Een grotere transparantie zal de doeltreffendheid van de beleidscoördinatie in het algemeen vergroten. Doorzichtigheid is essentieel in de "heilzame cirkel" die via bewustwording en inzicht naar uitvoering leidt. Daarom moet de inhoud van het economisch beleid, de achterliggende gedachte, en de reden waarom het op communautair niveau moet worden gecoördineerd, zorgvuldig worden uitgelegd. Duidelijke taal vergemakkelijkt de communicatie en door met één stem te spreken over belangrijke zaken wordt verwarring vermeden. Het proces moet zo open mogelijk zijn en van vertrouwelijkheid kan alleen sprake zijn wanneer dat noodzakelijk is omdat het gaat om marktgevoelige kwesties. Kleine maar belangrijke stappen in de goede richting zijn ruim van tevoren tijdschema's en, waar nodig, agenda's bekendmaken, en zich daaraan houden.


6. Mandaat

42. De Europese Raad wordt verzocht dit rapport te bekrachtigen en de uitvoering ervan toe te vertrouwen aan de Raad ECOFIN. De ministers brengen in voorkomend geval verslag uit over de uitvoering.

Deel: ' Ministerie van Financien Evaluatie eerste jaar EMU '




Lees ook