expostbus51


MINISTERIE FIN

https://www.minfin.nl

MIN FIN: ONDERZOEK NAAR VOUCHERS IN DE AWBZ

PERSBERICHTNR. 99/067 Den Haag 29 maart 1999

ANTWOORDEN VAN DE MINISTER VAN FINANCIEN OP VRAGEN VAN HET LID VAN DE

TWEEDE KAMER DER STATEN GENERAAL DANKERS OVER ONDERZOEK NAAR VOUCHERS

IN DE AWBZ

VRAGEN:


1.

Kent u het bericht: 'Borst en Zalm ruziën over budget thuiszorg'?

2.

Is onder uw verantwoordelijkheid een onderzoek gelast naar mogelijke alternatieven voor de PGB-regeling? Zo ja, hebt u die verantwoordelijkheid genomen?

3.

Zo ja, waarom is dan na overleg met de bewindspersonen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Kamer, bijvoorbeeld de Vaste Kamercommissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet op de hoogte gesteld van dit onderzoek en de resultaten ervan?

4.

Komt het voor dat uw ministerie zonder overleg met het desbetreffende andere ministerie zonder overleg met het desbetreffende andere ministerie acties onderneemt over regelingen waarvoor andere departementen c.q. bewindslieden verantwoordelijk zijn? Wilt u uw antwoord motiveren?

5.

Als vraag 2 bevestigend wordt beantwoordt, is dat onderzoek dan een reactie op de evaluatie van het PGB , of heeft het daar niets mee te maken? Kunt u uw antwoord motiveren?

6.

Is het onderzoek gehouden, of is daar opdracht toe gegeven, v¢¢r of na de bespreking van de evaluatie van het PGB door de Tweede Kamer in oktober 1998?

7.

Ligt aan het initiatief tot het doen van het onderhavige mede ten grondslag de gedachte dat gebruikers van het PGB (ouderen, gehandicapten) zouden neigen tot oneigenlijk gebruik, misbruik of fraude, zoals gesuggereerd wordt in het in vraag 1 bedoelde bericht? Zo ja, kunt u motiveren op welke ervaringen deze zijn gebaseerd?

8.

Wordt in het onderzoeksrapport een vouchersysteem gepresenteerd als alternatief voor het PGB?

9.

Is dit alternatief ingegeven door de gedachte om de reguliere thuiszorg te beschermen tegen nieuwkomers, in casu tegen marktwerking?


10.

Hoeveel procent van het budget wordt besteed aan het PGB? Kunt u tevens aangeven hoeveel procent daarvan wordt aangewend voor mantelzorgers die aanvankelijk hun diensten onbetaald aanboden?


11.

Bestaan er principiële bezwaren tegen het feit dat een budgethouder een arbeidscontract sluit met iemand die zij/hij kent? Zo ja, wat zijn die bezwaren?


12.

Zal de vermeende aanzuigende werking van het PGB niet eerder het gevolg zijn van de lange wachttijden en wachtlijsten dan van de wens van gebruikers om familie, vrienden en bekenden geld te doen toekomen? Kunt u uw antwoord motiveren?
ANTWOORDEN:


1.

Ja.

2, 7, 8 en 9.
De hoofddoelstelling van het onderzoek was om de economische effecten op langere termijn van een voucher-systeem in de AWBZ-sector in kaart te brengen. De belangrijkste aspecten daarbij waren: (1) de budgettaire beheersbaarheid en (2) de mogelijke doelmatigheidswinsten.
Het Ministerie van Financiën heeft het onderzoek laten uitvoeren omdat in eerdere publicaties van het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS) was geconstateerd dat van een PGB-regeling een aanzuigende werking kon uitgaan. In het onderzoek is daarom gezocht naar een instrument dat de voordelen van een PGB bezat ten aanzien van (i) de keuzevrijheid en flexibiliteit voor de consument en (ii) de doelmatigheidsvoordelen aan de kant van de zorgaanbieder, maar tegelijkertijd de onbedoelde aanzuigende werking zou kunnen tegengaan. Een dergelijk instrument kan een voucher met eigen bijdrage zijn. De vijf centrale onderzoeksvragen waren:

- Welke sectoren lenen zich voor een voucher-benadering?
- Hoe stelt men vouchers vast?

- Hoe groot zijn doelmatigheidswinsten?

- Welke vraageffecten kunnen ontstaan?

- Blijven de budgetten beheersbaar?

3.

Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord, waarom is dan na overleg met de bewindspersonen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Kamer, bijvoorbeeld de Vaste Kamercommissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet op de hoogte gesteld van dit onderzoek en de resultaten ervan.

4.

Het Ministerie van Financiën voert vaker onderzoeken uit met betrekking tot bepaalde beleidsvarianten die budgettaire consequenties kunnen hebben. De onderzoeken van het Ministerie van Financiën zijn bedoeld om de Minister van Financiën in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de budgettaire consequenties van mogelijke beleidsvoorstellen van andere ministers, en de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorstellen. In voorkomende gevallen vindt voorafgaand aan, of in de loop van, het onderzoek overleg plaats met het betrokken departement. Uiteraard zijn en blijven de bewindslieden van het betrokken departement verantwoordelijk voor het kabinetsbeleid op hun beleidsterrein en het informeren van de Kamer hierover.

5 en 6.
De opdracht voor het onderzoek is gegeven op 2 september 1997. Het onderzoek houdt derhalve geen verband met het Algemeen Overleg van 6 oktober 1998. Wel hebben de onderzoekers gebruik gemaakt van de resultaten van de Beleidsgerichte evaluatie van het persoonsgebonden budget 1996-1997 (Miltenburg en Ramakers; Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen).


10.

In 1999 wordt circa 4% van het thuiszorgbudget en circa 1,5% van het verstandelijk gehandicaptenbudget binnen de AWBZ besteed aan PGB.s. Het percentage van het PGB-budget dat wordt aangewend voor mantelzorgers die aanvankelijk hun diensten onbetaald aanboden is niet onderzocht en is mij onbekend. Wel is uit onderzoek (voortgangsrapportage persoonsgebonden budget 1997) bekend dat in 1997 9% van de aanvragers van een PGB-VV (verpleging/verzorging) op het moment van de aanvraag onbetaalde informele zorg genoot. Bij het PGB-VG (verstandelijk gehandicapten) ligt dit percentage hoger. Hoeveel budgethouders vervolgens hun voorheen onbetaalde mantelzorgers op basis van het verkregen PGB zijn gaan belonen is niet bekend.


11.

Nee. Het enige wat hierbij van belang is, is dat (i) de kwaliteit van de verpleging of verzorging van de patiënt gegarandeerd kan worden, (ii) dat in zijn algemeenheid wordt voldaan aan alle wettelijke fiscale, sociale en overige verplichtingen van de werkgever en (iii) dat de administratieve lasten voor de overheid en patiënt zoveel mogelijk worden beperkt.


12.

Een afweging van patiënten tussen wachtlijsten en de wens om familie, vrienden en bekenden geld te doen toekomen is niet in het onderzoek betrokken.

Woordvoerder: ir. N.M. Zoon
tel.nr.: 070 - 342 8124

Deel: ' Ministerie van Financien onderzoek naar vouchers in de AWBZ '




Lees ook